ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 15-08-2016

Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)

Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)

  1. F. Onrust en M.M. Kaajan[1]

 

 

  1. Inleiding

 

Na deel 1 van deze kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw waarin wij de gebiedsbescherming behandelen, treft u hier deel 2 aan. Het eerste deel van onze kroniek had betrekking op de gebiedsbescherming, zoals (nu nog) geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw). Deel 1 van deze kroniek is verschenen in Bouwrecht 2016/50. In dit tweede deel wordt de soortenbescherming behandeld, zoals op dit moment neergelegd in de Flora- en faunawet (Ffw). Wij behandelen de ontwikkelingen van het afgelopen jaar voor wat betreft de soortenbescherming in de periode 15 juli 2015 tot en met 15 juni 2016. Kort worden eerst de relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving behandeld, waarna de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en rechtbanken aan de hand van deelonderwerpen wordt besproken.

 

  1. (Voorgenomen) wetswijzigingen Ffw

 

Er is een slechts een beperkt aantal wijzigingen doorgevoerd in de AMvB’s die onder de Ffw hangen in deze kroniekperiode. In maart 2016 is het Besluit uitvoering Europese exotenverordening in werking getreden.[2] Exoten zijn dieren, planten, schimmels of micro-organismen die door menselijk handelen buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied terecht zijn gekomen. Een groot deel van de uitheemse soorten (exoten) levert geen problemen op in Nederland, omdat de soort niet kan aarden, of blijven leven of de omstandigheden te ongunstig zijn. Een deel van de exoten is echter invasief. Dat wil zeggen dat deze soorten nadelige gevolgen (kunnen) hebben of een bedreiging vormen voor de biodiversiteit en ecosystemen in Nederland. Dat kan betekenen dat er ernstige gevolgen ontstaan voor inheemse soorten, of bijvoorbeeld voor de structuur en werking van ecosystemen. De exoten kunnen ook zorgen voor nieuwe predatie, concurrentie, overbrenging van ziekten, vervanging van inheemse soorten in een significant deel van hun verspreidingsgebied en als gevolg van kruisingen kunnen er genetische problemen ontstaan. Dit besluit strekt tot uitvoering de Exotenverordening.[3] In deze AMvB zijn regels neergelegd om de nadelige gevolgen voor de biologische diversiteit van opzettelijke en niet-opzettelijke introductie en verspreiding in de Nederland van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen.

 

In deze kroniekperiode is ook het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Besluit vrijstelling) gewijzigd. Aan het Besluit vrijstelling is een nieuw artikel toegevoegd, te weten artikel 16ga.[4] Op grond van deze bepaling geldt het in artikel 9 Ffw opgenomen verbod niet langer voor het niet-opzettelijk doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten, indien die handelingen verband houden met de aanleg of exploitatie van een windpark of een hoogspanningsverbinding. Volgens de regering wordt daarmee aangesloten bij het beschermingsregime zoals is voorgeschreven in de Vogelrichtlijn (VRL) en Habitatrichtlijn (HRL) en bij het regime zoals dat ook voor windparken op zee reeds geldt. Een ontheffing ex artikel 75 Ffw blijft vereist indien sprake is van opzettelijk doden en verwonden van vogels en andere (strikt) beschermde soorten. De vrijstelling is, voor zover ons bekend, tot op heden nog niet toegepast. RVO werkt op dit moment aan een handreiking met betrekking tot deze vrijstelling.

 

Zoals bekend gaat de wet- en regelgeving met betrekking tot natuurbescherming op de schop. Volgens de huidige planning zal in januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking treden.[5] De nieuwe Wet natuurbescherming zal zowel de soorten- als de gebiedsbescherming, alsmede de regelingen uit de Boswet, in één wet neerleggen. Voor de soortenbescherming verandert er inhoudelijk een en ander ten opzichte van de huidige bepalingen in de Ffw.[6] Opgemerkt dient te worden dat deze wijzigingen materieel echter vrij beperkt zijn, omdat de nieuwe wet nauw aansluit bij de Vogelrichtlijn (VRL) en Habitatrichtlijn (HRL) en de jurisprudentie van de ABRvS, waarin al langer bepalingen van de Ffw richtlijnconform werden uitgelegd. De belangrijkste wijzigen ten opzichte van de Ffw zijn kort samengevat: (i) Er komen drie regimes voor beschermde soorten. Elk regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden. Er komt een regime voor (a) Vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4); (b) Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9); en (c) Niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11); (ii) De verboden en uitzonderingen sluiten beter aan bij VRL en HRL, voor de nationale soorten (vermeld in de bijlage bij de wet) geldt een soepeler regime met meer ontheffingsgronden; (iii) De meeste verboden gelden alleen in geval van ‘opzettelijk’ handelen, echter omdat onder opzettelijk handelen ook “voorwaardelijk opzet” moet worden begrepen, zal het verschil met huidige verboden in de praktijk mogelijk gering zijn; (iv) Bij vogels is verstoring (ook tijdens het broedseizoen) niet langer strafbaar als de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is, let echter op het beschadigen of vernielen van nesten is nog wel altijd verboden. (v) De bescherming van vogels lijkt zoals de wet thans is geformuleerd voor sommige vogelsoorten een dubbel beschermingsregime op te leveren. Dat wil zeggen. Onder de categorie vogels, vallen alle vogelsoorten in Nederland, echter onder de categorie Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 ev) kunnen eveneens vogels worden begrepen. In het Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn waarop de laatste categorie van de artikelen 3.5 ev Wet natuurbescherming uitdrukkelijk ook ziet worden ook vogels genoemd. Het is ongetwijfeld niet de bedoelding van de wetgever geweest dat er vogelsoorten zijn die onder twee beschermingsregimes vallen. De wet houdt hier in ieder geval geen rekening mee, zodat onduidelijk is welk regime in dat geval van toepassing zal worden. De meest strikte uitleg zou ertoe kunnen leiden dat uit beide regimes voor de betreffende vogelsoorten steeds de meest strenge regels moeten worden gekozen. Dat zou betekenen dat (i) de ontheffingsgronden voor vogels alleen kunnen worden toegepast (hetgeen ons overigens gelet op de VRL logisch lijkt); en dat (ii) de nieuwe regeling van art. 3.1 lid 5 niet voor deze vogels mag worden toegepast (uitzondering op verbod op verstoren indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is), omdat de artt. 3.5 ev. een zelfde soort bepaling niet kennen. Dit lijkt ons onwenselijk en wij hopen dat de wetgever hier nog een mouw aan weet te passen.

 

De Wet natuurbescherming zal net als de Ffw deels worden uitgewerkt lagere regelgeving. Anders dan onder de Ffw zal er spraks nog één AMvB en één ministeriële Regeling gelden. Op 13 mei 2016 heeft de staatssecretaris de uitvoeringsregelgeving behorende bij de Wet natuurbescherming in ontwerp naar de Tweede Kamer gezonden. [7] Het betreft het voorstel voor het Besluit natuurbescherming (het “Besluit”) en de Regeling natuurbescherming (de “Regeling”). [8]  Voor de soortenbescherming zijn er veel regels nader uitgewerkt in het Besluit Natuurbescherming en de Regeling Natuurbescherming. In het Besluit en de Regeling worden (nadere) regels gesteld over de volgende onderwerpen die zien op soortenbescherming: (i) de aanwijzing van diersoorten die in het hele land schade veroorzaken, voor de bestrijding waarvan op grond van de wet vrijstelling van de soortenbeschermingsbepalingen kan worden verleend; (ii) jacht (in brede zin), (iii) aanwijzing en vrijstelling van middelen voor het vangen en doden van dieren en vogels in het kader van populatie- beheer, schadebestrijding en jacht en de daarvoor in voorkomend geval vereiste opleidingen en akten; (iv) het bezit van en de handel in (producten) van dieren en planten van bedreigde inheemse of uitheemse soorten; (v) de omzetting van de Europese regelgeving inzake invasieve exoten.

 

In de volgende kroniekperiode zullen wij nader ingaan op de Wet natuurbescherming. In het hiernavolgende jurisprudentie-overzicht stippen wij, daar waar relevant, het belang van de uitspraken voor de Wet natuurbescherming wel alvast aan.

 

  1. Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie Ffw

 

In het hiernavolgende worden recente bestuursrechtelijke Ffw uitspraken van de ABRvS en rechtbanken besproken over de periode 15 juli 2015 tot en met 15 juni 2016. De volgende deelonderwerpen worden behandeld: (3.1) Belanghebbende; (3.2) Relativiteitsvereiste; (3.3) Jacht, beheer en schadebestrijding; (3.3.1) Middelen; (3.3.2) Voorwaarden 68 Ffw; (3.4) Ontheffingen art. 75 Ffw; (3.4.1) Soorten; (3.4.2) Mitigerende maatregelen; (3.4.3) Verboden; (3.4.4) Andere bevredigende oplossing (art. 75 en art. 68 Ffw); (3.4.5) Gunstige staat van instandhouding van de soort; (3.4.6) Ontheffingsgronden; (3.5) Bestemmingsplan en Ffw; (3.6) Onderzoek; (3.7) Omgevingsvergunning en Ffw (aanhaken); (3.8) Handhaving; (3.9) Samenloop Ffw en andere wetten; (3.10) Varia.

 

  • Belanghebbende-begrip

 

In het bestuursrecht is een van de eerste vragen bij een ingesteld bezwaar of beroep, of de

betrokkenen als belanghebbende kan worden aangemerkt. Als geen sprake is van een belanghebbende dan behoeft het bezwaar of beroep derhalve inhoudelijk niet te worden behandeld.

 

In deze kroniekperiode willen wij wijzen op een tweetal uitspraken. We weten al langer dat een stichting ook belanghebbende kan zijn bij een Ffw-ontheffing, als wordt voldaan aan artikel 1:2 eerste lid Awb. De algemene en collectieve belangen die een stichting mede krachtens haar doelstellingen en blijkens feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen moeten daarvoor beoordeeld worden. De Stichting in een procedure bij de rechtbank Gelderland[9] had als statutaire doelstelling “het behouden van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving waaronder de flora en fauna, de bescherming van natuurgebieden, ecologische, milieu en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het werkgebied.” Daarnaast zag het doel van de stichting op “het nastreven van een goede ruimtelijke ordening binnen dit werkgebied.” Er worden tevens feitelijke werkzaamheden verricht door de stichting. Die feitelijke werkzaamheden bestaan voornamelijk uit het plaatsen van publicaties in dag- en weekbladen. De rechtbank acht het geen probleem dat die publicaties op naam van de voorzitter worden geschreven en dat er niet altijd wordt vermeld dat deze mede namens de stichting zijn geschreven. Dat de publicaties vooral gericht zijn op de vraag naar nut en noodzaak van woningbouw ter plaatse maakt niet dat de stichting geen belanghebbende is. Immers er worden feitelijke werkzaamheden uitgevoerd die zien op de statutaire doelstelling. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de woningbouw en de bescherming van het foerageergebied van de steenuilen in dit geval twee zijden van dezelfde medaille. De rechtbank Limburg[10] deed een uitspraak over een ontheffing Ffw voor het verlagen van het waterpeil. Door de bouw van een beverdam is het waterpeil gestegen waardoor er niet meer gevist kon worden vanaf een bepaalde steiger. Er is nu een Ffw ontheffing aangevraagd door Rijkswaterstaat voor het verlagen van het waterpeil. Die ontheffing is geweigerd. Tegen die weigering is onder meer een rechtspersoon opgekomen. Deze rechtspersoon huurt een visrecht van Rijkswaterstaat, maar de rechtbank oordeelt dat daarmee het besluit alleen gevolgen voor deze rechtspersoon kan hebben via haar contractuele relatie met Staatsbosbeheer. De rechtbank meent daarom dat deze rechtspersoon alleen een afgeleid belang heeft en daarmee niet-ontvankelijk is.

 

  • Relativiteitsvereiste

Het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in art. 8:69a Awb, kan er voor zorgen dat een beroepsgrond niet kan slagen, omdat degene die de beroepsgrond inroept geen belang heeft bij de ingeroepen norm. In deze kroniekperiode heeft de ABRvS[11] een heel belangrijke uitspraak met betrekking tot dit relativiteitsvereiste. In deze uitspraak is uitgemaakt dat een concurrent met een beroep op het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel alsnog kan bereiken dat de bestuursrechter een besluit toetst aan een norm die niet zijn belangen beoogt te beschermen. De ABRvS volgt hiermee de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven om de toepassing van het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht te corrigeren. Niet ondenkbaar is dat deze correctie op het relativiteitsvereiste ook in Ffw een rol kan spelen.

 

De conclusie van Staatsraad advocaat generaal Widdershoven over een correctie op het relativiteitsvereiste[12]  is tevens interessant omdat hierin wordt gewezen op de standaard toepassing van het relativiteitsvereiste in Ffw zaken[13] sinds ongeveer 2014. In deze conclusie wordt gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 6 mei 2015[14], waarin de AVRvS overweegt “dat niet bij voorhand in alle gevallen uitgesloten behoeft te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens de bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden.” De afstand die de omwonende hebben tot het plangebied, of de beschermde soorten speelt een rol bij de vraag of de “directe leefomgeving” in het geding is, of kan zijn. Het moge niet verbazen dat omwonenden die direct aan het plangebied[15] wonen zich op de normen kunnen beroepen. Maar over een omwonende die wat verder weg woont kan weleens geoordeeld worden dat geen sprake meer is van de “directe woonomgeving.” Afstand en zicht spelen bij de beoordeling een rol. Zo acht de ABRvS[16] een afstand van de woning tot de helikopterhaven van 418 meter niet te groot is, omdat in die situatie niet viel uit te sluiten dat de ganzen en andere vogelsoorten in de directe leefomgeving van de woning voorkomen en gevolgen van de helihaven zouden kunnen ondervinden. De ABRvS laat in een andere uitspraken zien dat voorgaande uitspraak wil niet zeggen dat iedereen binnen een straal van 418 meter de Ffw normen in kan roepen. Zo meent de ABRvS dat 200 meter afstand tussen de woningen en de vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen in een bestemmingsplanprocedure[17] te veel waren om van de directe woonomgeving te kunnen spreken. In haar uitspraak van 23 december 2015 overweegt de ABRvS dat 180 meter afstand van de vaste rust- en verblijfplaats van de steenuilen en de omstandigheid dat zich tussen de rustplaats bebouwing bevindt[18] maakt dat artikel 8:69a Awb wel aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

 

In deze conclusie[19] wordt gewezen op het feit dat ook een rechtspersoon die zich statutair inzet voor “de bescherming van bijzondere natuurwaarden”, waaronder mede de “bescherming van diersoorten” wordt begrepen, zich kan beroepen op de Flora- en faunawet, ook al worden de diersoorten waarom het gaat niet expliciet in de statuten genoemd en past de gebiedsaanduiding in de statuten niet precies op het gebied waarvoor zij opkomt[20]. Een concurrent kan de normen van de Ffw niet inroepen.[21] Indien een bedrijf zich naast de bedrijfsbelangen echter tevens ook op goede gronden kan beroepen op het belang van behoud van de goede leefomgeving (omdat hij bijvoorbeeld nabij z’n bedrijf woont) dan kan de relativiteit niet worden tegengeworpen.[22]

 

Uit de jurisprudentie zijn nog geen maatgevende afstanden af te leiden waarbinnen een beroep op de normen uit de Ffw voor omwonende meestal zal slagen. Van belang is te weten dat naast afstand ook “zicht” een rol speelt bij de beoordeling van de relativiteit. Belangenverenigingen en    -stichtingen kunnen zich op de Ffw beroepen, maar bedrijven die “slechts” als concurrent in een procedure de Ffw normen inroepen kunnen dat niet, tenzij zij wellicht zich met succes op de correctie op het relativiteitsvereiste kunnen beroepen.

 

  • Jacht en Beheer en schadebestrijding

 

In deze kroniekperiode hebben wij geen uitspraken over jacht aangetroffen die wij het vermelden waard vinden. Wij gaan wel in op enkele uitspraak met betrekking tot schadebestrijding.

 

Bestrijding van schadeveroorzakende soorten is mogelijk op grond van de artt. 65, 67, of 68 Ffw. Ook onder de Wet natuurbescherming zal bestrijding van schadeveroorzakende soorten mogelijk blijven. De jurisprudentie zoals gewezen onder de Ffw zal daarom grotendeels van belang blijven onder de Wet natuurbescherming.

 

  1. Algemene vrijstelling soorten

 

In artikel 65 Ffw is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor het bestrijden van algemeen voorkomende beschermde inheemse soorten die in het gehele land of delen daarvan belangrijke schade aanrichten aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of schade aan fauna. De wet maakt daarbij een onderscheid tussen een vrijstelling op landelijk niveau en op provinciaal niveau. In de Wet natuurbescherming zal komt eveneens een landelijke en provinciale vrijstellingsmogelijkheid voor soorten.

Op grond van art. 65 Ffw kan vrijstelling worden verleend voor bepaalde soorten. Voor soorten die in het gehele land schade kunnen toebrengen kunnen soorten op de landelijke vrijstellingslijst worden geplaatst en voor soorten die regionaal schade kunnen veroorzaken kunnen soorten op een provinciale vrijstellingslijst worden geplaatst. In de Wet natuurbescherming zullen deze lijsten opnieuw worden vastgesteld. Voor de landelijke vrijstellingslijst, zoals neergelegd in het Besluit natuurbescherming, is bekend dat deze enigszins zal afwijken van de huidige nationaal vrijgestelde soortenlijst. In deze kroniekperiode zijn twee uitspraken van rechtbanken verschenen waarin werd geoordeeld dat niet uit het oog mag worden verloren dat ondanks het feit dat een dier op de nationale vrijstellingslijst staat, bij ontheffingsverlening op grond van art. 68 Ffw alleen niet behoeft te worden aangetoond of sprake is van schade, maar dat wel aan de  overige vereisten van dit artikel moet worden voldaan.[23]

 

  1. Middelen

 

Artikel 72 Ffw geeft regels omtrent de middelen die bij beheer en schadebestrijding mogen worden gebruikt. In artikel 5 Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Besluit schadebestrijding) is een lijst van toegestane middelen opgenomen.

 

In artikel 67 Ffw is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor gedeputeerde staten om bij besluit op grond van artikel 67 Ffw het gebruik van andere middelen, dan genoemd bij of krachtens artikel 72, vijfde lid, te kunnen toestaan.

 

In deze kroniekperiode is er een aantal uitspraken over de vraag naar toegestane middelen verschenen. Allereerst wijzen wij op de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 december 2015[24] waarbij door gedeputeerde staten een ontheffing ex artikel 68 Ffw was verleend voor het vangen en doden van grauwe ganzen en Canadese ganzen met fuiken en vangkooien. De Rb Zeeland-West-Brabant overweegt dat de middelen (vangkooi en fuik) niet zijn genoemd in art. 5 Besluit schadebestrijding. De rechtbank stelt dat er ook niet is gebleken van een ander wettelijk voorschrift waarin deze middelen zijn genoemd. Fuiken mogen daarom niet worden gebruikt, zo concludeert de rechtbank. Gelet op art. 5 derde lid Besluit schadebestrijding mogen vangkooien niet worden gebruikt voor het doden en vangen van vogels als bedoeld in art. 4, eerste lid onder b Ffw. Gauwe ganzen en Canadese ganzen zijn vogels als bedoeld in art. 4, eerste lid onder b Ffw en daarom is ook dit middel niet toegestaan zo meent de rechtbank. Ook de vangkraal wordt met dezelfde redenering en verwijzing naar art. 5 Besluit schadebestrijding door de rechtbank Midden-Nederland[25] ontoelaatbaar geacht. De ABRvS heeft hierover nog geen uitspraak gedaan. In diezelfde uitspraak van de rechtbank[26] wordt het middel CO2 ontoelaatbaar geacht, omdat weliswaar een wetsvoorstel in voorbereiding is waarin het gebruiken van CO2 inclusief het vangen van de betreffende vogels daarvoor, zonder nadere aanduiding van het precieze vangmiddel, als toegestaan middel in de wetgeving wordt opgenomen, maar de voorzieningenrechter overweegt dat dit nog niet de status heeft van wettelijk voorschrift. Om die reden kan het constateerde bevoegdheidsgebrek niet worden opgeheven. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland[27] overweegt met betrekking tot het gebruik van CO2 niet is gebleken dat de wetgever onder het gebruik van dit middel tevens heeft willen verstaan het bijeendrijven of vangen van ganzen. Daarmee lijkt het gebruik van CO2 in ieder geval door door de rechtbanken van Midden-Nederland en Noord-Holland weer onmogelijk te zijn gemaakt.

 

In een rechtbankprocedure[28] over een art. 68 ontheffing voor de exploitant van Rotterdam Airport kwam ook de discussie over toegestane middelen aan de orde. De exploitant van de luchthaven wenste tevens ontheffing voor het doden van vogels met gebruikmaking van honden andere jachtvogels dan de slechtvalk en de havik en door gebruikmaking van kastvallen, vangkooien en klapnetten en stelde dat die ontheffing verleend had moeten worden, gelet op onder meer het vertrouwensbeginsel. In voorgaande jaren was voor een deel van die handelingen nl wel ontheffing verleend. Gedeputeerde staten meent nu echter dat een ontheffing niet verleend kan worden gelet op het bepaalde in onder meer art. 5 Besluit schadebestrijding. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt (uiteraard) niet. De rechtbank meent dat omdat het gebruik van een geweer wel mogelijk is het zwaarwegende belang van de veiligheid van het luchtverkeer ook op die manier gediend kan worden.

 

De ABRvS[29] oordeelt over art. 68 Ffw ontheffing voor het doden van vossen van zonsondergang tot zonsopgang met gebruikmaking van het geweer met gebruik van kunstmatige lichtbronnen dat aannemelijk is gemaakt dat afschot in de nacht met kunstmatig licht leidt tot meer gedode vossen. De ABRvS is van oordeel dat een toename van het aantal gedode vossen leidt tot een afname van het predatiepercentage. Het aandeel van de vos in de predatie en de invloed daarvan op de stand van de gepredeerde soort is weliswaar niet precies bekend maar dat is voor toepassing van art. 68 Ffw ook niet vereist, zo concludeert de ABRvS.[30] De Rb Noord-Holland[31] laat ook cervicale dislocatie (oftewel het handmatig de nek omdraaien van dieren) niet toe, omdat cervicale dislocatie niet is genoemd art. 5 Besluit schadebestrijding en daarom wordt de hiervoor verleende ontheffing vernietigd.

 

De middelen moeten uitdrukkelijk in de verleende ontheffing worden genoemd, de enkele verwijzing naar het toestaan van “lokmiddelen” is onvoldoende , aldus de rechtbank Midden-Nederland.[32]

 

  1. Voorwaarden 68 Ffw: Belangrijke schade; geen andere bevredigende oplossing; geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort

 

Art. 68 Ffw vormt de grondslag voor de verlening van ontheffingen voor de bestrijding van beschermde inheemse diersoorten in het kader van beheer en schadebestrijding. Reductie van de populatie kan het gevolg zijn van schadebestrijding. Dat maakt nog niet dat de ontheffing in strijd met art. 68 Ffw is.[33] Op grond van artikel 68 Ffw kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de in de wet genoemde verbodsbepalingen, onder in de wet genoemde voorwaarden en alleen voor de in de wet genoemde belangen. Ontheffingen ex art. 68 Ffw worden in principe verleend aan een faunabeheereenheid, op basis van een door gedeputeerde staten goedgekeurd faunabeheerplan.

 

Bij het verlenen van een ontheffing ex art. 68 Ffw moeten gedeputeerde staten toetsen aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden: (i) Er moet sprake zijn van een (concrete dreiging voor) belangrijke schade aan gewassen; (ii) Er dient geen andere bevredigende oplossing te bestaan; en (iii) de ontheffing mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Ook bij algemene soorten dient aan de voorwaarden van artikel 68 Ffw te worden voldaan.[34]

 

Er moet aannemelijk gemaakt worden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en de betreffende soort. De Rb Midden-Nederland[35] oordeelde dat gedeputeerde staten geen oorzakelijk verband hadden aangetoond tussen de schade op agrarische percelen en het aantal grauwe ganzen binnen de bebouwde kom. Dit neigt naar het oordeel van de rechtbank naar een vorm van populatiebeheer die juist niet is beoogd met art. 68 Ffw.

In de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 augustus 2015[36] wordt de ontheffing gedeeltelijk vernietigd omdat de schade die kolganzen in bepaalde periodes veroorzaken onvoldoende is onderbouwd. Voor de kolgans ziet de verleende ontheffing op twee periodes. Voor de periode van 1 oktober tot 15 februari is een voorwaardelijke ontheffing verleend voor het geval dat eenmalig door de provinciale toezichthouder wordt geconstateerd dat er daadwerkelijk sprake is van belangrijke schade. De rechtbank is van oordeel dat dit in de lijn van het “voorkomen van belangrijke schade” als bedoeld in artikel 68 van de Ffw kan worden aangemerkt.  Voor zover die voorwaardelijke ontheffing ziet op de constatering door een toezichthouder van een kans op het ontstaan van belangrijke schade, is de rechtbank van oordeel dat dit in een te ver verwijderd verband staat tot de strekking van voornoemd artikel. Op dit punt kan het bestreden besluit derhalve geen stand houden. Ook met betrekking tot de periode van 15 februari tot 1 april kan de ontheffing ten aanzien van de kolgans wegens strijd met het motiveringsbeginsel geen standhouden, omdat de ontheffing voor alle WBE’s is afgegeven. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat er in het verleden slechts voor 15 WBE’s ontheffing is verleend voor de winterperiode en daarnaast is in slechts drie andere WBE’s schade geconstateerd. Voor de overige WBE’s acht de rechtbank de (concrete dreiging van) belangrijke schade derhalve onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de actieradius van de ganzen is onvoldoende voor de rechtbank om de ontheffingen in stand te laten.

 

Op grond van art. 4 aanhef, onder e Besluit schadebestrijding mag een ontheffing ex art. 68, eerste lid aanhef en onder e Ffw, slechts verleend worden indien sprake is van het reguleren van de populatieomvang van het edelhert, de ree, het damhert of het wild zwijn. Vanwege dit belang kan slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de (i) schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of (ii) de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. Over dit laatste vereiste heeft de Rechtbank Zeeland-West Brabant zich uitgelaten in de uitspraak van 17 maart 2016.[37] De rechtbank verwijst naar de toelichting bij art. 4 Besluit schadebestrijding waarin is vermeld dat het van belang is de omvang van de populaties te beheren vanuit een oogpunt van dierenwelzijn. Een ontheffing op deze grond mag daarom slechts worden verleend als aannemelijk is dat er daadwerkelijk problemen zijn met het welzijn van populaties. En vervolgens verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 4 december 2015[38] waarin deze vraag eveneens aan de orde was. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat het dierenwelzijn in het geding was, maar gedeputeerde staten hebben terecht overwogen dat de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied ook samenhangt met de beheerdoelstelling van een gebied. Afhankelijk van die beheerdoestelling kan het wenselijk zijn om in te grijpen in de omvang van populaties. Als gevolg van te intensieve begrazing door damherten verarmen flora en fauna en bestaat het risico dat herstel uitblijft. Op grond van deze overwegingen hebben gedeputeerde staten tot ontheffing verlening over kunnen gaan. De intrinsieke waarde van het schadeveroorzakende dier is geen voorwaarde of toetsingsgrond voor een art. 68 Ffw ontheffing. Naar het oordeel van de rechtbank Overijssel[39] ligt dit criterium, dat in de considerans van de Ffw is opgenomen, reeds aan de in art. 68 Ffw opgenomen criteria voor ontheffing verlening ten grondslag.

 

  • Ontheffingen 75 Ffw

 

Een ontheffing op grond van art. 75 Ffw dient aan verschillende vereisten te voldoen. Een ontheffing is vereist indien (i) sprake is van een beschermde soort; (ii) de handeling ervoor zorgt dat er een verbodsbepaling uit de Ffw wordt overtreden; en (iii) indien vervolgens wordt voldaan aan de vereisten dat (a) er geen andere bevredigende oplossing is; (b) de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is en; (c) de ontheffing verleend kan worden op grond van een wettelijke ontheffingsgrond. In het hiernavolgende wordt op de jurisprudentie waarin deze verschillende criteria aan de orde zijn nader ingegaan.

 

  • Soorten

In de Wet natuurbescherming zal per soortgroep (vogels, habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten) worden bepaald welke verboden er gelden en aan welke vereisten moet worden voldaan om een ontheffing te kunnen verlenen.

 

Onder de zorgplicht van art. 2 Ffw (maar straks ook onder de zorgplicht van de Wet natuurbescherming) vallen alle in Nederland voorkomende soorten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn. Voor onder meer de ontheffingsgronden is van belang of en op welke wijze een soort beschermd is.

 

De jurisprudentie over aanwezige soorten, gaat ook nogal eens over de vraag of de soort nu wel of niet aanwezig is in het plangebied.[40] Indien bijvoorbeeld bij een eerder onderzoek een bepaalde soort wordt aangetroffen, is het mogelijk dat deze soort zich later niet meer in het plangebied bevindt. Dit dient uiteraard wel gemotiveerd te worden onderbouwd.[41] Voor een bestemmingsplan behoeft geen onderzoek te worden verricht naar het voorkomen van niet beschermde soorten, waarvoor een algehele vrijstelling geldt (dit betreft de bosmuis, hermelijn, konijn, wezel, mol, haas, spitsmuis, en veldmuis).[42] Voor de bunzing, het konijn en de haas geldt dat deze soorten zijn aangewezen op grond van art. 16b, tweede lid onder a Besluit schadebestrijding, waarvoor de verboden van de artt. 8 tot en met 12 van de Ffw niet gelden bij de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.[43]

 

  • Mitigerende maatregelen

Indien er mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden, dan is ontheffingverlening op grond van art. 75 ffw niet aan de orde. Dat heeft alles te maken met het feit dat inmiddels vaste jurisprudentie van de ABRvS is dat een mitigerende maatregel alleen een maatregel kan zijn die daadwerkelijk voorkomt dat de verbodsbepalingen uit de Ffw worden overtreden. Een vraag die in de praktijk vaak opkomt is hoe ver de mitigerende maatregelen moeten strekken. Dienen de maatregelen er voor zorg te dragen dat het verbod niet wordt overtreden en gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt, of betreft dit een verdergaande verplichting gelet op de zorgplicht? Wij hebben nog geen uitspraken gezien waarin deze discussie duidelijk wordt beslecht.

 

De vraag die naar aanleiding van voorgestelde mitigerende maatregelen aan de orde komen komen, is de vraag of de maatregelen zijn verzekerd, in een besluit of plan. In de bestemmingsplanprocedure waarop de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 2015[44] ziet, overweegt de ABRvS dat de raad ervan heeft afgezien om de maatregelen te verzekeren, omdat de activiteiten van de das aan verandering onderhevig zijn, zodat bij het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid op grond van nieuw onderzoek moet worden bepaald wat de meest geschikte maatregelen zijn om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor de das. Nu het plan meerdere maatregelen mogelijk maakt, acht de ABRvS dat niet onredelijk.

 

In een andere bestemmingsplanprocedure[45] waren er mitigerende maatregelen uit het mitigatieplan opgenomen in het inrichtingsplan. De uitvoering van dat inrichtingsplan is gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting die in het bestemmingsplan is opgenomen. De raad kan er dan ook van uitgaan dat de maatregelen getroffen zullen worden. Een mitigatieplan hoeft echter niet altijd in een bestemmingsplan te worden opgenomen, zo volgt uit een andere uitspraak van de ABRvS, maar ook dan moet er er vanuit gegaan kunnen worden dat de maatregelen getroffen worden.[46] En dat stond in deze procedure voldoende vast. Ter zitting was door de raad toegelicht dat de maatregelen reeds gerealiseerd zijn en dat de gemeente de maatregelen in stand zal houden. Verder is er ter zitting op gewezen dat alle gronden waarop de maatregelen getroffen moeten worden bij de gemeente in eigendom zijn en waar nodig ontpacht zijn. De gemeente heeft het dus in zijn macht dat de maatregelen gehandhaafd blijven. Maar soms is het kennelijk voldoende dat de raad toelicht dat bij elk evenement (betrof bestemmingsplanprocedure voor evenemententerrein) de mitigerende maatregelen worden getroffen die RVO heeft opgelegd in een “brief”.[47] Uit de uitspraak volgt niet was de status van de “brief” is. Maar in deze procedure vond de ABRvS vindt dit voldoende.

 

In een Tracébesluitprocedure bij de ABRvS slaagt een hoger beroepsgrond met betrekking tot mitigatie. Voor het Tracé wordt onder meer een tunnel gesloopt. In een natuurrapport dat aan de besluitvorming ten grondslag was gelegd stond dat aan weerszijden van deze tunnel groengebieden aanwezig zijn waar veel vleermuizen foerageren. De tunnel is een belangrijke vliegroute tussen deze gebieden voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger en incidenteel ruige dwergvleermuizen. De voorgenomen mitigerende of compenserende maatregelen zien niet op compensatie of mitigatie van het verdwijnen van deze belangrijke vliegroute. In het natuurrapport staat eveneens niet hoe het verdwijnen van deze vliegroute kan worden gecompenseerd. Daarnaast is in het natuurrapport niet onderzocht of door het verdwijnen van deze vliegroute de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de vleermuizen deze plaatsen om die reden zullen verlaten. De ABRvS komt daarom tot de conclusie dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

 

  • Verboden

De verboden in de Ffw (art. 8-12 Ffw) hebben voor het overgrote deel zowel betrekking op opzettelijke handelingen als op niet-opzettelijke handelingen. In de Wet natuurbescherming zullen de verboden vrijwel allemaal (in aansluiting op de VRL en HRL) alleen nog betrekking hebben op opzettelijke handelingen. Onder “opzet” wordt in dit geval ook “voorwaardelijke opzet”[48] begrepen. Voorwaardelijke opzet betreft het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging leidt tot een overtreding van één van de verboden. Omdat voorwaardelijke opzet een vrij ruim begrip is, valt te betwijfelen of de Wet natuurbescherming op dit punt wel (veel) soepeler zal worden voor de praktijk. De rechtbank Noord-Holland[49] heeft in een procedure met betrekking tot een art. 68 Ffw ontheffing voor het bestrijden van meeuwen door Tata Steel geoordeeld dat de inzet van jachtvogels het opzettelijk doden van vogels betreft. Daartoe overweegt de rechtbank dat door Tata Steel zelf was aangevoerd dat zij met de inzet van de jachtvogels bewust het risico nemen dat de vogels worden gedood door de jachtvogel. Onder die omstandigheid is sprake van voorwaardelijke opzet, zo vervolgt de rechtbank. Dat de vennootschap niet het oogmerk heeft vogels te doden doet daar niet aan af.

 

In het hiernavolgende behandelen wij enkele uitspraken waarin op de specifieke verbodsbepalingen wordt ingegaan. Niet alle verbodsbepalingen komen aan de orde, omdat in deze kroniekperiode niet voor alle verbodsbepalingen interessante uitspraken zijn gedaan.

 

  • Artikel 8 Ffw

In een procedure[50] gericht tegen een verkeersbesluit, waarmee de minister een dynamische maximumsnelheid heeft ingesteld op de Rijksweg A2 in beide richtingen tussen Vinkeveen en Maarssen werd aangevoerd dat ten onrechte niet aan de Ffw was getoetst. Appellanten voerden onder meer aan dat art. 8 Ffw mogelijk werd overtreden omdat de verhoging van de maximum snelheid kan leiden tot effecten op geluid- en / of depositiegevoelige soorten. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie in het natuurrapport waarin staat dat de in art. 8 Ffw opgenomen verboden van toepassing zijn indien sprake is van “vernieling” of “beschadiging” van beschermde plantensoorten. Uit de stikstofberekeningen is af te leiden dat de snelheidsverhoging tot een zeer beperkte en tijdelijke toename van stikstof leidt, welke geen vernieling of beschadiging tot gevolg heeft.

 

  • Artikel 9 Ffw

De ABRvS[51] heeft in haar uitspraak inzake het windpark Wieringermeer nogmaals overwogen dat met elke doding van een dier dat behoort tot een beschermde inheemse diersoort  daargelaten of die doding voorzienbaar dan wel incidenteel is, het verbod van art. 9 Ffw (verbod op doden) wordt overtreden. Het is de vraag of de generieke vrijstelling in het Besluit vrijstelling voor windturbines op land en hoogspanningskabels hier voor de aanleg van windparken en hoogspanningskabels verandering in kan brengen (zie paragraaf 2, (voorgenomen) wetswijziging Ffw).

 

  • Artikel 11 Ffw

Vaste jurisprudentie is inmiddels dat artikel 11 Ffw (verbod nesten[52]) niet het gehele leefgebied van bepaalde diersoorten beschermt maar alleen nesten, holen of voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen. Vliegroutes die niet samenvallen met een vaste rust- of verblijfplaats, worden alleen beschermd op grond van art. 11 Ffw indien door de aantasting van de vliegroutes de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- en verblijfplaatsen zodanig worden verstoord, dat de dieren (vleermuizen of vogels) om die reden deze plaatsen zullen verlaten.[53]

 

Er hoeft niet te worden gekeken naar een referentiemoment bij beoordelen van (de kwaliteit van) het foerageergebied. Zie hiervoor een procedure met betrekking tot een art. 75 Ffw ontheffing, waarbij ontheffing werd verleend van het verbod zoals neergelegd in art. 11 Ffw. Hier kwam de vraag aan de orde of er voldoende foerageergebied overblijft en van welk referentiepunt moet worden uitgegaan ter beoordeling van de kwaliteit van het foerageergebied.[54] De vraag was of moest worden uitgegaan van de toestand in 2008 (tot die tijd hadden drie steenuilenpaartjes nesten direct buiten het plangebied), de toestand na het ploegen en frezen van 2011 (ploegen en frezen geschiedde ten behoeve van de toekomstige woningbouw, waarna een handhavingsverzoek is ingediend wegens het ontbreken van een Ffw ontheffing), de toestand ten tijde van de aanvraag van de art. 75 Ffw ontheffing (standpunt gemeente: na realisatie van de werkzaamheden blijft voldoende foerageergebied over en dus is geen ontheffing vereist), of de toestand ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om de vraag of er tijdens en na realisatie van de woningbouw voldoende foerageergebied overblijft voor het steenuilenpaar. De vraag naar het referentiepunt is daarom niet relevant voor de beoordeling, zo overweegt de rechtbank.

 

  • Andere bevredigende oplossing (art. 75 en art. 68 Ffw)

In de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2016[55] gaat de ABRvS in op de vraag wanneer sprake is van een andere bevredigende oplossing. Aan de orde was een art. 75 Ffw ontheffing voor het realiseren van een thermencomplex. Appellanten in deze procedure betoogden dat het thermencomplex ook buiten het gebied “De Berendonck” kan worden gerealiseerd. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat, moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. Dat doel is het verwezenlijken van een thermencomplex met bijbehorende voorzieningen om het dalende aantal bezoekers van de Berendonck te keren. Daarbij is het onderzoeken van alternatieve locaties buiten de Berendonck niet relevant. De ABRvS gaat mee in deze redenering en overweegt dat gezien het doel van de ingreep, een onderzoek naar alternatieve locaties buiten de Berendonck niet relevant is. De alternatieventoets mocht dan ook beperkt worden tot andere locatie binnen de Berendonck. Of zoals de rechtbank Midden-Nederland in een andere procedure overwoog: “Dat eiseres liever een andere invulling van het fortterrein zou zien, kan in dit kader niet aan de orde komen; verweerder is er niet voor om alternatieve plannen tegen elkaar af te wegen.”[56]

 

In de uitspraak van de rechtbank Overijssel[57] inzake een art. 68 Ffw ontheffing is eveneens de vraag aan de orde of sprake is van een andere bevredigende oplossing. Gedeputeerde staten heeft er in dat kader op gewezen dat het Faunafonds belangrijke schade in de WBE’s heeft getaxeerd en nagenoeg altijd heeft uitgekeerd. Het feit dat het Faunafonds schade uitkeert, houdt ook in dat naar het oordeel van het Faunafonds afdoende werende maatregelen zijn getroffen om schade te voorkomen. Het gaat daarbij om preventie door middel van vogelverschrikkers, vlaggen, knalapparaten, nabootsingen van roofvogels, ballonnen, regelmatige verontrusting (verjaging/verstoring), vogelafweerpistolen en gespannen draden. Gedeputeerde staten overwegen vervolgens dat ook in het geval er in de voorgaande periode geen sprake was van belangrijke schade, maar gebruik is gemaakt van een verleende ontheffing, sprake van het ontbreken van een andere bevredigende oplossing. Aan de eerder verleende ontheffing was namelijk de voorwaarde verbonden dat van de ontheffing eerst gebruik mag worden gemaakt na inzet van twee preventieve maatregelen, waarvan ten minste één visueel- en ten minste één akoestisch verjagingsmiddel. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat ter voorkoming van belangrijke schade aan fauna er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan afschot van smienten. De jurisprudentie laat wel zien dat het besluit op dit punt goed gemotiveerd[58] moet worden, zo dient er bijvoorbeeld wel gecontroleerd moet worden of de maatregelen getroffen worden door de WBE’s in geval van art. 68 Ffw ontheffingen.[59]

 

  • Gunstige staat van instandhouding

Alle ontheffingen (ex art. 75 en 68 Ffw) dienen te worden getoetst aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De gunstige staat van instandhouding van de soort mag immers niet in gevaar komen. Op welke wijze dient nu te worden getoetst of de gunstige staat van instandhouding van de soort in gevaar komt. Daarbij dient eerst te worden vastgesteld (i) wat de omvang van de relevante populatie is; en vervolgens (ii) wat het effect van de maatregel op die populatie is, om ten slotte (iii) te kunnen beoordelen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.

 

De vraag naar de relevante populatie is van groot belang bij het beoordelen van de gunstige staat, immers – kort gezegd- hoe groter de populatie hoe kleiner het effect zal zijn op die populatie. Een middel om te kijken wat de kenmerken zijn van een bepaalde soort, betreft de zogenaamde soortenstandaard. De ABRvS[60] overweegt in een uitspraak waar appellanten klagen dat de soortenstandaard niet wordt toegepast, dat in de inleiding van deze soortenstandaard staat “dat de soortenstandaard de basismaatregelen en kenmerken per soort duidelijk weergeeft, maar dat er geen rechten aan ontleend kunnen worden in concrete situaties”. Op grond hiervan oordeelt de ABRvS dat gemotiveerd kan worden afgeweken van een soortenstandaard. Indien zoals in deze procedure het geval was er niet overeenkomstig de soortenstandaard wordt gecompenseerd, betekent dat dus nog niet dat door de ingreep afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De in de soortenstandaard genoemde maatregelen en percentages zijn geen vereisten om een Ffw-ontheffing te kunnen verlenen, zo stelt de ABRvS.

 

Toepassing van het zogenaamde 1% criterium is inmiddels bekend en geaccepteerd in de jurisprudentie voor het beoordelen van het effect op de gunstige staat van instandhouding. De ABRvS lijkt in haar uitspraak van 24 februari 2016, het 1% criterium een nadere invulling te geven. De betreffende 1%, betreft zo volgt uit deze uitspraak 1% van de jaarlijkse sterfte van de soort.[61] Aan de orde is een inpassingsplan voor de aanleg van een 380kV hoogspanningsverbinding. Het natuuronderzoek naar de gunstige staat van instandhouding van de vogels concentreert zich op het additionele aantal draadslachtoffers (doden en gewonden vogels) dat als gevolg van de nieuwe 380 kV verbinding zal vallen. Op dit moment is er al een 150 kV verbinding ter plaatse. Voor de beantwoording van de vraag of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt wordt het 1% criterium toegepast. De staatssecretaris is voor het bepalen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt door de werkzaamheden, uitgegaan van de staat van de desbetreffende soort ten tijde van de aanvraag. De beoordeling kan plaatsvinden op basis van het aantal additionele slachtoffers, zo meent de staatssecretaris omdat de huidige stand van de soort beoordeeld moet worden. Bij minder dan 1% van de jaarlijkse sterfte komt de gunstige staat van instandhouding niet in het geding. De ABRvS oordeelt dat het 1% criterium correct is toegepast.

In de ABRvS uitspraak van 4 mei 2016[62], zien wij echter een andere uitleg van het 1% criterium. De ABRvS overweegt in die uitspraak: “De staatssecretaris heeft erop gewezen dat Stichting Het Blauwe Hart ten onrechte veronderstelt dat de 1%-norm ziet op 1% van de populatie. Het betreft evenwel een norm die ziet op 1% van de natuurlijke sterfte van de populatie, aldus de staatssecretaris. (…) Anders dat Stichting Het Blauwe Hart kennelijk veronderstelt, heeft de 1%-mortaliteitsnorm betrekking op 1% van de natuurlijke sterfte van een soort en niet op 1% van de totale populatie. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de 1%-norm niet heeft kunnen toepassen.”

 

  • Ontheffingsgronden

 

Onder de Wet natuurbescherming zal beter inzichtelijk zijn welke ontheffingsgronden voor welke soorten kunnen worden toegepast dan in de Ffw. De ontheffingsgronden worden immers per categorie beschermde soort in een artikel vastgelegd. Zoals ook al onder de Ffw (en de jurisprudentie) is uitgemaakt, kunnen voor vogels kunnen slechts de VRL gronden worden ingeroepen en voor Bijlage IV HRL soorten de ontheffingsgronden zoals genoemd in de HRL. Voor de nationale soorten kunnen wel alle in het Besluit vrijstelling genoemde ontheffingsgronden worden gebruikt. Daarbij geldt dat in het geval waarin Nederland een nationale kop toepast, en er dus extra bescherming geldt (extra verboden, extra soorten, etc.) tevens de extra Nederlandse ontheffingsgronden uit het Besluit vrijstelling kunnen worden ingeroepen.

 

Een voorbeeld daarvan betreft de uitspraak van de ABRvS van 26 augustus 2015[63] waarin werd geoordeeld dat voor vogels de ontheffingsgrond ruimtelijk ontwikkeling en inrichting kon worden toegepast (de zogenaamde j-grond), omdat sprake was van een overtreding van het verstoringsverbod die niet van wezenlijke invloed is. Onder de VRL is een verstoring alleen verboden als deze van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Het verbieden van een niet wezenlijke verstoring van vogels betreft daarmee een nationale kop, en daarvoor kunnen dus ook nationale ontheffingsgronden worden gebruikt. Hiermee wordt tevens direct inzichtelijk dat de uitzondering op het verbod van verstoren bij vogels zoals neergelegd in art. 3.1 lid 4 jo lid 5 Wet natuurbescherming geen wezenlijk andere praktijk op gaat leveren dan thans al wordt toegepast. Zij het natuurlijk dat onder de nieuwe wet in het geheel geen ontheffingsgrond meer behoeft te worden gebruikt bij verstoring van vogels die niet van wezenlijke invloed is.

 

Bij de ontheffingsgrond “dwingende redenen van groot openbaar belang” is het altijd de vraag wat hieronder moet worden begrepen. De rechtbank Midden-Nederland[64] meent dat een cultuur-historisch belang een dwingende reden van groot openbaar belang kan opleveren. Het aan de orde zijnde Fort Uitermeer maakt deel uit van de (Oude) Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de stelling van Amsterdam is vervolgens weer opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Met de instandhouding van het Fort en daarmee het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed mag daarom een zwaarwegend belang worden gehecht. Overigens kon voor het Fort niet tevens het werkgelegenheidsbelang worden aangevoerd. De rechtbank meent dat gelet op het beperkte aantal arbeidsplaatsen in verband met de activiteiten op het Fort, dit onvoldoende substantieel is om de ontheffing te rechtvaardigen. [65] De ABRvS[66] oordeelt dat de aanleg van een windpark (in ieder geval in deze omvang) tevens valt aan te merken als een dwingende redenen van groot openbaar belang. De aanleg van het betreffende windpark wordt echter tevens gebaseerd op de ontheffingsgronden “volksgezondheid of openbare veiligheid” en “de bescherming van de flora en fauna”. ABRvS overweegt dat de klimaatverandering en de elektriciteitsvoorziening hiervoor de belangrijkste redenen zijn. De ABRvS gaat mee met de redenering van de staatssecretaris dat klimaatverandering effecten heeft op de openbare veiligheid, volksgezondheid en flora en fauna. Hierbij wordt tevens verwezen naar het guidance document “Wind energy devolpments and Natura 2000” waarin is opgenomen dat volksgezondheid en openbare veiligheid vrijstellingsgronden kunnen zijn voor windmolenparken. De ontheffingsgrond “volksgezondheid en openbare veiligheid” wordt door de rechtbank Noord-Holland[67] ook van toepassing geacht bij een ontheffing op grond van art. 68 Ffw verleend aan Tata Steel voor het bewerken van meeuweneieren met het oog op aanvallen van broedende meeuwen, in het belang van volksgezondheid en openbare veiligheid. Ten slotte wijzen wij op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland[68] waarin werd geoordeeld dat de ontheffingsgrond “verkeersveiligheid” aan een art. 68 Ffw ontheffing voor het doden van damherten in de Hollandse waterleidingduinen vanwege aanrijdingen met damherten (naar voorlopige oordeel) in stand kon blijven.

 

Over de ontheffingsgrond “onderzoek en onderwijs” is voor zover wij hebben kunnen nagaan nooit eerder jurisprudentie verschenen. In deze kroniekperiode is er een uitspraak verschenen van de rechtbank Amsterdam[69] over de uitleg van dit begrip. Het betrof hier een art. 68 Ffw ontheffing voor onderzoek naar de mogelijkheden om ernstige meeuwenoverlast te bestrijden. De rechtbank overwoog dat de ontheffingsgrond onderzoek aan deze ontheffing niet ten grondslag gelegd kon worden. Omdat ‘onderzoek’, naar het oordeel van de Rb “een doel of middel tot vergaren en verruimen van kennis en inzicht” is. De rechtbank concludeert dat het begrip ‘onderzoek’ slechts zo kan worden uitgelegd dat sprake is van “een doel of middel tot vergaren en verruimen van kennis en inzicht dat, althans op de lange termijn, de instandhouding van de betreffende soort dient.” Omdat het onderhavige onderzoek de instandhouding van de betreffende soort op lange termijn niet dient, kon de ontheffingsgrond niet worden gebruikt, zo overwoog de rechtbank.[70]

 

  • Bestemmingsplannen en Ffw

 

De Ffw komt bij bestemmingsplannen aan de orde in het kader van een uitvoerbaarheidstoets. De vaste overweging met betrekking tot de Ffw toets bij bestemmingsplannen achten wij inmiddels bekend.[71] In een procedure bij de ABRvS[72] over een inpassingsplan werd aangevoerd dat deze uitvoerbaarheidstoets niet in overeenstemming is met de HRL. De ABRvS oordeelt echter dat in het kader van het plan een toets naar de uitvoerbaarheid wordt gedaan, waarbij ook het regime van de Ffw wordt betrokken. Hiermee is naar het oordeel van de ABRvS een effectieve toepassing van de in de HRL bedoelde soortbescherming gewaarborgd. De stichting die deze beroepsgrond had aangevoerd heeft voorts naar het oordeel van de ABRvS niet aannemelijk gemaakt dat het met de HRL beoogde resultaat niet wordt bereikt. De ABRvS heeft in een uitspraak van 28 oktober 2015 de standaard overweging iets aangepast, voor in dit geval de situatie waarin reeds een ontheffing was verleend. “Op het moment van vaststelling van het plan was door de staatssecretaris van Economische Zaken een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 75 van de Ffw. Onder voornoemde omstandigheden dient beoordeeld te worden of de raad wist of behoorde te weten dat aan de ontheffing zodanige gebreken kleven dat deze niet in stand zal kunnen blijven, waardoor de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw ondanks de verlening van de ontheffing aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat.”[73]

 

Een weigering om een bestemmingsplan vast te stellen werd in casu gemotiveerd met het argument dat de aanleg van de rondweg in een thans open gebied zou leiden tot een te grote aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. De raad kon zich naar het oordeel van de ABRvS op dit standpunt stellen, dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zou staan maakte dat niet anders. Let wel, de weigering om een bestemmingsplan vast te stellen, kent natuurlijk een andere toets dan de de toets bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

 

  • Onderzoek

 

In bestemmingsplanprocedures in het kader van de uitvoerbaarheidstoets, maar ook in procedures met betrekking tot Ffw ontheffingen worden de onderzoeken die aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd nogal eens in twijfel getrokken. De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan kan in twijfel worden getrokken als kan worden aangetoond dat het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt gebreken vertoont. In de vorige kroniekperiode constateerde wij dat het veelvuldig mis gaat indien het initiële onderzoek vervolgonderzoek vereist. Dat vervolgonderzoek werd veelal niet uitgevoerd en daarmee zijn nogal wat bestemmingsplannen onderuitgegaan. Wij zien dat dit gebrek in deze kroniekperiode minder voorkomt.

 

Net als in de vorige kroniek periode zullen we een groot aantal mogelijke gebreken die aan het onderzoek kunnen kleven beschrijven aan de hand van jurisprudentie. Maar ook appellanten die zich beroepen op vermeende onvolkomenheden in het onderzoek, doen dat niet altijd op een even effectieve manier. De gebreken die aan het onderzoek kunnen kleven en de gebreken die kleven aan de bezwaren en beroepen gericht tegen de onderliggende onderzoeken, hebben wij onderverdeeld in de volgende categorieën:

 

  1. Geen of onvolledig onderzoek verricht;

Zo slaagt de klacht dat het onderzoek niet het volledige plangebied beslaat van het bestemmingsplan waarop de procedure ziet, niet in een procedure bij de ABRvS van 9 september 2015.[74] De ABRvS betrok bij haar afweging de aard en omvang van het perceel en het feit dat appellant geen andere gegevens heeft overlegd die aannemelijk dat er vaste rust- en verblijfplaatsen op het perceel aanwezig zijn. Het beroep van appellanten die stelden dat het onderzoek onvoldoende was omdat er in 2010 weliswaar een volledig onderzoek had plaatsgevonden, maar de actualisatie van dat onderzoek in 2014 slechts had bestaan uit één enkel veldbezoek slaagt eveneens niet.[75] Appellanten hadden geen tegenonderzoek laten verrichten, de ABRvS oordeelt dat de gevolgen in de verschillende onderzoeken voldoende zijn onderzocht. Ook de klacht van appellanten in een andere procedure dat het veldonderzoek slechts beperkt was geweest slaagt niet. De ABRvS[76] meent dat de omstandigheid dat slechts beperkt veldonderzoek heeft plaatsgevonden niet zonder meer maakt dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. De ABRvS betrekt in haar oordeel dat naast veldonderzoek ook bureauonderzoek heeft plaatsgevonden.

 

  1. Geen nader onderzoek verricht;

In de uitspraak van de ABRvS van 2 september 2015[77] lijkt het bijna mis te gaan. Er is onderzoek (het basisondersoek) verricht en daarna is nog een second opinion uitgevoerd. Op één onderdeel wordt in de second opinion gesteld dat nader onderzoek verricht moet worden. Dat is echter niet gebeurd. De raad verwijst in deze bestemmingsplanprocedure vervolgens naar het basisonderzoek, waarin staat dat de biotoop ongeschikt is voor deze soort. Opmerkelijk lijkt ons, want de second opinion lijkt toch echt nader onderzoek te vereisen. Maar het plan blijft in stand, want appellanten hebben deze stelling van de raad niet betwist. In een andere bestemmingsplanprocedure werd in het concept natuurrapport de noodzaak van nader onderzoek benadrukt. Daarna kwam echter een gemeente breed onderzoek beschikbaar, de ABRvS[78] overwoog dat hiermee het definitieve rapport dat aan de besluitvorming ten grondslag was gelegd voldoende was. Het feit dat in het definitieve rapport niet meer over de noodzaak van nader onderzoek werd gesproken en er ook in het kader van het bestemmingsplan geen vervolg onderzoek was uitgevoerd, maakte dat gelet op het gemeente brede onderzoek niet anders. In de bestemmingsplanprocedure waar de uitspraak van de ABRvS van 20 april 2016 op ziet, werd in het onderzoekrapport geconcludeerd dat nader onderzoek moest worden verricht en dat als de soorten aanwezig zijn er een Ffw-ontheffing is vereist. Het onderzoeksrapport vermeldt dat in alle redelijkheid te verwachten is dat een dergelijke ontheffing zal worden verleend. Het nadere onderzoek wordt echter niet verricht en in een memo wordt gesteld dat daarom vooralsnog van de aanwezigheid van de soorten (vogels met jaarrond beschermd nest) moet worden uitgegaan. De ABRvS overweegt dat zij de stelling dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat de Ffw-ontheffing verleend kan worden niet kan volgen. De raad heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich hier ontheffingsgrond voordoet die kan worden ingeroepen die voor vogels en vleermuizen (Bijlage IV HRL soorten). Een nader onderzoek behoeft niet altijd in een nieuw rapport te worden neergelegd zo lijkt te volgen uit de ABRvS uitspraak van 26 augustus 2015[79]. In die uitspraak staat een omgevingsvergunning voor de kap van 40 bomen centraal. In de aan het besluit ten grondslag gelegde natuur notitie zijn de effecten van de kap voor de aanwezige roeken onderzocht. In dat onderzoek is echter uitgegaan van 26 te kappen bomen. De aanvraag is na het verschijnen van dit rapport uitgebreid tot 40 bomen. Volgens het college is nader onderzocht wat de effecten van de uitbreiding van het aantal te kappen bomen zijn. De ABRvS meent dat hiermee voldoende onderzoek is verricht.

 

  1. Kwaliteit onderzoek/ deskundigen;

In de ABRvS uitspraak van 18 mei 2016[80] werd in een bestemmingsplanprocedure door appellanten de kwaliteit van het verrichtte onderzoek in twijfel getrokken. In de Quickscan zelf stond dat de onderzoekperiode te kort is geweest om goed onderzoek naar de betreffende soorten te kunnen verrichten (in dit geval vleermuizen). De ABRvS overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt door appellanten dat de vleermuizen wel aanwezig zijn en neemt daarbij in overweging dat er naast het veldonderzoek ook bronnenonderzoek is verricht. Daarnaast zag het onderzoek ook op verblijfplaatsen van vleermuizen en die zijn niet aangetroffen. Zoals wij in de vorige kroniekperiode ook al opmerkten is het feit dat een protocol (in dit geval vleermuisprotocol) niet helemaal wordt opgevolgd geen reden om zonder meer aan te nemen dat het onderzoek ondeugdelijk is.[81] Een onjuist citaat van een deskundige in een onderzoekrapportage is eveneens onvoldoende om het onderzoek te diskwalificeren.[82] Dat “ecoloog” geen beschermde titel is en voor onderzoeken geen verplichting geldt om een deskundige met een bepaald kennisniveau in te schakelen, wordt duidelijk in de volgende uitspraak. Het onderzoek dat aan het bestemmingsplan waarop de uitspraak van de ABRvS van 23 december 2015[83] ziet was opgesteld door de “groendeskundige van de gemeente”. Appellanten voeren dit punt echter pas in beroep aan en daarmee te laat waardoor de ABRvS hier niets over opmerkt. Naar onze mening kan wel betwijfeld worden of de “groendeskundige” over de juiste deskundigheid beschikt om een dergelijk natuurrapport op te stellen, maar zoiets zal dan wel gemotiveerd betwist moeten worden.

 

  1. Geen contra-expertise uitgevoerd;

Appellanten krijgen dikwijls het verwijt dat hun beroepsgronden die zien op onvolkomenheden in het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek, niet zijn onderbouwd met een deskundig tegenonderzoek of contra-expertise.[84] In de uitspraak van de ABRvS van 22 juli 2015[85] verwezen appellanten wel naar een ander (tegen)onderzoek, echter dat onderzoek is niet overgelegd zo overweegt de ABRvS. En daarmee hebben appellanten ook onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de conclusies in het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek onjuist zouden zijn.

 

  1. Onvoldoende (goed) deskundige tegenonderzoek verricht;

In een bestemmingsplanprocedure waarop de uitspraak van de ABRvS van 2 september 2015 betrekking heeft, is een deskundig tegenonderzoek verricht. Echter in dat tegenonderzoek, wordt op een groot aantal punten niet overwogen dat er een probleem is, of strijdigheid met de Ffw. Ookwordt niet gesteld dat er bijvoorbeeld niet ondergezochte soorten aanwezig zijn. In het tegenonderzoek wordt er met name op gewezen dat er nader onderzoek moet worden verricht. De Raad komt echter met een second opinion op haar eigen eerder uitgevoerde onderzoek. Omdat het tegenonderzoek niet beweert dat er problemen zijn, maar enkel stelt dat er meer onderzoek verricht moet worden om daarover duidelijkheid te verkrijgen, kunnen de beroepsgronden dat de onderzoeken van de raad onvoldoende zijn niet slagen. Het niet inbrengen van een deskundig tegenrapport maar naar de zitting meebrengen van een deskundige is eveneens onvoldoende.[86] Het enkele wijzen op fouten in het oorspronkelijke, maar niet aantonen dat de soorten wel aanwezig zijn, maakt dat het tegenrapport het plan niet onderuit kan krijgen.[87] Ditzelfde geldt voor het niet weerleggen van de conclusies van het oorspronkelijke rapport.[88] En hoe goed het tegenrapport ook is, als dit rapport vervolgens gemotiveerd wordt weerlegd in een nieuw deskundig rapport van de zijde van het bevoegd gezag in reactie op het tegenrapport, dan is de kans groot dat de conclusies uit het tegenrapport niet overeind blijven staan.[89]

 

  1. Niet gemotiveerd welk gebrek er kleeft aan het onderzoek;

Er is een groot aantal appellanten[90] dat niet alleen geen deskundig tegenonderzoek aan haar beroep ten grondslag legt, maar zelfs nalaat om te motiveren waarom het onderzoek onvoldoende goed is, of waarom bijvoorbeeld de mitigerende maatregelen onvoldoende (goed) zullen werken. In een Tracéwetprocedure bij de ABRvS[91] werd zelfs in het geheel niet gemotiveerd door appellanten waarom de Ffw aan de uitvoering van het plan in de weg stond. Ook hadden appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de besluitvorming hierop niet gebaseerd had mogen worden.

 

  1. Waarneming zonder eigen onderzoek;

Het onderzoek wordt nogal eens in twijfel getrokken, omdat er volgens omwonenden ook andere soorten of soorten waarvan de aanwezigheid in de onderzoeksrapporten uitdrukkelijk is uitgesloten zijn waargenomen. Die waarnemingen zijn dan niet onderbouwd of ondersteund door ecologen of deskundigen. Het betreft de enkele waarneming van veelal de appellant (of zelfs diens buurman) zelf. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat die enkele waarneming onvoldoende is om de onderzoeksresultaten succesvol te betwisten.[92] Overigens kan ook de waarneming van een deskundige in een tegenrapportage onvoldoende zijn. In dit geval overwoog de ABRvS[93] dat de enkele waarneming van de soort nog niet maakte dat sprake was van een vaste rust- en verblijfplaats ter plaatse.

 

  1. Effect van de maatregelen ongemotiveerd bestreden;

In verschillende procedures wordt naar voren gebracht dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zouden zijn, zonder dat dit echter onderbouwd of soms zelfs wordt gemotiveerd.[94]

 

  1. Onderzoek is gedateerd;

De rechtbank Midden-Nederland[95] overwoog in een procedure met betrekking tot een omgevingsvergunning voor een golfbaan, dat de gebruikte onderzoekgegevens te gedateerd waren. Het eerste onderzoek was uitgevoerd in 2005/2006, met een update in 2009. Die update had echter plaatsgevonden op basis van ‘expert judgement’ zonder veldonderzoek. Daarbij komt dat in het besluit tevens is opgemerkt dat de gegevens drie jaar houdbaar zijn, tenzij er geen grote veranderingen in het gebied zijn opgetreden. Hoewel de rechtbank voor mogelijk houdt dat van dat laatste voorbehoud sprake is, deelt zij de mening van eisers dat niet valt uit te sluiten dat er veranderingen in de populatie kunnen zijn opgetreden, waarbij een rol speelt dat er stukken zijn uit 2008 waarin staat dat er een rugstreeppad is waargenomen. Een onderzoek uit 2012 dat ten gronslag is gelegd aan de besluitvorming van een bestemmingsplan dat is vastgesteld in 2014 acht de ABRvS[96] geen verouderd onderzoek. Overigens volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 28 oktober 2015,[97] dat ook een deskundig tegenrapport gedateerd kan zijn.

 

Geconcludeerd kan worden dat het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag wordt gelegd, veelvuldig ter discussie wordt gesteld, maar dat zeker bij de (beperkte) uitvoerbaarheidstoets van bestemmingsplannen de beroepsgronden vrijwel nooit slagen. Wij denken uit de stapel uitspraken wel af te leiden, dat het onderzoek steeds beter wordt. De “tegenstanders” komen echter nog altijd vrij weinig met deskundige tegenrapporten.

 

  • Omgevingsvergunning en Ffw (aanhaken)

De aanhaakverplichting die in de Wet natuurbescherming is opgenomen zal niet in werking treden.[98] Dat betekent dat, net als onder de huidige Ffw, een Ffw ontheffing aan moet haken als er tevens een omgevingsvergunning worden aangevraagd (en de omgevingsvergunning gelijktijdig of eerder wordt aangevraagd).[99] Een Ffw ontheffing kan separaat worden aangevraagd indien de aanvraag voor de Ffw ontheffing wordt ingediend voordat  (ten minste 1 dag) de omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

 

De situatie voor gemeenten wijzigt dus niet onder de Wet natuurbescherming. Gemeenten hebben echter nu reeds een erg belangrijke signaleringsrol als het gaat om de vraag of een Ffw ontheffing is vereist.[100] Aan die signaleringsfunctie wordt door veel gemeenten nu nog weinig inhoud gegeven. In de praktijk vragen veel gemeenten zich af hoe ver hun signaleringsfunctie en daarmee hun onderzoeksverplichting gaat. Dit betreft een uitleg van de verplichtingen die voortvloeien uit hoofdstuk 4 Awb. Een in onze ogen belangrijke uitspraak voor gemeenten is deze kroniek gedaan. De rechtbank[101] legt de consequentie van het in behandeling nemen van een aanvraag waarbij geen Ffw onderzoek is gevoegd volledig bij het college. Het college moet nu zelf onderzoek moeten verrichten en op basis daarvan haar nieuwe besluit moeten nemen, terwijl de gemeente eerder deze verplichting bij de aanvrager had kunnen leggen.  Aan de orde is een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een golfbaan en het kappen van bomen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er aangehaakt had moeten worden. Indien sprake is van ‘onlosmakelijke’ samenhang tussen de omgevingsvergunningplichtige activiteiten en de handelingen als bedoeld in art. 75b eerste lid Ffw, is aanhaken verplicht. Aanhaken is in zo’n geval slechts niet aan de orde indien evident is dat geen ontheffing of vvgb op grond van de Ffw is vereist, zo stelt de rechtbank. Volgens de rechtbank hangen de verboden handelingen en de omgevingsvergunningplichtige activiteiten in dit geval onlosmakelijk met elkaar samen. In zo’n geval moet het ter zake bevoegde en deskundige orgaan, de staatsecretaris van EZ in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag of een Ffw-toestemming is vereist (artikel 2.27 Wabo jo. 75b Ffw). Is deze toestemming vereist, dan is het aan de staatssecretaris om te beoordelen of de toestemming kan worden afgegeven. In dit geval was niet evident dat geen ontheffing was vereist, er was namelijk geen actueel onderzoek beschikbaar waaruit volgde dat een Ffw-ontheffing niet was vereist. De gemeente kon ook niet afgaan op eerdere besluiten van de staatssecretaris, omdat die besluiten waren gebaseerd op verouderde gegevens. De rechtbank overweegt dan vervolgens dat het college de golfclub in dit geval had moeten wijzen op haar informatieplicht[102] , waarbij evt. toepassing gegeven had kunnen worden aan art. 4:5 Awb. Voor zover twijfel bestond omtrent het al dan niet nodig zijn een Ffw-ontheffing had het bovendien op de weg van het college gelegen om zich te wenden tot het bevoegd gezag van de Ffw-ontheffing. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt het college op om een gebiedsdekkende inventarisatie op grond van de Ffw uit te voeren en naar aanleiding van dat onderzoek een nieuw besluit te nemen.

 

In uitspraken met betrekking tot omgevingsvergunningen zien wij steeds vaker dat door de ABRvS[103] een soort “uitvoerbaarheidstoets” wordt verricht naar de vraag of een Ffw-ontheffing is vereist. Naar onze mening is het gelet op het feit dat aanhaken verplicht is indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, opmerkelijk dat de toets naar de benodigde Ffw-ontheffing niet indringender (en meer zoals in voornoemde rechtbankuitspraak) wordt uitgevoerd.

 

In de praktijk is een andere veelgehoorde vraag, die samenhangt met het voorgaande, de vraag of en in welke gevallen het college een verklaring van geen bedenkingen moet vragen. In een uitspraak[104] over een omgevingsvergunning, waarbij het college had nagelaten om een vvgb bij de gemeenteraad te vragen voor ontheffing van het bestemmingsplan, wordt indirect ook iets gezegd over de vvgb vereist voor een aanhakende Ffw-ontheffing. De ABRvS overweegt: “Het college heeft niet de vrijheid om te beslissen geen verklaring van geen bedenkingen aan die bevoegde organen (Ffw / Nbw bevoegd gezag) te vragen in het geval een aanvraag om omgevingsvergunning voorligt die gevolgen heeft voor beschermde planten- en diersoorten of beschermde natuurgebieden. Dat zou de bevoegdheid van het provinciebestuur en de minister van economische zaken ondergraven. Het voorgaande laat onverlet dat het college wel een omgevingsvergunning kan weigeren zonder een verklaring van geen bedenkingen te hebben gevraagd, indien het de weigering baseert op een andere weigeringsgrond dan de weigeringsgrond waarop de verklaring van geen bedenkingen ziet.”

 

De Ffw is niet als weigeringsgrond in de Wabo opgenomen als het gaat om het besluit om aan een revisievergunning ten behoeve van een richting nieuwe voorschriften te verbinden.[105] Hier geldt geen aanhaakverplichting.

 

  • Handhaving

Uit de jurisprudentie is reeds de vraag bekend of een last onder dwangsom een handeling kan inhouden waarvoor een Ffw-ontheffing moet worden verkregen. De ABRvS oordeelde daarover eerder dat het college van B&W niet het bevoegd gezag is voor het verlenen van een Ffw ontheffing en daarom geen last onder dwangsom kan opleggen voor de uitvoering waarvan een Ffw-ontheffing is vereist. De last namelijk niet afhankelijk gesteld kan worden van de medewerking van een ander bestuursorgaan. De ABRvS vernietigde in die procedure de beslissing op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het college daarin heeft bepaald dat de uitvoering van de last dient plaats te vinden met een omgevingsvergunning voor het slopen en een Ffw-ontheffing.[106] In deze kroniekperiode wordt door de ABRvS[107] het vervolg op deze zelfde handhavingsprocedure gegeven. Aan de orde is nu de weigering van het college om de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom op te schorten. Het college heeft zich naar het oordeel van de ABRvS terecht op het standpunt kunnen stellen dat de onmogelijkheid van appellant om aan de last te voldoen toerekenbaar door hem zelf is veroorzaakt, zodat hem geen beroep op overmacht toekomt. Appellant heeft namelijk niet tijdig een verzoek om ontheffing ingediend en ook geen volledig verzoek ingediend.

 

De rechtbank Midden-Nederland[108] kon in een handhavingsprocedure niet meer vast stellen of met de gestelde kapwerkzaamheden een onmiskenbare overtreding van de verboden van de Ffw heeft plaatsgevonden. Daarom kan van handhaving nu geen sprake meer zijn.

 

De rechtbank Gelderland[109] overwoog in een beroepsprocedure naar aanleiding van een afgewezen verzoek om handhaving dat het procesbelang was komen te vervallen, omdat inmiddels een ontheffing ex art. 75 Ffw was verleend voor de activiteiten waarop het handhavingsverzoek zag.

 

  • Samenloop Ffw en andere wetten

De Ffw staat veelal niet op zichzelf. Naast de Ffw ontheffing zijn veelal andere vergunningen of ontheffingen vereist. Op deze samenloop situaties gaan wij in deze paragraaf in.

 

De ABRvS heeft geoordeeld dat in geval van afschot van ganzen in een Natura 2000 gebied tevens een Natuurbeschermingswet (Nbw) vergunning vereist kan zijn.[110] In het kader van een Tracébesluit oordeelde de ABRvS dat het feit dat er maatregelen op grond van de Ffw zijn getroffen, niet maakt dat de Nbw niet kan zijn overtreden.[111] Het toetsingskader van beide wetten is immers niet gelijk. Dat volgt ook uit de uitspraak van de ABRvS[112] met betrekking tot een verzoek van de Vogelbescherming om handhavend op te treden tegen de FBE die jachtaktehouders machtigt tot gebruik van een Ffw ontheffing wegens overtreding van art. 19d Nbw. Gedeputeerde staten konden zich naar het oordeel van de ABRvS niet op basis van de voorliggende onderzoeken op het standpunt stellen dat het gebruik van de Ffw-ontheffing de kwaliteit van de habitats van soorten niet kan verslechteren of geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen.

 

De Ffw kwam in deze kroniekperiode ook aan de orde in uitspraak over een Bibob toets bij een vergunning als bedoeld in art. 8.1 Wm. In het kader van een milieuvergunning werd een Bibob toets verricht. Uit die Bibob toets kwam naar voren dat het bedrijf ooit een stuk bos ter grootte van 1.5 ha heeft gekapt zonder over de benodigde Ffw-ontheffing te beschikken. De ABRvS overweegt dat hieruit, gelet ook op het tijdsverloop en de aard van de onrechtmatig geoordeelde activiteiten, niet zonder meer het vermoeden kan worden afgeleid dat gevaar bestaat dat de nu verleende vergunning mede zal worden gebruikt om handelingen te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob. Het college heeft daarom af mogen zien van het doen van nader onderzoek.

 

Ten slotte een uitspraak over de toepassing van de Rijkscoördinatieregeling (voor een windpark) en de Ffw. De ABRvS overwoog onder verwijzing naar een eerder uitspraak[113] dat uit de redactie van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wro niet volgt dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling ertoe verplicht dat alle besluiten die benodigd zijn ter uitvoering van een rijksinpassingsplan gelijktijdig dienen te worden voorbereid en bekend gemaakt. Dit blijkt naar het oordeel van de ABRvS ook niet uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wro. Het feit dat de aanvraag voor de ontheffing op grond van de Ffw in een aparte procedure is behandeld, betekent niet dat de ministers een onjuiste toepassing hebben gegeven aan de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro, zo concludeert de ABRvS.

 

  • Varia

Deze keer staan wij onder dit kopje kort stil bij de positie van Gedragscodes in (ontheffings)procedures.

 

Door te handelen volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor bepaalde handelingen en werkzaamheden een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ffw gelden. Deze vrijstelling geldt niet voor alle beschermde soorten. Indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling behoeft geen ontheffing meer te worden aangevraagd.

 

Gedragscodes blijven onder de Wnb geldig voor de periode waarvoor deze zijn goedgekeurd en voor zover het handelingen betreft die onder de huidige vrijstelling vallen. De huidige gedragscodes geven geen (of heel beperkte) vrijstelling van de verbodsbepalingen voor vogels en de strikt beschermde soorten (Bijlage IV HRL soorten en de nationaal streng beschermde soorten, ook wel tabel 3 soorten genoemd). De Wnb biedt de mogelijkheid om ook voor deze soorten een Gedragscode op te stellen, maar daar zal de gedragscode dan eerst op moeten worden aangepast en de Gedragscode zal opnieuw goedgekeurd moeten worden.

 

De rechtbank Noord-Holland laat een ruime toepassing van een Gedragscode toe.[114] In een procedure inzake een omgevingsvergunning voor een woon- zorgcomplex wordt betoogd dat een Ffw-ontheffing is vereist. Verweerders in deze procedure hebben naar voren gebracht dat zij werken conform een goedgekeurde Gedragscode. Voor één plantensoort is niet uitdrukkelijk opgenomen in de omgevingsvergunning en het natuurrapport dat deze soort aanwezig kan zijn. De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van hetgeen in de omgevingsvergunning is opgenomen inzake de gedragscode met zich brengt dat deze ook dienen te worden gevolgd in het geval deze plantensoort in het plangebied wordt aangetroffen. Deze uitleg is niet opmerkelijk, want werken conform een goedgekeurde gedragscode levert een vrijstelling op van bepaalde verboden voor bepaalde soorten van de Ffw. Een vrijstelling is direct van toepassing en anders dan bij een ontheffing hoeft hiervoor geen aparte verleningsprocedure worden doorlopen.

 

  1. Afronding

 

De komende periode verdienen twee ontwikkelingen op het gebied van de soortenbescherming bijzondere aandacht: de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming en de mogelijke rechterlijke toetsing van het Besluit vrijstelling voor windparken en hoogspanningsleidingen. Hierover zal zonder twijfel in een volgende kroniek worden bericht.

 

 

 

 

[1] Fleur Onrust en Marieke Kaajan zijn advocaat/partner bij ENVIR Advocaten. De tekst van dit artikel is afgesloten op  15 juni  2016.

[2] Stb. 2016, 102, 17 maart 2016.

[3] Exotenverordening. Verordening (EU) nr. 1143/20141

[4] Stb. 2015, 324; Inwerkingtreding 3 december 2015, zie Stb. 2015, 324.

[5] Zie deel 1 van onze kroniek over de vraag waarom de inwerkingtreding nader is uitgesteld tot 1 januari 2017. (Br 2016/50)

[6] Zie onder meer “L. Boerema en F. Onrust “De Wet natuurbescherming: soortenbeschemring”, in: Journaal Flora- en fauna 2016, nr. 3;

[7] Brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 13 mei 2016, Kamerstukken II 2015/16, 33348, 177.

[8] Beide regelingen, inclusief bijbehorende toelichting, vormen een bijl. bij de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 13 mei 2016, Kamerstukken II 2015/16, 33348, 177.

[9] RB Gelderland 18 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5365.

[10] Rb Limburg 4 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4229.

[11] ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732.

[12] ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680.

[13]De staatsraad advocaat-generaal wijst erop dat bij de toetsing aan de Flora- en faunawet aan het relativiteitsvereiste een wat restrictievere benadering wordt gekozen door de ABRvS dan bij andere wetten.

[14] ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1470. Niet bij alle rechtbanken is deze lijn kennelijk al bekend. De rechtbank Limburg overweegt zonder nader motivering dat omwonende zich niet op de Ffw kunnen beroepen, het ingeroepen belang, te weten het woon- en leefklimaat van de omwonenden geen belang is dat valt onder de bescherming van de ffw en Nbw (Rb Limburg 17 juli 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:6053). Wel goed: Rb Noord-Nederland 16 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4393; Rb Noord-Holland 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7093.

[15] Zie hiervoor: ABRvS 19 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:515. Of op geringe afstand: ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836. Tevens: ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2707 Waar appellanten wonen op een afstand van 25 m van het Roekenbos, het gebied waar de te kappen bomen staan.

[16] ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3643.

[17] ABRvS 10 februari 2016, ECLI:N:RVS:2016:343.

[18] Zie ook Rb Den Haag 16 februari 2016, ECLI:N:RBDHA:2016:1468 waarin weilanden en bomenrijen tussen woningen en het plangebied ook maakte ook dat de normen uit de Ffw niet konden worden ingeroepen.

[19] In de Conclusie wordt verwezen naar de volgende uitspraak: ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1284.

[20] Zie onder andere ook: Rb Noord-Holland 21 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2236.

[21] Rb Den Haag 27 augustus 2015, ECLI:NL:NL:RBDHA:2015:10141.

[22] ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2968.

[23] ABRvS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:43 (inzake konijnen); ABRvS 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3183(inzake vossen).

[24] Rb Zeeland-West-Brabant 4 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8061.

[25] Rb Midden-Nederland 31 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2913, Vz. Rb Midden-Nederland 31 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2915.

[26] Rb Midden-Nederland 31 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2913, Vz. Rb Midden-Nederland 31 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2915.

[27] Vz Rechtbank Noord-Holland 8 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2729.

[28] ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.

[29] ABRvS 10 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1887.

[30] Daarbij verwijst de ABRvS naar haar eerdere uitspraak ABRvS 9 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5527.

[31] Rb Noord-Holland 11 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2774.

[32] Rb Midden-Nederland 12 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2129 (de Rb overwoog overigens dat tevens ten onrechte geen streefstand voor de populatieomvang in de ontheffing was opgenomen.)

[33] B Overijssel 28 augustus 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3971.

[34] ABRvS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:43 (inzake konijnen); ABRvS 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3183(inzake vossen).

[35] Rb Midden-Nederland 12 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2129.

[36] Rb Overijssel 28 augustus 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3970.

[37] Rb Zeeland-West-Brabant 17 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1599.

[38] Rb Zeeland-Wets-Brabant 4 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:8059.

[39] Rb Overijssel 23 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:956.

[40] Hier is bedoeld het gebied waar de evt. benodigde ontheffing op ziet, het betreft dus uitdrukkelijk niet het begrip plangebied als bedoeld in de Wro. In geval van bestemmingsplannen kan het hier bedoelde plangebied overigens wel samenvallen met het plangebied als bedoeld in de Wro.

[41] ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2505 (De sperwer in casu had zijn nest inmiddels verlaten zo volgde uit het onderzoek data an het bestemmingsplan ten grondslag was gelegd.)

[42] ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1099; ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:163.

[43] ABRvS 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631.

[44] ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2264.

[45] ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2722.

[46] ABRvS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:3067.

[47] ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3940.

[48] Zie over het opzetvereiste: Annemiek Tubbing , Het opzetvereiste in de nieuwe Wet natuurbescherming, JFF nr 3-2015.

[49] Rb Noord-Holland 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423. Let wel, de Rb heeft niet zozeer zelfstandig bepaald dat sprake is van voorwaardelijke opzet, maar de vennootschap lijkt dit zelf in hoger beroep te hebben aanvoerd, zo lezen wij in de uitspraak.

[50] Rb Midden-Nederland 22 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9162.

[51] ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227, ABRvS 4 mei 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1228.

[52] Art. 11 Ffw luidt: Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

[53] ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2938, ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2929 (met daarin een verwijzing naar

ECLI:NL:RVS:2014:780, de verwijzing geeft overigens een onjuiste datum van de uitspraak).

[54] Rb Gelderland 18 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5365.

[55] ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:335.

[56] Rb Midden-Nederland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9463.

[57] Rb Overijssel, 14 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2131.

[58] Rb Midden-Nederland 12 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2129, ABRvS 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3183.

[59] Rb Noord-Holland 22 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2015:3283.

[60] ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:335.

[61] ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465.

[62] ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227.

[63] ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2722.

[64] Rb Midden-Nederland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9463.

[65] Rb Midden-Nederland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9463.

[66] ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227.

[67] Rb Noord-Holland 11 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2774.

[68] Vz. Rb Noord-Holland 10 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1887.

[69] Rb Amsterdam 14 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2170.

[70] Tegen deze uitspraak is hoger beroep bij de ABRvS ingesteld, er is nog geen uitspraak in het hoger beroep gedaan.

[71] Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 juni2016, ECLI:NL:RVS:2016:1668

[72] ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:163.

[73] ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3316. Dezelfde redenering, maar iets bondiger geformuleerd, kan gevonden worden in ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971.

[74] ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836, zie ook ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3285, waar de update van het oorspronkelijke onderzoek een beperktere gebied besloeg.

[75] ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2968.

[76] ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3286.

[77] ABRvS 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2765.

[78] ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3124.

[79] ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2707.

[80] ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1350.

[81] Rb Midden-Nederland 27 november 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9088.

[82] De raad had hier overigens zelfs 4 onderzoeken uitgevoerd, ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:320.

[83] ABRvS 23 december 2015, ECLI:NLRVS:2015:4004.

[84] ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836;

[85] ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2329.

[86] Rb Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2015:4393;

[87] ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1281.

[88] ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155.

[89] Vovo ABRvS 13 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3577.

[90] ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1190, ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1201 (waarbij dit wellicht nog extra klemde omdat er voor bepaalde soorten zelfs een onherroepelijke Ffw ontheffing was), ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:866, ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3643; ABRvS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3074;

[91] ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2485. Ook bij een procedure inzake een omgevingsvergunning werd de stelling dat de Ffw aan de vergunningverlening in de weg staan in het geheel niet onderbouwd (Rb Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2015:6088.)

[92] Zie onder meer: ABRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:522, ABRvS 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631; ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2233 (waarbij in de natuurtoets was overwogen dat het plan niet tot gevolgen voor deze waargenomen soorten zal leiden);

[93] ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:242.

[94] ABRvS 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2722, ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2396.

[95] Rb Midden-Nederland 31 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1711.

[96] ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072.

[97] ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3285.

[98] Zie de kamerbrief “Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 33 348, nr. 190”.

[99] Art. 2.27 Wabo .

[100] Rb Overijssel 23 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:612, geeft een goed voorbeeld waarbij wel bij de omgevingsvergunning aan de aanvrager is verzocht om natuuronderzoek uit te voeren.

[101] Rb Midden-Nederland 31 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1711.

[102] Art. 4:2, tweede lid Awb

[103] ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:619. (omgevingsvergunning voor een windpark)

[104] ABRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921.

[105] ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949.

[106] ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247.

[107] ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:683.

[108] Rb Midden-Nederland 27 november 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9088.

[109] RB Gelderland 18 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5285.

[110] ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:676 (zie ook deel 1 van deze kroniek), Rb Gelderland 25 juni 2015, .

[111] ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2510.

[112] ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3707.

[113] ABRvS 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215.

[114] RB Noord-Holland 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7093.

Klik hier om het bestand te lezen

Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….