ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 01-05-2016

De Wet natuurbescherming: soortenbescherming

In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over de Nieuwe Wet natuurbescherming. “De Wet natuurbescherming: soortenbescherming”

Inmiddels is bekend geworden dat de Wet natuurbescherming (Wn) januari 2017 in werking zal treden. Om iedereen een kans te geven om zich goed voor te bereiden op de nieuwe wet staat de Wn dit jaar centraal in het Journaal Flora- en fauna. Het is ook een bijzonder moment in de geschiedenis van de natuurbescherming. Ook in deze wet staat de implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen centraal. Het blijft bijzonder dat we zoveel jaren na het van kracht worden van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn nog steeds bezig zijn met het implementatievraagstuk.  En zoals u zult lezen in onze bijdrage roept de Wn bij ons wederom nieuwe vragen met betrekking tot de implementatie op.

In dit artikel beginnen wij met een korte geschiedenis van het soortenbeschermingsrecht in Nederland. Vervolgens worden in dit artikel de verschillen in soortenbescherming tussen verschillende categorieën soorten (vogels, strikt beschermde soorten en andere soorten) beschreven, waarbij nadrukkelijk naar de doorwerking van het (internationale en Europese) recht wordt gekeken. De nadruk ligt op de verbodsbepalingen, gezien de beperkte beschikbare publicatieruimte. Belangrijke vragen zijn dan ook of de soortenbescherming zoals ze nu is vastgelegd en bedoeld voor de praktijk gaat werken en of de mogelijke problemen rond de implementatie van de richtlijnen zijn opgelost. Andere belangrijke vaag is of het beschermingsniveau voor soorten is verhoogd, of verlaagd. Het artikel sluit af met een oordeel over de wijze waarop de soortenbescherming onder deze nieuwe wet zal zijn geregeld.

Inleiding: een kleine geschiedenis

De doorwerking van de Vogel- en Habitatrichtlijn leidde eind jaren negentig van de vorige eeuw, ruim voor de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet, al tot problemen, vooral bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Soortenbescherming was toen nog gereguleerd via de toenmalige Natuurbeschermingswet. In het bij de wet behorende Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet waren de eisen voor ontheffingverlening uit artikel 16 Habitatrichtlijn geïmplementeerd.  Er werd veel en heftig over de korenwolven geprocedeerd, naar aanleiding van de bedrijventerreinen Beitel-Zuid en Aachen-Heerlen.[1] Centraal in de zeer diverse jurisprudentie  stond de vraag naar de wijze van implementatie van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De Vogelrichtlijn (daterend van 1979) had Nederland begin jaren negentig al een veroordeling van het Hof van Justitie wegens onvoldoende implementatie opgeleverd: “De criteria op basis waarvan de lidstaten mogen afwijken van de door de richtlijn voorgeschreven verboden, moeten worden overgenomen in duidelijke nationale bepalingen, daar de nauwkeurigheid van de omzetting van bijzonder belang is in een geval waarin het beheer van het gemeenschappelijk erfgoed voor hun respectieve grondgebied aan de lidstaten is toevertrouwd.”[2] De Flora- en faunawet zou naar verwachting het implementatieprobleem oplossen, maar kende een lange totstandkomingsgeschiedenis.

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet trad op 1 april 2002 in werking, samen met een groot aantal voor het soortenbeschermingsrecht essentiële algemene maatregelen van bestuur. Bij de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet was ontheffingverlening van de in artikel 8 tot en met 12 Ffw opgenomen verbodsbepalingen door middel van toepassing van art. 75 Ffw, slechts mogelijk als geen afbreuk werd gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, er geen andere bevredigende oplossing bestond en een belang aanwezig was als bedoeld in het (toen geldende) Besluit vrijstellingen beschermde dier- en plantensoorten. Dit wordt wel het ‘strikte afwegingskader’, of de uitgebreide toets genoemd. Dit strikte afwegingskader bleek belemmerend te werken in het maatschappelijk verkeer, omdat het ook van toepassing was op zeer algemeen voorkomende soorten.[3] Dat betekende in de praktijk, dat in geval van kleinschalige ingrepen met betrekking tot enkele algemene soorten, bijv. het plaatsen van een extra stal op een plek waar een sloot aanwezig is met daarin groene kikkers en watersalamanders, geen ontheffing kon worden verleend. De gunstige staat van instandhouding was weliswaar niet in het geding, maar er was geen sprake van ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’.[4]

Wijziging in het beschermingsregime onder de Ffw; onderscheid ‘algemeen en strikt beschermd’

Het onderscheid tussen ‘algemeen’ en ‘strikt’ beschermde soorten bestond dus in eerste instantie niet. De situatie was ten opzichte van het verleden onder het Besluit vrijstellingen en ontheffingen Natuurbeschermingswet daarmee sterk veranderd: veel meer soorten dan alleen de op grond van de in dat Besluit aangewezen beschermde soorten werden nu door de wettekst zelf beschermd en vielen onder een ontheffingsplicht. Drie maanden na de inwerkingtreding[5] is artikel 75 Ffw echter gewijzigd. Met deze wijziging werd de strikte afweging beperkt tot soorten die vallen onder het (toenmalige) lid 5 van artikel 75 Ffw. Dit zijn vogelsoorten waarop de Vogelrichtlijn van toepassing is, de in bijlage IV van de Habitatrichtlijn genoemde soorten en bij AMvB aangewezen soorten. Deze versoepeling bleek voor bouwbedrijven, bosbouw, landbouw en recreatiesector echter onvoldoende soelaas op te leveren. Veel werkzaamheden zouden, ondanks de aanpassingen van de regelgeving, nog steeds niet zonder overtreding van de Flora- en faunawet kunnen worden uitgevoerd.[6]

De onvrede over de uitwerking van het soortenbeschermingsrecht leidde in 2005 tot een nieuwe wijziging van de regelgeving. In dat jaar werd het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten[7] (verder: Vrijstellingenbesluit) verruimd. Er werden meer mogelijkheden gecreëerd om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen van de verbodsbepalingen als neergelegd in artikel 8 tot en met 12 van de Ffw. Deze verruimde mogelijkheden hebben vooral betrekking op de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer, onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.[8] In een aantal gevallen kan een vrijstelling worden bewerkstelligd door gebruik te maken van een door de minister goedgekeurde gedragscode.[9] Deze wijziging van het Vrijstellingenbesluit heeft tijdens de behandeling van het voorstel in het wetgevingsproces en – na totstandkoming – in de literatuur[10] geleid tot veel kritiek op de toegenomen complexiteit van de regelgeving en de mogelijke strijdigheid van door de wijzigingen tot stand gebrachte vrijstellingen en ontheffingsmogelijkheden met de Vogel- en Habitatrichtlijn. Dat laatste bleek inderdaad het geval. De belangrijkste uitspraken daarover van de Afdeling bestuursrechtspraak dateren van 21 januari 2009[11] en 13 mei 2009.[12] Steeds weer blijkt de implementatie van de richtlijnen een aangrijpingspunt in beroepsprocedures.

Wet natuurbescherming

Met de Wet natuurbescherming wordt gepoogd om een eind te maken aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. De wet moet ons het huidige ingewikkelde en ondoorzichtige stelsel van natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuur­beschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, snel doen vergeten, door de introductie van ‘één integraal en vereenvoudigd kader.’ Het voorgestelde nieuwe stelsel neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt en beoogt qua systematiek dicht tegen de formuleringen uit de richtlijnen aan te kruipen.

Beschermingsregime vogels

Nieuw is dat in artikel 3.1 Wn direct een link wordt gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn., voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. De reikwijdte van artikel 3.2 Wn inzake het verbod op het in bezit hebben, vervoeren en verhandelen van vogels heeft ook betrekking op vogels die niet van nature in Nederland voorkomen.

In de artikelen 3.1 e.v. Wn is het beschermingsregime voor vogels neergelegd. Artikel 3.1 Wn omschrijft de verboden handelingen met vogels . Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verboden om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Dit is dus een verschil met de huidige regeling in de Ffw waarin deels ook niet opzettelijke handelingen verboden zijn. Opzet omvat echter tevens voorwaardelijk opzet , waardoor nog altijd een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen blijft vallen.[13]

Het huidige verbod op het verwonden van vogels is, aldus de MvT, gedekt door het verbod in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (thans de: Wet dieren). Zie over het vervallen van dit verbod meer in dit artikel onder het kopje “Verbod op verwonden dieren”.

Wezenlijk invloed

Er is uitdrukkelijk voor gekozen om het beschermingsregime voor vogels iets te versoepelen ten opzichte van het huidige systeem onder de Ffw. Nieuw is dat het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Het begrip “wezenlijk invloed” wordt ook onder de Ffw gebruikt.[14] Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Het dient blijkens de MvT per geval te worden bepaald of er sprake is van wezenlijke invloed. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort en een ecoloog zal meten bepalen of daarbij gekeken moet worden naar de lokale, regionale, landelijke of Europese[15] populatie. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen. Als voorbeelden geeft de Mvt dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Ook een tijdelijk effect is over het algemeen niet van wezenlijke invloed. Bij een tijdelijke verstoring kan de populatie zich gemakkelijker herstellen dan wanneer het gaat om een aanhoudend negatief effect. De rechtspraak over de uitleg van het begrip wezenlijke invloed gaat daar overigens nu ook al van uit.[16]

Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. Let wel op, dit geldt alleen voor het verstoren en niet voor het vernielen of beschadigen van nesten. Daarmee is overigens het “probleem” dat zich voordoet bij jaarrond beschermde vogels nog niet opgelost. Immers deze vogels mogen misschien wel worden verstoord, maar de nesten mogen nog altijd niet verwijderd worden (want dat zou vernielen en beschadigen betreffen). Echter, er kan wellicht wel op een eenvoudiger wijze voor gezorgd worden dat de jaarrond beschermde vogels kiezen voor de nieuwe alternatieve nestplaatsen/kasten. Verstoring van het dier kan er immers voor zorgen dat het dier niet langer naar het bestaande nest toe wil en dan kiest voor een nieuw nest. Hier biedt de Wn dus wel degelijk een oplossing voor een in de praktijk bestaand groot probleem.

Vrijstellingen, ontheffingsgronden, criteria en gedragscodes

De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Deze vrijstellingen dienen steeds bij verordening door provinciale staten te worden verleend. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van een ontheffing. Of en in hoeverre men voor strikt beschermde soorten en vogels adequaat en juridisch deugdelijk een dergelijke vrijstelling kan verlenen is stof voor een afzonderlijk artikel. Op voorhand zijn wij van mening dat een individuele toetsing van een concreet geval meer past bij de dwingende kaders van de Vogel en Habitatrichtlijn (VHR) dan generieke vrijstellingen op voorhand.[17]

De Wn voorziet niet meer in een specifieke ontheffingsmogelijkheid voor het rapen van kievitseieren en voor het preparen van dieren. Toestemming voor deze activiteiten kan echter nog wel worden verleend. Er dient dan vrijstelling op grond van artikel 3.1 e.v. Wn te worden verleend. Provincies zijn bevoegd om de vrijstelling voor het rapen van kievitseieren te verlenen (artikel 3.2. lid 2 Wn).

Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien:

(i) er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is;

(ii) er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en

(iii) er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.

Voor het beoordelen of er sprake is van een andere bevredigende oplossing wordt in de Memorie van Toelichting gewezen op de huidige jurisprudentie en uitleg van dit begrip. Zo kan gedacht worden aan minder schadelijke alternatieven voor de activiteit of een andere wijze van uitvoering, waarbij echter wel moet worden gelet op het feit dat de alternatieven moeten zien op de meest bevredigende oplossing voor de soort en niet voor de handeling of activiteit die iemand wil uitvoeren.[18] Ook mag er (zoals nu ook reeds het geval) geen sprake zijn van een verslechtering van de instandhouding van de soort. Lastig is daarbij altijd dat eerst de omvang van de populatie moet worden bepaald. Is de populatie lokaal, regionaal of landelijk. Voor de beantwoording van de vraag of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt kan gebruik gemaakt worden van het zogenaamde ORNIS-criterium of 1% criterium. Vorig jaar is door de Afdeling[19] uitgemaakt dat dit criterium ook gebruikt kan worden voor vleermuizen. De Afdeling[20] heeft heel recent nog een nadere uitleg gegeven die van belang is bij de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van de soort aan de hand van het ORNIS criterium in geval van het vervangen van bijvoorbeeld een hoogspanningskabel, zoals in de uitspraak aan de orde. De Afdeling komt tot de conclusie dat voor het beoordelen of de gunstige staat van instandhouding van een soort in gevaar is, bij toepassing van het ORNIS criterium gekeken moet worden naar het effect van de nieuwe aangevraagde activiteit, minus de reeds bestaande activiteit (indien die activiteit dan ook gestaakt wordt. De Afdeling oordeelt namelijk dat er niet gekeken hoeft te worden naar de “jaarlijkse natuurlijke sterfte”, maar naar de “jaarlijkse sterfte”.

De gronden die aan een ontheffing van de ten aanzien van vogels geldende verbodsbepalingen ten grondslag gelegd kunnen worden zijn niet gewijzigd ten opzichte van het huidige systeem. De Vogelrichtlijn wijst de ontheffingsgronden dwingend en limitatief aan. Dat betekent dat voor vogels nog altijd geen ontheffing kan worden verleend op grond van bijvoorbeeld een “dwingende redenen van groot openbaar belang”.

De ontheffingsgronden zijn:

i)  in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

(ii) in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

(iii) ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;

(iv) ter bescherming van flora en fauna;

(v) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, en het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt; en

(vi) teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

In een ontheffing met betrekking tot vogels moeten op grond van artikel 3.3 lid 5 verplicht voorschriften worden opgenomen of regels worden gesteld over de middelen of methoden waarmee de dieren mogen worden gevangen of gedood. Onder de huidige wet worden soms ontheffingen verleend voor het vangen en doden van vogels met middelen die niet in de wet zijn genoemd.  De rechtbank Zeeland stelde recent (in navolging van de Afdeling) dat dodingsmiddelen mogen worden aangewend die wettelijk als toegestane middelen zijn vermeld.  Dit zou volgen uit artikel 9 lid 2 van de Vogelrichtlijn, gezien in combinatie met het verbod op het gebruik van niet selectieve vangmiddelen als neergelegd in artikel 8 van de Vogelrichtlijn.[21] De Wn geeft in artikel 3.4 lid 2 aan GS andermaal de mogelijkheid om middelen en methoden toe te passen die niet in de wet als toegelaten zijn opgenomen.

Volgens artikel 3.31 Wn kunnen, anders dan thans het geval is, gedragscodes voor o.a. ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op grond van de wet, ook betrekking hebben op vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn. Daarvoor moet dan wel een met de Vogelrichtlijn verenigbare grond als bedoeld in artikel 3.3. worden aangegeven bij de aanvraag voor goedkeuring. In de gelijknamige paragraaf bij ‘strikt beschermde soorten’ wordt verder ingegaan op de gedragscode.

Vogels en het Verdrag van Bern/ Bonn

Artikel 3.1 Wn ziet dus op alle vogels die op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn beschermd zijn. Artikel 3.5 Wn, waarop uitgebreid wordt ingegaan op in de paragraaf “Beschermingsregime ‘strikt beschermde’ soorten” ziet op het beschermingsregime voor soorten die beschermd zijn op grond van bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van het Verdrag van Bern en Bonn staat ook een aantal vogelsoorten genoemd. In bijlage II van het Verdrag van Bern staat bijvoorbeeld de Amerikaanse  grote stern, de appelvink, de bosuil, de brandgans en nog een groot aantal andere vogelsoorten. Het Verdrag van Bonn noemt bijvoorbeeld de kleine torenvalk en de zeearend. Artikel 1 Vogelrichtlijn verwijst niet naar een specifieke bijlage, maar beschermt alle vogels. Artikel 1 Vogelrichtlijn luidt immers: “Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.”

Voor vogels die op een bijlage van het Verdrag van Bern of Bonn staan, geldt derhalve dat deze vogels ook op grond van de Vogelrichtlijn bescherming genieten. Het is ons onduidelijk onder welk beschermingsregime de dieren straks vallen. Artikel 3.1 Wn kent geen verbod op verstoren indien de verstoring geen wezenlijke invloed heeft, maar de ontheffingsgronden zijn op grond van dit artikel beperkter dan de ontheffingsgronden ex artikel 3.5 Wn, waaronder bijvoorbeeld ook ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ valt. Naar onze mening kan deze laatstgenoemde ontheffingsgrond voor vogels  – die tevens zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn – niet worden gebruikt. De tekst van de Wn is echter niet helder op dit punt. Naar ons oordeel zal  steeds gekozen moeten worden voor het strengst mogelijke regime voor een vogel. Als verstoringsverbod zou bijvoorbeeld de bepaling van artikel 3.5 lid 2 als uitgangspunt dienen te worden genomen en zal geen gebruik kunnen worden gemaakt van de inperking van het verstoringsverbod als bedoeld in artikel 3.1 lid 5, waarbij het verbod op verstoren van vogels wordt beperkt tot een verstoring die van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoort is. Een ontheffing kan echter alleen op grond van de in de Vogelrichtlijn opgenomen ontheffingsgronden worden verleend. Deze situatie zou betekenen dat er van regime naar regime overgesprongen moet worden bij de ontheffing verlening en handhaving van de verboden, voor een en dezelfde soort! Wij hopen dat de wetgever ingrijpt voordat de wet straks in werking treedt en dit punt in – bijvoorbeeld – een Veegwet zal aanpassen. Tenzij dit uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest, natuurlijk. Dan wordt echter wel afbreuk gedaan aan het uitgangspunt dat de Wn zou leiden tot ‘één integraal en vereenvoudigd kader’.

Beschermingsregime ‘strikt beschermde’ soorten

In artikel 3.5 Wn wordt het opzettelijk doden, vangen, verstoren, vernielen van eieren van dieren genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied, verboden. Daarnaast is het verboden een rust- of voortplantingsplaats te beschadigen, of vernielen. In het vijfde lid van dit artikel wordt bepaald dat het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Opvallend is dat, ten opzichte van het regiem dat gold onder de Flora- en faunawet, de basis van strikt beschermde soorten wordt verbreed: niet alleen de Habitatrichtlijn, maar ook soorten op bijlagen bij het Verdrag van Bern en Bonn komen nu op het lijstje voor. De verplichtingen voortvloeiend uit de Verdragen van Bern en Bonn worden in grote mate gedekt door het bepaalde in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Er bestaan echter ook een aantal verschillen. Het grootste gedeelte van de in bijlagen I en II bij het Verdrag van Bern opgenomen dier- en plantensoorten komt ook voor op de lijst van soorten van bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. Zeven soorten worden echter niet in bijlage IV genoemd, waaronder de mercuurwaterjuffer, de liggende raket en de tonghaarmuts.[22] Daarnaast staan er vogelsoorten in de bijlage genoemd, hier zijn wij hiervoor reeds ingegaan .

Verboden handelingen ten opzichte van strikt beschermde soorten

In artikel 3.5 lid 1 is bepaald dat het verboden is in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is grotendeels een vertaling van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onderdeel a van de Habitatrichtlijn. Ook hier geldt dat het verbod slechts ziet op ‘opzettelijk’ handelen. Als de term ‘opzettelijk’ niet zou zijn toegevoegd aan de verbodsbepaling zou dat niet in lijn met het uitgangspunt van de wet om nauw aan te sluiten bij de bepalingen van de Habitatrichtlijn.

Een gevolg van het beperken van het verbod op opzettelijk doden van dieren is dat het ‘bij toeval’ of niet opzettelijk doden buiten het verbod valt. Dit is een groot verschil met de situatie onder de Flora- en faunawet, waarbij het verbod op het doden van dieren ook zag op situaties waarin doden niet beoogd, of voorzien was. Het niet opzettelijk doden, verstoren etc. is onder de Ffw uitdrukkelijk verboden. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak was van oordeel dat met het doden van beschermde dieren, daargelaten of die doding voorzienbaar dan wel incidenteel is, het verbod op het doden werd overtreden.[23] Dit gaf de noodzaak tot het verlenen van een extra vrijstelling voor bijvoorbeeld het in bedrijf hebben van windmolenparken, waarbij incidenteel slachtoffers vallen.[24]

Het ‘niet opzettelijk’ doden en vangen van dieren valt niet onder het verbod, opgenomen in artikel 3.5 lid 1 van de Wet natuurbescherming. Ook het niet opzettelijk doden van strikt beschermde dieren heeft echter gevolgen voor de soort. Daarom is in de Habitatrichtlijn ook de verplichting opgenomen dat lidstaten een systeem van toezicht moeten instellen op het bij toeval vangen en doden van diersoorten, die genoemd worden in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.[25] Het is niet duidelijk hoe deze verplichting in de Wet natuurbescherming is vertaald.[26]

Verstoren van strikt beschermde soorten

In het tweede lid van artikel 3.5 is het verbod om strikt beschermde dieren opzettelijk te verstoren opgenomen. Artikel 12 van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten tot het opnemen van een verbod tot het opzettelijk verstoren van dieren, ‘vooral tijdens perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek’.  Met de Nederlandse wijze van implementeren kun je twee kanten op redeneren: aan de ene kant lijkt het Nederlandse verbod iets ruimer dan strikt voorgeschreven in de richtlijn. Door het wegvallen van de in de richtlijn opgenomen nuancering valt echter ook weg dat verstorend handelen gedurende zo’n kwetsbare periode eerder als van invloed op de staat van instandhouding moet worden gekwalificeerd dan buiten een dergelijke periode.  De Commissie gaat in haar Gidsdocument[27] in op het verbod op verstoringen zoals opgenomen in artikel 12, eerste lid, onder b, van de Habitatrichtlijn. Verstoringen moeten per soort worden beoordeeld in het licht van de intensiteit, duur en frequentie van herhaling van de verstoring. De Commissie geeft tevens aan dat bij de verstoring moet worden beoordeeld wat het effect op de staat van instandhouding van de soort kan zijn. Juist een verstoring gedurende een kwetsbare periode kan een extra negatief effect hebben en aan een in beginsel niet strafbare incidentele verstoring een extra mee te wegen element toevoegen.

Beschermen van rust- en voortplantingsplaatsen en groeiplaatsen van planten

In artikel 3.5 lid 3 van de Wet natuurbescherming is het verbod op het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten neergelegd. Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn, geldt voor deze verbodsbepaling niet het opzetvereiste. Het Hof van Justitie heeft bevestigd dat artikel 12, eerste lid, onder d, van de Habitatrichtlijn ook ziet op onopzettelijke beschadiging of vernietiging van voortplantings- of rustplaatsen.[28]

De bescherming richt zich, aldus de MvT, op rustplaatsen en voortplantingsplaatsen voor zover ze in gebruik zijn. In de MvT wordt expliciet toegelicht dat de artikelen 3.1 en 3.5 geen bescherming bieden aan geschikte leefgebieden voor bepaalde soorten: “De verboden geven evenmin bescherming aan plaatsen die als zodanig zeer geschikt zouden zijn als rustplaats voor vogels of andere beschermde dieren of als voortplantingsplaats voor andere beschermde dieren dan vogels, als die plaatsen daarvoor niet daadwerkelijk worden gebruikt.”[29] Alleen het beschadigen of vernielen van een voortplantingsplek of rustplaats wordt expliciet verboden en dan blijkens de MvT ook nog alleen als die ‘daadwerkelijk wordt gebruikt’.

Dit lijkt wel een heel restrictieve uitleg. Het Hof van Justitie is van mening dat het systeem van strikte bescherming van soorten ingevolge de Habitatrichtlijn impliceert dat maatregelen moeten worden getroffen om de verslechtering of vernieling van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in bijlage IV sub a Habitatrichtlijn beschermde soorten daadwerkelijk tegen te gaan. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat ook het leefgebied rond de beschermde rust- en voortplantingsplaats moet worden beschermd. [30] Ook is helder dat enkel een stelsel van ‘passieve soortenbescherming’ (neerleggen van strikte verboden in wetgeving) onvoldoende wordt geacht door het Hof van Justitie om een stelsel van strikte bescherming van Habitatrichtlijnsoorten te garanderen: Lidstaten zullen de nodige concrete en specifieke beschermingsmaatregelen moeten nemen, inclusief “het vaststellen van coherente en preventieve maatregelen” (actieve soortenbescherming: b.v. het vaststellen van soortenbeschermingsplannen met daarin gerichte beheermaatregelen).[31]

In het vijfde lid van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming is een bepaling opgenomen op grond waarvan het verboden is planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Bij beschermde plantensoorten wordt de plant zelf beschermd en niet de plaats waar deze groeit, laat staan een plaats die geschikt zou zijn voor de vestiging van bepaalde plantensoorten die daar nog niet voorkomen. Als evenwel bepaalde handelingen bijvoorbeeld leiden tot vervuiling van grond waarop daadwerkelijk planten van een beschermde soort groeien en de planten daardoor sterven, zal sprake zijn van overtreding van het voorgestelde vijfde lid van artikel 3.5, ervan uitgaande dat de vervuiler zich bewust was van het risico van het sterven van de planten en die consequentie voor lief heeft genomen.[32]

Verbod op verwonden dieren

Het huidige verbod op het verwonden van dieren (artikel 9 Ffw) wordt volledig gedekt door het verbod op dierenmishandeling, neergelegd in artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, aldus de MvT. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is inmiddels vervangen door de Wet dieren.[33] Artikel 2.1 van de Wet dieren schrijft voor dat het verboden is om “zonder redelijk doel of zonder noodzaak een dier pijn of letsel te bezorgen, dan wel zijn gezondheid of welzijn te schaden”. De Wet dieren is in beginsel van toepassing op gehouden dieren en kent maar een paar bepalingen, waaronder het geciteerde artikel 2.1, die van toepassing zijn op alle dieren. Nu de wetgever ervoor heeft gekozen om het verbod op het verwonden van in het wild voorkomende soorten als aparte bepaling in de Wet natuurbescherming te laten vervallen, is de kenbaarheid van het verbod op verwonden ten aanzien van in het wild levende dieren minder duidelijk geworden. De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid van het bepaalde in de wet, maar alleen indien ‘het belang van het welzijn van dieren’ zich er niet tegen verzet.  Om niet toe te komen aan overtreding van het verbod op dierenmishandeling (bijvoorbeeld bij het vangen van ganzen bij vangacties) zal vast moeten staan dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. Dat wordt natuurlijk getoetst bij de ontheffingverlening, er mag immers ‘geen andere bevredigende oplossing’ bestaan.

Vrijstellingen, ontheffingsgronden, criteria en gedragscodes

Artikel 3.8 bevat de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 3.5. De voorgestelde verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de genoemde richtlijnen en verdragen. Bij het verlenen van een ontheffing of het geven van een vrijstelling moet worden voldaan aan de vereisten als omschreven in artikel 16 van de Habitatrichtlijn.

De ontheffingsgronden zijn:

(i) in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

(ii) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

(iii) in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

(iv) voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

(v) om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Dit betekent dat maar op een aantal, met de richtlijnen verenigbare gronden ontheffing, of vrijstelling kan worden verleend, nadat is vastgesteld dat er geen andere bevredigende oplossing is en met zekerheid geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding (artikel 3.8 lid 5).

Conform het Europese recht kan geen ontheffing worden verkregen voor  ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling’.  De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het in strijd is met de Habitatrichtlijn om op deze grond ontheffing te verlenen ten aanzien van soorten op bijlage IV van de Habitatrichtlijn.[34]  Tot eenzelfde conclusie kwam de Afdeling bestuursrechtspraak in een zaak waarin het goedkeuringsbesluit van de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van de gedragscode voor de Unie van Waterschappen werd betwist ten aanzien van de verenigbaarheid met de Vogelrichtlijn.[35] De regelgeving stond de gedragscode als vrijstellingsinstrument voor ingevolge bijlage IV van de Habitatrichtlijn beschermde soorten al niet toe.

Des te opmerkelijker is het dat onder de nieuwe wet wél een gedragscode kan worden gegeven voor ‘ruimtelijke ontwikkeling en inrichting’ waarbij ‘strikt beschermde soorten’ in het geding zijn.  Volgens artikel 3.31 Wn kunnen, anders dan thans het geval is, gedragscodes voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op grond van de wet, ook betrekking hebben op vogels of ‘strikt beschermde’ dier- of plantensoorten. Daarvoor moet dan wel een met de Vogel- of Habitatrichtlijn verenigbare grond als bedoeld in artikel 3.3. of 3.5 worden aangegeven bij de aanvraag voor goedkeuring. Op deze wijze wordt omzeild dat expliciet voor, bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkelingen, een toestemming wordt verleend voor soorten waarvoor dat juridisch gezien niet kan, maar wordt via een omweg een correcte grondslag onder de goedkeuring gelegd. Vervolgens zal degene die gebruik maakt van de gedragscode steeds moeten kunnen aantonen dat het gebruik maken van de gedragscode als titel voor een inbreuk op een strikt beschermde soort, steeds in het licht staat van de met het Europees recht verenigbare grondslag. Het blijft opmerkelijk dat in het individuele geval geen ontheffing kan worden verkregen voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij een verbod ten aanzien van strikt beschermde soorten wordt overtreden, maar via de gedragscode wel. De vraag blijft of dit allemaal verenigbaar is met het Europese soortenbeschermingsrecht, dat uitgaat van het toestaan van uitzonderingen op de bescherming in individuele gevallen, na een strikte en dwingende toetsing aan gelimiteerde uitzonderingsgronden. Het kabinet wijst er in de MvT nog wel op dat de bestaande gedragscodes voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling nog niet voorzien in specifieke adequate maatregelen voor deze Europese soorten. Om deze gedragscodes in de toekomst ook bruikbaar te laten zijn voor de Europese soorten, zullen zij moeten worden aangevuld met specifieke adequate maatregelen.

Nationale soorten

In de bijlage A bij het wetsvoorstel zijn alle in Nederland in het wild levende zoogdieren, amfibieën, en reptielen opgenomen waarop het verbod van artikel 3.10 Wn ziet van toepassing is. Uitgezonderd van dit beschermingsregime zijn de zwarte rat, de bruine rat, de huismuis, de mol en exoten. Het idee is dat de staat van instandhouding van deze soorten niet in gevaar is en dat eventuele vormen van “ongediertebestrijding” anders bemoeilijkt zouden worden. Ook verwilderde dieren zijn uitgezonderd, omdat zij niet van nature in het wild leven. Bijlage B bevat de te beschermen plantensoorten.

In de artikelen 3.10 e.v. Wn is het beschermingsregime voor de zogenaamde nationale soorten opgenomen. De gedachte was eerst dat er geen extra soorten beschermd zouden worden anders dan de soorten die op grond van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn beschermd zijn. De soorten die dan niet onder de bepalingen voor vogels of strikt beschermde soorten zouden vallen, moesten dan maar middels de algemene zorgplicht beschermd worden. Maar de Wn voorziet uiteindelijk toch in een aanvullend beschermingsregime. Er zouden anders 149 soorten niet langer onder het beschermingsregime naar het model van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vallen, hetgeen onwenselijk werd gevonden door de wetgever. In de Memorie van Toelichting wordt er op gewezen dat voor deze nationale soorten “een eigenstandig beschermingsregime (wordt) voorgesteld, dat een adequate bescherming aan de betrokken soorten biedt, maar op een wijze die meer ruimte biedt voor een nadere belangenafweging door het bevoegd gezag in het concrete voorliggende geval (p. 147 MvT). Met name omdat ook veel rode lijstsoorten anders geen enkele andere bescherming dan op grond van de zorgplicht zouden genieten is er voor de nationale soorten een eigen beschermingsregime met eigen ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden in de Wn opgenomen in artikel 3.10 e.v. Wn. In beginsel is plaatsing op de ‘rode lijsten’ van bedreigde of ernstig bedreigde soorten de aanleiding voor het opnemen van soorten op de bijlage A (dieren) of B (planten) bij de wet. Plaatsing van een soort op de ‘rode lijst’ heeft echter niet direct tot gevolg dat voor deze soort dit beschermingsregiem van artikel 3.10 zal gaan gelden. Een eventuele wijziging van de rode lijsten heeft dus als zodanig geen onmiddellijke gevolgen voor de reikwijdte van het in artikel 3.10 neergelegde verbod. Eerst zal daartoe een wijziging van de van toepassing zijnde bijlage van de wet moeten plaatsvinden, door middel van de formele wetsprocedure.[36] Gezien het feit dat ongeveer 100 van de pakweg 3000 soorten die op de Rode lijst staan op deze wijze worden beschermd is maar een beperkt aantal soorten daadwerkelijk door deze bepaling beschermd.

Net als thans onder de Ffw is het aantal ontheffingsgronden ruimer dan voor Bijlage IV Habitarichtlijn-soorten en vogels. De belangen die nu in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zijn opgenomen, waaronder ruimtelijke ontwikkeling, bestendig beheer en onderhoud staan ook nu weer in de lijst met ontheffingsgronden. Er is ook een nieuwe ontheffingsgrond toegevoegd, te weten “algemeen belang”. In de Memorie van Toelichting wordt nauwelijks uitgelegd wat er onder deze ontheffingsgrond moet worden verstaan, anders dan “Het in het voorgestelde tweede lid, onderdeel h, genoemde «algemeen belang» is bedoeld als restcategorie ten opzichte van de andere in het voorgestelde tweede lid en in het voorgestelde artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, genoemde algemene belangen. Het is aan de initiatiefnemer om dit belang aannemelijk te maken bij zijn aanvraag van een ontheffing.” (p. 260 MvT). Kortom er lijkt nu met deze lange lijst aan ontheffingsgronden en de rest categorie “algemeen belang”, voor vrijwel elke ingreep, activiteit of handeling waarbij nationale soorten betrokken zijn, een ontheffingsgrond te vinden te zijn. Vervolgens dient het bevoegd gezag dan een afweging te maken. Voor de nationale soorten geldt dat het bevoegd gezag het belang van de bescherming van de betrokken soort en het belang waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd tegen elkaar moeten afwegen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van he geval. Het bevoegd gezag dient daarbij te beoordelen of er (i) alternatieven denkbaar zijn; en (ii) of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort niet in gevaar komt.

Voorzien was om de lex silencio positivo van toepassing te laten zijn op ontheffing voor nationale soorten. De wetgever heeft er uiteindelijk voor gekozen om, ook met het oog op de Omgevingswet, dit onderdeel te schrappen.

Artikel 3.11 maakt het mogelijk om voor deze nationale soorten een meldingsregiem van toepassing te verklaren, zodat geen ontheffing behoeft te worden verleend, maar kan worden volstaan met een melding. Gezien het feit dat op de bijlage A ook algemeen voorkomende soorten als haas en ree staan mag men hopen dat dit meldingenregiem snel wordt ingevoerd, omdat anders direct een ontheffingencircus kan worden voorzien. Ree en haas staan bovendien niet op de rode lijst, dus waarom deze soorten zijn opgenomen is niet duidelijk.

Voor de soorten beschermd onder artikel 3.10 kan ook een gedragscode zoals bedoeld in artikel 3.31 van toepassing worden verklaard.

Conclusie

De Wet natuurbescherming zorgt dat we weer een grote stap maken naar een betere aansluiting bij  de Habitat- en Vogelrichtlijn. Maar de Wn roept, zoals elke nieuwe wet, ook tal van vragen op. Onduidelijkheden zijn er bijvoorbeeld wat betreft de bescherming van vogels die tevens zijn opgenomen in het Verdrag van Bern / Bonn, hetgeen naar naar onze mening nu al actie van de wetgever vraagt, om te zorgen dat er niet op 1 januari 2017 een wet in werking gaat treden waarvan wij nu al weten dat er eerst procedures tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gevoerd moeten gaan worden om de gewenste zekerheid en duidelijkheid te verkrijgen.

De samenstelling van de lijst nationaal te beschermen soorten had met meer zorgvuldigheid kunnen plaatsvinden. Nu ook algemeen voorkomende soorten worden genoemd is het mogelijk dat ook voor deze soorten ontheffing moet worden gevraagd, terwijl bedreigde rode lijstsoorten zonder nadere toestemming mogen worden gevangen, of geplukt. Voor deze soorten rest – evenals onder huidige wet – alleen de bescherming die voortvloeit uit de zorgplicht van artikel 1.11 van de wet. Dit is wel een gemiste kans, zeker nu alleen een wetswijziging kan leiden tot aanpassing van de lijst.

Zo komt de das onder de Flora- en faunawet nog een strikte bescherming toe. Bij ontheffingverlening ex artikel 75 Ffw vijfde (lees: zesde) lid wordt voor deze soort een stringent en beperkt toetsingskader gevolgd.  De das zal onder de Wet natuurbescherming vallen onder de bescherming van artikel 3.10, de bescherming voor ‘overige soorten’ en valt daarmee – in tegenstelling tot nu – onder de categorie ‘licht beschermde soorten’. Het opzettelijk verstoren van de soort is niet meer verboden onder artikel 3.10 Wn. Dit betekent dat ook het verstoren van de das in zijn foerageergebied niet meer onder een wettelijk verbod valt. Het is de vraag of alle inspanningen van de afgelopen jaren om de soort in een gunstige staat van instandhouding te krijgen niet voor niets zullen blijken te zijn geweest met de beperkingen van het beschermingskader.

Luuk Boerema en Fleur Onrust

Mr drs F. Onrust, advocaat en partner bij ENVIR Advocaten te Amsterdam.

[1] Van der Meijden deelt in zijn annotatie bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 mei 2001, nr. 20010858/1 (JM 2001/100) de hamsterjurisprudentie die ontstaan naar aanleiding van de bedrijventerreinen Beitel-Zuid en Aachen-Heerlen in drie categorieën in. De eerste categorie, gaat over verleende ontheffingen op grond van de Natuurbeschermingswet. De tweede categorie gerechtelijke uitspraken betreft het bestemmingsplan voor de betrokken bedrijventerreinen. De derde categorie uitspraken betreft de strijd tussen milieuorganisaties of vangen van de laatste beestjes om daarmee te fokken zinvol en rechtmatig is.

[2] Arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland, zaak C-339/87, punt 28.

[3] Van den Broek, ‘Bedrijvige beestjes blijven beschermd’, Bouwrecht 2005, nr. 5, p. 369 e.v.

[4] Woldendorp. H., Wetgeving Natuurbescherming: teksten en toelichting. Vermande, 2002, Den Haag.

[5] Stb. 2002, 236. (Wet van 24 april 2002, in werking getreden op 1 juli 2002).

[6] Van den Broek, ‘Bedrijvige beestjes blijven beschermd’, Bouwrecht 2005, nr. 5, p. 374.

[7] Stb 2004, 501, inwerkingtreding Stb. 2005, 70.

[8] Nota van Toelichting bij het Vrijstellingenbesluit.

[9] Zie art. 16c Vrijstellingenbesluit.

[10] Zie o.a.: Arentz en Woldendorp: “Soortenbescherming Flora en faunawet: complexiteit naar climax”, M&R 2005/4; Van Geilswijk en Freriks, “Wijzigingen besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten op gespannen voet met Europese natuurbeschermingsrichtlijnen”, Journaal Flora en fauna 2005/2; Neerhof, “Het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en de gedragscode: van de bomen en het bos, van de zoden en de dijk”, Journaal Flora en fauna, 2005 4/5.

[11] BR 2009, p. 254, m.nt. H.E. Woldendorp.

[12] ABRvS 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701, JM 2009/90, m.nt. Boerema en de Jong.

[13] A. Tubbing, Het opzetvereiste in de nieuwe Wet natuurbescherming, in: Journaal Flora en fauna 2015, p. 71-77

[14] Onder de Ffw kan ontheffing worden verleend indien geen sprake is van een wezenlijke invloed.

[15] Dat van een Europese populatie sprake zal zijn lijkt overigens niet snel aannemelijk.

[16] ABRvS 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701, JM 2009/90, m.nt. Boerema en de Jong.

[17] Zie ook: J. Zijlmans, De doorwerking van natuurbeschermingsverdragen in de Europese en Nederlandse rechtsorde, SDU, Den Haag, 2011.

[18] Denk bijvoorbeeld aan Thermencomplex Berendonk, Rb Gelderland 4 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7461, BR 2015/7, m.nt. A. Drahmann en F. Onrust.

[19] ABRvS 18 februari 2015, ELCI:RVS:2015:438, M&R 2015/ 58., m.nt. M.M. Kaajan, en F. Onrust.

[20] ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465.

[21] Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 december 2015, nr. BRE 15/4557 WET, ECLI:NL:RBZWB:2015:8059, JM 2016/27 m.nt. Boerema.

[22] Kamerstukken II, 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 140.

[23] ABRvS van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:438

[24]  Besluit beschermde dier- en plantensoorten, wijziging i.v.m. windparken en hoogspanningsverbindingen, Stb. 2015, nr. 324.

[25] Zie ook: J. Zijlmans, De doorwerking van natuurbeschermingsverdragen in de Europese en Nederlandse rechtsorde, SDU, Den Haag, 2011, p. 102.

[26] Mogelijk wordt implementatie deels beoogd met artikel 1.12 lid 4 Wn: “Door Onze Minister en gedeputeerde staten gezamenlijk wordt op adequate wijze de verantwoording inzake de geleverde inspanning voor het behalen van de doelstellingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn gemonitord.”

[27] Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC, February 2007.

[28] HvJ 10 januari 2006, zaak C-98/03 (Commissie-Duitsland), r.o. 55.

[29] MvT, p. 260.

[30] Hof van Justitie, 9 juni 2011, zaak C-383/09 (korenwolf Frankrijk), JM 2011/98 (m.nt. Zijlmans), BR 2011/125 (m.nt. Woldendorp).

[31] Hof van Justitie, 9 juni 2011, zaak C-383/09, r.o. 39.

[32] MvT, p. 260.

[33] Stb 2011, 345.

[34] ABRS 21 januari 2009, zaaknr. 200802863/1, JM 2009/36 met nt Boerema.

[35] ABRS 30 juni 2010, zaaknr. 200909427/1/H3, JM 2010/97 met nt Boerema.

[36] MvT, p. 149.


Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….