ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 01-11-2012

Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2

Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2”, JM 2012/907.

Verhaal van kosten van bestuursdwang bij (chemische) branden – deel II

1. Inleiding deel II

1.1. Kostenverhaal krachtens publiekrecht

Deel I van onze bijdrage bevatte een tamelijk uitvoerige analyse van wettelijke (zorgplicht)bepalingen die aan bestuursdwang ten grondslag gelegd kunnen worden bij (chemische) branden en asbestbranden, waarna kostenverhaal van bestuursdwang kan plaatsvinden. [noot:1]

Ten eerste kan vastgesteld worden dat het bevoegd gezag beschikt over een aanzienlijk instrumentarium om (de gevolgen van) chemische branden met bestuursdwang aan te pakken. Door het begrip “nadelige gevolgen voor het milieu” centraal te stellen in de zorgplichtbepalingen van art. 1.1a Wm, 17.1 Wm en artikel 2.1 Activiteitenbesluit en daaraan de verplichting te koppelen voor de normadressaat om preventieve en herstelmaatregelen te treffen, wordt in beginsel het gehele scala aan milieuschadelijke gevolgen van een chemische brand bestreken. Opvallend is bovendien dat de rechtspraak bij de toepassing van art. 17.1 Wm verwijtbaarheid en/of onzorgvuldig handelen van de drijver niet als vereiste lijkt te stellen voor verhaal van herstelkosten.

Voorts zijn deze algemene zorgplichten op een aantal terreinen geconcretiseerd. Drijvers van inrichtingen dienen zich te houden aan de voor die inrichting geldende (vergunning)voorschriften, en daarnaast zijn er aparte wettelijke bepalingen die voor eenieder gelden als het gaat om de bescherming van de bodem (13 Wbb) en het oppervlaktewater (6.2 Waterwet).

1.2. Leemten?

Ondanks het ruime instrumentarium hebben wij in deel I van dit artikel laten zien dat kostenverhaal niet steeds van een leien dakje gaat. Dit heeft ten eerste te maken met de reikwijdte van de toepasselijke bepalingen. Sommige daarvan, zoals art. 17.1 Wm en 2.1 Activiteitenbesluit, zijn slechts van toepassing op de drijver van een inrichting. Is er geen sprake (meer) van een inrichting, of is er geen drijver te vinden waarop kostenverhaal mogelijk is, dan bieden zij geen soelaas. De genoemde wetsartikelen met betrekking tot bodem- en oppervlaktewaterbescherming kennen deze beperking niet, maar dekken bij chemische branden niet alle mogelijke milieuschade, bijvoorbeeld wanneer bluswater of asbestdeeltjes niet op het oppervlaktewater maar op het riool worden geloosd.

Tot slot de vangnetbepaling van art. 1.1a Wm. Deze heeft weliswaar een ruim normadressaat (“eenieder”), maar de reikwijdte van deze bepaling wordt – evenals die van art. 2.1 Activiteitenbesluit – beperkt door het feit dat het moet gaan om handelen of nalaten waarvan de dader weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Bovendien stelt de rechtspraak daaraan de strenge eis dat de milieuschade onmiskenbaar moet zijn ingeval van artikel 2.1 Activiteitenbesluit. Anders dan bij art. 17.1 Wm speelt de verwijtbaarheid bij deze artikelen uitdrukkelijk wél een rol. Dat is ook logisch, omdat anders daadwerkelijk “eenieder” die nalaat in te grijpen bij milieuschade overtreder zou zijn onder deze zorgplichtbepalingen.[noot:2]

De hier gesignaleerde beperkingen roepen de vraag op of het verhaal van kosten langs privaatrechtelijke weg geen aantrekkelijk alternatief kan zijn voor het bevoegd gezag. In de volgende paragraaf wordt daar iets langer bij stilgestaan.

2. Privaatrechtelijk kostenverhaal en de vierde tranche van de Awb

Privaatrecht speelt bij kostenverhaal op twee manieren een rol: (1) als alternatief voor bestuursrechtelijk kostenverhaal en (2) als sluitstuk van de invordering van de verhaalde kosten.

2.1. Alternatief kostenverhaal

Kostenverhaal krachtens privaatrecht lijkt met name een aantrekkelijk alternatief als er geen overtreder van de betreffende wetsbepalingen is te vinden of aan te wijzen, of als de overtreder(s) geen verhaal biedt/bieden. Te denken valt aan het geval van een – onopgeloste – brandstichting, terwijl de eigenaar van het afgebrande pand geen enkele betrokkenheid heeft of verwijt treft. De rechtspraak laat echter zien dat in zo een geval ook het privaatrecht geen rechtsbasis biedt voor verhaal van de schoonmaakkosten op de eigenaar. Het loutere bezit van een opstal met een asbesthoudend dak bijvoorbeeld, activeert artikel 6:174 BW (risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen) niet, en wij vermoeden dat dat niet anders is voor het exploiteren van een (overigens niet gebrekkige) chemische fabriek. [noot:3] Wordt art. 6:162 BW ten grondslag gelegd aan het kostenverhaal, dan zal de verhalende overheid moeten bewijzen dat er sprake is van een aan de exploitant van de fabriek toe te rekenen onrechtmatige daad. De rechtspraak van de civiele rechter is op dat punt tot nu toe bepaald niet soepeler dan die van de bestuursrechter. [noot:4]

Een tweede situatie waarin het privaatrecht zich aandient, is het geval waarin er wel een (rechts)persoon is aan te wijzen aan wie de schade te verwijten valt, maar diens gedraging niet valt onder een van de publiekrechtelijke beschermingsbepalingen (zie hiervoor par. 1.2). Het privaatrecht wordt dan ingezet om leemten in het publiekrecht op te vullen. Bij kostenverhaal ligt dit echter gevoelig vanwege de tweewegenleerproblematiek. In het Brandweerkostenarrest [noot:5] en diverse daarop volgende arresten heeft de Hoge Raad uitgesproken dat als publiekrechtelijk kostenverhaal is uitgesloten dit een belangrijke aanwijzing is dat dit ook geldt voor privaatrechtelijk kostenverhaal. Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het feit dat een bepaalde gedraging niet kan leiden tot bestuursdwang nog niet betekent dat ook kostenverhaal (bewust) is uitgesloten. Zo heeft de Staat regelmatig met succes de kosten van bodemsaneringen op de vervuiler kunnen verhalen, ook waar het betreft de periode voordat art. 13 Wbb in werking trad (1987). [noot:6] Omdat bij verwijtbare chemische branden – anders dan bij bodemverontreiniging vóór 1975 – het relativiteitsvereiste evenmin een belemmering zal vormen, sluiten wij niet uit dat het privaatrecht op dit punt een nuttige aanvullende werking kan hebben.

2.2. Sluitstuk van kostenverhaal

Het privaatrecht dient niet alleen als alternatief voor publiekrechtelijk kostenverhaal, maar ook als het sluitstuk daarvan. Heeft het bestuursorgaan eenmaal bij beschikking bepaald dat het kosten verhaalt op de overtreder, dan vindt het feitelijke verhaal krachtens privaatrecht plaats. Sinds de inwerkingtreding van de 4e tranche van de Awb [noot:7] op 1 juli 2009 is een deel van de invordering echter onder het bestuursrecht gebracht. Voor succesvol kostenverhaal is een aanzegging van het kostenverhaal in de last (ex 5:25, lid 2, Awb) niet langer toereikend, thans dienen ook de hoogte van de te verhalen kosten en de betalingstermijn in een aparte betalingsbeschikking te worden neergelegd (zie art. 4:86 jo. art. 5:25, lid 6, Awb). Daarmee start de afwikkeling van een bestuurlijke geldschuld. [noot:8]

Dat de betalingsverplichting voor de overtreder pas ontstaat door het nemen van de kostenverhaalsbeschikking na een voorafgaande aanzegging in de last, leidt tot een complicatie die wij al in onze annotatie bij de voorzittersuitspraak inzake Chemie-Pack («JM» 2011/75) constateerden. Als er namelijk sprake is van meer overtreders, dan kan het bestuursorgaan bij de keuze aan wie de last met aanzegging wordt uitgebracht eenzijdig bepalen voor wiens rekening de door hem gemaakte kosten worden gebracht. Regres tussen de overtreders onderling is lastig, zo niet uitgesloten, omdat daarvoor geen rechtsbasis is te vinden. Van onrechtmatig handelen van de ene overtreder jegens de andere is (in beginsel) immers geen sprake. In zuiver privaatrechtelijke verhoudingen zou art. 6:102 jo. 6:101 BW uitkomst kunnen bieden. Dit artikel komt er kort gezegd op neer dat als op ieder van twee of meer personen een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, zij hoofdelijk verbonden zijn en onderling dienen bij te dragen al naar gelang hun causale bijdragen aan de schade, met eventueel een billijkheidscorrectie. Als er echter sprake is van een overtreder aan wie geen kostenverhaal is aangezegd, rust op deze overtreder ook geen verplichting tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 6:102 BW. Het artikel mist dan toepassing. Dit roept de vraag op of de in par. 2 van deel I van dit artikel gesignaleerde rechtspraak, op grond waarvan het bestuursorgaan grote vrijheid heeft bij de keuze van de aan te schrijven overtreder, geen nuancering behoeft. [noot:9]

Heeft de vaststelling van de kostenbeschikking plaatsgevonden en is de betalingstermijn verlopen, dan kan het invorderingstraject een aanvang nemen. Na vaststelling van eventuele verschuldigde wettelijke rente (art. 4:99 Awb) wordt de overtreder tot betaling aangemaand (art. 4:112 Awb), waarna invordering bij dwangbevel kan plaatsvinden. Voor dat laatste is echter wel een afzonderlijke wettelijke grondslag vereist (art. 4:115 Awb). Voor verhaal van kosten van bestuursdwang is deze gegeven in art. 5:10, lid 2, Awb.

Om de concentratie van rechtsbescherming te bevorderen heeft de wetgever bepaald dat bezwaar en beroep tegen de betalingsbeschikking in beginsel ook betrekking heeft op nevenbeschikkingen zoals omtrent wettelijke rente (art. 4:125 BW). [noot:10] In verdere concentratie voorziet art. 5:31c Awb, op grond waarvan bezwaar en beroep tegen de last in beginsel ook betrekking heeft op de kostenverhaalsbeschikking. De wetgever heeft echter bezwaar en beroep tegen aanmaning en dwangbevel uitgesloten. Daar eindigt dus het bestuursrechtelijke deel van het kostenverhaal.

Met art. 4:124 Awb heeft de wetgever privaatrechtelijke invordering uitdrukkelijk opengelaten. Een kostenverhaalsbeschikking kan dus ook ingevorderd worden bij de civiele rechter via een dagvaardingsprocedure. Over de voor- en nadelen daarvan gaan wij in de nu volgende paragraaf in.

3. Executie, beslag en faillissement

Een vonnis van een civiele rechter kan – indien uitgegeven als grosse (“In naam der Koningin”) – op grond van art. 430 Rv jegens de veroordeelde ten uitvoer worden gelegd, hetgeen de weg opent naar dwanginvordering door middel van executoriaal beslag (art. 435 lid 1 Rv) gevolgd door uitwinning (meestal: openbare verkoop) van de beslagen vermogensbestanddelen. Het in de vorige paragraaf besproken dwangbevel levert op grond van art. 4:116 Awb jo. 430, lid 1, Rv echter direct (dus zonder rechterlijke tussenkomst) executoriale titel op, zodat verwacht mag worden dat overheden daar in het algemeen de voorkeur aan geven.

Probleem met invordering is vaak dat het lang duurt voordat executoriaal beslag kan worden gelegd. Vaak zal het bevoegd gezag de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking willen afwachten om onrechtmatige beslaglegging te voorkomen. Maar zelfs indien het dat niet doet, en er ook geen schorsing wordt uitgesproken, zal er enige (tot geruime) tijd verlopen voordat executoriaal beslag wordt gelegd. Vertragende factoren zijn:

• Het nemen van de kostenverhaalsbeschikking (vaststellen hoogte kosten, rente etc. ex 4:86 lid 2 jo. 4:99 Awb).

• De wettelijke voorgeschreven minimale betalingstermijn van 6 weken (art. 4:87 lid 1 BW).

• Het opstellen van de aanmaning na verloop van de betalingstermijn, en de wettelijke aanmaningstermijn van 2 weken (art. 4:112 BW).

• Het inschakelen van de deurwaarder, het opstellen en uitbrengen van het dwangbevel (art. 4:114 Awb) indien niet binnen de aanmaningstermijn is betaald (art. 4:117 Awb), met daarin ook nog een laatste termijn van twee dagen.

• Het doen van verhaalsonderzoek en het leggen van executoriaal beslag (art. 435 Rv).

• Tot slot kan een executie-kortgeding (art. 4:123 lid 2 Awb jo. art. 438 Rv) voor verdere vertraging zorgen.

Zeker als het bevoegd gezag de uitkomst van de bestuursrechtelijk procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking (met nevenbeschikkingen) wil afwachten, kan het een aantrekkelijk alternatief zijn om parallel daaraan de invordering via een gewone dagvaardingsprocedure bij de civiele rechter te laten lopen. Deze zal zijn uitspraak vermoedelijk aanhouden totdat de bestuursrechter heeft geoordeeld, waarna zijn vonnis over de resterende civielrechtelijke invorderingsaspecten een stevige(re) (want rechterlijke) basis vormt voor de daadwerkelijke executie.

Al met al duurt het gemakkelijk enkele maanden (tot jaren) voordat de kostenverhaalsbeschikking daadwerkelijk leidt tot betaling of uitwinning. Het behoeft geen betoog dat het risico groot is dat het getroffen bedrijf er in die periode financieel doorgaans niet rooskleuriger is komen voor te staan. Blijkt vervolgens uit het verhaalsonderzoek dat het bedrijf geen vermogen meer heeft, of slechts verhypothekeerd/verpand vermogen, dan zal het bevoegd gezag de kosten van bestuursdwang alsnog zelf moeten dragen, inclusief alle inmiddels gemaakte proces- en invorderingskosten.

Om dit risico enigszins te ondervangen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen. Daarvoor is verlof van de voorzieningenrechter voldoende, dat in de praktijk doorgaans per omgaande wordt gegeven na een “summiere” beoordeling van het verzoekschrift (art. 700 lid 2 Rv). Conservatoir beslag legt een zaak of vermogensrecht in die zin ‘vast’ dat een latere vervreemding of bezwaring niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen. In de Chemie-Pack zaak bijvoorbeeld, heeft het waterschap conservatoir beslag gelegd onder de verzekeraars van Chemie-Pack. Het effect daarvan is, dat de verzekeraars niet langer bevrijdend kunnen betalen aan Chemie-Pack. Een ander voordeel van het leggen van conservatoir beslag is dat het bevoegd gezag op korte termijn inzicht krijgt in de verhaalspositie van de overtreder. Debiteuren van de overtreder dienen namelijk binnen een maand te verklaren of en zo ja welke vorderingen de overtreder op hen heeft.

Conservatoir beslag kan niet geheel zelfstandig worden gelegd. Het moet verbonden zijn aan een procedure die uiteindelijk kan leiden tot een executoriale titel tegen de overtreder. Daarom bepaalt de voorzieningenrechter bij zijn verlof dat ‘de eis in de hoofdzaak’ binnen een bepaalde termijn – meestal 14 dagen – moet worden ingesteld. Vordert het bevoegd gezag de kosten in langs de privaatrechtelijke weg, dan kwalificeert het uitbrengen van de dagvaarding als het instellen van de eis in de hoofdzaak. Maar wat geldt als gekozen wordt voor invordering krachtens dwangbevel? Hiervoor bleek al dat het dwangbevel een executoriale titel oplevert hetgeen uitbrengen van een dagvaarding overbodig maakt. Daarom wordt, in navolging van het belastingrecht, het verzenden van de kostenverhaalsbeschikking beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak. [noot:11] Het conservatoir beslag blijft vervolgens liggen totdat het dwangbevel is uitgebracht (waarna het overgaat in een executoriaal beslag) of totdat de invordering wordt beëindigd (bijvoorbeeld door het intrekken of herroepen van de kostenverhaalsbeschikking).

Chemie-Pack spande op 22 april 2011 een (civiel) kort geding aan tot opheffing van het door het waterschap Brabantse Delta gelegde conservatoire beslag. [noot:12] Op grond van art. 705 Rv toetst de rechter in zo een kort geding of ‘summierlijk van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht blijkt’ waarbij tevens een belangenafweging plaatsvindt. [noot:13] Deze procedure moet bij de Brabantse rechters de allerhoogste prioriteit hebben gekregen, want reeds op 27 april 2011 wees de Voorzieningenrechter vonnis, en de bij dagvaarding van 2 mei 2011 ingeleide appelprocedure resulteerde op 8 juni in een arrest van het Hof Den Bosch. [noot:14] Een bijzonderheid bij invordering van bestuurlijke geldschulden is dat de civiele rechter de deugdelijkheid van de vordering in beginsel niet toetst, ook niet summierlijk. De achtergrond daarvan is dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de verhaalsbeschikking aan de bestuursrechter is voorbehouden. Het Hof Den Bosch voegde daar nog aan toe dat daartoe te meer reden was nu de voorzieningenrechter te Breda een verzoek om schorsing van de kostenverhaalsbeschikking had afgewezen. Een belangenafweging leidde vervolgens toch tot gedeeltelijke opheffing van het beslag, omdat – kort samengevat – Chemie-Pack een deel van de verzekeringsgelden wenste te gebruiken om lonen te betalen en zo een faillissement op korte termijn te voorkomen.

Uiteindelijk heeft deze geste van het hof niet mogen baten. Op 23 augustus 2011 is Chemie-Pack op eigen verzoek failliet verklaard. Omdat faillissement alle beslagen (conservatoire en executoriale) doet vervallen is het waterschap sindsdien weer min of meer terug bij af. Het is nu afhankelijk van de curator of het nog tot een uitkering komt. Voor zover ons bekend verkeert het waterschap daarbij in een relatief ongunstige positie, omdat de vordering is ontstaan vóór het faillissement en er geen sprake is van wettelijke voorrang, zoals bij de fiscus en de pand- en hypotheekhouder. [noot:15]

Dat blussende en sanerende overheden met de kosten blijven zitten als de overtreder failliet gaat zou de wetgever kunnen ondervangen door exploitanten van gevaarlijke inrichtingen te verplichten financiële zekerheid te stellen voor schades en kosten als de onderhavige. De tendens is de laatste jaren echter tegengesteld: verplichtingen tot het stellen van zekerheid plegen veeleer te worden geschrapt ter vermindering van de administratieve lasten van het bedrijfsleven. [noot:16]

4. Conclusies

Overheden hebben inmiddels een flinke gereedschapskist om de verantwoordelijken van chemische branden aan te pakken en de kosten op hen te verhalen.

De rechtspraak geeft de overheid daarbij een steuntje in de rug, door niet al te zwaar te tillen aan het criterium van verwijtbaarheid. Verschillende uitspraken laten zien dat ook als de drijver van een inrichting geen of weinig verwijt treft, en andere overtreders wellicht eerder in aanmerking komen voor kostenverhaal, de rechter er geen moeite mee lijkt te hebben als desondanks de volledige kosten op de drijver van de inrichting (of de eigenaar van een pand) worden verhaald. De uitspraak van de rechtbank Breda in de zaak van Chemie-Pack onroerend goed B.V. is daar een goed voorbeeld van. [noot:17]

De meerwaarde van kostenverhaal krachtens privaatrecht lijkt bij chemische branden dan ook beperkt tot de – tamelijk zeldzame – gevallen dat er sprake is het verwijtbaar veroorzaken van milieuschade zonder dat dit tot overtreding van een publiekrechtelijke norm leidt.

Meer risico’s loopt de overheid bij de invordering van de te verhalen kosten. Juist bij echt grote rampen is de kans groot dat de overtreder geen verhaal biedt. Conservatoir beslag kan soms uitkomst bieden, maar verliest zijn waarde ingeval van een faillissement. Vindt men dat ook in die gevallen de drijver van de inrichting voor de kosten moet opdraaien, dan verdient het verplicht stellen van financiële zekerheid bij vergunningverlening (opnieuw) overweging. [noot:18]

C.N.J. Kortmann en F. Onrust,

» Voetnoten

[1]

Zie «JM» 2012/136. In dit tweede deel ligt het accent op de privaatrechtelijke aspecten van het kostenverhaal. Daartoe resumeren wij kort onze bevindingen uit deel I, dat in «JM» 2012, aflevering 10 is verschenen.

[2]

Terecht kritisch zijn o.i. dan ook de annotaties van Michiels in AB 2007, 408 en Albers in TMA 2008-2 bij de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2007 (asbestbrand Heusden), waar bij de beslissing tot kostenverhaal op de eigenaar de (on)zorgvuldigheid van diens gedrag geen enkele rol speelde.

[3]

HR 15 juni 2001, AB 2004, 42 z.nt. en HR 7 november 2003, «JM» 2004/106, m.nt. Bos.

[4]

Zie over de hiervoor genoemde arresten en G.A. van der Veen, ‘Gemeentelijk kostenverhaal bij asbest, olie en ander ongerief’, in: Gst 2011/120, G.H. Hamelink, ‘Acties na een asbestbrand, wie betaalt de kosten’, BR 2004/1203 en P.F.A. Bierbooms, ‘Aansprakelijkheid voor de kosten van overheden voor het opruimen van asbest en andere stoffen’, O&A 2005/89 (nr. 5).

[5]

HR 11 december 1992, NJ 1994, 639 (Vlissingen / Rize). Zie ook HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720 m.nt. MS (Staat / August de Meijer) en HR 15 januari 1999, AB 2000/196, m.nt. ThGD.

[6]

HR 9 februari 1990, NJ 1991, 462 m.nt. CJHB (Staat / Van Amersfoort), HR 24 april 1992, NJ 1993, 643 en 644 m.nt. CJHB (Akzo e.v.) en HR 30 september 1994, NJ 1996, 196-199, m.nt. CJHB (Shell / Staat e.v). Recenter HR 25 maart 2005, NJ 2005, 413, m.n.t CJHB (Bedum) over de verhouding tussen art. 75 lid 1 en lid 3 (ongerechtvaardigde verrijking) Wbb.

[7]

Stb. 2009, 264.

[8]

Zie ook G.A. van der Veen, ‘Gemeentelijk kostenverhaal bij asbest, olie en ander ongerief’, in: Gst 2011/120.

[9]

F.C.M.A. Michiels ‘Bewegen in het handhavingsrecht’, Jbplus 2012, p. 172, lijkt dit te onderschrijven, hetgeen ons doet uitzien naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dit punt.

[10]

Uitvoeriger hierover C.N.J. Kortmann, ‘Bestuursrechtelijke geldschulden, weer wat overheidsprivaatrecht in de Awb’, NTB 2011/3 nr. 9 met verdere literatuurverwijzingen.

[11]

M.W. Scheltema, Bestuurlijke geldschulden, Deventer 2010, p. 123, die zich mede baseert op HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 557, m.nt. HJS (Ontvanger / Heemhorst).

[12]

Nadat zij door de bestuursrechter niet-ontvankelijk was verklaard in deze vordering bij de door ons in «JM» 2011/75 geannoteerde uitspraak van 21 april 2011.

[13]

Een beschrijving van het afwegingskader is bijvoorbeeld te vinden in de uitspraken van de Voorzieningenrechter te Arnhem van 26 april 2010, LJN BM6268 en 5 januari 2010, LJN BK8731.

[14]

Hof Den Bosch 8 juni 2011, LJN BQ7541.

[15]

NB: deze situatie dient niet verward te worden met de gevallen in de rechtspraak waarin aan de curator een handhavingsbeschikking wordt gericht. Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 mei 2007 (200604496/1), dwangsom gericht tot curator. Deze blijft verantwoordelijk voor naleving milieuregels. In gelijke zin ABRvS 24 november 2009 (200908275/1). Uitvoeriger hierover T. Barkhuysen en M. Claessens, ‘Bestuursrecht en faillissementsrecht: een ongemakkelijke relatie’, TvI 2012/4, p. 87-97.

[16]

Zo is met ingang van 10 november 2009 nog het Besluit financiële zekerheid milieubeheer ingetrokken, dat betrekking had op het verwijderen van afvalstoffen en andere milieuschade aan de bodem.

[17]

Rb. Breda 21 juni 2012, «JM» 2012/137, m.nt. Kortmann en Onrust.

Dit artikel gaat over bestuursrechtelijke handhaving, een onderdeel van het algemeen bestuursrecht.


Gerelateerd

Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies
Fleur Onrust schreef “De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies”, in “Gepaste afstand, de…
Besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan curator
Fleur Onrust schreef in JM 2014/111 over een besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan de curator. In de…
Spoedeisende bestuursdwang na incident te Schiphol
Fleur Onrust schreef in JM 2014/100 over spoedeisende bestuursdwang na een incident met een sprinklerinstallatie op Schiphol….
Spoedeisende bestuursdwang, handhaving, bluswater, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann, noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:90,  JM 2014/34….
Spoedeisende bestuursdwang, Chemie-Pack, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:102, inz….
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Last onder dwangsom, bluswater en de Waterwet
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:659, inz. Last…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Handhaving – spoedeisende bestuursdwang
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:BY1700, inz. Handhaving, spoedeisende…
Hoge Raad over Kostenverhaal Chemie-Pack
Fleur Onrust met C.N.J. Kortmann, noot onder HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7505, inz. Kostenverhaal Chemie-Pack, AB 2013/368….
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 1
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Spoedeisende bestuursdwang, kostenverhaal, overtrederbegrip, bluswater
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5953, inz. Spoedeisende…
Bestuursrechtelijk kostenverhaal bestuursdwang bij Chemie-Pack
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder Rb. Breda 21 juni 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8992,inz. Spoedeisende bestuursdwang…
Artikel 7:11 Awb
Fleur Onrust schreef met L.M. Koenraad het artikelgewijze commentaar op artikel 7:11 Awb in Module bestuursrecht…
Kostenverhaal brand Chemie-Pack Moerdijk
Fleur Onrust schreef een noot met C.N.J. Kortmann bij de uitspraak van de Rb 21 april…
De verhouding tussen BW en Awb in het kader van een subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1307 inz. De verhouding tussen BW en…
Subsidievaststelling en de verhouding tussen BW en Awb
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, inz. Subsidievaststelling en de verhouding tussen…
Verrekening teveel betaalde subsidie
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, inz. Verrekening teveel betaalde subsidie…
Subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NLRVS:2010:BL7011, inz. Subsidievaststelling, AB 2011/92. De…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…
Mediation in het bestuursrecht
Marieke Kaajan schreef het artikel “Mediation in het bestuursrecht. Mogelijkheden voor een wettelijke regeling” , AAe…