ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 05-01-2018

Schadevergoeding. Gevraagde schadevergoeding doorslaggevend voor bevoegdheid bestuursrechter. Rechtsmachtverdeling.

D. Sietses, K.J. de Graaf & A.T. Marseille schreven een noot bij ABRvS 2 augustus 2017,
ECLI:NL:RVS:2017:2081 in AB 2017/411, afl. 47.

1.

De Afdeling bestuursrechtspraak geeft in bovenstaande uitspraak een voor de praktijk belangrijk oordeel over de reikwijdte van de in titel 8.4 Awb neergelegde schadeverzoekschriftprocedure. Dat oordeel betreft het antwoord op de vraag of de bestuursrechter bevoegd is over een schadeclaim te oordelen wanneer de gevraagde schadevergoeding ten hoogste € 25.000 is, terwijl vaststaat dat de daadwerkelijke schade meer bedraagt en de benadeelde bovendien geen afstand doet van dat meerdere. Voordat wij hierop nader ingaan (vanaf punt 3), blikken wij kort terug op de aanloop naar titel 8.4 Awb.

2.

De schadeverzoekschriftprocedure, die onderdeel uitmaakt van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, is neergelegd in titel 8.4 Awb en in werking getreden op 1 juli 2013. Een belangrijke aanleiding voor de introductie van de schadeverzoekschriftprocedure in de Awb was de onvrede en onduidelijkheid over de rechtsmachtverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter in geschillen over schade als gevolg van onrechtmatige besluiten. De onvrede kwam er in de kern op neer dat een benadeelde onder het oude systeem op grond van het inmiddels geschrapte art. 8:73 Awb en de jurisprudentie over het zelfstandige schadebesluit, zijn geschil naar keuze aan de bestuursrechter of de burgerlijke rechter kon voorleggen en in een aantal gevallen zelfs tijdens de procedure nog kon overstappen van de ene naar de andere. Gesteld werd dat deze keuzevrijheid leidde tot concurrentie tussen rechtsmachten en (aldus) tot forumshopping. Daarnaast zou in het tot 1 juli 2013 geldende systeem lastig zijn te bepalen bij welke rechter men moest zijn. Aan deze onvrede en onduidelijkheid moest de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten een einde maken (zie Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 32–35).

Hoe zit het op dit moment met de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter? Hierover gaat (met name) art. 8:89 Awb. Deze bepaling geeft aan bij welke rechter een benadeelde zich moet melden in geval van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. In de meeste gevallen is geen sprake meer van gedeelde rechtsmacht. Wanneer de schade is veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter namelijk bij uitsluiting bevoegd (art. 8:89 lid 1). De burgerlijke rechter kan in deze zaken niet worden benaderd. De burgerlijke rechter is bij uitsluiting bevoegd wanneer het schadevergoedingsverzoek ziet op een besluit waarover de Afdeling bestuursrechtspraak of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in enige of hoogste aanleg oordeelt (art. 8:89 lid 2 Awb) en de gevraagde schadevergoeding hoger is dan € 25.000. Toch is soms nog wél sprake van gedeelde rechtsmacht. Zo mag een benadeelde kiezen tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter wanneer de gevraagde vergoeding maximaal € 25.000 bedraagt en de schade is veroorzaakt door — kort gesteld — een besluit waarover de Afdeling of het CBb in enige of hoogste aanleg oordeelt (art. 8:89 lid 2 Awb).

Duidelijk, zo zou een snelle conclusie kunnen luiden. De praktijk blijkt echter weerbarstiger dan de tekst van de wet doet vóórkomen. Recente lagere rechtspraak over de reikwijdte van titel 8.4 Awb laat zien dat het voor benadeelden lang niet altijd helder is bij welke rechter zij terecht moeten met hun schadeclaim (zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 27 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4515; Rb. Limburg 28 september 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:8376; Rb. Rotterdam 28 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6506). Vanuit de wetenschap is kritiek geuit op de regeling van bevoegdheidsverdeling. Meermaals is de vraag gesteld of een benadeelde, in een zaak waarin de bestuursrechter bevoegd is tot en met een bedrag van € 25.000 (art. 8:89 lid 2 Awb), bij de bestuursrechter een verzoek kan indienen van € 25.000 en vervolgens, nadat de bestuursrechter het verzoek heeft toegewezen, een vordering kan instellen bij de burgerlijke rechter voor het restant van het schadebedrag. Een andere vraag is of het mogelijk is meerdere keren een verzoek van ten hoogste € 25.000 bij de bestuursrechter in te dienen (zie daarover o.a. B.J. Schueler & B.J. van Ettekoven, ‘De “losse eindjes” van Titel 8.4 Awb’, NTB 2013/34, p. 4; D. Sietses, Het nieuwe schadevergoedingsrecht bij schade uit onrechtmatige besluiten, Tilburg: Celsus juridische uitgeverij 2013, p. 71–76; K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses, ‘De reikwijdte van de bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure’, O&A 2015/3).

3.

In bovenstaande uitspraak komt de gesignaleerde problematiek tot leven. De casus is als volgt. Interbest exploiteert een reclamemast nabij de A1 bij Amersfoort. Zij stelt dat de zichtbaarheid van deze reclamemast als gevolg van een Tracébesluit is afgenomen. De schade die Interbest stelt te hebben geleden bedraagt meer dan € 165.000. Die schade zou niet alleen zijn veroorzaakt door het volgens Interbest onrechtmatige Tracébesluit, maar ook door het niet-nakomen van de door de minister gedane toezegging dat de uitvoering van het Tracébesluit niet tot beperking van het zicht op de reclamemast zou leiden. Interbest heeft de gevraagde vergoeding in haar verzoek aan de Afdeling beperkt tot een bedrag van € 25.000. Daarbij heeft zij laten weten dat zij de aanspraak op de vergoeding van de schade die uitstijgt boven € 25.000 niet opgeeft en dat ze de inzet van haar ‘vervolgrechtsmiddelen’ zal afstemmen op de uitkomst van de schadeverzoekschriftprocedure bij de Afdeling.

4.

De minister stelt dat de bestuursrechter onbevoegd is kennis te nemen van het schadeverzoek. Voor zover Interbest het schadeverzoek heeft gebaseerd op het niet-nakomen van een toezegging (r.o. 7), bevestigt de Afdeling die stelling: het niet-nakomen van een toezegging is geen oorzaak als bedoeld in art. 8:88 lid 1 Awb. We laten hier rusten dat, zowel op grond van de parlementaire geschiedenis (zie Kamerstukken II 2010/11, 32261, 3, p. 44–45: ‘feitelijke voorbereidingshandelingen die in verband met een te nemen besluit worden verricht, zoals het doen van mededelingen en toezeggingen dan wel het geven van adviezen’) als op grond van de literatuur (zie o.a. B.J. Schueler, ‘Welke rechter oordeelt over schade ten gevolge van onrechtmatige voorbereidingshandelingen?’, in: T.W. Franssen e.a. (red.), Op het grensvlak (Van Ravels-bundel), Den Haag: IBR 2014, p. 214) discussie mogelijk is over de vraag of een toezegging kan gelden als een ‘onrechtmatige voorbereidingshandeling voor een onrechtmatig besluit’ als bedoeld in art. 8:88 lid 1 sub 2 Awb. Op grond waarvan de Afdeling zo kort concludeert dat dat niet het geval is, is derhalve niet direct duidelijk. De stelling van de minister dat de bestuursrechter niet bevoegd zou zijn, omdat Interbest niet heeft geprocedeerd tegen het Tracébesluit, zodat daarom geen sprake is van een onrechtmatig besluit, verwerpt de Afdeling, ook al zonder daar al te veel woorden aan vuil te maken. Dat is niet echt verrassend. Vermeldenswaard is wel dat de Afdeling daarmee de bestuursrechter — bij de inhoudelijke beoordeling van het schadeverzoek — de opening biedt om in voorkomend geval de formele rechtskracht van een besluit te doorbreken in de schadeverzoekschriftprocedure (zie r.o. 9.14 en r.o. 19.2).

5.

Het centrale argument van de minister voor het standpunt dat de bestuursrechter niet bevoegd zou zijn, is dat het opsplitsen van vorderingen in kennelijke strijd is met de bedoeling van de wetgever om te streven naar een doelmatige en efficiënte afhandeling van schadegeschillen. De minister betoogt dat de bestuursrechter alleen bevoegd is indien gedurende of na afloop van de procedure bij de bestuursrechter blijkt dat de schade hoger uitvalt. Alleen dan kan de benadeelde — voor de schade boven de € 25.000 — alsnog de gang naar de burgerlijke rechter maken. Die route is niet bedoeld voor gevallen waarin voorafgaand aan de start van de schadeverzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter al duidelijk is dat de schade boven dat bedrag ligt. Verder stelt de minister dat met de regeling van art. 8:89 lid 2 Awb (impliciet) aansluiting is gezocht bij art. 93 Rv. Dat betekent volgens hem dat de bestuursrechter onbevoegd is als Interbest geen afstand doet van het schadebedrag boven de competentiegrens van € 25.000. Nu Interbest dat niet heeft gedaan, dient de Afdeling zich onbevoegd te verklaren, aldus de minister.

De Afdeling overweegt onder verwijzing naar art. 8:89 lid 2 Awb dat de ‘gevraagde vergoeding’ bepalend is voor het antwoord op de vraag of de bestuursrechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Als dat verzoek niet hoger is dan € 25.000 is de bestuursrechter bevoegd; is het verzoek hoger dan € 25.000, dan is de bestuursrechter slechts bevoegd wanneer de schade is veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt.

Vervolgens neemt de Afdeling, wellicht aangemoedigd door de argumentatie van de minister, een blik over de grens van het bestuursrecht, door te kijken hoe de bevoegdheid van de kantonrechter is geregeld. De Afdeling stelt vast dat de tekst van art. 8:89 lid 2 Awb voor wat betreft de begrenzing van de absolute bevoegdheid aansluit bij art. 93 Rv (r.o. 9.5). Voor zowel de burgerlijke rechter, sector kanton, als de bestuursrechter in het geval van art. 8:89 lid 2 Awb, geldt immers dat zij bevoegd zijn tot een maximum van € 25.000 (voor de goede orde: ook de wetgever heeft expliciet aansluiting gezocht bij art. 93 Rv, zie Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 49). De Afdeling stelt tegelijkertijd vast dat in titel 8.4 Awb niet de koppeling is gemaakt met de bepalingen over cumulatie van vorderingen (art. 94 Rv) en de mogelijkheid van eisvermindering (art. 95 Rv). Vervolgens overweegt de Afdeling dat noch uit de tekst van titel 8.4 Awb, noch uit de toelichting daarop kan worden afgeleid dat de wetgever de bestuursrechter enkel de bevoegdheid heeft willen toekennen om te oordelen over schadevergoedingsverzoeken, indien de verzoeker uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van schadevergoeding boven het bedrag van € 25.000 (r.o. 9.7). De Afdeling concludeert daarom dat het een gelaedeerde in de in art. 8:89 lid 2 Awb genoemde gevallen (de schade is veroorzaakt door een besluit waarover de Afdeling of het CBb in enige of hoogste aanleg oordeelt) vrij staat om bij de bestuursrechter een schadevergoedingsverzoek van ten hoogste € 25.000 te doen, zonder afstand te doen van het meerdere. Het gaat, zoals de tekst van art. 8:89 lid 2 Awb al aangeeft, om de gevraagde vergoeding.

6.

De uitspraak bevestigt dat het mogelijk is om in de in art. 8:89 lid 2 Awb genoemde gevallen eerst de bestuursrechter te benaderen voor de schade tot en met € 25.000 om vervolgens met de uitspraak van de bestuursrechter in de hand naar de burgerlijke rechter te stappen voor de resterende schade. Dit kan aantrekkelijk zijn omdat de benadeelde bij de bestuursrechter in een laagdrempelige procedure (de schadeverzoekschriftprocedure, al dan niet gelijktijdig met de procedure ter vernietiging van het schadeveroorzakende besluit, zie art. 8:91 Awb) en tegen lage kosten antwoord kan krijgen op de vraag of de schade die hij heeft geleden door het onrechtmatige besluit al dan niet moet worden vergoed. Heeft hij succes, dan kan hij naar de civiele rechter om het meerdere te vorderen. Afgaand op de wetsgeschiedenis zou dat weinig moeite hoeven kosten. De wetgever heeft overwogen dat de burgerlijke rechter gebonden is aan het oordeel van de bestuursrechter over de bij hem gevorderde schade (Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 49). Opgemerkt zij echter wel dat de Afdeling de wetsgeschiedenis op dit punt strikt interpreteert, zodat zij slechts betekent dat de burgerlijke rechter niet afwijkend kan oordelen over de schade waarover de bestuursrechter reeds binnen zijn bevoegdheid heeft beslist. Voor het hogere bedrag dat bij de burgerlijke rechter wordt gevorderd, is de burgerlijke rechter niet gebonden aan wat de bestuursrechter heeft beslist (r.o. 9.12).

7.

Dat de burgerlijke rechter niet op alle punten gebonden is aan het voorafgaande oordeel van de bestuursrechter in de schadeverzoekschriftprocedure, is niet verrassend. De burgerlijke rechter is wel gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de (on)rechtmatigheid van de schadeveroorzakende handeling. Eerlijk gezegd gaan wij er vanuit dat ook het oordeel van de bestuursrechter over het al dan niet doorbreken van formele rechtskracht van een vermeend onrechtmatig besluit, zoals in casu, zal worden overgenomen door de burgerlijke rechter. Daarnaast geldt dat, buiten de mogelijkheid van hoger beroep, een door een rechter toegekende of afgewezen schadevergoeding niet nogmaals beoordeeld moet kunnen worden door een andere rechter. Aan de andere kant is volstrekt helder dat de burgerlijke rechter — voor de bij hem gevorderde schade — zelfstandig moet kunnen beoordelen of die vordering moet worden toegewezen, simpelweg omdat de bij hem gevorderde schade nog niet door de bestuursrechter is beoordeeld. Zo zal de geleden schade, de relativiteit en het vereiste causale verband tussen de schade en de onrechtmatige handeling moeten worden aangetoond. Het is niet te verwachten dat de burgerlijke rechter, indien deze wordt geconfronteerd met een vordering die is gebaseerd op een reeds bij de bestuursrechter opgevoerde schadepost, omdat die schadepost hoger is gebleken, snel tot een ander oordeel zal komen dan de bestuursrechter. Duidelijk is dat verschillende oordelen van bestuursrechter en burgerlijke rechter — op welk aspect dan ook — de rechtseenheid niet ten goede komen en daarmee afbreuk zouden doen aan de ratio van de invoering van titel 8.4 Awb.

8.

Wij kunnen ons vinden in de uitkomst van deze uitspraak, al is zeer de vraag of en in hoeverre de wetgever zich ervan bewust is geweest dat op grond van de regeling van titel 8.4 Awb vorderingen waarvan voorafgaand aan de procedure duidelijk is dat ze meer dan € 25.000 bedragen, deels aan de bestuursrechter, deels aan de burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd. De wetgever heeft weliswaar de deur naar de burgerlijke rechter, na een bestuursrechtelijke schadevergoedingsprocedure, open gezet met art. 8:89 lid 3 en lid 4 Awb, maar uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever deze mogelijkheid heeft willen beperken tot die gevallen waarin tijdens of na afloop van de procedure bij de bestuursrechter zou blijken dat de schade hoger uitvalt dan € 25.000 (zie Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 49). Het onderhavige geval betreft — zoals ook de minister benadrukt — een heel andere situatie. Hier is voorafgaand aan de procedure al duidelijk dat de totale schade meer dan € 25.000 bedraagt. Dit is onbevredigend. Toch is het is begrijpelijk dat de Afdeling, gezien de tekst van en de toelichting op titel 8.4 Awb, te weinig aanknopingspunten zag om anders te beslissen dan zij heeft gedaan.

9.

Een vraag die resteert, en ook al eerder in de literatuur is gesteld (De Graaf, Marseille & Sietses 2015, p. 24), is of het mogelijk is om, nadat de bestuursrechter een schadevergoedingsverzoek van € 25.000 heeft toegewezen, voor de resterende schade de bestuursrechter te benaderen, in plaats van de burgerlijke rechter. Deze uitspraak biedt daar geen uitsluitsel over. De Afdeling overweegt dat de vrijheid van belanghebbenden om in de in art. 8:89 lid 2 Awb genoemde gevallen de bestuursrechter te benaderen ‘aan geen andere beperkingen is onderworpen dan dat de gestelde schadeoorzaak onder het bereik van artikel 8:88, eerste lid, Awb valt en dat de gevraagde vergoeding beperkt is tot ten hoogste € 25.000’ (r.o. 9.13). De Afdeling laat in het midden of de bestuursrechter slechts een keer met een verzoek van maximaal € 25.000 kan worden geconfronteerd, of meerdere malen. Hoewel wij menen dat het toestaan van meerdere achtereenvolgende bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedures indruist tegen de bedoeling van de wetgever, verzet een letterlijke lezing van de tekst van titel 8.4 Awb zich er niet tegen. En een dergelijke lezing heeft de Afdeling in bovenstaande uitspraak doorslaggevend geacht voor haar oordeel. Mocht de bestuursrechter in de toekomst oordelen dat een dergelijke werkwijze (ook) is toegestaan, dan zouden wij er overigens voor pleiten de bestuursrechter op gelijke wijze gebonden te achten aan zijn eigen eerdere oordeel als de burgerlijke rechter daaraan gebonden wordt geacht.

10.

Hoe nu verder? Ook al is het oordeel van de Afdeling, gezien de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis, begrijpelijk, het lijkt ons dat deze uitkomst niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest en bovendien als ongewenst moet worden beschouwd. De uitspraak zorgt er niet alleen voor dat de beoogde bevoegdheidsverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter wordt doorkruist, maar ook dat procesgedrag wordt gestimuleerd dat de rechterlijke macht extra belast. De uitspraak nodigt dan ook uit na te denken over het wijzigen van de reikwijdte van de schadeverzoekschriftprocedure, om er voor te zorgen dat die regeling werkbaarder is en meer in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

Een dergelijke exercitie hebben wij ruim twee jaar geleden al eens ondernomen (De Graaf, Marseille & Sietses 2015, p. 24–25). Ons idee was toen dat voor de situatie waarin de schade tijdens de verzoekschriftprocedure hoger blijkt te zijn dan € 25.000, de Awb-wetgever zich had moeten laten inspireren door art. 95 Rv. Daarin is bepaald dat in de situatie waarin hangende een geding bij de kantonrechter een vordering wordt vermeerderd tot een bedrag hoger dan € 25.000, de zaak in beginsel alsnog moet worden behandeld en beslist door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken. De kantonrechter is dan verplicht te wijzen op de mogelijkheid van eisvermindering. Beperkt de gelaedeerde zijn eis vervolgens uitdrukkelijk tot het bedrag van € 25.000 en doet hij afstand van het meerdere, dan blijft de kantonrechter bevoegd. Een vergelijkbare regeling in het bestuursrecht zou moeten inhouden dat als tijdens de verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter (dat wil zeggen: in het geval het CBb of de Afdeling in enige of hoogste aanleg oordeelt over het schadeveroorzakende besluit) duidelijk wordt dat de gevraagde schadevergoeding hoger is dan € 25.000, de bestuursrechter de gehele zaak verwijst naar de burgerlijke rechter, tenzij de gelaedeerde de hoogte van zijn verzoek uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000 en afstand doet van het meerdere.

Een dergelijke regeling biedt weliswaar soelaas voor de situatie die in deze uitspraak aan de orde is; ze biedt geen oplossing voor de situatie waarin na afloop van de schadeverzoekschriftprocedure blijkt dat de schade hoger is dan € 25.000 en waarin de wet geen blokkade kent om voor de restschade naar de burgerlijke rechter te stappen. De regeling van titel 8.4 Awb is gemankeerd, omdat die het mogelijk maakt dat zowel de bestuursrechter als de burgerlijke rechter over de vergoeding van schade door dezelfde oorzaak oordeelt. Ook aan een alternatieve regeling kleven echter nadelen. Zou als uitgangspunt worden genomen dat wie voor de bestuursrechter kiest, daar moet blijven, dan zou dat betekenen dat de bestuursrechter ook bevoegd zou zijn als na afloop van een schadeverzoekschriftprocedure blijkt dat de schade meer dan € 25.000 bedraagt. Dat druist in tegen de bedoeling van de wetgever, die nu juist voor ogen had dat de burgerlijke rechter dat soort vorderingen moet beoordelen. Nu de wetgever ervoor heeft gekozen om in bepaalde situaties gelaedeerden zelf te laten beslissen of ze met hun verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter of de burgerlijke rechter terecht willen, lijkt op dit punt geen betere regeling dan de geldende te bedenken.

Al met al verdient het de voorkeur discussies over ‘reparatie’ van titel 8.4 Awb niet te voortvarend te voeren. Het risico dat de gebruikers van bestuursrechtelijke procedures, net als in de periode tot 1 juli 2013, van de regen in de drup belanden, is niet denkbeeldig. Tot nu toe is het bijzonder moeilijk gebleken onvolkomen procedures over de vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatige besluiten (en onrechtmatige handelingen ter voorbereiding daarvan) tot goed functionerende procedures om te vormen. Het lijkt daarom verstandig eerst maar eens de kat uit de boom te kijken. Mocht het gebruik van de schadeverzoekschriftprocedure waar de Afdeling in deze uitspraak haar goedkeuring aan heeft gegeven, massaal navolging vinden (wat wij niet verwachten, al was het maar omdat de schadeverzoekschriftprocedure bij de Afdeling sowieso maar weinig wordt gebruikt), dan kan altijd nog over creatieve, passende maatregelen worden nagedacht.


Gerelateerd

Relativiteit bij het MER: deelaspecten van het milieuonderzoek
Erwin schreef een noot onder ABRvS 18 maar 2020, ECLI:NL:RVS:2020:801 in M en R 2020/49….
Aanleg rieteilanden en rietkraag is een beschermingsmaatregel waarmee in de passende beoordeling rekening mag worden gehouden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360 in M en R 2020/10…
Fiets weg? Ook dat is bestuursrechtelijke handhaving
Fleur schreef een noot onder ABRvS 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4152 in OGR-updates. 1. In de…
Grote kamer en staatsraad advocaat-generaal kunnen Rechtbank Gelderland onvoldoende overtuigen?
Fleur schreef een noot onder Rb. Gelderland 7 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5015 in OGR-updates.  1. Op…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Vervallen aanhaakverplichting natuurtoestemming bij omgevingsvergunning door intrekking onderdeel natuur.
Marieke schreef een noot onder ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803 in M en R 2019/57…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in…
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Besluitbegrip. Besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan. Vaststelling faunabeheerplan.
M. Bauman, D. Sietses & J.V. van Ophen schreven een noot onder ABRvS 20 maart…
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Amsterdams vestigingsverbod toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar Amsterdam Cheese Company mag toch open blijven
Het Amsterdamse vestigingsverbod voor toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar de Amsterdam Cheese Company mag van…
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de bestuursrechtelijke beroepsprocedure
Erwin Noordover en Tom Barkhuysen schreven ‘Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de…
De reikwijdte en rechtsgrondslag van nadeelcompensatie in het omgevingsrecht.
Derek Sietses schreef in TBR 2016/34, afl. 3 het verslag van de jaarvergadering van Vereniging…
Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor een tekortschieten in hun inspanningen
Erwin Noordover en Laurens Westendorp schreven ‘Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor…
Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel
Erwin Noordover schreef ‘Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel’, Bb 23 juni 2015/nr….
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…
De reikwijdte van de bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure
K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in O&A 2015/3, afl….
De curator als overtreder
Erwin Noordover schreef ‘De curator als overtreder’ in Tijdschrift voor Insolventierecht, 2015/12. Een failliet bedrijf…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Titel 8.4 Awb: verdwenen, gebleven en nieuwe problemen
Deze bijdrage van K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses maakt deel uit van…
De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies
Fleur Onrust schreef “De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies”, in “Gepaste afstand, de…
Besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan curator
Fleur Onrust schreef in JM 2014/111 over een besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan de curator. In de…
Spoedeisende bestuursdwang, handhaving, bluswater, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann, noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:90,  JM 2014/34….
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
De finaliseringsslag in het bestuursrecht
B. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in NJB 2013/497, afl. 10. Aandacht voor…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van complicerende factoren
Erwin Noordover schreef ‘Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Handhaving – spoedeisende bestuursdwang
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:BY1700, inz. Handhaving, spoedeisende…
Hoge Raad over Kostenverhaal Chemie-Pack
Fleur Onrust met C.N.J. Kortmann, noot onder HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7505, inz. Kostenverhaal Chemie-Pack, AB 2013/368….
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 1
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Bestuursrechtelijk kostenverhaal bestuursdwang bij Chemie-Pack
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder Rb. Breda 21 juni 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8992,inz. Spoedeisende bestuursdwang…
Artikel 7:11 Awb
Fleur Onrust schreef met L.M. Koenraad het artikelgewijze commentaar op artikel 7:11 Awb in Module bestuursrecht…
Kostenverhaal brand Chemie-Pack Moerdijk
Fleur Onrust schreef een noot met C.N.J. Kortmann bij de uitspraak van de Rb 21 april…
De verhouding tussen BW en Awb in het kader van een subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1307 inz. De verhouding tussen BW en…
Subsidievaststelling en de verhouding tussen BW en Awb
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, inz. Subsidievaststelling en de verhouding tussen…
Verrekening teveel betaalde subsidie
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, inz. Verrekening teveel betaalde subsidie…
Subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NLRVS:2010:BL7011, inz. Subsidievaststelling, AB 2011/92. De…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…
Mediation in het bestuursrecht
Marieke Kaajan schreef het artikel “Mediation in het bestuursrecht. Mogelijkheden voor een wettelijke regeling” , AAe…