ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 01-11-2010

De relatie tussen Wabo en Waterwet

Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851).

De relatie tussen Wabo en Waterwet

1. Inleiding

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. De Waterwet (Wtw) is sinds 22 december 2009 van kracht. Het betreft twee integrale vergunningstelsels. [1] Uitgangspunt van beide stelsels is het streven om tot één vergunning te komen, respectievelijk een omgevingsvergunning en een watervergunning. Er is bij samenloop van deze vergunningen weliswaar sprake van coördinatie, maar samenloop leidt niet tot één geïntegreerde ‘wateromgevingsvergunning’. Het zijn twee afzonderlijke vergunningen welke beide verschillende toestemmingen bevatten. Daarnaast is het niet zo dat met de komst van deze twee integrale vergunningstelsels er geen andere vergunningen en toestemmingen meer relevant zijn voor het realiseren van een project dat ruimtelijke uitstraling heeft. Naast de omgevingsvergunning en watervergunning blijven andere toestemmingen en vergunningen bestaan, zoals toestemmingen op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Tracéwet en de algemene regels van het Activiteitenbesluit.
In dit artikel wordt ingegaan op de relatie tussen de Wabo en Waterwet, meer in het bijzonder de relatie tussen de omgevingsvergunning en watervergunning. De relatie tussen omgevingsvergunning en watervergunning komt allereerst aan de orde in geval van samenloop van beide vergunningen, oftewel situaties waarin beide vergunning zijn vereist. In hoeverre heeft de wetgever voorzien in afstemming tussen beide vergunningstelsels en waar niet? Daartoe wordt in dit artikel de coördinatieregeling op grond van de Wabo en Waterwet besproken.
Naast procedurele coördinatie van beide vergunningen wordt het bevoegd gezag van de watervergunning in sommige gevallen bij de verlening van de omgevingsvergunning betrokken en omgekeerd. Dat kan in de vorm van een adviesverplichting zijn. In dit artikel worden de volgende vormen van advies besproken, advisering voortvloeiend uit de coördinatieregeling tussen Wabo en Waterwet ex art. 3.16 Wabo, advisering ex art. 2.26 Wabo en overig facultatief advies. Ten slotte bestaat er een relatie tussen Wabo en Waterwet in situaties waarbij in de Waterschapsverordening een toestemmingstelsel is opgenomen en ‘aanhaken’ mogelijk is gemaakt. Vervolgens komen handhaving, toezicht en rechtsbescherming bij samenloop van de omgevingsvergunning en watervergunning aan de orde.
Ten slotte worden mogelijke problemen die zich kunnen voordoen bij samenloop van de omgevingsvergunning en watervergunning geïnventariseerd. Voor de gesignaleerde problemen worden mogelijke oplossing(srichting)en geschetst.

2. Omgevingvergunning [2]

De Wabo is op 1 oktober 2010 in werking getreden. [3] De Wabo introduceert de omgevingsvergunning. Dit betreft één integrale vergunning voor de uitvoering van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. De Wabo integreert zo’n 25 vergunningen, ontheffingen en meldingen. De integratie tot één vergunning leidt tot één loket, één aanvraagprocedure, één bevoegd gezag, één besluitvormingsprocedure en ten slotte één rechtsbeschermingsprocedure. De Wabo kent twee vormen van integratie volledige integratie en incidentele integratie, ook wel ‘aanhaken’ genoemd.
Art. 2.1 lid 1 Wabo geeft een verbod – behoudens omgevingsvergunning – voor de uitvoering van een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit één van de in de opsomming van dit artikellid genoemde plaatsgebonden activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Art. 2.2 Wabo bevat daarnaast eveneens een opsomming met plaatsgebonden activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Dit artikel bepaalt dat slechts een vergunning is vereist voor de uitvoering van een project met deze activiteiten voor zover ingevolge een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist. Dit zijn vormen van volledige integratie. Daarnaast bestaat nog het zogenaamde ‘aanhaken’. In een bijzondere wet [4] kan worden bepaald dat een omgevingsvergunningplicht geldt. De toestemming vanuit de bijzondere wet wordt dan incidenteel, dat wil zeggen als tevens gelijktijdig een omgevingsvergunning is vereist, opgenomen in de omgevingsvergunning.
In de Wabo is de vergunningplicht, alsmede de vergunningverleningsprocedure en de inhoudelijke afstemming van de vergunningverlening geregeld. De verschillende toetsingskaders voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zijn neergelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) [5] en Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). [6] Deze toetsingskaders zijn vrijwel gelijk aan de toetsingskaders zoals deze waren neergelegd in de verschillende wetten waarin de oude vergunningplichten waren neergelegd, zoals de Woningwet, Wet milieubeheer (Wm) en Monumentenwet. De omgevingsvergunning betreft een integrale vergunning waarbij het toetsingskader bestaat uit een optelsom van de toetsingskaders uit de oude vergunningstelsels.
De Minister van VROM heeft een voorkeur uitgesproken om in de toekomst uiteindelijk één integraal toetsingskader in de Wabo op te nemen. [7] Bij de invoering van de omgevingsvergunning zijn verschillende vormen van integratie aan de orde gekomen. Deze meest vergaande vorm met één integraal toetsingskader wordt wel model 4 genoemd, de Wabo is thans gebaseerd op model 3 dat minder vergaande integratie kent. [8] Daarnaast lijkt het niet onaannemelijk dat de reikwijdte van de Wabo in de toekomst verder wordt uitgebreid, bijvoorbeeld met de Ontgrondingenwet. [9]

3. Watervergunning [10]

De Waterwet is per 22 december 2009 in werking getreden. [11] De Waterwet heeft betrekking op de organisatie, het beheer en bijzondere zorgplichten van en voor watersystemen. De Waterwet heeft acht verschillende wetten [12] op het gebied van waterbeheer vervangen en geïntegreerd. De Waterwet kent een vergunningstelsel en algemene regels voor activiteiten in, op, onder of boven het water of waterkeringen. Deze vergunning betreft de zogenaamde watervergunning. [13] De Waterwet kent slechts één vorm van integratie in de vergunningprocedure, te weten volledige integratie, ‘aanhaken’ bij de watervergunning is niet mogelijk. In de Waterwet is één integraal toetsingskader voor de watervergunning opgenomen. De integratie in de Waterwet is daarmee dus verdergaand dan in de Wabo en heeft al meer van het zogenaamde model 4 van deWabo.
Hoofdstuk 6 van de Waterwet heeft betrekking op het verrichten van handelingen in een watersysteem. Dit betreft handelingen van derden (dat kunnen zowel burgers als bedrijven zijn, alsmede Rijkswaterstaat of waterschappen). In de Waterwet worden al deze handelingen samengebracht en leiden de vergunningplichtige handelingen tot één watervergunning.
Op grond van de Waterwet is één vergunning is nodig voor:
a
het in een watersysteem brengen van stoffen of water, dan wel het onttrekken van water aan een watersysteem, en/of;
b
het in, op, onder of over een watersysteem maken of in stand houden van een werk, dan wel het verrichten van werkzaamheden anders dan in overeenstemming met de functie van het watersysteem, en/of;
c
het storten, plaatsen, neerleggen of laten staan of liggen van de voorwerpen die niet in overeenstemming zijn met de functie van het watersysteem, en/of;
d
het direct lozen (dus niet via het gemeentelijke riool) op een zuiveringstechnisch werk van het waterschap.
De vergunningplicht ziet tevens op de ingevolge verordeningen van waterschappen vergunningplichtige handelingen in een watersysteem. In deWaterwet is tevens bepaald dat voorafgaande toestemming van het bestuur van een waterschap in de vorm van een ontheffing deel uitmaakt van de watervergunning. Op grond van de schakelbepaling van art. 6.11 Wtw worden toestemmingen op grond van de Keur [14] gelijkgesteld met een watervergunning.
Naast de vergunningenplicht wordt in de Waterwet een groot deel van de huidige individuele vergunningplichten vervangen door algemene regels. [15]Door middel van individuele of collectieve nadere voorschriften kan worden afgeweken van deze algemene regels. [16] Ten slotte kent de Waterwet de mogelijkheid om meld-, meet- of registratieverplichtingen op te leggen in gevallen waarin de vergunningplicht volledig wordt opgeheven. [17]

4. Samenloop van Wabo en Waterwet

De relatie tussen Wabo en Waterwet komt met name tot uitdrukking in situaties waarin zowel een omgevingsvergunning als een watervergunning is vereist. Deze situatie van samenloop van beide vergunningen wordt hierna besproken. Samenloop van de omgevingsvergunning en watervergunning dient overigens onderscheiden te worden van de situatie van samenloop binnen het stelsel van de Wabo [18] of binnen het stelsel van de Waterwet. [19] Samenloop binnen het stelsel van de Waterwet betreft situaties waarin verschillende watervergunningen worden verleend en waarvoor meerdere bestuursorganen als bevoegd gezag zijn aangewezen. De regeling [20] met betrekking tot samenloop binnen het stelsel deWaterwet regelt welk bevoegd gezag tot verlening van de watervergunning overgaat, indien sprake is van verschillende handelingen in een watersysteem waarvoor toestemmingen van verschillende bevoegde bestuursorganen zijn vereist. Een vorm van samenloop in de Wabo betreft bijvoorbeeld de situatie waarin een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is verleend en tegelijkertijd sprake is van een (potentieel) geval van ernstige grondwaterverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming. Samenloop in de Wabo komen we tegen in de aanhoudingsgronden [21] voor de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. In art. 6.2c [22] Wabo is bepaald dat het niet mogelijk is om met gebruikmaking van de omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten zolang er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over het al dan niet aanwezig zijn van een geval van ernstige verontreiniging ter plaatse en de daartegen te nemen maatregelen.
Hierna zal de coördinatieregeling van art. 3.16 Wabo en het equivalent van dat artikel in art. 6.27 Wtw aan de orde komen. Deze regelingen voorzien in procedurele en inhoudelijke afstemming in de vorm van een adviesplicht voor de omgevingsvergunning en watervergunning, als beide vergunningen zijn vereist.
4.1 Coördinatieregeling Wabo en Waterwet
De relatie tussen de Wabo en Waterwet komt bovenal tot uitdrukking in de coördinatieregeling die in de Wabo en Waterwet is opgenomen. Deze coördinatieregeling is alleen van toepassing in situaties waarin bij IPPC-inrichtingen [23] naast een omgevingsvergunning eveneens een watervergunning voor een lozing is vereist. De coördinatieregeling regelt de procedurele afstemming van beide vergunningen en kent een inhoudelijke afstemmingsmogelijkheid in de vorm van een adviesplicht.
4.2 Procedurele afstemming op grond van de coördinatieregeling Wabo en Waterwet
De coördinatieregeling in de Wabo komt grotendeels overeen met de oude coördinatieregeling tussen Wm en Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). [24] In paragraaf 3.5 Wabo is de coördinatieregeling tussen Wabo en Waterwet neergelegd. Het equivalent van de coördinatieregeling in de Wabo is in de Waterwet te vinden in hoofdstuk 6.4.
Art. 3.16 Wabo [25] bepaalt dat de coördinatieregeling alleen van toepassing is in gevallen waarin een omgevingsvergunning of een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder e Wabo met betrekking tot een IPPC-inrichting en waarbij sprake is van het lozen van stoffen als bedoeld in art. 6.1 Wtw. Kort gezegd dient het te gaan om samenloop van een watervergunning (voor een lozing op een oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk) en de omgevingsvergunning met milieuaspecten. Voorwaarde is daarnaast dat op de voorbereiding van beide vergunningen afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing moet zijn. Een voorbeeld waarin de coördinatieregeling van toepassing is betreft de bouw en oprichting van een elektriciteitscentrale of asfaltcentrale waarbij een lozing op het oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk aan de orde is.
Uitgangspunt is dat in de specifieke samenloopsituaties van art. 3.16 Wabo waarin zowel een omgevingsvergunning als een watervergunning is vereist, de aanvragen van beide vergunningen gelijktijdig worden ingediend. De aanvraag van de omgevingsvergunning wordt buiten behandeling gelaten indien de watervergunning niet binnen zes weken na indiening van de eerste aanvraag wordt ingediend. [26] In de Waterwetis een soortgelijke bepaling opgenomen in art. 6.27 lid 3 Wabo. Ten slotte is bepaald dat indien de aanvraag om verlening of wijziging van de watervergunning buiten behandeling wordt gelaten, de aanvraag om de omgevingsvergunning eveneens buiten behandeling moet worden gelaten. Zo is de cirkel rond, en is verzekerd dat beide vergunningen daadwerkelijk gecoördineerd worden.
Indien de omgevingsvergunning voor een bepaalde termijn wordt verleend, dan wordt deze zelfde termijn ook aan de watervergunning verbonden. [27] Indien in de watervergunning een geldigheidstermijn wordt opgenomen kan een gelijke bepaling in de omgevingsvergunning worden opgenomen, in dat geval is het niet verplicht. [28] De mogelijkheid bestaat om in geval van intrekking van de omgevingsvergunning tevens de watervergunning in te trekken. [29] Een ooit gelijktijdig met een omgevingsvergunning aangevraagde watervergunning kan op die manier dus los van de omgevingsvergunning blijven bestaan en omgekeerd. Dit is ook niet zo vreemd, omdat er situaties denkbaar zijn waarin de watervergunningplichtige activiteit wordt voortgezet, terwijl de omgevingsvergunningplichtige activiteit wordt gestaakt. Maar ook de omgekeerde situatie is denkbaar waarbij bijvoorbeeld de eerder genoemde asfaltcentrale blijft bestaan, maar de lozing wordt omgezet in een indirecte lozing, zodat daarvoor geen watervergunning meer is vereist.
De coördinatie tussen de omgevingsvergunning en watervergunning heeft geen betrekking op de bekendmaking van de beschikkingen en strekt zich slechts gedeeltelijk uit tot het beroep gericht tegen één van de gecoördineerd voorbereide beschikkingen. Omdat de vergunningen niet gelijktijdig gepubliceerd hoeven worden kunnen de beroepstermijnen ook op andere momenten aanvangen en aflopen (zie voor de rechtsbescherming verder paragraaf 7 van dit artikel).
4.3 Coördinatie op grond van de Wet samenhangende besluiten
Indien er geen sprake is van een IPPC-inrichting en er is zowel een omgevingsvergunning als watervergunning vereist, is coördinatie tussen de omgevingsvergunning en watervergunning mogelijk maar niet verplicht. In dat geval kunnen de vergunningen gecoördineerd worden voorbereid met toepassing afdeling 3.5 Awb. [30] Deze afdeling is aan de Awb toegevoegd met de inwerkingtreding van de Wet samenhangende besluiten (Wsb). De Wsb leidt niet tot bundeling van meerdere besluiten tot één besluit, maar regelt slechts de afstemming en coördinatie tussen de procedures van de besluiten. [31] De Wabo en de Wsb beogen beide procedures te versnellen en te vereenvoudigen, echter gaat de Wabodaarin verder. De Wsb leidt tot een bundeling van meerdere besluiten, maar niet tot één besluit. De termijn loopt vanaf de indiening van de laatste aanvraag. Het coördinerend bestuursorgaan regelt dat eventuele bezwaar- en beroepsprocedures zoveel mogelijk gelijktijdig verlopen, en besluiten op bezwaar gelijktijdig bekend worden gemaakt. Als tegen meerdere besluiten beroep open staat, is in een gecoördineerde procedure de rechtbank waar het coördinerend bestuursorgaan zijn zetel heeft, bevoegd om alle ingediende beroepen te behandelen.
Bestuursorganen hebben op basis van de Wsb een inspanningsverplichting om de aanvrager van een besluit te informeren onder meer over eventuele andere toestemmingen die zijn vereist. Een dergelijke informatieplicht is niet expliciet in de Wabo of Waterwet neergelegd voor overige vereiste toestemmingen, terwijl dat mijns inziens wel voor de hand had gelegen om duidelijkheid te scheppen. Dat laat onverlet dat de Awb natuurlijk ook voor de Wabo en de Waterwet geldt.

5. Betrokkenheid van andere bestuursorganen bij vergunningverlening op grond van de Wabo en Waterwet

De betrokkenheid van andere bestuursorganen bij de verlening van een omgevingsvergunning of watervergunning doet zich onder meer voor in adviessituaties. In het hiernavolgende komen de verschillende adviesmogelijkheden aan de orde voor situaties waarin een omgevingsvergunning en watervergunning zijn vereist, alsmede voor situaties waarin het bevoegd gezag op grond van de Waterwet is betrokken bij de verlening van een omgevingsvergunning of omgekeerd.
In de Wabo worden drie vormen van advies onderscheiden. Ten eerste regulier advies. Bij deze vorm van advies is het bevoegd gezag verplicht om advies te vragen en kan het uitsluitend gemotiveerd van het advies afwijken. Ten tweede bestaat er een vorm van facultatief advies. Bij facultatief advies mag het bevoegd gezag advies aanvragen, maar is het dit niet verplicht. Ook kent de Wabo een specifieke vorm van advisering waarbij de waterkwaliteitsbeheerder bij indirecte lozingen advies moet uitbrengen. Deze laatste vorm van advisering kan het bestuursorgaan in sommige gevallen wel en in sommige gevallen niet verplichten om het advies op te volgen.
Ten slotte kan de relatie tussen de Wabo en Waterwet zich voordoen in de situatie waarin een waterschap in de waterschapsverordening heeft bepaald dat een toestemmingsstelsel bij samenloop met een omgevingsvergunning integreert in de omgevingsvergunning.
5.1 Advisering op grond van de coördinatieregeling Wabo en Waterwet
De coördinatieregeling van art. 3.19 Wabo brengt naast procedurele afstemming ook een inhoudelijke afstemming in de vorm van een adviesplicht met zich. Het bestuursorgaan dat op grond van de Waterwet bevoegd is om een watervergunning te verlenen wordt op grond vanart. 3.19 Wabo [32] aangewezen als adviseur ten aanzien van de vergunning op grond van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De formulering van de adviesplicht bij de coördinatiebepaling in de Wabo verschilt van de formulering in de Waterwet. [33] Het advies dat door het bevoegd gezag op grond van de Wabo moet worden gegeven bij de verlening van de watervergunning heeft betrekking op de samenhang tussen beide aangevraagde vergunningen. Daarnaast wordt het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om de watervergunning. Het bevoegd gezag adviseert op grond van de Waterwet bij de verlening van de omgevingsvergunning over de samenhang tussen beide aangevraagde vergunningen. Het bevoegd gezag van de watervergunning wordt tevens in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over het ontwerp van de omgevingsvergunning. Anders dan bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft het bevoegd gezag op grond van de Waterwet expliciet de mogelijkheid om te adviseren over de wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning. Ik vraag mij overigens af of de formulering van art. 6.27 lid 4 Wabo dit niet eveneens mogelijk maakt. Immers het advies over de ontwerpbeschikking kan natuurlijk ook betrekking hebben op de voorschriften. Er gaan dus twee adviezen over en weer tussen de twee betrokken bestuursorganen. De adviesplicht ex art. 3.19 Wabo en 6.27 Wtw is in beide wetten neergelegd om een inhoudelijke afstemming tussen omgevingsvergunning en watervergunning te bewerkstelligen.
In de motivering bij zowel de omgevings- als watervergunning moet worden aangegeven wat de invloed van de samenhang van de vergunningen is geweest op de inhoud van beide vergunningen. [34] In de praktijk zal dit mijns inziens veelal alleen een korte beschrijving kunnen zijn van eventuele aanpassingen die over en weer zijn aangebracht, om tegenstrijdige bepalingen te voorkomen. Als er in beide vergunningen niets is gewijzigd als gevolg van de samenhang lijkt dit artikel niet in de weg te staan aan een motivering in de trant van ‘geen invloed, want beide vergunningen stonden elkaar niet in de weg’. Nijmeijer e.a. [35] die art. 3.21 Wabo bespreken in het kader van de (gecoördineerde) rechtsbescherming lijken van mening dat een behoorlijke toepassing van dit artikel tot een uitgebreidere motivering leidt. Dat zou naar mijn mening wenselijk zijn, omdat daarmee duidelijk wordt wat de samenhang tussen beide vergunningen is. Dat geeft onder meer duidelijkheid bij eventuele wijzigingen van voorschriften in de toekomst in geval van bijvoorbeeld noodzakelijke aanpassing van de andere vergunning. Ook voor de ‘samenhang’ als bedoeld in art. 6.4 Wabo, waarover in de paragraaf over rechtsbescherming meer, is dit van belang. Want zelfs een uitgebreide beschrijving van de samenhang als bedoeld in art. 3.21 Wabo zal in voor art. 6.4 Wabo situaties niet altijd duidelijkheid geven. Zo meent ook Nijmeijer dat de ‘samenhang’ als bedoeld in art. 6.4 Wabo, niet altijd glashelder zal zijn in de praktijk. Het is maar de vraag of art. 3.21Wabo daadwerkelijk een uitgebreide motivering vereist, want de tekst en de toelichting op de bepaling biedt bieden geen duidelijkheid hierover.
In zowel de Wabo als Waterwet is bepaald dat het advies (ex art. 3.19 Wabo) binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om de omgevingsvergunning respectievelijk watervergunning moet worden uitgebracht. [36] In de Waterwet is een verlengingsmogelijkheid van die termijn opgenomen. Art. 6.27 lid 4 Wtw bepaalt dat in een geval als bedoeld in art. 3:18 lid 2 Awb het bevoegd gezag kan besluiten de termijn met een bij zijn besluit te bepalen redelijke termijn te verlengen. Indien art. 31 [37] lid 4 Dienstenwet op de aanvraag van toepassing is, wordt de verlengingstermijn afgestemd op de duur waarmee ingevolge dat artikellid de termijn voor het geven van de beschikking op de aanvraag kan worden verlengd. Art. 3:18 lid 2 Awb ziet op de situatie waarin de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft. In dat geval bepaalt art. 3:18 lid 2 Awb dat het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de termijn om te beslissen met een redelijke termijn kan verlengen. In art. 3.12 lid 7 Wabo is bepaald dat in afwijking van art. 3.18 lid 1 Awb de beslistermijn aanvangt op de dag na de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Dat is dus een dag later dan in de coördinatieregeling van de Waterwet is bepaald. Daar wordt immers niet van de regeling van 3.18 Awb afgeweken. In art. 3.12 lid 8 Wabo is vervolgens bepaald dat ten hoogte eenmaal kan worden verlengd voor ten hoogte zes weken. Art. 31 lid 4 Dienstenwet wordt hier uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard. Opmerkelijk is dat bij toepassing van de coördinatieregeling in een art. 3.18 Awb-situatie de bepalingen omtrent verlenging van de termijn van elkaar verschillen.
5.2 Aanwijzingsbevoegdheid
In art. 6.28 Wtw is een aanwijzingsbevoegdheid opgenomen voor de minister en gedeputeerde staten. In situaties waarop art. 6.27 Wtw ziet en de Minister van VWS, VROM of LNV, dan wel gedeputeerde staten bevoegd zijn om de omgevingsvergunning te verlenen, kunnen zij aan het bevoegd gezag op grond van de Waterwet een aanwijzing geven ter zake van de inhoud van de watervergunning. Deze aanwijzing mag slechts worden gegeven als dit in het belang van de bescherming van het milieu geboden is en kan zonodig in afwijking van de regels gesteld krachtens een provinciale verordening zijn. Ingevolge art. 6.29 Wtw kunnen burgemeester en wethouders indien zij bevoegd zijn om de omgevingsvergunning te verlenen aan gedeputeerde staten verzoeken om een aanwijzing te geven aan het bevoegd gezag op grond van deWaterwet. De aanwijzing wordt binnen acht weken na de dag waarop het ontwerp van de beschikking ter inzage is gelegd. [38] De aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat overleg met het bevoegd gezag op grond van de Waterwet heeft plaatsgehad. De Wabo kent een dergelijke aanwijzingsbevoegdheid niet.
5.2.1 Advisering bij indirecte lozingen
Directe lozingen op oppervlaktewater waren voorheen gereguleerd in de Wvo, deze lozingen vallen thans onder watervergunning gereguleerd in de Waterwet. Indirecte lozingen, oftewel lozingen die niet rechtstreeks in het watersysteem plaatsvinden, maar in een rioleringsstelsel, vielen voorheen ook onder de Wvo. Echter thans zijn de regels met betrekking tot indirecte lozingen neergelegd in deWabo en worden zij gereguleerd middels de omgevingsvergunning. Een deel van de indirecte lozingen valt overigens onder de algemene regels op grond van de Wm (Activiteitenbesluit). [39] Voor die specifieke indirecte lozingen is geen vergunning vereist.
Voorwaarde van de wetgever [40] voor het overhevelen van regels met betrekking tot indirecte lozingen van de Wvo (nu opgegaan in deWaterwet) naar de Wabo was dat de waterbeheerder, voldoende zeggenschap moest krijgen over de regulering en handhaving van de indirecte lozingen. Deze zeggenschap werd noodzakelijk geacht, omdat de waterkwaliteitsbeheerder verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het water en het beheer van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daarnaast werd van belang geacht dat de capaciteit en deskundigheid van de waterkwaliteitsbeheerders behouden blijven en effectief ingezet kunnen blijven worden. Deze zeggenschap is vormgegeven in de vorm van een specifiek adviesrecht bij het verlenen van de omgevingsvergunning.
Dit adviesrecht is neergelegd in art. 2.26 Wabo en geldt voor de situatie waarbij vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht en de aanvraag van de omgevingsvergunning ziet op een activiteit als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder e Wabo. Kort gezegd betreft het de situatie van een indirecte lozing vanuit een inrichting of mijnbouwwerk. Onder de term ‘voorziening voor de inzameling van en het transport van afvalwater’ vallen niet alleen rioolstelsels die op een rioolwaterzuivering zijn aangesloten, maar ook hemelwaterriolen of drainagestelsels, waarlangs afvalwater het oppervlaktewater kan bereiken. Anders dan de adviesplicht op grond van de coördinatieregeling ex art. 3.16Wabo geldt art. 2.26 Wabo ook voor niet-IPPC-inrichtingen.
Het bevoegd gezag van de omgevingsvergunning stelt het bestuursorgaan dat zorgdraagt voor het beheer van het zuiveringstechnisch werk of het oppervlaktewater waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen. Er kunnen zich bij de advisering door de waterkwaliteitsbeheerder twee situaties voordoen. In beginsel brengt de waterkwaliteitsbeheerder advies uit en het bevoegd gezag van de omgevingsvergunning betrekt dit advies bij de besluitvorming over de aanvraag om de omgevingsvergunning. Zij kan gemotiveerd van dit advies afwijken. Er kan zich echter ook de situatie voordoen waarin de waterkwaliteitsbeheerder advies uitbrengt en daarbij mededeelt dat de daarbij aangegeven voorschriften aan de vergunning verbonden moeten worden dan wel dat de vergunning moet worden geweigerd. In dit geval is het advies bindend en moet het bevoegd gezag dienovereenkomstig handelen en de voorschriften aanpassen of de vergunning weigeren. De waterkwaliteitsbeheerder mag alleen van deze laatste bevoegdheid gebruikmaken, wanneer de doelmatige werking van de rioolwaterzuivering zal worden belemmerd of de grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater dreigen te worden overschreden.
5.3 Advies op grond van art. 6.16 lid 3 Wtw
Art. 6.16 lid 3 Wtw opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) bestuursorganen aan te wijzen die door het bevoegd gezag op grond van de Waterwet in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking tot verlening of wijziging van de watervergunning voor wat betreft de lozing van stoffen of het infiltreren of onttrekken van grondwater. Een dergelijke AMvB bestaat thans nog niet. Blijkens de memorie van toelichting op de Waterwet moet hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het bestuursorgaan dat op grond van de Wm bevoegd is en belang kan hebben bij de advisering omtrent de verlening of wijziging van een watervergunning. Gelet op het bestaan van een bijzondere adviesplicht in gevallen waarin sprake is van een IPPC-inrichting is weliswaar denkbaar dat waterschappen kiezen voor een adviesrecht ook in gevallen waarin van een IPPC-inrichting geen sprake is, maar het lijkt niet aannemelijk dat er veelvuldig van die mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt. De wetgever heeft er immers specifiek voor gekozen om de adviesplicht van art. 6.27 Wtw alleen voor IPPC-inrichtingen verplicht te stellen. Verschil zou overigens wel zijn dat een advies op grond van art. 6.16 lid 3 Wtw een facultatief karakter heeft. Dus ook als eenmaal advies is gevraagd kan hier nog van worden afgeweken. Deze afwijking van het advies dient op grond van art. 3:46 Awb uiteraard wel gemotiveerd te worden. Het bestuursorgaan heeft dan immers op grond van een AMvB advies moeten vragen aan een ander bestuursorgaan. Een dergelijk advies was kennelijk nodig voor de besluitvorming, bijvoorbeeld omdat specifieke kennis ontbrak. Ongemotiveerd dat advies ter zijde schuiven kan dan niet zonder meer.
5.4 Waterschapsverordening en Wabo
Ten slotte bestaat er een relatie tussen de Wabo en Waterwet indien in een waterschapsverordening is bepaald dat voor activiteiten waarvoor in die verordening een toestemmingstelsel is opgenomen, bij samenloop met een omgevingsvergunning het toestemmingstelsel in de verordening integreert in de omgevingsvergunning. Dit is een vorm van het zogenaamde ‘aanhaken’ van een toestemming bij de omgevingsvergunning. Het betreft geen verplichting, maar een bevoegdheid van het bevoegd gezag. Indien een waterschap ervoor kiest om het vergunningstelsel in de waterschapsverordening te laten aanhaken bij de omgevingsvergunning geldt het regime van de omgevingsvergunning voor alle activiteiten, dus ook voor de aangehaakte activiteiten. Dit heeft derhalve ook gevolgen voor het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor de verlening van de omgevingsvergunning wordt bevoegd voor de toestemmingen voor alle activiteiten.
Voorwaarde om tot aanhaken over te gaan, is wel dat de activiteiten omschreven in de waterschapsverordening van invloed moeten kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Voor wateraspecten lijkt de invloed op de fysieke omgeving over het algemeen al vrij snel aan de orde te zijn. Te denken valt aan het dempen van een watergang of sloot om de bouw van een woning mogelijk te maken.

6. Handhaving en toezicht

Behalve in situaties van vergunningverlening komt de samenloop tussen Wabo en Waterwet aan de orde in gevallen van handhaving van één of beide – al dan niet gecoördineerd verleende – vergunningen.
6.1 Handhaving en toezicht onder de Wabo en Waterwet
De Wabo kent verschillende taken toe aan het tot handhaving bevoegde gezag. Allereerst dient het bevoegd gezag zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving. Ten tweede dient het gegevens te verzamelen om invulling te geven aan deze handhavingstaak en ten slotte dient het bevoegd gezag klachten die betrekking hebben op de vergunning en het desbetreffende project in behandeling te nemen.
Hoofdregel is dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen, belast is met de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving en het toezicht. [41] De Wabo bepaalt voor sommige situaties dat het bevoegd gezag uit andere wetten voor de omgevingsvergunning wordt belast met de handhavingstaak. Daartoe is in de betrokken wetten hoofdstuk 5 ‘Bestuursrechtelijke handhaving’ van de Wabo van toepassing verklaard op de handhaving van deze betreffende wetten. In art. 5.1 Wabo wordt het hoofdstuk met betrekking tot handhaving (hfdst. 5) van toepassing verklaard op onder meer de Waterwet, voor zover dat in de Waterwet is bepaald. [42] Dit heeft tot gevolg dat de regeling die voor de bestuursrechtelijke handhaving van het omgevingsvergunningstelsel gaat gelden, ook van toepassing kan zijn op de handhaving van een aantal andere wetten op het terrein van het omgevingsrecht. In art. 8.6 Wtw is bepaald dat met betrekking tot de handhaving de paragrafen 5.2 en 5.5 van de Wabo van toepassing zijn.
Voor het overige geldt dezelfde hoofdregel voor handhaving van de watervergunning. [43] In geval van samenloop binnen het regime van deWaterwet waarbij de waterbeheerder niet het vergunningverlenende bestuursorgaan is, wordt het bevoegd gezag belast met de handhaving. Het bevoegde gezag om de watervergunning te verlenen kan de vergunning intrekken als bestuursrechtelijke sanctie. Dat kan indien er in strijd met de vergunning(voorschriften) wordt gehandeld, dan wel indien wettelijke voorschriften niet worden nageleefd, of indien de gegevens ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig zijn, dat op de aanvraag anders zou zijn beslist. [44]
Daarnaast is het mogelijk dat andere betrokken bestuursorganen toezichthouders aanwijzen. Deze zullen hun bevindingen moeten rapporteren aan het vergunningverlenend bestuursorgaan dat de bevoegdheden tot handhaving heeft.
Door VROM is het zogenaamde integraal Toezichtprotocol ontwikkeld. Dit is een instrument waarmee uniform toezicht kan worden gehouden op de verschillende aspecten binnen de omgevingsvergunning. Het integraal Toezichtprotocol beschrijft aan de hand van thema’s en aandachtspunten alle aspecten waarop toezicht moet worden gehouden. [45]
6.2 Handhaving
Op grond van art. 5.20 lid 3 Wabo kan de waterbeheerder, in bepaalde gevallen, een bindend verzoek tot handhaving doen bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo. Het bevoegd gezag op grond van de Wabo moet gehoor geven aan het verzoek van de waterbeheerder om handhavend op te treden, indien de doelmatige werking van de RWZI [46] wordt belemmerd, of de grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater worden overschreden. Er moeten duidelijke aanwijzingen zijn dat de doelmatige werking van de RWZI daadwerkelijk wordt belemmerd of de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt aangetast. De enige reden die het bevoegd gezag op grond van de Wabo kan hebben om vervolgens niet tot handhaving over te gaan, is indien dit niet in het belang van de bescherming van het milieu is. Een voorbeeld van zo’n situatie is als het staken van een lozing, op een andere locatie een nog groter milieuprobleem zou doen ontstaan.
6.2.1 Toezicht bij indirecte lozingen
Op grond van art. 5.10 lid 3 Wabo kunnen ambtenaren van een met de uitvoering van de Wabo belast bestuursorgaan bij ministerieel besluit worden aangewezen als toezichthouder. Zo kan de waterbeheerder worden aangewezen als toezichthouder voor indirecte lozingen vanuit een inrichting of mijnbouwwerk. De waterbeheerder is in deze situatie de beheerder van de RWZI of het oppervlaktewater waarop de lozing uitkomt.
Waterbeheerders kunnen dus zelf ambtenaren aanwijzen als toezichthouder voor indirecte lozingen, die verder geheel onder het bevoegd gezag op grond van de Wabo staan. Waterbeheerders hebben in dat geval niet de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, noch de mogelijkheid om over te gaan tot intrekking van een vergunning of ontheffing. Die bevoegdheden blijven bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo.
Naast deze mogelijkheid in de Wabo is het mogelijk dat een gemeente of provincie ambtenaren van een waterbeheerder benoemt als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). Procedureel functioneren deze ambtenaren dan onder het bevoegd gezag dat deze ambtenaren heeft benoemd.
Dit systeem waarbij ambtenaren van een ander bestuursorgaan zijn aangewezen om toezicht te houden of handhavend op te treden, roept de vraag [47] op hoe om te gaan met een waarneming door een ambtenaar die niet door het handhavend bevoegde bestuursorgaan is aangewezen. In beginsel geldt dat een ambtenaar die is aangewezen als toezichthouder door het bestuursorgaan de waarneming moet doen.
Bij de beantwoording van die vraag kan gedacht worden aan de vrije bewijsleer in het bestuursrecht. [48] Op grond van de vrije bewijsleer in het bestuursrecht kan aan de bevindingen van een toezichthouder voor een handhavingstraject door een ander orgaan dan dat waaronder de toezichthouder werkzaam is, dezelfde waarde worden toegekend als aan de bevindingen van ‘eigen’ toezichthouders. Uit art. 3:2 Awb vloeit voort dat het bestuur in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit de nodige kennis over onder de meer de relevante feiten vergaart, maar het is niet vereist dat het betrokken bestuursorgaan die gegevens ook zelf produceert. Als een toezichthouder zijn toezichtbevoegdheden gebruikt ter zake van voorschriften waarvoor hij niet bevoegd is, kan sprake zijn van onrechtmatig verkregen bewijs, maar de bestuursrechter acht gebruik daarvan alleen in heel uitzonderlijke situaties ontoelaatbaar. Zo stelt VROM dat een waterschapstoezichthouder bij controle op indirecte lozingen informatie kan opdoen over de naleving van lozingsvoorschiften die niet zien op de doelmatige werking van een RWZI. Zeker als het gaat om informatie die letterlijk voor het oprapen lag, is er geen enkel bezwaar deze informatie te gebruiken zo stelt VROM. [49] Dit antwoord van VROM is niet onjuist, maar dit biedt natuurlijk geen oplossing voor nieuwe situaties. Hooguit kan het voorgaande worden gebruikt voor gevallen waarin een toezichthouder toevalligerwijze een niet voortdurende overtreding constateert. Het lijkt mij echter niet dat het de bedoeling van de bestuursrechter is dat de vrije bewijsleer door bestuursorganen ten grondslag wordt gelegd aan hun vaste handhavingsbeleid. Het handhavingsbeleid zal toch gericht moeten zijn op waarnemingen gedaan door de eigen toezichthouder.

7. Rechtsbescherming bij samenloop

Als met toepassing van de coördinatieregeling ex art. 3.16 Wabo [50] een omgevingvergunning en watervergunning worden verleend, biedt art. 6.4Wabo een bijzondere rechtsbeschermingsregeling.
Art. 6.4 Wabo bepaalt dat indien beroep is ingesteld tegen een watervergunning en sprake is van een daarmee samenhangende omgevingsvergunning het beroep ook betrekking heeft op de omgevingsvergunning, voor zover het die samenhang betreft. Dit artikel is blijkens de memorie van toelichting van de Wabo opgenomen vanwege het verband tussen beide beschikkingen waardoor het zijn kan dat een oordeel over de watervergunning moet leiden tot een aanpassing van de omgevingsvergunning aan die uitspraak. [51] De allereerste vraag die deze regeling oproept is, wat wordt bedoeld met ‘voor zover het die samenhang betreft’. De memorie van toelichting bij art. 6.4 Wabo biedt hierover geen duidelijkheid. De tekst ‘voor zover het die samenhang betreft’ lijkt niet simpelweg te slaan op alle wateraspecten in de omgevingsvergunning, maar lijkt een ander bereik te hebben. Wateraspecten in de omgevingsvergunning lijken hier niet zonder meer onder te vallen, maar slechts wateraspecten die op de samenhang zien. Anderzijds kunnen ook andere aspecten zoals bodem, bebouwing, de kap van bomen (die water in de grond vasthouden met hun wortels) ‘samenhang’ met de watervergunning vertonen en derhalve onder dit begrip vallen.
Met Nijmeijer e.a. [52] ben ik van mening dat het in de praktijk niet altijd eenvoudig zal zijn wanneer en op welke wijze die samenhang zich voordoet. Weliswaar dient in de motivering van het besluit waarbij de watervergunning en omgevingsvergunning worden verleend in geval van coördinatie [53] de samenhang te worden opgenomen. Echter, de vraag is of die motivering met betrekking tot de samenhang voldoende aanknopingspunten biedt voor de vraag of het beroep betrekking heeft op die ‘samenhang’. De omvang van het geding kan daardoor in samenloopsituaties tussen omgevingsvergunning en watervergunning onduidelijk zijn. Daarbij vraag ik mij af of de ‘samenhang’ die ingevolge art. 3.21 Wabo in de motivering moet worden opgenomen, het soort ‘samenhang’ is dat in art. 6.4 Wabo is bedoeld. Denkbaar is dat beide begrippen niet volledig op elkaar aansluiten, omdat in de motivering wellicht niet meer opgenomen hoeft te worden over de samenhang dan de ‘invloed’ die de samenhang heeft gehad op de inhoud van de vergunningen. Duidelijkheid in de vorm van een rechterlijke uitspraak over de uitleg van het begrip ‘samenhang’ in art. 6.4 Wabo is dan ook geboden. Tot een dergelijke uitspraak er is, moeten we hopen op duidelijke motiveringen hieromtrent van het bevoegd gezag bij de vergunningverlening. In geval van onduidelijkheid, mijns inziens, moet de samenhang ruim worden geïnterpreteerd en zou de samenhang ten minste alle wateraspecten moeten betreffen, om zo te voorkomen dat er ten onrechte een rechtsbeschermingsmogelijkheid wordt ontnomen.
Deze onduidelijkheid klemt te meer gezien het feit dat noch de coördinatieregeling in de Wabo, noch de Waterwet een regeling kent voor het gelijktijdig publiceren van de vergunningen. Ook het beroep behoeft niet te worden gecoördineerd. Dat betekent dat de beroepstermijnen los van elkaar kunnen aanvangen en eindigen. Art. 6.4 Wabo voorziet, zoals ook opgemerkt door Nijmeijer e.a. slechts voor de samenhangende delen van beide vergunningen in een regeling. Het beroep van de watervergunning ziet tevens op het beroep tegen de omgevingsvergunning, waardoor het mogelijk is dat een ‘losse’ procedure wordt gevoerd over de niet-samenhangende delen en die delen moeten dan vervolgens wel in de ‘juiste’ procedure worden aangevoerd, dus voor wat betreft de omgevingsvergunningonderdelen in het beroep tegen de omgevingsvergunning en de watervergunningonderdelen in het beroep tegen de watervergunning. In de praktijk zullen veel professionele gemachtigden er waarschijnlijk voor kiezen om tegen alle besluiten tegelijk op te komen. Daarbij lijkt het mij ook voor de hand te liggen dat professionele gemachtigden zekerheidshalve ervoor kiezen om de omgevingsvergunningdelen die ‘samenhangen’ met de watervergunning in zowel de procedure tegen de watervergunning als gelet op art. 6.4 Wabo in de procedure tegen de omgevingsvergunning aan te voeren. Ik denk niet dat de gronden die betrekking hebben op de ‘samenhang’ niet tevens in het beroep tegen de omgevingsvergunning aangevoerd kunnen worden, maar dat deze gronden in beide procedures naar voren gebracht kunnen worden. Twee keer (gedeeltelijk) dezelfde beroepsgronden in ‘los’ van elkaar lopende procedures is op zijn zachtst gezegd onwenselijk. De verschillende rechtscolleges dienen zich hier ook bewust van te zijn, omdat verschillende uitspraken over dezelfde beroepsgronden natuurlijk moet worden voorkomen. Ook binnen bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zal men alert moeten zijn op de mogelijkheid van twee procedures met twee keer dezelfde gronden. Het probleem kan dan immers op voorhand worden opgelost door een briefje te sturen in beide procedures waarin wordt gevraagd of ook tegen de watervergunning respectievelijk omgevingsvergunning beroep is ingesteld. Vervolgens kunnen beide beroepen dan op één zitting worden behandeld. Een gegrond beroep in een art. 6.4 Wabo-situatie kan mijns inziens een gedeeltelijke vernietiging inhouden. [54]
Mocht het theoretische geval zich voordoen dat de Afdeling twee verschillende uitspraken doet over dezelfde beroepsgronden in zowel de procedure tegen de omgevingsvergunning als de watervergunning dan vallen de gevolgen daarvan in de praktijk waarschijnlijk wel mee. Het is van tweeën één, ofwel de uitspraak betreft een vernietiging van één van beide vergunningen, in dat geval krijgt de beschikking die genomen wordt op grond van die uitspraak formele rechtskracht en kan deze op grond van art. 6:18 en 6:19 Awb in de lopende procedure tegen de andere vergunning in worden gebracht, tegenstrijdige uitspraken zullen er dan niet volgen. Mocht de Afdeling tweemaal uitspraak doen en in één geval de vergunning vernietigen en de andere uitspraak de vergunning met deels dezelfde gronden in stand laten, dan kan tegen de nieuwe beschikking die wordt genomen op grond van de eerste uitspraak in beroep worden gegaan, waarbij dan alsnog rechtseenheid kan worden gecreëerd.
Er bestaat voor de spiegelbeeldsituatie niet een dergelijk artikel. Het ontbreken van een soortgelijk artikel in de Waterwet is naar mijn mening een omissie omdat de coördinatieregeling ook vrijwel gelijkluidend is.

8. Mogelijke problemen bij samenloop van de omgevingsvergunning en watervergunning

Eén van de mogelijke problemen bij samenloop is reeds besproken onder het kopje ‘rechtsbescherming bij samenloop’.
Met de introductie van het Omgevingsloket Online voor zowel het aanvragen van de omgevingsvergunning als in de toekomst de watervergunning lijkt de stroomlijning en duidelijkheid voor aanvragers compleet. Zo kunnen burgers en bedrijven via internet een ‘vergunningencheck’ doen. Daartoe moeten zij vragen beantwoorden van een interactieve vragenlijst waarna zij kunnen zien welke vergunningen ze moeten aanvragen (Omgevingsloket Online). Dit systeem verzuimt echter (nu nog) te wijzen op de eventuele noodzaak van een watervergunning als gebouwd of gegraven wordt in de buurt van water of een waterkering. In een interactieve kaart zouden onder meer de waterkeringen en beschermingszones opgenomen kunnen worden waarbij bij het invoeren van het adres waar de activiteit plaatsvindt, er ten minste wordt gewezen op een mogelijk noodzakelijke watervergunning.
Hierdoor kan het voorkomen dat de noodzaak voor een watervergunning pas blijkt bij het verstrekken van de Wabo-vergunning. Er zal dan alsnog een watervergunning aangevraagd moeten worden met de nodige vertraging tot gevolg. Het systeem geeft daardoor een soort schijnzekerheid. Immers een checklist zou leiden tot een antwoord op de vraag naar de benodigde vergunningen, maar is daarin niet volledig.
Andere mogelijke problemen doen zich voor bij handhaving. De figuur van ‘gedeeld bevoegd gezag’ biedt een bron van mogelijke problemen. Bijvoorbeeld in de situatie waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn om vergunningen te verlenen voor een inrichting onder de Wabo, waarvan gedeputeerde staten nog bevoegd zijn om toezicht te houden op – en handhavend op te treden tegen – haar voormalige inrichtingen (waarvoor zij thans ook een vvgb-bevoegdheid heeft). [55] In dat geval mogen gedeputeerde staten wel een last onder dwangsom opleggen, maar zijn zij niet bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen omdat zij alleen een vvgb-bevoegdheid hebben. Op grond van art. 2.29 Wabo kan het vvgb-bevoegd orgaan tevens verzoeken voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen of de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Het zal in een handhavingsituatie met gedeeld bevoegd gezag, niet eenvoudig zijn om aan te geven of er concreet zicht op legalisatie bestaat. En er moet al helemaal voorkomen worden dat het ene bevoegd gezag een gedoogbesluit neemt en het andere bevoegd gezag handhavend gaat optreden. Een soortgelijke situatie doet zich voor in het geval sprake is van een indirecte lozing (omgevingsvergunning) en een directe lozing (watervergunning). Ook daarbij is het bevoegd gezag verschoven en kan een soortgelijk probleem zich voordoen. Regelmatig overleg tussen bestuursorganen wordt in die situaties onmisbaar. Daarbij is het te hopen dat de verschillende bestuursorganen in dit soort situaties op een lijn zitten.

9. Conclusie

De Wabo en Waterwet zijn respectievelijk 1 oktober 2010 en 22 december 2009 in werking getreden. De Wabo en Waterwet bevatten beide een integraal vergunningstelsel voor respectievelijk de omgevingsvergunning en de watervergunning. Uitgangspunt van beide stelsels is het streven om tot één vergunning te komen. De relatie tussen Wabo en Waterwet komt met name tot uitdrukking in situaties waarin zowel een omgevingsvergunning als een watervergunning is vereist. Er doen zich verschillende situaties van samenloop van beide vergunningen voor. Indien zowel een omgevingsvergunning met milieuaspecten voor een IPPC-inrichting is vereist, alsmede een watervergunning voor een lozing op een oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk en op beide vergunningen is afdeling 3.4 Awb van toepassing, dan geldt er een coördinatieverplichting op grond van de art. 3.16 Wabo en art. 6.27 Wtw. De coördinatieregeling regelt de procedurele afstemming van beide vergunningen en kent een inhoudelijke afstemming in de vorm van een adviesplicht. Deze coördinatie heeft niet tot gevolg dat één geïntegreerde ‘wateromgevingsvergunning’ wordt verleend. Beide vergunningen worden slechts procedureel gecoördineerd en middels de adviesplicht vindt inhoudelijke afstemming plaats.
De relatie tussen Wabo en Waterwet kan zich behalve in samenloopsituaties, ook uiten in de vorm van een adviesrelatie tussen het bevoegd gezag op grond van de Wabo en het bevoegd gezag op grond van de Waterwet. In de Wabo worden drie vormen van advies onderscheiden. Ten eerste regulier advies. Bij deze vorm van advies is het bevoegd gezag verplicht om advies te vragen en kan het uitsluitend gemotiveerd van het advies afwijken. Ten tweede bestaat er een vorm van facultatief advies. Bij facultatief advies mag het bevoegd gezag advies aanvragen, maar is het dit niet verplicht. Ten slotte kent de Wabo een specifieke vorm van advisering waarbij de waterkwaliteitsbeheerder bij indirecte lozingen advies moet uitbrengen. Deze laatste vorm van advisering kan het bestuursorgaan in sommige gevallen wel en in sommige gevallen niet verplichten om het advies op te volgen.
Daarnaast kan de relatie tussen de Wabo en Waterwet zich voordoen in de situatie waarin een waterschap in de waterschapsverordening heeft bepaald dat een toestemmingsstelsel bij samenloop met een omgevingsvergunning integreert in de omgevingsvergunning.
Vervolgens zijn besproken handhaving, toezicht en rechtsbescherming bij samenloop van de omgevingsvergunning en watervergunning. Handhaving en toezicht kan mogelijk tot lastige situaties leiden indien sprake is van ‘gedeeld bevoegd gezag’.
Ook zijn mogelijke problemen te voorzien bij de rechtsbescherming in geval van samenloop. Omdat de coördinatieregeling van art. 3.16 Wabo en art. 6.27 Wtw zich nauwelijks uitstrekken tot coördinatie bij de rechtsbescherming van beide vergunningen, is het mogelijk dat voor gecoördineerd verleende vergunningen de beroepstermijnen niet gelijk lopen. Er kunnen dan separaat twee procedures lopen, één voor de omgevingsvergunning en één voor de watervergunning. Art. 6.4 Wabo bepaalt daarnaast dat indien beroep is ingesteld tegen een watervergunning en sprake is van een daarmee samenhangende omgevingsvergunning het beroep ook betrekking heeft op de omgevingsvergunning, voor zover het die samenhang betreft. Een probleem is dat onduidelijk is hoe dit begrip ‘voor zover het die samenhang betreft’ moet worden uitgelegd en op welke wijze de verschillende procedures met wellicht deels gelijkluidende beroepsgronden (voor zover het de samenhang betreft) naast elkaar zullen komen te staan.
Een laatste probleem bij samenloop van twee integrale vergunningen is dat de indruk kan ontstaan dat met de verlening van één van beide, maar toch in ieder geval twee integrale vergunningen, alle toestemmingen om een project te realiseren wel compleet zullen zijn. De aanvraagmodule op Internet voor zowel de omgevingsvergunning, als in de toekomst de watervergunning, nemen die indruk ook niet weg. Het is van groot belang dat het bevoegd gezag op grond van zowel de Wabo als Waterwet de op haar rustende inspanningsverplichting om de aanvrager van een besluit te informeren over eventuele andere toestemmingen die voor de realisatie van een project bij andere bestuursorganen zijn vereist serieus neemt. Naast de omgevingsvergunning en watervergunning blijven andere toestemmingen en vergunningen bestaan, zoals toestemmingen op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Tracéwet en de algemene regels van het Activiteitenbesluit. [56]

Bijlagen Artikel Bouwrecht: Relatie tussen Wabo en Waterwet

Voetnoten

Voetnoten

[*] Mw. mr. drs. F. (Fleur) Onrust is advocaat bij Stibbe te Amsterdam.
[1] In 2003 is door het kabinet besloten de totstandkoming van één integrale wet voor het waterbeheer te bevorderen. Het idee voor een algemene omgevingswet is in de parlementaire geschiedenis voor het eerst te zien in een brief d.d. 17 oktober 2003 (Kamerstukken II2003/04, 29 200 XI, nr. 7. p. 12-15 en aan de orde in de Hoofdlijnennotitie Integratie waterwetgeving, Kamerstukken II 2003/04, 29 694, nr. 1.
[2] Voor meer informatie over de Wabo zie onder meer: A.G.A. Nijmeijer e.a., Bouwen en ontwikkelen met de Wabo (Vereniging voor milieurecht), Wabo: antwoorden op praktijkvragen, J.H.G. van den Broek, Wegwijzer Wabo en omgevingsvergunning 2010/2011, Deventer: Kluwer 2010; F.C.M.A. Michiels, A.G.A. Nijmeijer en J.A.M. van der Velden, Het wetsvoorstel Wabo (preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht), en J.H.G. van den Broek en M.J. Dresden, De Wabo in de praktijk, juridische leidraad bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (‘s-Gravenhage) en Kluwer (Alphen aan den Rijn) 2010. R.J.J. Aerts en D.S.P. Fransen, ‘Inwerkingtreding Wabo. Eerste hulp bij overgangsrecht’, Gst. 2010, 56, F.C.M.A. Michiels, A.G.A. Nijmeijer en J.A.M. van der Velden, Het wetsvoorstel Wabo (deel 1). Verslag van de jaarvergadering van de Vereniging voor Bouwrecht gehouden op 29 november 2007 te Amersfoort, TBR 2008/47, F.C.M.A. Michiels, A.G.A. Nijmeijer en J.A.M. van der Velden, Het wetsvoorstel Wabo (deel 2). Verslag van de jaarvergadering van de Vereniging voor Bouwrecht gehouden op 29 november 2007 te Amersfoort, TBR2008/66, H.W. de Vos en A.B. Blomberg, ‘De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: meer dan procedurele integratie?’, Regelmaat 2007, 54, J.H.G. van den Broek, ‘Aan de slag met de Wabo, enige wijzigingen en verduidelijkingen belicht’, BR 2010, p. 405; J.H.G. van den Broek, ‘De bouw maakt het met Wabo en omgevingsvergunning’, BR 2008, p. 157 ; E. Alders, ‘De Wabo weer een stap dichterbij met de concept-Invoeringswet’, BR 2009, p. 408; A.G.A. Nijmeijer, ‘Het wetsvoorstel Wabo in de Eerste Kamer: tussen potemkindorp en Waterloo?’, Gst.2008, 108; A.B. Blomberg, ‘Handhaving onder de Wabo’, TO 2006, 151; H.D. Tolsma, ‘De toekomst van de Wabo: een omgevingsvergunning met integrale belangenafweging’, M & R 2010,146; V.M.Y. van ’t Lam, ‘Uitstel Wabo een zegen voor de Wet samenhangende besluiten Awb?’,TO 2008, 83; F.C.M.A. Michiels, ‘Het wetsvoorstel Wabo belicht’, TO 2006, 119; E. Alders, ‘Bor en Mor: de handen en de voeten van de Wabo’, BR 2009, p. 797.
[3] Stb. 2010, 231 (Invoeringsbesluit Wabo).
[4] In de Wabo kunnen de volgende toestemmingen aanhaken: Melding op grond van het activiteitenbesluit ( art. 8.41a Wm) verplicht aanhaken, Melding op grond van het Besluit brandveiligheid onverplicht aanhaken, Vergunning voor handelingen in een beschermd natuurgebied art 16 NB-wet 1998, vergunningen op grond van art. 19d NB-wet 1998 voor handelingen met gevolgen voor habitats en soorten, ontheffing ex art. 75 lid 3 Ffw. Daarnaast is aanhaken in provinciale, gemeentelijke of verordening van het waterschap mogelijk ( art. 2.2 lid 2 Wabo).
[5] Besluit omgevingsrecht (Stb. 2010, 143, 144 en 256).
[6] Ministeriële regeling omgevingsrecht (Stb. 2010, 5162 en 7184).
[7] Het zogenaamde model 4. Kamerstukken II 2004/05, 29 383, nr. 16, p. 7.
[8] J.H.G. van den Broek, ‘De kroonjuwelen van VROM; Herijking, omgevingsvergunning en omgevingswetboek’, NJB 2005, 578 e.v.
[9] Zie o.a. A.G.A. Nijmeijer e.a., ‘Bouwen en Ontwikkelen met de Wabo, p. 4 en A.G. Bregman, Het einde van de Ontgrondingenwet’, BR 2007, p. 10.
[10] Meer informatie over de Waterwet? Zie: P.J. de Putter, ‘De Waterwet: meer dan zomaar een nieuwe wet’, BR 2010, p. 196, H.F.M.W. van Rijswick en F.A.G. Groothuijse, ‘Het wetsvoorstel Waterwet’, Agr.r. 2007, 238; H.J.M. Havekes, ‘De Waterwet: innovatie van het waterrecht’,TO 2009, p. 156-163; H.F.M.W. van Rijswick, ‘Wie is de waterbeheerder en wat moet hij doen?’, TO 2009,164; G.M. van den Broek en F.A.G. Groothuijse, ‘De schadevergoedingsregeling in de Waterwet’, O&A 2008, 50; H.J. Boerma, ‘Droge voeten en schoon water’, Regelmaat 2007, 43; E.C.M. Schippers en J.H. Geerdink, ‘Alles over water in een notendop (I)’, Gst. 2008, 56; E.C.M. Schippers en J.H. Geerdink, ‘Alles over water. In een notendop (II)’, Gst. 2008, 64.
[11] Stb. 2009, 107.
[12] Wet op de waterhuishouding; Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Wet verontreiniging zeewater, Grondwaterwet, Wet droogmakerijen en indijkingen, Wet op de waterkering, Wet beheer rijkswaterstaatswerken (de ‘natte’ delen daarvan), Waterstaatswet 1900 (het ‘natte’ gedeelte ervan).
[13] Art. 6.2 Wtw.
[14] Een Keur is een verordening van een waterschap. In de keur staan regels ter bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken zoals stuwen en gemalen. Toestemmingen op grond van de keur, ook wel keurontheffing genoemd.
[15] Hoofdstuk 6 Wtw.
[16] Art. 6.6 Wtw.
[17] Art. 6.7 Wtw.
[18] Zie over samenloop binnen de Wabo en de aanhoudingsregelingen onder meer: A.G.A Nijmeijer e.a., Bouwen en ontwikkelen met de Wabo , Deventer: Kluwer 2010, p. 98 e.v.; E. Alders, ‘De Wabo weer een stap dichterbij met de concept-Invoeringswet’, BR 2009, p. 408-414.
[19] Zie over samenloop binnen de Waterwet: P.J. de Putter, ‘De Waterwet: meer dan zomaar een nieuwe wet’, BR 2010, p. 196.
[20] Art. 6.17 Wtw.
[21] Art. 3.3 ev. Wabo.
[22] Andere gevallen zie art. 6.2b e.v.
[23] Inrichting waartoe een IPPC-Installatie behoort. IPPC-installatie als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn). In de Wet milieubeheer. In de Wm omschreven als gpbv-installatie (gpbv staat voor: geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging).
[24] Oud: art. 7b t/m 7e Wvo.
[25] Zie tevens art. 6.27 lid 1 Wtw.
[26] Art. 3.18 lid 2 Wabo.
[27] Art.6.27 lid 5 Wtw.
[28] Art. 3.17 Wabo.
[29] Art. 6.27 lid 6 Wtw jo. art. 3.23 Wabo. Voor inwerkingtreding van de Wabo bestond de intrekkingsmogelijkheid o.g.v. art. 6.27 lid 6 Wtw alleen voor intrekking gelijk met de Wto-vergunning (en Kernenergiewet-vergunning, maar dit geldt nu ook nog), nu dus voor alles.
[30] Op 1 juli 2008 is de Wet samenhangende besluiten Awb (Wsb) in werking getreden, waarbij art. 3:19 t/m 3:33 Awb zijn geïntroduceerd.
[31] Zie o.a. Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 8 voor een overzicht van de coördinatieregeling Awb (Wsb)/coördinatieregeling Wro – integratieregeling Wabo. Zie tevens het artikel van K.J. de Graaf, ‘De verhouding Awb-Wabo beoordeeld’, NTB 2010, 181.
[32] Voor de spiegelbeeldsituatie zie art. 6.27 lid 4 Wtw.
[33] Art. 6.27 lid 4 luidt: ‘Het orgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd is op de aanvraag om vergunning te beslissen, brengt binnen acht weken na ontvangst van de in het eerste lid eerstbedoelde aanvraag advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen. Dat orgaan wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag. (…)’ Art. 3.19 lid 1 Wabo luidt: ‘Het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, brengt een advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen. Het advies wordt uitgebracht binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning. Artikel 3.11, derde lid, tweede en derde volzin is van overeenkomstige toepassing.’ Art. 3.19 lid 2: ‘Het orgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning.’
[34] Art. 3.21 Wabo.
[35] A.G. Nijmeijer, Bouwen en ontwikkelen met de Wabo , Alphen aan den Rijn: Kluwer 2010, p. 132.
[36] Art. 3.19 lid 1 Wabo jo. art. 6.27 lid 4 Wtw.
[37] In de Waterwet staat art. 30 Dienstenwet, dit lijkt echter art. 31 Dienstenwet te moeten zijn.
[38] Art. 6.28 lid 2 Wtw.
[39] Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, kortweg het Activiteitenbesluit.
[40] Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 90 (MvT, Wabo).
[41] Art. 5.2 Wabo.
[42] Art. 8.6 Wtw.
[43] Art. 8.2 Wtw.
[44] Art. 8.4 Wtw.
[45] www.vereniging-bwt.nl. Op de website van de Vereniging BWT staat het met VROM samen opgestelde toezichtprotocol.
[46] RWZI – rioolwaterzuiveringsinstallatie.
[47] Zie ook veelgestelde vragen www.omgevingsvergunning.vrom.nl/ en voor een ander antwoord www.vrom.nl, ‘Verslag provinciedagen’.
[48] Zie veelgestelde vragen op www.omgevingsvergunning.vrom.nl/.
[49] Zie veelgestelde vragen op www.omgevingsvergunning.vrom.nl/.
[50] Art. 6.27 Wtw.
[51] Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3146, p. 146-147.
[52] A.G.A. Nijmeijer, S. Hillegers en T.E.P.A. Lam, Bouwen en ontwikkelen met de Wabo , Deventer: Kluwer 2010, p. 132 e.v.
[53] Art. 3.21 Wabo en art. 6.27 lid 4 Wtw.
[54] Zoals eveneens A.G.A. Nijmeijer, S. Hillegers en T.E.P.A. Lam, Bouwen en ontwikkelen met de Wabo , Deventer: Kluwer 2010, p. 132.
[55] Art. 6.7 Besluit omgevingsrecht (Bor).
[56] Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, kortweg ‘Activiteitenbesluit’ genoemd).

Dit artikel gaat over het omgevingsrecht.


Gerelateerd

Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Spoedeisende bestuursdwang na incident te Schiphol
Fleur Onrust schreef in JM 2014/100 over spoedeisende bestuursdwang na een incident met een sprinklerinstallatie op Schiphol….
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan schreef samen met E.M.N. Noordover, “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit de besluitvorming”,…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Last onder dwangsom, bluswater en de Waterwet
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:659, inz. Last…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…