ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 10-08-2017

Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)

Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84.

1.

Bijna twee jaar nadat de wettelijke regeling ten aanzien van de Programmatische Aanpak Stikstof (“PAS”) in werking is getreden, is met de uitspraak van 17 mei jl. bekend geworden dat de ABRvS prejudiciële vragen aan het HvJ noodzakelijk acht om de houdbaarheid van de PAS – als wettelijke regeling – en het PAS – als programma – vast te kunnen stellen. Dat is geen verrassing. In de literatuur is al meerdere malen de vraag gesteld of de PAS en het bijbehorende programma wel in overeenstemming met art. 6 Habitatrichtlijn (“HRL”) is (zie o.a. R.H.W. Frins, Mitigatie, compensatie en saldering in het omgevingsrecht (diss.), 2016). In deze uitspraak van de ABRvS klinkt door dat de ABRvS het aannemelijk acht dat het mogelijk is om een programma als het PAS vast te stellen en ten grondslag te leggen aan een wettelijke regeling waarbij een uitzondering op de vergunningplicht (voor projecten en andere handelingen onder de drempelwaarde) wordt gemaakt, alsmede aan de verlening van vergunningen voor projecten en andere handelingen boven de drempelwaarde. Dan moet de passende beoordeling uiteraard wel voldoen aan de hiervoor geldende (wettelijke en in de jurisprudentie geformuleerde) eisen en randvoorwaarden – iets wat op dit moment, zo blijkt uit deze uitspraak, voor de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS niet kan worden geconcludeerd. Maar omdat de ABRvS aan de jurisprudentie van het HvJ niet de zekerheid kan ontlenen dat de met de PAS gekozen systematiek houdbaar is, worden meerdere prejudiciële vragen gesteld.

2.

De uitspraak met ECLI-nummer 1259 hangt samen met de uitspraak van dezelfde datum met ECLI-nummer 1260. De hier te bespreken uitspraak kan worden beschouwd als de hoofduitspraak waar de meer principiële onderdelen van de PAS worden behandeld. De uitspraak met ECLI-nummer 1260 betreft de vraag of art. 6 HRL het toestaat om bij wettelijke regeling een generieke uitzondering op de vergunningplicht te introduceren voor het weiden van vee (als onderdeel van een melkveehouderij) en het bemesten van gronden. De samenhang tussen beide uitspraken is gelegen in het feit dat de onderbouwing van deze wettelijke regeling – en de conclusie dat de uitzondering aanvaardbaar is, in het licht van de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden – volgt uit het PAS en bijbehorende passende beoordeling.

3.

Terug naar de uitspraak met ECLI-nummer 1259. In deze uitspraak staan zes besluiten centraal waarbij vergunning is verleend voor de exploitatie en/of uitbreiding van agrarische bedrijven die stikstofdepositie veroorzaken op een of meerdere Natura 2000-gebieden. Het betreft besluiten waarbij: (i) geconstateerd is dat de vergunning zonder ontwikkelingsruimte of depositieruimte uit het PAS kon worden verleend, omdat de stikstofdepositie van het agrarisch bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte depositie voorafgaand aan het PAS; (ii) de vergunning verleend is met toekenning van ontwikkelingsruimte; en/of (iii) geconstateerd is dat de stikstofdepositie veroorzaakt door het agrarisch bedrijf de geldende drempel- of grenswaarde (van 0,05 mol of 1 mol N/ha/jr) niet zal overschrijden. De uitspraak is – ondanks zijn lengte – mooi geformuleerd, heel goed leesbaar, systematisch opgebouwd en geeft een goed overzicht van de systematiek van de PAS en de relevante jurisprudentie. Samenvattend komen de volgende hoofdvragen aan de orde: (i) Is het op grond van art. 6 HRL toegestaan om een programma op te stellen waarmee weliswaar een daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd, maar waarbij deze daling langzamer is dan het geval zal zijn zonder de uitgifte van depositie- en ontwikkelingsruimte op grond van dat programma? (ii) Is het op grond van art. 6 HRL toegestaan om het vereiste van een individuele beoordeling in te vullen met een wettelijke regeling waaraan een passende beoordeling ten grondslag is, (a) waarmee een generieke uitzondering op de vergunningplicht voor projecten en andere handelingen onder de drempelwaarde wordt geïntroduceerd dan wel; (b) die ten grondslag wordt gelegd aan een vergunning voor een project of andere handeling? (iii) Er van uitgaande dat dit mogelijk is, hoe moeten de maatregelen die in de passende beoordeling van het PAS zijn meegenomen, worden gekwalificeerd? Op die manier wordt immers vastgesteld welke maatregelen kunnen worden betrokken bij de (eind)conclusie van het PAS dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Ten slotte (iv) bespreekt de ABRvS inhoudelijk de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt en wordt duidelijk dat er een aantal gebreken aan deze passende beoordeling kleven. Dit laatste aspect leidt niet tot prejudiciële vragen maar is slechts relevant voor de nationale procedure.

Ambitieniveau van het PAS

4.

De eerste vraag waar de ABRvS zich over buigt, betreft de meest principiële vraag, namelijk in hoeverre een programma waarin enerzijds maatregelen ten behoeve van de instandhouding en herstel van Natura 2000-gebieden zijn opgenomen, maar anderzijds een deel van het positieve effect van deze maatregelen niet ten gunste komt aan de Natura 2000-gebieden maar benut wordt voor economische activiteiten, zich verdraagt met art. 6 HRL. De ABRvS meent dat dit het geval is – en acht prejudiciële vragen op dat punt niet nodig. Kern van de redenering van de ABRvS is hier dat art. 2, lid 3, HRL bepaalt dat bij het treffen van maatregelen (dus ook bij het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen) rekening moet worden gehouden met “vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden”. Met andere woorden: niet alleen het belang van instandhouding van Natura 2000-gebieden bepaalt welke maatregelen aan de orde zijn. Gelet op de systematiek van de HRL lijkt me dat een terecht punt. Ten tweede acht de ABRvS van belang dat de verplichting uit art. 6, lid 1, HRL om een Natura 2000-gebied in een gunstige staat van instandhouding te brengen, niet gebonden is aan een termijn. Het is aan de lidstaten om te bepalen op welke wijze en in welk tempo hieraan uitvoerig wordt gegeven – tot frustratie van natuurorganisaties. Overigens is in dezen wel van belang te realiseren dat de verplichting tot verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen wordt beschouwd als een resultaatverplichting, waardoor een lidstaat het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet oneindig kan doorschuiven. Door het ontbreken van een termijn waarbinnen deze doelstellingen moeten worden gerealiseerd, zal het evenwel lastig zijn om vast te stellen wanneer lidstaten de op hen rustende (resultaats)verplichting zijn niet nagekomen.

Uitzondering op vergunningplicht vs. eis individuele beoordeling en toestemming

5.

Vervolgens buigt de ABRvS zich over de vraag of art. 6 HRL het toelaat dat voor activiteiten die op grond van het PAS zijn uitgezonderd van de vergunningplicht (dus activiteiten onder 0.05 mol N/ha/jr of tussen de grenswaarde) bij wettelijke regeling een generieke uitzondering op de vergunningplicht wordt gemaakt. Belangrijke randvoorwaarde bij de beoordeling van deze vraag door de ABRvS is dat aan deze wettelijke regeling een passende beoordeling ten grondslag ligt waarin de gevolgen van de projecten en andere handelingen die gebruik kunnen maken van die regeling zijn onderzocht. Omdat deze uitzondering op de vergunningplicht geldt voor activiteiten die als project of als andere handeling kunnen worden aangemerkt, toetst de ABRvS in dit verband aan art. 6, lid 2, HRL (van toepassing op andere handelingen resp. lid 3 (van toepassing op projecten). Maar feitelijk verschilt de wijze van toetsing inhoudelijk weinig. Het beschermingsniveau van lid 3 is immers gelijk aan lid 2.

6.

Onder verwijzing naar de relevante jurisprudentie van het HvJ concludeert de ABRvS dat deze jurisprudentie geen zekerheid biedt over de hier voorliggende vraag. Hoewel het HvJ meerdere malen heeft geconcludeerd dat een wettelijke regeling wegens strijd met art. 6 HRL niet in stand kon blijven, betrof dat gevallen waarin activiteiten zonder meer waren uitgesloten van een beoordeling als bedoeld in art. 6 HRL, terwijl bij het PAS juist wel een (passende) beoordeling is verricht. Ook is een belangrijk verschil met eerdere jurisprudentie dat met het PAS de effecten van depositie van projecten onder de drempel- en grenswaarden, in de passende beoordeling (zouden) zijn meegenomen en dat de uitzondering op de vergunningplicht alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie. Het is voorstelbaar dat het generiek uitsluiten van alle effecten van activiteiten lastiger te verenigen is met art. 6 HRL dan de systematiek van het PAS. De ABRvS acht het dan ook aannemelijk dat de gekozen systematiek verenigbaar is met art. 6, lid 3, HRL. En, vanwege het gelijke beschermingsniveau dat art. 6, lid 2, HRL garandeert, is het ook aannemelijk dat is voldaan aan art. 6 lid 2 HRL als de activiteiten (voldoende) passend zijn beoordeeld bij vaststelling van de wettelijke regeling. Maar omdat er geen vergelijkbaar voorbeeld in jurisprudentie van het HvJ bestaat, besluit de ABRvS tot het stellen van de eerste prejudiciële vraag.

7.

Ik verwacht niet dat het HvJ snel zal concluderen dat een generieke uitzondering bij wettelijke regeling niet aanvaardbaar is, mits de (maximale) gevolgen van toepassing van deze wettelijke regeling correct, en dus passend, zijn beoordeeld. Het is echter wel mijn verwachting dat daar de theorie en de praktijk uit elkaar kunnen lopen. Op papier is het immers goed voorstelbaar dat het, voor toepassing van art. 6 HRL, niet uitmaakt of telkens een aparte beoordeling plaatsvindt van een activiteit, gevolgd door een apart toestemmingsbesluit, of dat deze beoordeling gebundeld plaatsvindt, gevolgd door een gebundelde toestemming. Voorstelbaar is echter dat deze theoretische aanname in de praktijk vervolgens lastig toepasbaar is, omdat de wettelijke regeling met bijbehorende beoordeling dan alle activiteiten met al hun gevolgen moet omvatten die een beroep kunnen doen op deze regeling. Het is de vraag of dit praktisch gezien mogelijk is – zoals ook blijkt uit het deel van de uitspraak waar de ABRvS de (nationale) gebreken van het PAS beschrijft. Aan de andere kant moet wel vastgesteld worden dat het PAS alleen gaat over de gevolgen van stikstofdepositie, waardoor een dergelijke beoordeling wellicht toch eenvoudiger is.

Vergunningverlening met gebruikmaking van passende beoordeling PAS

8.

Naast een generieke uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten onder de drempel- en grenswaarde, fungeert het PAS (en de hierbij horende passende beoordeling) ook als passende beoordeling voor de activiteiten die, door toekenning van ontwikkelingsruimte, vergund kunnen worden. Dit leidt de ABRvS dan ook tot de vraag of de passende beoordeling van het PAS, waarin de cumulatieve gevolgen van een bepaalde hoeveelheid stikstofdepositie zijn beoordeeld, zonder dat daaraan specifieke projecten of andere handelingen zijn verbonden, ten grondslag kan worden gelegd aan de verlening van een vergunning voor een project of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt die past binnen de in het PAS beoordeelde totale hoeveelheid stikstofdepositie. Hoewel de ABRvS het aannemelijk acht dat art 6, lid 2 en 3, HRL aan een dergelijke systematiek niet in de weg staan, kan ook hier de relevante HvJ-jurisprudentie geen zekerheid bieden. Dit leidt dan ook tot de tweede prejudiciële vraag, waarmee de ABRvS in zijn algemeenheid van het HvJ wenst te vernemen of de systematiek van een (generieke) passende beoordeling, gevolgd door een individuele toestemming, past binnen art. 6, lid 2 en lid 3, HRL.

9.

Ook ten aanzien van deze vraag is het mijn verwachting dat de uitspraak van het HvJ niet tot veel (fundamentele) problemen zal leiden. Het is immers goed voorstelbaar dat het HvJ in zijn algemeenheid zal stellen dat art. 6, lid 2 en 3, HRL in beginsel niet in de weg staan aan een systematiek zoals die met het PAS is gekomen, mits de passende beoordeling voldoet aan de hiervoor geldende eisen en randvoorwaarden. Of daarmee echt duidelijkheid wordt geboden voor het PAS, valt nog te betwijfelen. Immers, de kernvraag is en blijft of de passende beoordeling als zodanig voldoet. Daarover gaan de volgende prejudiciële vragen (3-5a).

Kwalificatie van de maatregelen die met het PAS zijn voorzien

10.

Een belangrijk deel van de uitspraak van de ABRvS – voor zover deze betrekking heeft op de te stellen prejudiciële vragen – betreft de duiding van de inhoud van de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt. Kernvragen zijn in dit verband: (i) welke maatregelen in een programma mogen worden betrokken in de passende beoordeling van het PAS; (ii) of rekening mag worden gehouden met deze maatregelen; (iii) hoe deze maatregelen kunnen worden gekwalificeerd; en (iv) of deze maatregelen uitsluitend in een passende beoordeling mogen worden betrokken als ze op dat moment zijn genomen en resultaat hebben gehad.

11.

De kwalificatie van de maatregelen die in de passende beoordeling van het PAS zijn opgenomen is van belang voor de vraag van welke maatregelen de positieve effecten in de passende beoordeling meegenomen kan worden. Uiteraard worden door de ABRvS belangrijke recente arresten van het HvJ (te weten het arrest Briels (HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330), het arrest Orleans (HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583) en het recente arrest Kolencentrale Moorburg, HvJ EU 26 april 2017, ECLI:EU:C:2017:301) bij de beoordeling betrokken. De ABRvS constateert evenwel een belangrijk verschil tussen arresten Briels en Orleans enerzijds en het PAS anderzijds. Bij Briels en Orleans stond vast dat realisering van de projecten zou leiden tot een blijvende aantasting of verlies van bestaande arealen van een habitattype waarvoor een Natura 2000-gebied was aangewezen en zou nieuwe natuur, op een andere locatie binnen hetzelfde Natura 2000-gebied worden ontwikkeld. Uit de passende beoordeling van het PAS volgt daarentegen dat de depositie in 2014 en de depositie die kan ontstaan door benutting van de depositieruimte de bestaande arealen van habitattypen en leefgebieden van soorten niet zal aantasten, als rekening wordt gehouden met de autonome daling van stikstofdepositie, de PAS-bronmaatregelen en de bestaande en voorgenomen herstelmaatregelen. Uitgifte van de depositie- of ontwikkelingsruimte leidt, aldus de ABRvS, nergens tot een aantasting of verlies van bestaande arealen van een habitattype. Met dit uitgangspunt wordt overigens duidelijk dat voor de houdbaarheid van een systematiek als het PAS doorslaggevend is in hoeverre vaststaat dat de aannames, berekeningen, de mate waarin verzekerd is dat bron- en herstelmaatregelen worden getroffen, de vraag hoe deze maatregelen kunnen worden gekwalificeerd om vervolgens te kunnen vaststellen of deze maatregelen überhaupt in de passende beoordeling mogen worden meegenomen. Zou er immers wel een aantasting van de Natura 2000-gebieden kunnen optreden door uitgifte van depositie- en/of ontwikkelingsruimte, dan vertoont het PAS parallellen met Briels en Orleans.

12.

De ABRvS komt tot de volgende kwalificatie van de verschillende maatregelen en ontwikkelingen waarmee in de passende beoordeling van het PAS rekening is gehouden:

a.

PAS-bronmaatregelen: passende maatregel of instandhoudingsmaatregel (art. 6, lid 1 en 2, HRL). Het gaat hier om stalmaatregelen, maatregelen voor emissiearme bemesten en voer- en managementmaatregelen. Dergelijke maatregelen leiden, aldus de ABRvS, tot een afname van stikstofemissie door agrarische bedrijven en daarmee tot een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze afname kan een bijdrage leveren aan het behoud of herstel van de stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

b.

Autonome daling van stikstofdepositie: feitelijke ontwikkeling. Het betreft een ontwikkeling die zich ook los van het PAS zou kunnen voordoen. Deze autonome daling zal bijdragen aan de verbetering of herstel van het Natura 2000-gebied. Maatregelen die deze autonome daling veroorzaken, worden niet specifiek ter uitvoering van de Habitatrichtlijn getroffen en daarom is geen sprake van een passende maatregel of instandhoudingsmaatregel.

c.

Herstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden die ook los van het PAS getroffen kunnen worden: instandhoudingmaatregel of passende maatregel. Deze maatregelen dragen bij aan het op lange termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden;

d.

Herstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden die gericht zijn op het voorkomen van verslechtering van stikstofgevoelige natuurwaarden door de benutting van depositie- en ontwikkelingsruimte: beschermingsmaatregelen. Het betreft vegetatiemaatregelen, zoals maaien waardoor stikstofdepositie uit het systeem wordt verwijderd, en vernatting van een gebied waardoor een verbetering van de (hydrologische) omstandigheden voor de stikstofgevoelige natuurwaarden kan optreden.

13.

Voor de zekerheid formuleert de ABRvS prejudiciële vragen op dit punt. Het onderscheid dat de ABRvS hiermee maakt, vertoont gelijkenissen met de wijze waarop de ABRvS tot op heden mitigerende maatregelen van instandhoudings- en passende maatregelen onderscheid. Maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn aan een project (categorie d hierboven) zijn beschermingsmaatregelen. Het positieve effect van deze maatregelen mag in de passende beoordeling worden meegenomen mits dit positieve effect optreedt op de locaties waar van de voorgenomen activiteit negatieve effecten kan hebben. Maatregelen die niet onlosmakelijk verbonden zijn aan een project, maar wel leiden tot herstel, verbetering of het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen, zijn passende maatregelen of instandhoudingsmaatregelen. Belangrijke voorwaarde is dat deze maatregelen ‘los’ staan van het voorgenomen project – wat in de praktijk soms eenvoudig geconstrueerd kan worden door de uitvoering van deze maatregelen ‘op afstand’ van het voorgenomen project te zetten. De vraag doet zich daarmee voor of dit onderscheid er niet toe zal leiden dat de praktijk zoekt naar mogelijkheden om maatregelen die eigenlijk enkel en alleen ten behoeve van een project worden getroffen, als passende of instandhoudingsmaatregel te kwalificeren. En deze wijze van benaderen heeft ook m.i. iets gezochts; een van de hoofddoelen van het PAS is het creëren van depositie- en ontwikkelingsruimte. Alle maatregelen die in het PAS zijn opgenomen hebben ook betrekking op dit doel en zijn daarmee in zoverre verbonden aan het negatieve effect dat veroorzaakt wordt door de uitgifte van depositie- en ontwikkelingsruimte. Voor alle soorten maatregelen is overigens vereist dat deze maatregelen positieve gevolgen hebben ter plaatse van de arealen van stikstofgevoelige natuurwaarden waar, door uitgifte van ontwikkelings- en depositieruimte, negatieve effecten kunnen optreden als deze maatregelen niet zouden worden getroffen.

Timing en te realiseren positieve effect van de maatregel van belang?

14.

De kwalificatie van de maatregelen is van belang voor de daaropvolgende vraag of een maatregel uitsluitend in een passende beoordeling mag worden betrokken als de maatregel op dat moment is genomen en resultaat heeft gehad. Dat is voor het PAS een belangrijk aspect; veel van de maatregelen waarin het PAS voorziet en die in de passende beoordeling zijn meegenomen, moeten (grotendeels) nog worden uitgevoerd of zullen pas op een (veel) later moment een positief effect hebben. Als deze maatregelen alleen in de passende beoordeling mogen worden meegenomen zodra dit positieve effect is gerealiseerd, is de consequentie daarvan dat voorlopig geen depositie- of ontwikkelingsruimte kan worden uitgegeven. Dat zou een goede werking van het PAS behoorlijk in de weg staan.

15.

Voor zover sprake is van passende of instandhoudingsmaatregelen leest de ABRvS in de uitspraken Briels en Orleans niet dat deze pas in de passende beoordeling mogen worden betrokken nadat deze zijn uitgevoerd en (positief) effect gehad hebben. Wel moeten uitvoering en effectiviteit van de maatregelen voldoende verzekerd zijn.

16.

Wat betreft beschermingsmaatregelen stelt de ABRvS ten eerste vast dat de herstelmaatregelen die met het PAS zijn voorzien, niet te vergelijken zijn met het ontwikkelen van nieuwe natuur op een andere locatie in het Natura 2000-gebied dan de locatie waar een plan of project negatieve gevolgen heeft, zoals in de arresten Briels en Orleans aan de orde was. De PAS-maatregelen voorkomen, aldus de ABRvS, dat de te hoge stikstofdepositie schadelijke gevolgen kan hebben voor de bestaande arealen. In zoverre zouden deze maatregelen dan ook kunnen worden beschouwd als maatregelen waarmee schadelijke gevolgen worden beperkt of verminderd (vergelijk ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2848). De ABRvS acht het aannemelijk dat deze maatregelen niet getroffen hoeven te worden en een (positief) effect hoeven hebben op het moment waarop een passende beoordeling van een plan of project wordt gemaakt. De passende beoordeling kan juist worden gebruikt om te onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van plannen en projecten voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken. Wel dient, aldus de ABRvS, verzekerd te zijn dat de maatregelen daadwerkelijk zullen worden getroffen en dat de maatregelen effectief dienen te zijn. Bij gebreke aan duidelijke jurisprudentie van het HvJ op bovengenoemde punten, besluit de ABRvS tot het stellen van de prejudiciële vragen 3-5a. Daarbij komt ook de rol van monitoring naar voren.

17.

Hoewel ik op zich de redenering ten aanzien van het verschil met Briels en Orleans in beginsel kan onderschrijven, loopt het m.i. toch niet helemaal rond. Inderdaad, de arresten Briels en Orleans gingen over situaties waarin door een voorgenomen activiteit een bestaand areaal zou worden aangetast, en vervolgens op een andere locatie hetzelfde soort areaal zou worden teruggeplaatst. Deze maatregel kon niet als beschermingsmaatregel worden aangemerkt omdat de maatregel op een andere locatie werd getroffen dan de locatie waar de aantasting plaatsvond. Vanuit het voorzorgsbeginsel achtte het HvJ het voorts niet toegestaan om al toestemming te verlenen voor de voorgenomen activiteit voordat het positieve effect van de beoogde maatregel bekend was. Als deze (gedachte)lijn wordt doorgetrokken naar het PAS, wat is dan het kenmerkende verschil dat het nu niet uitmaakt dat het positieve effect van de voorgenomen beschermingsmaatregel nog niet is gerealiseerd voordat de depositie- en ontwikkelingsruimte wordt uitgegeven? Is dat de vaststelling dat in Briels en Orleans geen sprake was van een beschermingsmaatregel, zodat de passages over het voorzorgsbeginsel niet van belang zijn in onderhavige situatie? Want ook bij mitigerende maatregelen is goed voorstelbaar dat het wenselijk is om zekerheid te hebben over het positieve effect. Ik vind het dan inderdaad wel wat ver gaan om pas toestemming te kunnen verlenen nadat dit positieve effect is opgetreden, maar dan zou toch m.i. wel de zekerheid moeten zijn ingebouwd dat het negatieve effect pas kan worden veroorzaakt voordat is vastgesteld dat het daadwerkelijke positieve effect overeenkomt met het beoogde positieve effect, zoals dat was voorzien in de passende beoordeling. Het is jammer dat juist dit aspect – dat zich in het PAS laat vertalen in de vraag in hoeverre het is toegestaan om ontwikkelings- en depositieruimte uit te geven voordat de herstelmaatregelen die als beschermingsmaatregel zijn aan te merken zijn uitgevoerd – in de uitspraak niet naar voren komt.

Rol van monitoring

18.

Bij de totstandkoming van het PAS is er veelvuldig op gewezen dat monitoring en mogelijkheden tot bijsturing moeten worden beschouwd als een belangrijk sluitstuk om een goede werking van het PAS te kunnen verzekeren, waardoor eens te meer verzekerd is dat een aantasting van de natuurlijke kenmerken op de in het PAS opgenomen Natura 2000-gebieden niet zal kunnen optreden. De uitspraak van de ABRvS laat evenwel zien dat enkele het feit dat monitoring en bijsturing (kunnen) plaatsvinden, onverlet laat dat op grond van art. 6, lid 3, HRL een verplichting bestaat om op basis van de passende beoordeling de zekerheid te krijgen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Op zichzelf is dit een logische redenering. Het is mij echter niet geheel duidelijk hoe deze passage uit de uitspraak zich verhoudt tot eerdere jurisprudentie van de ABRvS, op grond waarvan aangenomen wordt dat monitoring kan dienen ter borging van de vereiste zekerheid en om aldus onzekerheden die inherent zijn aan het verrichten van een passende beoordeling te ondervangen (zie o.a. ABRvS 29 augustus 2007, nr. 200606028 en ABRvS 23 mei 2012, 201105318). Onzekerheden zijn in de passende beoordeling toegestaan, mits in de beoordeling controlemechanismen – zoals monitoring en bijsturing – zijn ingebouwd, er vanwege deze onzekerheden sprake is van een ‘overblijvend overzienbaar restrisico’, de voorgeschreven monitoring ziet op dat risico en er geen andere mogelijkheid bestaat om dat risico uit te sluiten. Deze jurisprudentie lijkt meer ruimte te bieden dan de algemeen geformuleerde conclusie dat ook bij monitoring de vereiste zekerheid moet bestaan.

19.

De ABRvS acht het van belang om van de HvJ te vernemen of het feit dat monitoring en bijsturing kan plaatsvinden, relevant is bij de vraag of de positieve gevolgen van de instandhoudings-, passende en beschermingsmaatregelen en van de verwachte autonome daling van stikstofdepositie kunnen worden betrokken en formuleert op dit punt dan ook een prejudiciële vraag aan het HvJ. Opmerkelijk is daarbij m.i. dat de vraag die de ABRvS stelt, erop gericht is om van het HvJ te vernemen of het ‘van belang’ is dat monitoring en bijsturing kunnen plaatsvinden, terwijl uit de overwegingen van de uitspraak kan worden afgeleid dat de ABRvS het aannemelijk acht dat monitoring van de werking van een programma een ‘vereiste’ kan zijn. Dat lijkt mij nog wat verder te gaan dan de prejudiciële vraag die nu is gesteld.

Inhoudelijke gebreken van het PAS

20.

Het vervolg van de uitspraak heeft betrekking op de inhoudelijke gebreken die de ABRvS nu constateert in de passende beoordeling van het PAS. Dit deel laat goed zien hoe moeilijk het in de praktijk zal zijn om een passende beoordeling voor zo’n omvangrijk programma op te stellen waarmee wordt voldaan aan de eis dat verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Weliswaar is daarbij, aldus de ABRvS, onvermijdelijk dat wordt gewerkt met verschillende aannames, buffers en marges en dat wordt uitgegaan van een bepaalde mate van onzekerheid, maar deze onzekerheid mag niet zo groot zijn dat niet meer kan worden vastgesteld of de natuurlijke kenmerken van de gebieden zullen worden aangetast. Een belangrijk aspect in dit verband is dat het voor derden ook mogelijk is om inzicht te krijgen in de keuzes, gegevens en aannames die ten grondslag liggen aan het PAS en bijbehorende passende beoordeling. Zonder adequaat inzicht ontbreekt het derden immers aan de mogelijkheid van reële rechtsbescherming, te meer nu de ABRvS, terecht, constateert dat het programma door derden als een ‘black box’ kan worden beschouwd waardoor zij in een ongelijkwaardige procespositie terecht kunnen komen.

21.

Wat volgt is een lange lijst van feiten, omstandigheden, aannames en berekeningen die naar mening van de ABRvS onvoldoende inzichtelijk en aannemelijk zijn gemaakt, zoals de onderbouwing van de verwachte daling van stikstofdepositie, de verwachte economische groei, de te bereiken depositiedaling door de PAS-bronmaatregelen en de mate waarin de gegevens uit de monitoring kunnen worden gebruikt voor adequate bijsturing. Terecht constateert de ABRvS verder dat het onmogelijk is om te beoordelen of in het PAS met recht is gesteld dat rekening is gehouden met alle voorziene uitbreidingen van activiteiten onder de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr – waarbij de ABRvS er fijntjes op wijst dat de keuze van een vergunningvrije drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr een bestuurlijke keuze is geweest die heeft geleid tot indicatieve berekeningen van de effecten van de cumulatieve depositietoenames onder deze drempelwaarde. Opvallend is hierbij overigens wel dat de ABRvS lijkt te stellen dat in het PAS rekening had moeten worden gehouden met alle “voorziene” uitbreidingen onder deze drempelwaarde – en daarmee voorbij gaat aan het feit dat er geen plafond geldt voor het aantal activiteiten dat een beroep kan doen op deze vergunningvrije drempel. Het aantal activiteiten onder de 0,05 mol N/ha/jr kan daarmee dus vele malen groter zijn dan bij het opstellen van de passende beoordeling van het PAS is voorzien. Ook nog openstaande mogelijkheden voor externe saldering (op grond van het overgangsrecht dat bij het PAS hoort) leiden tot onduidelijkheid over de houdbaarheid van de passende beoordeling. Zo kan externe saldering op grond van het overgangsrecht nog plaatsvinden met emissieruimte van bedrijven die voor 1 juli 2015 nog een vergunning hadden, maar feitelijk geen emissie uitstootten – terwijl in de passende beoordeling van het PAS aan de hand van de feitelijke emissie in de jaren 2012-2014 de gevolgen van het PAS zijn beoordeeld. Zodoende kan door toepassing van externe saldering een toename plaatsvinden van stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijke situatie die in het PAS is beoordeeld. Ook kan door de overgangsregeling gesaldeerd worden met stoppende bedrijven die wellicht ook al in het PAS als onderbouwing aan uit te geven depositieruimte ten grondslag zijn gelegd. Emissieruimte kan op die manier twee keer worden benut. Tenslotte lijkt bij de passende beoordeling van het PAS geen rekening te zijn gehouden met onbenutte emissieruimte in Nbw-vergunningen die reeds verleend waren voor de inwerkingtreding van het PAS. De passende beoordeling van het PAS kent immers als referentiesituatie de emissies die in de referentiejaren 2012-2014 ten hoogte, feitelijk, werden veroorzaakt. Onduidelijk is of binnen het PAS voldoende (depositie)ruimte beschikbaar is om deze onbenutte emissieruimte op te vangen.

22.

Dit is nogal een waslijst aan huiswerk voor het Ministerie van EZ en IenM. Het is daarbij overigens wel efficiënt dat de ABRvS deze punten nu al bespreekt, om de ministeries alvast de kans te geven om e.e.a. – waar mogelijk – aan te passen en te verbeteren, in afwachting van de meer principiële vragen die in de prejudiciële procedure voorliggen. Een vraag die bij mij opkomt is, in hoeverre het mogelijk zal zijn om al deze punten op adequate wijze op te lossen, en toch nog afdoende ontwikkelings- en depositieruimte voor ontwikkelingen over te houden. In essentie zal e.e.a. best oplosbaar zijn, door overal grote (worst case) marges aan te houden waardoor positieve effecten worden onderschat en negatieve effecten worden overschat. Maar of dan nog voldoende ruimte overblijft voor economische ontwikkelingen?

Geen voorlopige voorzienig

23.

Net als in de procedure ten aanzien van het weiden en bemesten, concludeert de ABRvS ook hier ten slotte dat het treffen van een voorlopige voorziening niet aan de orde is. Ten eerste omdat de ABRvS het aannemelijk acht dat een instrument als het PAS in overeenstemming is met art. 6 HRL; ten tweede omdat de ABRvS het waarschijnlijk acht dat de geconstateerde gebreken hersteld kunnen worden. Verder acht de ABRvS het onwaarschijnlijk dat tot 1 juli 2018 – als het eerste tijdvak van drie jaar van het PAS afloopt – onomkeerbare gevolgen zullen optreden. Dit wordt echter anders, aldus de ABRvS, als in de in de tussentijd de depositieruimte die nu beschikbaar is gesteld, wordt verhoogd of als besloten wordt het verbod op extern saldering buiten toepassing te laten (op grond van art. 2.14 Besluit natuurbescherming). Verder leid ik uit de uitspraak af dat de eventuele noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening kan ontstaan indien niet met de uitvoering van de herstelmaatregelen die met het PAS zijn voorzien, wordt doorgegaan.

24.

Ik begrijp heel goed dat de consequenties van schorsing van het PAS heel groot zijn – zowel voor de Natura 2000-gebieden (omdat dan wellicht de PAS-maatregelen niet zullen worden uitgevoerd) als voor alle initiatiefnemers die dan geen beroep meer kunnen doen op de depositie- en ontwikkelingsruimte waarin het PAS voorziet. Aan de andere kant wordt het risico dat het PAS op enig moment onderuit gaat, of gewijzigd moet worden vastgesteld (waardoor er, ook gezien de onvolkomenheden in de passende beoordeling die de ABRvS constateert, waarschijnlijk veel minder depositie- en ontwikkelingsruimte beschikbaar is) nu doorgeschoven naar de praktijk. Zonder schorsing van het PAS zijn initiatiefnemers en bevoegde gezagen gehouden het PAS toe te passen. Initiatiefnemers krijgen zo een vergunning die wellicht aan vernietiging of aanpassing onderhevig is. Stel dat tegen deze vergunning geen rechtsmiddelen aangewend worden en de vergunning wordt onherroepelijk, doch daarna wordt het PAS toch aangepast en blijkt dat de vergunning eigenlijk helemaal niet verleend had kunnen worden. Wat dan? En wat gaan rechtbanken doen met procedures tegen vergunningen die grond van het PAS zijn verleend? Als al deze zaken moeten worden aangehouden, leidt dat tot een grote achterstand en aanzienlijke vertraging. Het zou in ieder geval efficiënt zijn als rechtbanken weliswaar de PAS-problematiek buiten de bij hen lopende procedures houden, maar in de tussentijd wel bezien of de genomen besluiten nog andere gebreken kennen die gedurende de prejudiciële procedure kunnen worden hersteld – gelijk de ABRvS doet in deze procedure. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat initiatiefnemers na de prejudiciële procedure te horen krijgen dat weliswaar de vergunning terecht gebaseerd is op het PAS, maar dat er verder nog een gebrek kleeft aan het besluit waardoor het besluit sowieso niet in stand zou kunnen blijven.

Marieke Kaajan


Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….