ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 15-11-2019

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)

Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in 2019 in BR 2019/45. 

1. Inleiding
Dit betreft deel 2 van de jaarlijkse kroniek Natuurbeschermingsrecht. In het eerste deel (BR 2019/45) staat de gebiedsbescherming centraal, in dit tweede deel de soortenbescherming.

Wij behandelen de ontwikkelingen van het afgelopen jaar voor wat betreft de soortenbescherming in de periode 1 juni 2018 tot en met 1 augustus 2019. Kort worden eerst de relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving behandeld, waarna de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder ook: ABRvS) en rechtbanken aan de hand van deelonderwerpen wordt besproken.

2. Toekomstige wet- en regelgeving
In deze kroniekperiode zijn er wederom stappen gezet in het Omgevingswet dossier, zoals reeds besproken in deel 1 van deze kroniek (BR 2019/45). Nogmaals verwijzen wij voor de behandeling van het deel natuur in de Omgevingswet naar andere publicaties. Juist ook voor het onderdeel soortenbescherming lijkt het overzicht dat nu juist onder de Wnb voor dit deel zo is verbeterd ten opzichte van de Flora- en faunawet en bijbehorende AMVB’s achteruit te gaan onder de Omgevingswet. Inhoudelijk is voor het onderdeel soortenbescherming het meest opvallend dat de ontheffing wordt vervangen door een omgevingsvergunning, kortom een andere figuur waarmee handelingen mogelijk gemaakt kunnen worden. Een ander verschil is dat een gedragscode in het nieuwe systeem wordt aangewezen bij een ministeriële regeling en niet meer middels een appellabel goedkeuringsbesluit. Voor het overige zijn de verschillen tussen de Wnb en het systeem van de Omgevingswet, minder in het oog springend. Gelet op het feit dat ook voor de Omgevingswet geldt dat de Europese richtlijnen nageleefd moeten worden en het streven is de Wnb beleidsneutraal om te zetten, valt er ook niet te verwachten dat er veel zal veranderen.

3. Recente ontwikkelingen op het gebied van soortenbescherming
In het hiernavolgende worden recente bestuursrechtelijke uitspraken van de Afdeling en rechtbanken besproken van de periode 1 juni 2018 tot en met 1 augustus 2019 voor het onderdeel soortenbescherming. De volgende deelonderwerpen worden behandeld: (3.1) Belanghebbende-begrip; (3.2) Relativiteitsvereiste; (3.3) Beheer en schadebestrijding; (3.4) Ontheffingen verboden soortenbescherming; (3.5) Aanhaken of niet aanhaken bij de omgevingsvergunning; (3.6) Bestemmingsplan en soortenbescherming; (3.7) Natuurvoorwaarden in bestemmingplan of omgevingsvergunning; (3.8) NNN; (3.9) Onderzoeken rapporten en deskundigen; (3.10) Handhaving; (3.11) Samenloop met andere wetten; (3.12) Overig; en ten slotte (3.13) Afronding.

3.1 Belanghebbende-begrip
In de vorige kroniek wezen wij op een uitspraak van 21 februari 2018 van de ABRvS waarin kort gezegd werd geoordeeld dat bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een ontheffing op grond van de Wnb voor soortenbescherming de ruimtelijke uitstraling van het project niet van belang is. Bepalend is namelijk of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de appellanten. Deze overweging keert in deze kroniekperiode standaard terug.1ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781; ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258; en ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:296. Naast deze overweging gaf de ABRvS in diezelfde uitspraak van 21 februari 2018 tevens een helder aanknopingspunt voor de beantwoording van de vraag of een omwonende als belanghebbende bij (vergunningen benodigd voor) een windpark kan worden aangemerkt, te weten tien keer de tiphoogte van de windturbines als maximale afstand van windturbine tot woningen die nog enige gevolgen van betekenis kunnen ondervinden van de windmolens. Sindsdien is het gebruik van de tiphoogte voor de bepaling van de belanghebbendheid eveneens standaard terug te vinden in de uitspraken van de ABRvS.2ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258 (Windmolenpark Hattemerbroek). In een bij de ABRvS voorliggende bestemmingsplanprocedure werd daarom overwogen dat het plan dat windturbines met een tiphoogte van maximaal 150m mogelijk maakt, er in beginsel op een afstand van meer dan 1.500m geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden geacht.3ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258. Voor de Wnb ontheffing voor windpark N334ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781 (N33). wordt – conform eerdere uitspraken – overwogen door de ABRvS dat bij de beoordeling of een appellant belanghebbende is bij een ontheffing die op grond van de Wnb is verleend, de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt ─ in dit geval het windpark N33 ─ niet van belang is. Bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de appellanten. In dit geval is de handeling waarvoor de ontheffing is verleend het doden van vogels en vleermuizen door aanvaringen met de windturbines in het windpark. De aanvaringen doen zich voor ter plaatse van de windturbines. De afstand van de woningen van de bewoners die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld tot de windturbines bedraagt ten minste 660m. Gelet op deze afstand is niet aannemelijk dat de effecten van de windturbines op de vogel- en vleermuissoorten waarvoor de ontheffing is verleend enige ruimtelijke uitstraling op omwonenden zullen hebben en daarmee invloed zullen hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Appellanten hebben geen gegevens naar voren gebracht die op dit punt tot een ander oordeel moeten leiden. De enkele omstandigheid dat soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de windturbines in de omgeving van omwonenden voorkomen, omdat zij daar vliegen of foerageren, is daarvoor onvoldoende. Wat betreft de stichting die in de procedure van het windpark N33 beroep heeft ingesteld is de ABRvS5ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781 (N33). van oordeel dat de statutaire doelstelling van de stichting, maakt dat de stichting uitsluitend opkomt voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de bewoners in het genoemde gebied. De statutaire doelstelling is niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. Dit betekent dat de stichting alleen belanghebbende is voor zover het windpark ruimtelijke uitstraling op deze bewoners zal hebben en invloed zal hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. En dat is in dit geval vanwege de afstand tot de windturbines niet het geval. De uitspraken over Windpark en zonneveld Koningspleij laten zien dat er een verschil kan zijn of een omwonende of belangengroep opkomt tegen het bestemmingsplan6ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:295 (Bp Windpark en zonneveld Koningspleij Noord). De Afdeling overweegt: “Het plan voorziet in vier windturbines met een tiphoogte van 180m. De omgevingsvergunning gaat over windturbines met een tiphoogte van ten hoogste 179m. Gelet hierop en de afstanden (…) zijn (…) stichting (…) en wijkraad (…) belanghebbende bij de bestreden besluiten”. of de ontheffing op grond van de Wnb7ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:296 (Wnb Windpark en zonneveld Koningspleij Noord). voor de beantwoording van de vraag of zij belanghebbende zijn. Zo overweegt de ABRvS dat de afstand tussen het werkgebied van de stichting en de windturbine die het dichtstbij haar werkgebied is gepland ongeveer 600m bedraagt. De aanvaringen van vogels en vleermuizen met een windturbine vinden, gelet op de afmetingen van de windturbines8In dit geval windturbines met een (maximale) rotordiameter van 120m met dus een straal van maximaal 60m. dus plaats op een afstand van ongeveer 540m van het werkgebied van de stichting. Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat de eventuele sterfte van vogels en vleermuizen ter plaatse geen ruimtelijke gevolgen van enige betekenis zal hebben voor het woon- en leefklimaat in het werkgebied van de stichting. Deze organisatie wordt daarom niet als belanghebbende aangemerkt. In een andere procedure werd een bedrijf dat een Natura 2000 gebied in beheer heeft en waarbij de afstand tussen het Natura 2000 gebied en de dichtstbijzijnde windturbine 265 meter is, geacht rechtstreeks in haar belangen te zijn getroffen als bedoeld in art. 1:2 eerste en derde lid Awb.9Rb. Gelderland 9 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1535 (Windpark Duitsland).

Bij een verzoek om handhaving, ingediend wegens vermeende overtreding van een verleende ontheffing voor soorten voor een project waarbij een kanaal weer bevaarbaar wordt gemaakt, door onder meer uitbaggeren en uitgraven van het kanaal, had de minister overwogen dat eiseres niet belanghebbend was nu de werkzaamheden waarvoor de ontheffing was verleend zich op 1,5 kilometer van de woning van eiseres afspeelden. Echter de rechtbank10Rb. Noord-Nederland 18 oktober 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4184. Op 27 juni 2019 wijst de voorzieningenrechter van de ABRvS in deze zaak in hoger beroep overigens een verzoek om voorlopige voorziening af. wijst erop dat verzoekster wel degelijk belanghebbende is nu zij percelen in eigendom heeft die deel uitmaken van de in de ontheffing aangewezen compensatiegebieden en het water uit het kanaal afstroomt op haar percelen.

Daarnaast wijzen wij op een uitspraak van de ABRvS11ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1558. waarbij een ontheffing op grond van de Wnb aan de orde was voor het opzettelijk verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van roeken. De stichting die in deze procedure tegen de verleende ontheffing opkomt, wordt niet als belanghebbende aangemerkt omdat niet aannemelijk is geworden dat door de kap van bomen er effecten zijn op de gebruiksfuncties dan wel instandhouding van natuur, het water, het landschap of milieu in het buitengebied, terwijl de statutaire doelstelling is beperkt tot het buitengebied.

Ten slotte wijzen wij op een uitspraak waarin een stichting geen gegevens heeft overgelegd om haar feitelijke werkzaamheden te onderbouwen. Daarmee is zij niet ontvankelijk. De rechtbank12Rb. Overijssel 9 november 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4288. overweegt nog wel dat voor de vraag of de stichting belanghebbende is zij niet had hoeven aantonen dat haar feitelijke werkzaamheden specifiek gericht moesten zijn op de bescherming van de beschermde soorten die aan de orde waren in de bebouwde kom van Almelo.

3.2 Relativiteitsvereiste
Voor de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste ex art. 8:69a Awb kan worden ingeroepen voor soortenbescherming op grond van de Wnb is het volgende van belang. De bepalingen van de Wnb strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van burgers (omwonenden) en het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen kunnen zo met elkaar verweven zijn dat geoordeeld moet worden dat de betrokken normen in de Wnb strekken tot de belangen van die burgers (omwonenden). Voor woningen direct gelegen naast een ontwikkeling of plangebied geldt dat de bepalingen omtrent soortbescherming uit de Wnb over het algemeen wel verweven zijn met de goede kwaliteit van de leefomgeving. Een voorbeeld betreft een uitspraak13ABRvS 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1470. waarbij appellant een woning en moestuin had direct naast het plangebied waarbinnen een crematorium mogelijk werd gemaakt. Ook een appellant in een andere procedure14ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1740, een andere appellant woonde overigens direct naast het gebied maar niet uitgesloten kan worden – uit nog uit te voeren onderzoek volgt – dat zich nest-, rust- of verblijfplaatsen op het perceel bevinden. met een woning op 25 meter afstand van een nestlocatie kon dan een beroep doen op de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb. In een procedure waarbij een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik voor het houden van een festival aan de orde was, werd geoordeeld over omwonenden die op een afstand van 680 meter tot een beverburcht woonden dat de Flora- en faunawet (nu: Wnb) niet strekt tot de bescherming van hun belangen gelet op deze afstand. De toets aan het relativiteitsvereiste is daarnaast aan de orde in de bestemmingsplanprocedure van Windpark Hulteweg.15ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2447 (Windpark Hulteweg). De appellanten wonen op zo’n 860 meter van het windpark af. Dat er soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden voorkomen in de woonomgeving door vliegbewegingen en foerageeractiviteiten is onvoldoende. De normen uit de Wnb strekken daarmee niet ter bescherming van de belangen van deze appellanten. Voor windpark Weijerswold-Coevorden gold hetzelfde voor omwonenden op een afstand van 600 meter.16ABRvS 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067. Het zal dan ook niet verbazen dat door omwonenden op een afstand van 1425 meter tot een windturbine in een andere procedure17ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:682 (Windpark Kroningswind). eveneens geen beroep op de bepaling omtrent soortenbescherming uit de Wnb gedaan kon worden.18Dat geldt eveneens voor een perceel dat op bijna 3 km afstand ligt van het Natura 2000-gebied “Maasduinen”, ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2188. In de uitspraak19ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 (Windpark Oude Maas). over Windpark Oude Maas werd allereerst uitdrukkelijk vastgesteld dat de aanvaringen van vogels en vleermuizen zich (alleen) voordoen ter plaatse van de windturbines. Een aantal appellanten woont op een afstand van meer dan 650m tot de dichtstbijzijnde windturbine. Voor een andere groep appellanten geldt daarbij ook nog eens dat zij op de andere oever van de Oude Maas wonen. De Stichting Wind van Voren die in deze procedure20ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 (Windpark Oude Maas). eveneens beroep heeft ingesteld is volgens de statuten gericht op de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving, waaronder volgens de statuten onder meer het behouden van de natuur en de flora en fauna valt. De term “leefomgeving” moet zo worden uitgelegd, dat de stichting zich richt op de bescherming van de leefomgeving van de bewoners van Barendrecht en directe omgeving en niet op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. De kortste afstand van het windpark tot Barendrecht bedraagt ongeveer 400m. Zodoende komt de ABRvS tot het oordeel dat de normen uit de Wnb over soortenbescherming kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen waarvoor de stichting blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden opkomt. Ten slotte is interessant hier dat ook de gemeente Barendrecht beroep ingesteld heeft. De ABRvS betrekt hierbij ook weer dat de kortste afstand van de windturbines tot het grondgebied van de gemeente Barendrecht ongeveer 400m bedraagt. De ABRvS overweegt dat voor zover het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht zich beroepen op natuurbelangen als aan hen toevertrouwde belangen, de bescherming van beschermde diersoorten tegen gevolgen van besluiten van andere bestuursorganen die zich voordoen buiten het eigen grondgebied van de gemeente geen belang is dat aan beide bestuursorganen van de gemeente Barendrecht is toevertrouwd. Daarnaast overweegt de ABRvS dat voor zover beide bestuursorganen van de gemeente Barendrecht opkomen voor de beleving van beschermde diersoorten door hun inwoners, dat belang aan haar in het kader van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Barendrecht mede is toevertrouwd, nu dit het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van inwoners betreft dat verweven kan zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Echter wederom gelet op de afstand van de windturbines tot de gemeentegrens wordt naar het oordeel van de ABRvS ook dit belang niet geraakt.

Voor verenigingen, stichtingen en dergelijke geldt het relativiteitsvereiste evengoed. Zo overweegt de Afdeling21ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1205. (Kavelbesluit III/IV). in een uitspraak over het kavelbesluit III en IV voor de realisatie van een windpark op zee het volgende. De stichting die in deze procedure een beroep op de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnbdoet, behartigt volgens haar doelstellingen niet het algemeen belang dat de Wnb op dit punt beoogt te beschermen. De stichting komt onder meer op voor het belang van het beschermen en bevorderen van de beleving van de natuur aan de Nederlandse kust, maar omdat de afstand tussen de kust en het windpark minimaal 18,5 kilometer bedraagt staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een geslaagd beroep op deze bepalingen.

3.3 Beheer en schadebestrijding
Onder beheer en schadebestrijding zoals geregeld in de Wnb, wordt begrepen het doden, bestrijden of weren van (beschermde) soorten die schade of overlast kunnen veroorzaken.

3.3.1 Middelen
De discussie in de rechtspraak over toegestane middelen in het kader van beheer en schadebestrijding is nog niet ten einde. Dat wil overigens niet zeggen dat er grote wijzigingen of nieuwe jurisprudentie te noemen is. Wij wijzen op de volgende uitspraken.
Allereerst wijzen wij op een arrest van het Hof van Justitie van 21 juni 201822HvJ EU 21 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:477, AB 2018/283. waarin onder meer de vraag aan de orde kwam of het gebruik van slagnetten als selectief middel in de zin van art. 9 lid 1 onder c Vogelrichtlijn kan worden aangemerkt. De Maltese autoriteiten hebben in die procedure met betrekking tot de methode van het vangen met deze slagnetten erkend dat deze netten niet-selectief zijn, aangezien zij hebben toegegeven dat ‘bijvangsten’ plaatsvinden ondanks de manuele hantering van die netten door de vangers. Ook de studie van BirdLife Malta van juli 2015 bevestigt het niet-selectieve karakter van deze vangstmethode. Het Hof concludeert daarom dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 9 lid 1 onder c Vogelrichtlijn, volgens welke het levend vangen van vogels enkel is toegestaan indien dit gebeurt op een selectieve wijze. Er is daarom ook niet voldaan aan de voorwaarden om af te wijken van art. 8 lid 1 van deze richtlijn.

De ABRvS heeft zich in haar uitspraak van 15 mei 201923ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1534; zie tevens: ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1535. uitgesproken over het gebruik van middelen om (in dit geval) ganzen met gebruikmaking van koolstofdioxide in het kader van schadebestrijding te kunnen doden. Appellanten in die procedure hadden aangevoerd dat de middelen zoals containers en apparatuur voor toediening, dosering en meting van CO2 en de middelen voor het vangen en bijeendrijven geen wettelijke grondslag hebben. De ABRvS overweegt dat “deze hulpmiddelen (…) geen zelfstandige vang- of dodingsmiddelen” zijn. De ABRvS wijst op de nota van toelichting waarin is aangegeven dat “om duidelijkheid te geven (…) het vangen van vogels door middel van het bijeendrijven wel vermeld” is. De ABRvS ziet geen grond om die toelichting onjuist te achten. Tot eenzelfde oordeel kwam de rechtbank Zeeland-West-Brabant24Rb. Zeeland-West-Brabant 20 september 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5540. voor o.a. vangkralen en bootjes om de ganzen uit het water te jagen, waarna de ganzen met CO2 werden gedood.

In een ontheffing voor schadebestrijding dienen de te gebruiken middelen uitdrukkelijk genoemd te worden. Dat ging mis bij de ontheffing die aan de orde was in de rechtbankuitspraak van 14 september 2018.25Rb. Noord-Nederland 14 september 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3682. De rechtbank overwoog dat uit de ontheffing(svoorschriften) niet volgt voor welke methode van doden van met de vangkooi gevangen zwarte kraaien ontheffing is verleend. De rechtbank neemt daarbij mee dat cervicale dislocatie26Oftewel: doden door de “nek” om te draaien. op grond van de Wnb en het Besluit natuurbescherming niet kan worden aangewezen als dodingsmethode bij het gebruik van het middel van de vangkooi.

3.3.2 Voorwaarden ontheffing beheer en schadebestrijding
In ontheffingen voor schadebestrijding dient het causaal verband tussen de schade en de omvang van de populatie te worden aangetoond.27ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1534; zie ook: Rb. Den Haag 14 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5675. In de uitspraak van de Rb. Oost-Brabant van 29 november 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5950, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen omdat de beleidsdocumenten elkaar tegenspreken op het punt van de relatie tussen schade en populatieomvang. Dat geldt ook voor het causale verband tussen het aantal (mogelijke) incidenten (met vliegtuigen) en de omvang van de populatie.28ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1535. De rechtbank overweegt in een uitspraak van 20 september 201829Rb. Zeeland-West-Brabant 20 september 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5540. dat voor de Canadese gans het causale verband tussen schade en de omvang van de populatie reeds is aangetoond doordat de grote Canadese gans op de landelijke vrijstellingslijst staat. De ABRvS30ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3464. overweegt daarnaast dat door de aanwijzing van de Canadese gans tevens als uitgangspunt heeft te gelden dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de bestrijding van schade en dat er als uitgangspunt geldt dat er geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding wordt gedaan. Voor het aantonen van ‘belangrijke schade’ is zoals bekend niet vereist dat de schade zich reeds heeft voorgedaan, een reële dreiging van belangrijke schade is voldoende.31Zie onder meer: ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1534. Het bevoegd gezag mag bij de verlening van ontheffingen voor schadebestrijding uitgaan van de vaststelling door een beëdigd taxateur voor de vraag door welke diersoort de schade is veroorzaakt.32ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3366.

In schadebestrijdingszaken dient – net als bij reguliere ontheffingen – te worden aangetoond dat van een andere bevredigende oplossing geen sprake is. De ABRvS overweegt in haar uitspraak van 15 mei 2019 dat “niet nauwkeurig en treffend” is gemotiveerd waarom er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het ingrijpen in de populatieomvang van ganzen en waarom het vangen en doden van ganzen een effectieve oplossing is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. In de vorige kroniekperiode bespraken wij een uitspraak over vossen en de aan te brengen afrastering om kippenbedrijven. Op 15 mei 2019 deed de rechtbank Noord-Nederland33Rb. Noord-Nederland 15 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2184. uitspraak in een soortgelijke casus. De rechtbank overweegt dat er in die procedure geen stukken zijn overgelegd waarmee wordt aangetoond dat het plaatsen van deugdelijke afrastering disproportioneel kostbaar is. Daarbij wordt meegewogen de bedrijfsresultaten en de schade die door de vossen zou worden veroorzaakt als de ontheffing niet zou zijn verleend. De rechtbank concludeert dat niet is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
Ook de gunstige staat van instandhouding van de soort moet in schadebestrijdingszaken aangetoond worden. Het konijn staat op de landelijke vrijstellingslijst, daaraan mag een belangrijke betekenis worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of de populatie in een gunstige staat van instandhouding verkeert.34Rb. Noord-Holland 19 september 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:8022. Van belang is ook dat het konijn is aangewezen als bejaagbare wildsoort. Tot slot hebben eisers niet concreet onderbouwd dat de soort niet in een gunstige staat verkeert. In een procedure bij de ABRvS35ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3366. over ontheffing verleend voor schadebestrijding van roeken werd (anders dan bij de rechtbank) geoordeeld dat niet blijkt uit de gegevens over het aantal broedparen in de provincie dat de gunstige staat van instandhouding als gevolg van afschot wordt aangetast. Daarbij komt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de staat van instandhouding niet zal verslechteren door het aantal af te schieten van maximaal 40 roeken per jaar.

3.3.3 Faunabeheereenheid en faunabeheerplan
De ABRvS36ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875 (eerste aanleg ECLI:NL:RBGEL:2018:1163). heeft in hoger beroep uitspraak gedaan over de vraag of de faunabeheereenheid als bestuursorgaan aangemerkt moet worden en of het besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan een appellabel besluit is onder de Wnb. Allereerst de vraag of de faunabeheereenheid (verder ook: FBE) een bestuursorgaan is. Onder de Ffw had de ABRvS in 2005 geoordeeld dat de FBE geen bestuursorgaan is. Nieuw ten opzichte van de Ffw is dat een faunabeheerplan niet alleen gaat over het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, maar ook over de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht. In artikel 3.12 zevende lid Wnb, is bepaald dat Gedeputeerde Staten goedkeuring aan het faunabeheerplan moeten verlenen. De ABRvS overweegt dat het door de FBE uit te voeren beleid weliswaar is uitgebreid, maar dat de positie en verantwoordelijkheden ongewijzigd zijn gebleven. Gelet hierop – en de overwegingen uit de uitspraak uit 2005 – komt de ABRvS tot de conclusie dat de FBE geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 eerste lid aanhef onder b Awb is.

Voor wat betreft de beoordeling van het faunabeheerplan (FBP) overweegt de ABRvS in diezelfde uitspraak dat nu de FBE geen bestuursorgaan is, het FBP geen besluit is in de zin van artikel 1:3 eerste lid Awb waartegen beroep kan worden ingesteld. Vervolgens beoordeelt de ABRvS of het besluit tot goedkeuring van Gedeputeerde Staten van het FBP geheel of gedeeltelijk een besluit is. De vraag is dan in hoeverre de beslissing van het college op rechtsgevolg is gericht. De ABRvS overweegt dat de goedkeuring een rechtshandeling is voor zover dat betrekking heeft op de landelijke en provinciale vrijstellingen voor schadebestrijding en de jacht.37ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875.

De rechtbank38Rb. Noord-Holland 22 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4244. kreeg de vraag eveneens voorgelegd en overweegt onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019 dat het onderdeel van het bestreden besluit waartegen de beroepen zijn gericht, ziet op ontheffingsmogelijkheden voor het bejagen van de vos in aanvulling op de voor de vos verleende landelijke vrijstelling. Goedkeuring van het faunabeheerplan brengt, zo overweegt de rechtbank in dit geval niet met zich dat hiervan zonder nadere besluitvorming gebruikgemaakt kan worden. Daarvoor dient vervolgens eerst ontheffing aangevraagd en verleend te worden. De rechtbank overweegt daarom dat gelet hierop, de goedkeuring van dit onderdeel van het FBP geen zelfstandig rechtsgevolg heeft en het goedkeuringsbesluit in zoverre als (niet appellabele) voorbereidingshandeling moet worden beschouwd.

De bestuurssamenstelling van de FBE wordt sinds de inwerkingtreding van de Wnb regelmatig in procedures ter discussie gesteld. Uit de Wnb39Art 3.12 lid 2 Wnb. volgt dat het bestuur van de FBE tevens moet bestaan uit maatschappelijke organisaties. De rechtbank Noord-Holland40Rb. Amsterdam 22 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4244; en Rb. Noord-Holland 23 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4424. oordeelt in twee verschillende procedures dat de bestuurssamenstelling van de FBE in Noord-Holland naar haar oordeel voldoet aan de vereisten van de Wnb.

3.3.4 Opdracht ex artikel 3.18 Wnb
Artikel 3.18 Wnb maakt het voor Gedeputeerde Staten mogelijk om zelf het initiatief te nemen tot het beheer van populaties van dieren, zoals dat voorheen op grond van art. 67 Ffw ook mogelijk was. Op grond van art. 3.18 Wnb kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat aangewezen personen toegang hebben tot terreinen, zodat in voorkomende gevallen ook zonder toestemming van de eigenaar van de grond opgetreden kan worden. Bij een opdracht voor beheermaatregelen op grond van art. 3.18 Wnb ten aanzien van populaties gelden de voorwaarden en beperkingen die van toepassing zijn bij afwijkingen van de onderscheiden beschermingsregimes neergelegd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.0 en verder Wnb. In de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 201941Rb. Noord-Holland 23 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4424. werd onder meer de vraag voorgelegd of een ontheffing voor schadebestrijding en opdracht ex artikel 3.18 Wnb naast elkaar mogen worden afgegeven voor dezelfde activiteit. Naar het oordeel van eiseres zou dit tot onduidelijkheid, willekeur en rechtsongelijkheid leiden. De rechtbank overweegt dat de Wnb zich niet verzet tegen het gelijktijdig en naast elkaar gebruik van deze instrumenten voor dezelfde activiteit. In de uitspraak van de voorzieningenrechter42Rb. Midden-Nederland (vzr.) 19 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5616 (Oostvaarderplassen). inzake de opdracht verleend voor afschot van edelherten in de Oostvaardersplassen, wordt mooi uiteengezet dat voor een opdracht als bedoeld in art. 3.18 Wnb een faunabeheerplan als motivering kan dienen. In dit geval heeft het bevoegd gezag echter niet (zoals ook voorgeschreven in het eigen beleid) neergelegd in een faunabeheerplan maar in de motivering van het besluit zelf. Voor de voorzieningenrechter vormt dit geen reden tot schorsing van het besluit.

In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland43Rb. Midden-Nederland 11 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2701. was eveneens gelijktijdig een ontheffing en opdracht verleend. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in de bestreden besluiten (uiteindelijk) voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.18 en 3.3 van de Wnb. De bestreden besluiten worden wel vernietigd omdat voor de Canadese gans ten onrechte een ontheffing is verleend, maar de rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven omdat de voor deze gans verleende opdracht standhoudt.

3.4 Ontheffingen verboden soortenbescherming
Bij overtreding van een verbod uit hoofdstuk 3 Wnb mag in beginsel de activiteit, de handeling of het project dat de overtreding van de verbodsbepalingen tot gevolg heeft niet uitgevoerd worden. Er kan echter ontheffing van de verboden worden verleend, indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan: (i) er is geen sprake van een andere bevredigende oplossing; (ii) er kan een wettelijke ontheffingsgrond worden ingeroepen; en (iii) de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort komt niet in gevaar.44Wij wijzen op het subtiele verschil in formulering bij vogels en habitatrichtlijnsoorten. Indien aan deze vereisten kan worden voldaan, dan kan de ontheffing verleend worden. Met name de eis dat er een wettelijke ontheffingsgrond aan de orde moet zijn, maakt dat ontheffingen lang niet voor alle activiteiten, handelingen of projecten verleend kunnen worden. Door het treffen van mitigerende maatregelen is het soms mogelijk om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, zodat geen ontheffing (meer) vereist is.

3.4.1 Mitigerende maatregelen
Mitigerende maatregelen in het soortenbeschermingsrecht uit de Wnb zijn die maatregelen waardoor volledig wordt voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden. Indien sprake is van (voldoende) mitigerende maatregelen is dan ook geen ontheffing (of vrijstelling) van de Wnb meer vereist. Van belang is te realiseren dat het begrip mitigerende maatregelen in zowel het gebiedsbeschermingsrecht als soortenbeschermingsrecht (beide Wnb) wordt gebruikt. Echter deze zelfde begrippen worden in beide regimes op een andere wijze ingevuld en uitgelegd zodat de jurisprudentie van gebieds- en soortenbescherming niet over en weer gebruikt kan worden voor de uitleg van dit begrip.

In bestemmingsplanprocedures worden de mitigerende maatregelen en met name de uitvoerbaarheid daarvan nogal eens ter discussie gesteld. Zo ook in de bestemmingsplanprocedure waarin de ABRvS45ABRvS 10 april 2019, 45ECLI:NL:RVS:2019:1137 (Bp Everdenberg Oost).[/mfn] uitspraak deed op 10 april 2019. Voor dit bestemmingsplan stond niet vast dat bepaalde schuren gesloopt moesten worden voor het plan. In de toelichting bij het bestemmingsplan was overwogen dat nader onderzoek zal worden uitgevoerd indien de schuren wel gesloopt gaan worden.46Zie ook: ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1783, waarbij werd overwogen dat voldoende verzekerd was dat een boerderij waarin zich mogelijk een steenuil bevond juist behouden bleef. Mocht uit dat onderzoek blijken dat er verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn, dan kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen, of een vrijstelling of ontheffing verleend worden. De ABRvS is van oordeel dat daarmee de uitvoerbaarheid van het plan niet in gevaar is.

In een procedure over een verleende omgevingsvergunning op grond van de APV voor een meerdaags festival werd overwogen dat ten aanzien van de beschermde soorten de evenementen geen conflict met de Wnbveroorzaken, maar dat het wel noodzakelijk is om maatregelen te nemen om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Het ging daarbij om maatregelen ten behoeve van de broedende vogels, de heikikker, vleermuizen, waterspitsmuis en overige zoogdieren. Een van die maatregelen is dat niet in de bosschages en aan de oevers gekampeerd mag worden. Deze “mitigerende maatregel” ─ als wij die zo mogen noemen ─ wordt vormgegeven door een deel van de aangevraagde activiteiten te weigeren. De voorzieningenrechter overweegt in beginsel dat de op grond van de APV relevante belangen47Ecologie is geen belang genoemd in de APV voor weigering van deze vergunning. zich niet voordoen en het slechts gaat om een afweging van ecologische belangen bij de weigering van een deel van de vergunning (te weten: de mogelijkheid om in de bosschages te kamperen). Maar verweerder heeft aangetoond dat dit ook vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening en handhaving van de openbare orde een eis is. Een ‘verkapte’ mitigerende maatregel zo zou gezegd kunnen worden. In een andere procedure waarbij een omgevingsvergunning verleend was voor een festival, werd met betrekking tot beschermde soorten overwogen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften maatregelen zijn die zijn voorgeschreven om te voorkomen dat er onomkeerbare negatieve gevolgen voor vleermuizen en broedvogels optreden. Gelet op de uitleg die de ABRvS geeft aan het begrip mitigerende maatregelen zien wij niet hoe maatregelen die voorkomen dat de negatieve gevolgen onomkeerbaar zijn relevant kan zijn. Eisers in die procedure hebben naar het oordeel van de rechtbank48Rb. Limburg 16 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6720. ten onrechte niet onderbouwd dat ondanks de motivering in de vergunning wel degelijk van onomkeerbare gevolgen sprake is. Naar onze mening was het voldoende geweest indien eisers hadden aangetoond dat van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb sprake was.

In een handhavingsprocedure49ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4269 (Berend Botje 2018) werd naar voren gebracht dat de compensatielocatie onvoldoende verzekerd was. De ABRvS merkt op dat, indien voor deze compensatielocatie wordt gekozen er geen afdwingbare afspraken zijn gemaakt om de locatie geschikt te maken, te houden en te zorgen voor een alternatief indien de compensatielocatie zich niet goed ontwikkelt. Maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat het college de locatie niet heeft mogen aanmerken als geschikte compensatielocatie. Daarbij heeft de ABRvS betrokken dat ter zitting is toegelicht dat de afspraken op schrift worden gesteld en dat ook wordt gesproken over een specifiek beheerplan. Ten slotte merkt de ABRvS nog op dat er geen omstandigheden naar voren zijn gebracht waardoor moet worden getwijfeld aan de intentie van het college om uiteindelijk een geschikte compensatielocatie te verwezenlijken.

3.4.2 Voorschriften
In de vorige kroniek bespraken wij uitspraken over stilstandverplichtingen en -voorzieningen en monitoringsverplichtingen opgenomen in ontheffingsvoorwaarden voor soortenbescherming. Ook in deze kroniekperiode zijn er op dat punt ontwikkelingen te melden.

In de uitspraak van de ABRvS van 22 augustus 201850ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2772. is een stilstandverplichting in de voorschriften van een verleende ontheffing voor een windpark neergelegd. Aangevoerd was dat het nut van de stilstandvoorziening erg beperkt was. De minister baseerde het nut van de voorziening op een model op basis van trekvoorspellingen in een ander windpark. Omdat de locatie van dat windpark in relevante opzichten niet vergelijkbaar is met de aan de orde zijnde locatie en de minister niet heeft weerlegd dat de berekeningen met dit model niet bruikbaar zijn, overweegt de ABRvS dat de minister ten onrechte het belang van een stilstandvoorziening heeft laten prevaleren boven het belang van initiatiefnemers om geen kosten voor die voorziening te maken.

In een uitspraak van de rechtbank Gelderland51Rb. Gelderland 9 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1535 (Windpark Duitsland). werd geoordeeld over de in de voorschriften opgelegde stilstandvoorziening voor vleermuizen. In bezwaar was de stilstandvoorziening geschrapt, ondanks dat het bedrijf geen bezwaar tegen deze voorschriften had gemaakt en tegen het handhaven van de voorschriften is vervolgens geen beroepsgrond gericht. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het verbod van reformatio in peius. Daarbij komt dat het bedrijf ter zitting heeft aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft tegen de stilstandverplichting en monitoringsverlichting.

3.4.3 Soorten
Een ontheffing is alleen vereist indien er een verbodsbepaling wordt overtreden voor een beschermde soort. Over het algemeen bestaat er geen twijfel of een soort al dan niet beschermd is, maar soms is dat toch onduidelijk. Met name in de strafrechtelijke jurisprudentie zien we de vraag of sprake is van een beschermde soort terug. Op 16 oktober 2018 wees het Gerechtshof Amsterdam52Hof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4200. arrest in een strafrechtelijke procedure over de invoer van orchideeën. Deze procedure speelt nog onder de Ffw. De betreffende orchidee, bleek na inschakeling van een deskundige alleen in gekweekte vorm voor te komen, zodat de plant niet onder het verbod van (oud) art. 13 Ffw viel, nu de houder kon aantonen dat de plant gekweekt was (deze soort komt immers alleen in gekweekte vorm voor). In een bestemmingsplan bij de ABRvS53ABRvS 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1399. werd in een MER opgemerkt dat in de aanlegfase “bakker grasland” en “droge duingransland” grotendeels verloren gaat, evenals de bestaande groeiplaats van “blauw kweldergras”. Opgemerkt wordt dat dit weliswaar deels zeldzame soorten zijn, maar het betreffen geen beschermde soorten. Voor soorten zoals de mol en de gewone pad geldt een algemene vrijstelling, zodat voor deze soorten onderzoek in het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan of ander besluit van minder belang is omdat in beginsel op voorhand geen probleem bestaat met de uitvoerbaarheid.54ABRvS 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1954. Dit geldt eveneens voor reeën en vossen.55ABRvS 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1956.

3.4.4 Verboden
Indien er een verbodsbepaling uit hoofdstuk 3 Wnb wordt overtreden, is er een ontheffing of vrijstelling vereist om de handeling of activiteit waarmee de verbodsbepaling wordt overtreden alsnog te mogen uitvoeren. Per soortgroep (vogels, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten) zijn verboden opgenomen in de Wnb.

3.4.4.1 Verboden ─ Verstoren
De ABRvS wijst er in haar uitspraak van 3 juli 201956ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169. op dat voor artikel 3.10 soorten niet het verbod op verstoren (noch verstoren van de soort, noch verstoren van de vaste rust- en verblijfplaats van de soort) geldt.57Onder de Ffw was dit voor nationale/overige soorten niet het geval. Meer over 3.10 soorten in het artikel: L. Boerema, S. Hunink & N. Jeurink, “De (te) beperkte bescherming van soorten op grond van artikel 3.10 Wnb”, NBR, tijdschrift natuurbeschermingsrecht 2019/4, p. 140-147.
Bij festivals merkten wij al eerder op dat veelal wordt meegewogen dat een (vermeende) verstoring beperkt in tijd is en daarom zou zijn toegestaan (of omkeerbaar is). Een dergelijke overweging komt ook terug in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland58Rb. Noord-Nederland (vzr.) 9 augustus 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3237. waarbij een ontheffing voor het liggen of slapen op openbare plaatsen op grond van de geldende APV was verleend in verband met een camping voor een meerdaags festival. Het ecologisch adviesbureau merkt blijkens de uitspraak op dat “door de opbouw van het evenement en de activiteiten tijdens het evenement het niet is uitgesloten dat het leefgebied van zoogdiersoorten tijdelijk wordt verstoord. Nu echter in de omgeving voldoende alternatief (tijdelijk) leefgebied aanwezig is en na afloop van het evenement de dieren weer gebruik kunnen maken van het terrein, is het effect naar verwachting beperkt. Om echter onnodige verstoring van zoogdieren te voorkomen is het, aldus Altenburg & Wymenga, van belang dat bezoekers de bosschages niet betreden”. Wij vragen ons af of dit niet betekent dat een ontheffing was vereist. Immers voor zoogdieren beschermd op grond van artikel 3.5 Wnb ev. geldt geen verbod op het storen, zoals bij vogels (art 3.1 lid 5 Wnb). De tijdelijkheid, het (beperkte) effect en de noodzaak van de verstoring worden immers in beginsel niet meegewogen bij de vraag of het verbod op storen wordt overtreden.

3.4.4.2 Verboden ─ Nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen / foerageergebieden en vliegroutes
Opvallend is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 februari 201959Rb. Midden-Nederland 8 februari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:748. over de uitleg van de vaste rust- en verblijfplaats van 3.10 soorten (in dit geval dassen). De voorzieningenrechter overweegt dat de regel uit de Habitatrichtlijn dat indien foerageergebied samenvalt met een vaste rust- en verblijfplaats reeds hierom het foerageergebied bescherming geniet, niet geldt voor 3.10 soorten. Het is ─ aldus de voorzieningenrechter ─ daarom niet relevant of het foerageergebied samenvalt met een dassenburcht, omdat deze niet als beschermd moet worden beschouwd als deze van essentieel belang is voor het functioneren van de verblijfplaats. Het toetsingscriterium dat de voorzieningenrechter in overweging 21 hanteert, lijkt ons nieuw. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van overtreding van het verbod om de verblijfplaats opzettelijk te vernielen als door de ingreep in het foerageergebied de das zijn burcht zal verlaten. Dat de das de burcht zal verlaten zou met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk of vrij zeker moeten zijn. Deze uitleg lijkt ons niet in overeenstemming met de Wnb en bedoelingen van de wetgever op dit punt.60Zie uitgebreid over deze uitspraak en de mogelijke gevolgen van het volgen van dit criterium bij 3.10 soorten: L. Boerema, S. Hunink & N. Jeurink, “De (te) beperkte bescherming van soorten op grond van artikel 3.10 Wnb”, NBR, tijdschrift natuurbeschermingsrecht 2019/4, p. 140-147.

In de rechtbankuitspraak van 13 maart 201961Rb. Overijssel 13 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:860. wordt voor overtreding van het verbod neergelegd in artikel 3.10 lid 1 aanhef en onder b Wnb een ander criterium aangehouden dan het zojuist besproken criterium van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland. In de uitspraak van 13 maart 2019 wordt uiteengezet dat onder essentieel foerageergebied wordt verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 10 januari 2018.62ABRvS 10 januari 2018 ECLI:NL:RVS:2018:12.

Voor dit specifieke geval waarbij een last onder dwangsom was opgelegd wegens overtreding van artikel 3.10 lid 1 aanhef en onder b Wnb dient door verweerder aangetoond te worden dat het uitbreidingsterrein zodanig essentieel foerageergebied is voor de das en dat het verdwijnen van dit terrein ertoe zal leiden dat de bijburcht van de das aan de Landsweg en/of de verder weggelegen kraamburcht als gevolg hiervan zodanig wordt verstoord, dat één van deze plaatsen (of beide) om die reden is of zal worden verlaten. Dit is verweerder niet gelukt. Het in deze uitspraak gehanteerde criterium dient naar onze mening te worden toegepast bij de uitleg van artikel 3.10 aanhef en onder b Wnb.

Niet elke aantasting van essentieel foerageerbied of een essentiële vliegroute (bij artikel 3.5 soorten) is aan te merken als een overtreding van het verbod. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland63Rb. Noord-Nederland (vzr.) 17 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2862. in het kader van een omgevingsvergunning waarbij een meerdaags festival mogelijk werd gemaakt wordt dit nog eens helder uiteengezet. Zo werd meegewogen dat de soort voldoende mogelijkheden heeft om zich aan te passen aan de verstoring van de vliegroute of het foerageergebied. Met deze aanpassing heeft de verstoring geen nadelige gevolgen. Door de ecoloog is ter zitting verklaard dat er met een bestaande alternatieve vluchtroute een mogelijkheid is om uit te wijken zonder dat de betreffende vleermuis hier nadelige gevolgen van ondervindt. Ook is niet aannemelijk geworden dat er onvoldoende foerageergebied overblijft.

Indien in beroep wordt aangevoerd dat naast een ontheffing voor het verstoren van bepaalde soorten ook ontheffing voor het vernielen of beschadigen van hun vaste rust- en verblijfplaatsen is vereist, dient wel voldoende aangetoond te worden dat die vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de stelling dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen zijn, niet juist is.64Rb. Noord-Holland 16 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6018. In de uitspraak van de ABRvS van 3 juli 201965ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169. lag de vraag voor of de werkzaamheden in het kader van het achterstallig onderhoud in die casus leidt tot opzettelijke beschadiging of vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen van de ringslang, de rugstreeppad en van vleermuizen. De ABRvS komt gelet op de toelichting door een ecoloog over de uitvoering van de werkzaamheden tot de conclusie dat dit niet het geval is.

3.4.4.3 Verboden – vangen en uitzetten
Het verbod op het uitzetten van invasieve exoten is neergelegd in artikel 3.34 Wnb. In een handhavingsprocedure66Rb. Amsterdam 15 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5877. was overtreding van dit verbod aan de orde. Er werd achtereenvolgens een vooraankondiging bestuursdwang en (preventieve) last onder dwangsom opgelegd aan een overtreder van dit verbod. De overtreder diende de ontsnapte rode eekhoorns (exoot) terug te vangen en ervoor zorg te dragen dat de eekhoorns niet wederom konden ontsnappen door zorg te dragen voor een deugdelijk hok of de dieren over te dragen aan een erkende knaagdierenopvang. De eigenaar van de dieren blijkt de dieren aan een derde (niet zijnde erkende opvang) te hebben overgedragen. Vervolgens wordt een handhavingsverzoek ingediend wegens berichten over een gesignaleerde rode eekhoorn in het Leeuwardenbos. De minister weigert echter om handhavend op te treden. De rechtbank overweegt dat de minister heeft erkend dat het opleggen van een terugvangverplichting vast beleid is. Vanwege de zogenoemde beginselplicht tot handhaving en dit vaste beleid is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand en wel gelet op het volgende. Omdat de rode eekhoorn in het Leeuwarder Bos geen risico vormt voor de inheemse grijze eekhoorn, omdat deze niet voorkomt in het Leeuwarderbos, ziet de rechtbank geen reden om alsnog het dier te vangen. Ook is niet gebleken van nakomelingen van deze ontsnapte eekhoorn. Verder overweegt de rechtbank de kans klein dat deze eekhoorn buiten het Leeuwarder Bos zal komen, omdat de Amerikaanse rode eekhoorn een beperkte actieradius heeft.

3.4.5 Andere bevredigende oplossing
Bij de vraag of ontheffing kan worden verleend is van belang of er een andere bevredigende oplossing bestaat. De vraag of sprake is van een andere bevredigende oplossing, ofwel de zogenaamde alternatieventoets.

Het Hof van Justitie heeft in haar arrest van 21 juni 201867HvJ EU 21 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:477, AB 2018/283. in welke procedure het ging om ontheffingen verleend voor het vangen en houden van vinkachtigen op Malta, geoordeeld over de vraag of er sprake was van een andere bevredigende oplossing. Het Hof oordeelde dat de verleende ontheffingen een ontoereikende motivering bevatten met betrekking tot het feit dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In de uitspraak van de ABRvS van 8 mei 20168ABRvS 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1491. was voor de onderbouwing dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat verwezen naar de beoordelingen en afwegingen gemaakt in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan waarmee de ontwikkeling mogelijk werd gemaakt. De ABRvS overweegt dat nu de ontsluitingsweg op een alternatieve, voor de heikikker minder schadelijke locatie zou kunnen worden aangelegd en de bebouwing ten gunste van de heikikker zou kunnen worden verminderd, dit niet betekent dat het standpunt van het college onjuist is. Daarbij neemt de Afdeling uitdrukkelijk mee dat er compensatiemaatregelen zijn voorzien in de aanleg van twee faunapassages onder de ontsluitingsweg.

3.4.6 Gunstige staat van instandhouding
Nadat is geconstateerd dat er een verbod wordt overtreden, is vastgesteld dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en een belang genoemd in de wet aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd dient te worden getoetst aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De gunstige staat van instandhouding mag immers niet in gevaar komen. Daarbij mag ─ zoals eerder al uitgemaakt ─ de minister op basis van het mortaliteitscriterium van 1% aannemen dat de instandhouding van de betrokken diersoorten niet verslechtert.69ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1535.

Voor de vraag of de gunstige staat van een soort in gevaar was, werd in de uitspraak van de ABRvS van 8 mei 201970ABRvS 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1491. voor de gunstige staat van de rugstreeppad, gekeken naar de meest kritische soort, te weten de heikikker. Het college had in die procedure als uitgangspunt gehanteerd dat “wat goed is voor de heikikker ook goed is voor de rugstreeppad”. De stichting die tegen de verleende ontheffing in beroep kwam heeft naar het oordeel van de ABRvS niet aannemelijk gemaakt dat de verschillen tussen de eisen die de heikikker en de rugstreeppad aan hun leefomgeving stellen dermate groot zijn dat door het hanteren van dit uitgangspunt de gunstige staat van instandhouding van de rugstreeppad of heikikker in gevaar komt.

3.4.7 Ontheffingsgronden
Een ontheffing kan alleen verleend worden indien (i) er geen andere bevredigende oplossing is; (ii) de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is; en (iii) de ontheffing verleend kan worden op grond van één van de voor de soortgroep in te roepen wettelijke belangen. Zoals wellicht bekend is het aantal wettelijke belangen dat voor een ontheffing voor vogels kan worden ingeroepen het meest beperkt en kan voor de “overige soorten” (art 3.10 Wnb), niet zijnde de habitatrichtlijnsoorten van art. 3.5 Wnb, een beroep worden gedaan op de meeste wettelijke belangen. Let dus altijd op welke belangen voor welke soorten ingeroepen kunnen worden. Hierna behandelen wij verschillende uitspraken waarbij de verschillende belangen – al dan niet succesvol – worden ingeroepen.

De rechtbank Noord-Nederland heeft in haar uitspraak van 29 november 201871Rb. Noord-Holland 29 november 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10381. Zie een uitgebreid artikel over deze uitspraak en de gedragscode in: J.M.I.J. Zijlmans & R.G. Roepers, “Gedragscode soortenbescherming richtlijnconform?”, NBR, tijdschrift voor natuurbeschermingsrecht 2019/3, p. 92-101. het goedkeuringsbesluit voor de Gedragscode Natuurinclusief renoveren, bestemd voor projecten met het Nul op de Meter (NOM) Keur in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gemotiveerd door de minister dat het tegengaan van klimaatverandering zowel in het belang van de flora en fauna als in het belang van de volksgezondheid kan zijn en dat beide belangen daarmee aan het goedkeuringsbesluit ten grondslag gelegd mochten worden. Daarnaast kan de rechtbank de minister volgen in de stelling dat met het beperken van de klimaatverandering een groot openbaar belang is gediend. Het besluit van de minister om het Tracébesluit voor de weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere vast te stellen is aan de orde in de uitspraak van de ABRvS van 27 februari 2019.72ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596 (Tracébesluit Schiphol-Amsterdam-Almere). De ABRvS overweegt in het kader van de uitvoerbaarheidstoets van dit tracébesluit dat voor een project als dit mogelijk ontheffing kan worden verleend voor het belang “dwingende reden van groot openbaar belang”. In hoeverre dit daadwerkelijk het geval is, zo overweegt de ABRvS, staat nu niet ter beoordeling. Het lijkt ons ook zeer aannemelijk dat dit project onder de ontheffingsgrond “dwingende reden van groot openbaar belang” kan worden verleend. Ook in de procedure over het inpassingsplan waarbij de aanleg van een 380 kV kabel tussen Borssele en Rilland mogelijk wordt gemaakt, kwam de ABRvS73ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672 (380kV-west Borssele en Rilland), onder verwijzing naar eerdere uitspraak: ECLI:NL:RVS:2010:BO9217). in het kader van de uitvoerbaarheidstoets tot de conclusie dat sprake kon zijn van een “groot openbaar belang”. Duidelijk is dat hier niet wordt verwezen naar het belang “dwingende reden van groot openbaar belang”, maar naar het belang “openbare veiligheid”. Er wordt immers vervolgens overwogen dat daardoor niet op voorhand is uitgesloten dat de ontheffing verleend kan worden met het oog op de bescherming van de openbare veiligheid.

Voor alle ontheffingen op grond van hoofdstuk 3 Wnb speelt de vraag of er een wettelijk belang is, een belangrijke rol. In een procedure74ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1535 (3.18 opdracht ganzen ZH). over een besluit tot opdracht als bedoeld in artikel 3.18 Wnb voor het beperken van de omvang van de populatie grauwe ganzen, brandganzen, Canadese ganzen en gedomesticeerde grauwe ganzen in Zuid-Holland is het belang veiligheid van het luchtverkeer aan de orde. De ABRvS concludeert dat er geen deugdelijk onderzoek is waaruit volgt dat het belang “veiligheid van het luchtverkeer” aan de opdracht ex art 3.18 Wnb ten grondslag kan worden gelegd. De ABRvS overweegt daartoe dat “een oorzakelijke relatie” tussen de populatie standganzen en de incidenten (aanvaring met vliegtuigen, baankruisingen) niet voldoende is toegelicht in het Faunabeheerplan en evenmin volgt uit andere stukken. In een bestemmingsplanprocedure werd aangevoerd dat de ontwikkeling “geen openbaar belang” betreft, echter de vereiste ontheffingen voor het bestemmingsplan en de ontwikkeling waren al verleend.75ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1257 (Bp Oude Tempel).

3.5 Aanhaken of niet aanhaken bij de omgevingsvergunning
Wanneer dient een natuurtoestemming nu wel en niet aan te haken bij een omgevingsvergunning? Het maakt geen verschil voor het aanhaken of sprake is van een natuurvergunning of ontheffing. In deel 1 van onze kroniek behandelen wij dit onderdeel eveneens.

Aanhaken van een natuurtoestemming bij een omgevingsvergunning betekent ook dat indien de omgevingsvergunning wordt vernietigd, de aangehaakte natuurtoestemming eveneens onderuitgaat. Een voorbeeld geeft de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 201976Rb. Gelderland 19 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1730. waarbij de omgevingsvergunning (OBM) wegens het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit werd vernietigd en de ontheffing voor soorten die was aangehaakt meetrok in haar val. De tevens verleende omgevingsvergunning voor afwijken van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik bleef wel in stand omdat geen sprake was van onlosmakelijke samenhang.

Een veelgehoorde vraag over aanhakende natuurtoestemmingen is wie er verantwoordelijk is voor het laten aanhaken van een natuurtoestemming. Is dat de aanvrager of het bevoegd gezag? In de uitspraak van de ABRvS van 13 maart 201977ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:815, M en R 2019/47. staat de vraag centraal op welke gronden het bevoegd gezag mag verzoeken om aanvulling van de aanvraag (wegens het ontbreken van een quickscan voor soorten in dit geval). De ABRvS is duidelijk, het bevoegd gezag had in dezen te weinig aanknopingspunten voor het oordeel dat een quickscan vereist was en de aanvraag moest worden aangevuld. Een rol lijkt hierbij te spelen dat de aanvraag zag op het aanbrengen van een dakkapel op één woning. Daarnaast acht de ABRvS van belang dat de gemeentelijke ecoloog geen onderzoek ter plaatse heeft verricht.

3.6 Bestemmingsplannen en soortenbescherming
In bestemmingsplanprocedures wordt nogal eens een beroep gedaan op de regels over soortenbescherming uit de Wnb. In het kader van een bestemmingsplan kan de Wnb voor soortenbescherming een rol spelen in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Niet alleen kan een nog niet verleende en eventueel mogelijk vereiste ontheffing in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde komen, maar ook reeds verleende ontheffin78ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2444. kunnen hierin een rol spelen. In de uitspraak79ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672 (380kV-west Borssele en Rilland). over het inpassingsplan voor de 380 kV kabel tussen Borssele en Rilland wordt eveneens in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan naar soortenbescherming gekeken. Overwogen wordt dat de reeds verleende ontheffingen voor soorten in deze procedure niet ter beoordeling staan. Het betoog dat ten onrechte geen ontheffing is verleend kan echter in het kader van de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan wel aan de orde komen. In een bestemmingsplanprocedure waarin de ABRvS uitspraak deed op 19 april 201980ABRvS 19 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1282 (Bp Zeehospitium fase 2). werd eveneens een reeds verleende ontheffing voor soortenbescherming ter discussie gesteld. De vereniging die een beroep deed op de reeds verleende ontheffingen had inmiddels om intrekking van de ontheffing gevraagd. De ABRvS overweegt echter dat nu het verzoek om intrekking dateert van na de vaststelling van het plan dit verzoek niet af kan doen aan de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. Indien de ontheffing na een ongegrond bezwaar in een bestemmingsplanprocedure aan de orde gesteld wordt, geldt zeker dat hiervan niet gesteld kan worden dat deze de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.81ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1257 (Bp Oude Tempel), waarvoor tevens een wijziging van de ontheffing inmiddels was verzocht omdat de uitzetlocatie voor de das niet geschikt bleek, welke inmiddels ook was verleend.

Ook de vraag of de voorwaarden/mitigerende maatregelen verbonden aan een reeds verleende (en soms tevens onherroepelijke) ontheffing soortenbescherming op grond van de Wnb kan in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde gesteld worden. Een voorbeeld betreft een bestemmingsplanprocedure waarover de ABRvS uitspraak deed op 6 maart 201982ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:728 (Bp Noord-West Ziekenhuis Alkmaar). waarbij niet aannemelijk was gemaakt dat getwijfeld moest worden “aan de realiteitswaarde van eventueel vereiste mitigerende maatregelen van een reeds eerder verleende ontheffing voor vleermuizen”. De ABRvS hechtte in een bestemmingsplanuitspraak van 17 april 201983ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1264. in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan waarde aan het feit dat voorziene mitigerende maatregelen waren opgenomen in een werkprotocol.

Steeds schaarser worden de uitspraken waarbij in het kader van de vaststelling van het bestemmingplan helemaal niets is onderzocht op het gebied van soortenbescherming. Over het algemeen is er onderzoek verricht of zelfs al ontheffing verleend. Maar de uitgevoerde onderzoeken worden veelal wel ter discussie gesteld. In paragraaf 3.9 worden uitspraken (onder meer bestemmingsplanprocedures) besproken waarin onderzoeken naar aanwezige soorten en mogelijke overtredingen van soortbeschermingsbepalingen uit de Wnb aan de orde zijn.

3.7 Natuurvoorwaarden in bestemmingplan of omgevingsvergunning
De vraag of in een bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor het onderdeel natuur (soortenbescherming) opgenomen had moeten worden, lijkt over het algemeen negatief beantwoord te worden. Een voorbeeld betreft een bestemmingsplanuitspraak van 29 mei 201984ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1785. waarin de raad naar voren brengt dat een voorwaardelijke verplichting gelet op de zorgplicht uit de Wnb niet opgenomen hoeft te worden. Dit betekent aldus de raad dat er niet gekapt mag worden in het broedseizoen, de ABRvS acht dit niet onjuist. Daarbij neemt de ABRvS mee dat tegen overtreding van de Wnb eventueel handhavend opgetreden kan worden. In een bestemmingsplanprocedure aan de orde in een uitspraak van de ABRvS van 7 november 2018 wordt overwogen dat de raad er in redelijkheid van af heeft kunnen zien om mitigerende maatregelen voor beschermde soorten in het bestemmingsplan vast te leggen. Reden daarvoor is onder meer dat voor de bedoelde soort niet op voorhand vaststaat dat maatregelen moeten worden getroffen aangezien niet zeker is of de soort in het plangebied voorkomt.85ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3623 (Bp Eemshaven Zuidoost).

3.8 NNN
In deze kroniek behandelen we voor het eerst ook het Natuur Netwerk Nederland, voorheen EHS, in relatie tot bestemmingsplannen.

In een bestemmingsplanprocedure waarover de ABRvS86ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1888. op 12 juni 2019 uitspraak deed was aan een perceel dat onderdeel uitmaakt van de NNB (Natuur Netwerk Brabant) de bestemming “natuur” toegekend. De aanwezige (legale) bebouwing is volgens appellanten echter ten onrechte niet bestemd voor natuur. Op grond van de planregels zijn echter gronden aangewezen voor “natuur” tevens aangewezen voor verspreid liggende legale bebouwing zoals die ten tijde van het ter inzage leggen van dit plan aanwezig was. De aanwezige bebouwing valt onder deze planregel en is daarmee als zodanig bestemd.

Op 22 mei 2019 deed de Afdeling87ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1668. in een andere bestemmingsplanprocedure uitspraak. Aan de orde was de herbegrenzing van de NNN. Een besluit tot wijziging van de begrenzing van de NNN (of NNB in dit geval) is een algemeen verbindend voorschrift.88Onder verwijzing naar uitspraak ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1060 destijds nog over herbegrenzing EHS.

3.9 Onderzoeken, rapporten en deskundigen
Zowel in het kader van ontheffing van verbodsbepalingen soortenbescherming op grond van de Wnb, als bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en overige vergunningen worden de uitgevoerde onderzoeken, rapporten en deskundigen in procedures ter discussie gesteld.

Evenals in de vorige kroniek zullen we een groot aantal uitspraken rubriceren aan de hand van de verschillende gebreken die aan een onderzoek, rapport of deskundige kunnen kleven.

a) Geen (nader) onderzoek verricht;
Steeds schaarser zijn uitspraken waaruit volgt dat in het geheel geen onderzoek is verricht. Maar ook in deze kroniekperiode is er nog wel een voorbeeld te noemen. In een bestemmingsplanprocedure89ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1325. heeft de raad blijkens de plantoelichting (weliswaar) contact opgenomen met een ecologisch adviesbureau, maar bij het plan is geen rapport gevoegd waarin de bevindingen van het ecologisch adviesbureau zijn neergelegd. De ABRvS overweegt dat het daarom niet duidelijk is op basis waarvan het ecologisch adviesbureau tot de conclusie is gekomen dat er geen mitigatieplan nodig is en of daarbij ook naar andere storingsactivteiten behalve bouwwerkzaamheden is gekeken. Daarmee staat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Het ter zitting aanvullen van informatie om het natuuronderzoek nader toe te lichten of zelfs de motivering aan te vullen, keert steeds vaker terug in uitspraken. In een procedure over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van negen appartementen was geen onderzoek verricht naar de aanwezigheid van broedende vogelsoorten zoals de ransuil. Het onderzoeksbureau stelt daarover dat de aanwezigheid van een nestelende ransuil dan ook goed mogelijk is. Echter door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden wordt het mogelijke nest niet verstoord of vernield en worden geen ransuilen verwond of gedood. De rechtbank90Rb. Zeeland-West-Brabant 25 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6248. is daarom van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. In een bestemmingsplanprocedure waarover de ABRvS oordeelde in haar uitspraak van 24 april 201991ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1352. werd door de raad (en in de plantoelichting) aangegeven dat sprake was geweest van een visuele inspectie op het terrein. Ter zitting werd toegelicht dat de raad door de omgevingsdienst is geadviseerd. Gelet hierop mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond.

Bij een groot aantal bestemmingsplannen kleefde in het verleden het gebrek dat weliswaar onderzoek was uitgevoerd, maar een uit dat uitgevoerde onderzoek gebleken vereiste vervolgonderzoek werd ten onrechte nagelaten. Er lijkt beter gelet te worden op de opgestelde rapporten en daaruit voortvloeiende vervolgonderzoeksverplichtingen. Een voorbeeld betreft de Afdelingsuitspraak van 17 maart 2019.92ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1264 (Bp Natuurbegraafplaats). In de uitspraak van de ABRvS van 19 december 2018 gaat het eveneens mis op dit punt.93ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197. In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel94Rb. Overijssel 15 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:896. werd een omgevingsvergunning geschorst, onder meer omdat op het punt van de Wnb nader onderzoek dan wel een nadere onderbouwing van het bestreden besluit was vereist.

b) Kwaliteit onderzoek/deskundigen;
Nogal eens wordt de deskundigheid van een onderzoeker ter discussie gesteld, al valt op dat het aantal uitspraken waarbij de kwaliteit van de deskundige aan de orde is wel af lijken te nemen. In een bestemmingsplanprocedure waarover de ABRvS uitspraak deed op 6 maart 201995ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:728 (Bp Noord-West Ziekenhuis Alkmaar). werd gesteld dat de uitvoerder van het onderzoek niet onafhankelijk zou zijn. De ABRvS stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het onderzoeksbureau al lang met het bestuursorgaan samenwerkt onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat het onderzoek niet onafhankelijk zou zijn. Voor die conclusie zijn concrete aanwijzingen van partijdigheid nodig. Of zoals de rechtbank96Rb. Midden-Nederland 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5145 (Ontheffing 3.10 Wnb). stelt: in beginsel mag van afgegaan worden op het deskundigenadvies, dit is slechts anders indien er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren worden gebracht. In een procedure bij de ABRvS (niet de eerste over deze kwestie) werd gesteld dat de onderzoeker niet deskundig was. De ABRvS97ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4269 (handhaving Berend Botje 2018). verwijst naar een eerdere uitspraak over dezelfde deskundige waaruit volgt dat de deskundige een opleiding in biologie heeft genoten, waterplantdeskundige is en onder meer onderzoek heeft gedaan naar de betreffende waterplant (krabbescheer). Ook wordt naar voren gebracht dat het door hem uitgevoerde onderzoek gebreken vertoont, echter er zijn geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor het oordeel dat twijfel bestaat over de juistheid of volledigheid van het onderzoek.98ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4269 (handhaving Berend Botje 2018). Ook de onderzoeksmethoden werden in twijfel getrokken in deze voornoemde bestemmingsplanprocedure,99ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:728 (Bp Noord-West Ziekenhuis Alkmaar). echter er is toegelicht dat bij de onderzoeken algemeen geaccepteerde werkwijzen zijn gevolgd (te weten: vleermuisprotocol 2017 en SOVON telrichtlijnen). De StAB stelt dat niet gebleken is dat de gehanteerde onderzoekmethoden niet deugdelijk zouden zijn.

Er bestaan verschillende soortenstandaarden100Een soortenstandaard is een te gebruiken set met standaardmaatregelen etc. Zoals in de Soortenstandaard Das omschreven: “Voor de bedreigde plant- en diersoorten waarvoor vaak een ontheffing wordt aangevraagd, zijn soortenstandaarden opgesteld. Deze soorten- standaarden bevatten een aantal kenmerkende ecologische aspecten van de betrokken soort, en een set basis- of standaardmaatregelen die een initiatiefnemer die een ruimtelijke ingreep overweegt waarbij een beschermde soort is betrokken, kan of moet nemen. Bij deze maatregelen staat grotendeels vast dat ze effectief zijn, maar waar dit nog niet onomwonden is vastgesteld, wordt dit vermeld. Afwijkingen van die basisset maatregelen zijn alleen mogelijk als de lokale situatie of populatie dat vereist. Dan zijn er dus maatwerkmaatregelen noodzakelijk. De ecologische informatie per soort en bijbehorende set basismaatregelen is samen- gevoegd in een document dat we ‘soortenstandaard’ noemen”. waarin onder meer maatregelen, kenmerken van de soort en onderzoeksmethoden worden beschreven. Hoofdregel is ─ net als bij het vleermuisprotocol ─ dat het niet opvolgen van een soortenstandaard niet wil zeggen dat het onderzoek dat is verricht ondeugdelijk is. Ook gaat een bestemmingsplan niet onderuit indien een onderzoek op grond van de soortenstandaard nog afgerond moet worden.101ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1740. In een voorlopige voorzieningenprocedure wordt de kwaliteit van de verrichtte onderzoeken uiteraard minder indringend getoetst dan in de bodemprocedure. In een voorlopige voorzieningenprocedure102ABRvS (vzr.) 22 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2079. gericht tegen een bestemmingsplan werd door verzoekers naar voren gebracht dat het uitgevoerde onderzoek ten onrechte in de winterperiode was uitgevoerd. De voorzieningenrechter overweegt op dat punt dat het feit dat de veldbezoeken in de winter plaats hebben gevonden op voorhand geen aanleiding geven voor het oordeel dat het natuurwaardenonderzoek en vleermuisonderzoek gebrekkig moet worden geacht.

c) Geen of geen goede contra-expertise uitgevoerd;
Een daadwerkelijk tegenrapport of contra-expertise wordt niet vaak ingebracht.103Zo ook niet in: Rb. Noord-Nederland (vzr.) 27 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:732 (omgevingsgvergunning kap). In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland104Rb. Midden-Nederland 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5145 (Ontheffing 3.10 Wnb). was wel een contra-expertise ingebracht, de rechtbank vond echter dat op basis hiervan niet aan de uitkomsten van de onderzoeken die aan de verleende ontheffing ten grondslag gelegd waren getwijfeld hoefde te worden. In een handhavingsprocedure die aan de orde was bij de rechtbank Overijssel105Rb. Overijssel 13 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:860 (Dwangsom natuurcamping Dassenburcht). was verzocht om handhaving op grond van de Wnb tegen activiteiten op het achter de natuurcamping gelegen uitbreidingsterrein, vanwege de vermeende aantasting van foerageergebied van een das. Het bevoegd gezag heeft voor de beslissing op bezwaar een andere deskundige (deskundige 2) ingeschakeld, dan in de fase van het primaire besluit. De rechtbank merkt op dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting onvoldoende heeft onderbouwd waarom er in dit geval reden is voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het deskundigenrapport (dat aan het primaire besluit ten grondslag gelegd was) en waarom hij heeft gemeend bij het besluit op bezwaar doorslaggevende betekenis te moeten toekennen aan de opvattingen van partijdeskundige 2. De rechtbank is van oordeel dat dit temeer klemt nu deskundige 2 is gelieerd aan derde-belanghebbenden zodat het de vraag is of dit onderzoeksbureau in deze procedure als voldoende onafhankelijk en onpartijdig kan worden beschouwd en of daarom aan de opvattingen van deze deskundige doorslaggevende betekenis kan toekomen.

d. Niet gemotiveerd welk gebrek er kleeft aan het onderzoek;
Het komt nog altijd veel voor dat er wordt geklaagd over de uitgevoerde natuuronderzoeken voor soortenbescherming zonder dat wordt aangegeven welke gebreken er aan het onderzoek kleven.106ABRvS 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3051 (omgevingsvergunning antenne).107Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:956 (omgevingsvergunning mountainbikepad); en ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1140; ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1257; ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1263; ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1265 (Bp Synergieplan); Rb. Gelderland 7 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1949; ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1553 (Bp N282); ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1891 (Bp Blaak Oost 2002 2e herziening). Zie ook: Rb. Noord-Holland 23 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4424 waarin wordt geoordeeld dat “het enkel plaatsen van kanttekeningen bij de data” onvoldoende is. In de uitspraak van 25 juli 2018108ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505 (Bp N605). had een deskundige aangevoerd dat de aanwezige nestkasten verplaatst en teruggeplaatst konden worden indien nodig. Appellanten in die procedure hebben dit oordeel ongemotiveerd bestreden en daarom zonder succes. En men moet ook opletten of een stelling of verweer wel volledig ingaat op het uitgevoerde onderzoek en de conclusies. Zo is met de stelling van appellanten in een procedure dat bepaalde soorten na afsluiting van de haven tijdens de aanlegfase van de eilanden (aan de orde was bestemmingsplan Brouwerseiland) niet of moeilijker uit het plangebied kunnen ontsnappen, niet aangetoond dat deze soorten zich niet in luwe delen van de haven kunnen ophouden tijdens de werkzaamheden, aldus de ABRvS.109ABRvS 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1399. In een procedure over een omgevingsvergunning stond een onderzoek over soortenbescherming ter discussie. De conclusie uit het onderzoek was dat de Wnb niet aan de realisatie van het bouwplan in de weg staat, echter uit het verrichtte onderzoek volgde niet waarop die conclusie was gebaseerd. De ABRvS110ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2542. acht echter van belang dat het geconstateerde gebrek betrekking heeft op de kenbaarheid van de motivering van het rapport en niet op juistheid van de conclusies.

e. Eigen waarnemingen van diersoorten;
Bekend zijn de gevallen waarbij omwonenden en anderen in procedures zich op het standpunt stellen dat bepaalde beschermde soorten wel aanwezig moeten zijn in de omgeving, aangezien zij de soorten zelf hebben waargenomen.111ABRvS 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1082, waar omwonenden beweerden ijsvogels en spechten in het plangebied te hebben waargenomen. De waarneming van een omwonende is echter onvoldoende. Daarbij komt nog dat de enkele aanwezigheid van een beschermde soort nog niet voldoende is, alleen indien er ook mogelijk verbodsbepalingen worden overtreden kan een ontheffing vereist zijn. In een bestemmingsplanprocedure werden foto’s overgelegd die laten zien dat eekhoorns gebruikmaken van de locaties rondom het plangebied en mogelijk ook van het plangebied, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat eekhoorns ook vaste rust- en verblijfplaatsen hebben in bomen in het plangebied.112ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3491 (Bp Hazelaarstraat-Lijsterbesstraat), en een voorbeeld waarin ter zitting foto’s werden overgelegd: ABRvS 20 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1605. In een andere uitspraak werd onvoldoende geacht dat de aanwezigheid van soorten met jaarrond beschermde nesten “eerder waargenomen” waren.113ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:687 (Bp Centrum 2013 badhuis), waar werd aangevoerd dat soorten met jaarrond beschermde nesten eerder zijn waargenomen. Zie ook ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2655 (Bp De Meeuwen De Brink 2017). Ook de losse stelling dat een “bioloog ter plaatse bijzondere soorten heeft waargenomen”, acht de ABRvS onvoldoende.114ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:189 (Bp Reparatie bestemmingsplan binnenstad).

f. Onderzoek is gedateerd;
In de uitspraak van de ABRvS van 6 maart 2019115ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:687 (Bp Centrum 2013 badhuis). werd aangevoerd dat het onderzoek gedateerd was. Aangezien het onderzoek niet ouder was dan 2 jaar ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan verwijst de ABRvS hiervoor slechts naar het bepaalde in art. 3.1.1a van het Bor, waarin nu juist een grens van 2 jaar is neergelegd. Indien het onderzoek inmiddels is geactualiseerd en dat geactualiseerde onderzoek ook aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, dient van dit samenstel van onderzoeken uitgegaan te worden.116ABRvS (vzr.) 22 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3415 (onderzoek in 2013 en actualisatie in 2018). ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2592. Ook indien het uitgevoerde onderzoek wel ouder is dan 2 jaar, dan geldt volgens vaste jurisprudentie nog dat de gegevens wel gebruikt mogen worden indien zich na de totstandkoming van het onderzoek geen zodanige ontwikkelingen hebben voorgedaan dat het onderzoek niet gebruikt kan worden. Het tegendeel kunnen appellanten niet altijd aannemelijk maken.117ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2315. In een andere bestemmingsplanprocedure118ABRvS 5 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1586. was een onderzoek in 2013 (op basis van de Ffw) uitgevoerd en een onderzoek in 2018 (op basis van de Wnb). Per abuis had alleen het onderzoek uit 2013 ter inzage gelegen. Appellanten twijfelden of de raadsleden het onderzoek uit 2018 wel kenden. Tijdens de zitting werd bevestigd dat de raadsleden ook het onderzoek uit 2018 hadden gezien en daarmee was er met de onderzoeken geen probleem meer voor de uitvoerbaarheid van het plan. De eis dat een verouderd onderzoek niet zonder meer gebruikt kan worden geldt uiteraard ook voor appellanten. In een procedure119ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395. over een omgevingsvergunning verleend voor een varkensstal hadden appellanten een onderzoeksnotitie ingebracht. Deze notitie was echter 15 jaar oud en inmiddels is de huidige bouwlocatie (nu: paardenbak) ook niet meer vergelijkbaar met het destijds aanwezig begraasde weiland. Met deze notitie wordt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er beschermde dier- en plantensoorten op de bouwkavel voorkomen. Ten slotte ging de stelling dat het vleermuisprotocol verouderd is niet op omdat, ten tijde van de vaststelling van het aan de orde zijnde wijzigingsbesluit het vleermuisprotocol 2017 het meest rechte was.120ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596 (Tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere).

g. Onderzoek voor ander project uitgevoerd;
In de uitspraak van de ABRvS van 6 maart 2019121ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:687 (Bp Centrum 2013 badhuis). werd aangevoerd dat het onderzoek niet gebruikt kon worden omdat het voor een ander bouwplan en onder inmiddels verouderde regelgeving was opgesteld. Aangezien de onderzoeken zijn gebruikt voor de feitelijke vraag of bij de uitvoering van het bestemmingsplan beschermde soorten of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten worden aangetast of verstoord, meent de ABRvS dat de onderzoeken gebruikt konden worden. In een bestemmingsplanprocedure122ABRvS 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3063 (Bp Honderland fase 2). was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds onderzoek uitgevoerd naar een deel van het plangebied – dat overigens uit ecologisch oogpunt niet in belangrijke mate verschilt van de rest van het plangebied – en waarvoor tevens ontheffing op grond van de Wnb is verleend. Dat het onderzoek zoals aan dit bestemmingsplan ten grondslag gelegd pas na vaststelling gereed was, maakt daardoor niet dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar mag worden geacht.

Geconcludeerd kan worden dat het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag wordt gelegd, veelvuldig ter discussie wordt gesteld maar vrijwel nooit met succes. In de onderzoeken die aan de verschillende besluiten ten grondslag gelegd worden zien wij steeds minder gebreken.

3.10 Handhaving
Verzoeken om handhaving kunnen in het kader van de Wnb zich op verschillende punten richten. Een verzoek kan zich ─ grofweg ─ richten (i) tegen het uitvoeren van activiteiten of verrichten van handelingen zonder vereiste ontheffing; of (ii) wegens handelen in strijd met aan de ontheffing verbonden voorschriften. De meeste verzoeken zijn onder te verdelen in de eerste categorie. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 18 oktober 2018 vastgesteld dat een deel van de voorwaarden die aan de ontheffing zijn verbonden niet of niet volledig zijn uitgevoerd en dat er daarom sprake is van overtredingen van de ontheffing. De rechtbank heeft geconcludeerd dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van handhavend optreden. Daarbij is de stand van de natuurwaarden en van de doelsoorten waarvoor de ontheffing is verleend niet bepalend voor de vraag hoe de compensatiegebieden moeten worden ingericht. Immers zo overweegt de rechtbank, bepalend voor de wijze waarop de compensatiegebieden moeten worden ingericht is de ontheffing en de daaraan ten grondslag liggende stukken. In dat verband is van belang dat in de ontheffing in een voorwaarde expliciet is opgenomen dat het voorgestelde pakket van maatregelen een totaalpakket vormt. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om af te wijken van de ontheffing omdat uitdrukkelijk is bepaald dat het totaalpakket volledig uitgevoerd moet worden. Daarmee is het voor de rechtbank ook niet van belang of het afwijken van de vergunning al dan niet afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de doelsoorten en de aanwezige natuurwaarden.

Niet nieuw maar altijd weer interessant zijn de opgelegde lasten onder dwangsom (of bestuursdwang) wegens een overtreding van een andere wet dan de Wnb waarbij voor de uitvoering van die last een Wnb-ontheffing is vereist. De ABRvS123ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2750. deed op 22 augustus 2018 uitspraak in een handhavingsprocedure waarbij een last onder dwangsom was opgelegd waarbij werd gelast om opgaande beplanting te verwijderen en verwijderd te houden voor een bepaalde datum. De staatssecretaris had echter een aanvraag om ontheffing (toen nog Ffw) afgewezen voor deze kapwerkzaamheden. Die weigering om ontheffing was reeds onherroepelijk. Het college heeft daarom besloten om de opgelegde last op te heffen, met de motivering dat niet meer aan de last kon worden voldaan gelet op deze weigering. De stichting die tegen de opgeheven last opkwam heeft geen succes. De ABRvS overweegt dat de aangevoerde hoger beroepsgronden zien op de inmiddels onherroepelijke weigering om de ontheffing te verlenen. Aangezien die ontheffing in de handhavingsprocedure niet voorligt kan daarover niet geoordeeld worden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Een verzoek om handhaving wegens het overtreden van een gedragscode is naar het oordeel van de ABRvS124ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:399 (Berend Botje). terecht afgewezen nu er sprake was van concreet zicht op legalisatie, te weten de destijds op handen zijnde inwerkingtreding van de Wnb.

3.11 Samenloop met andere wetten
In het kader van bestemmingsplannen, Tracébesluiten en verleende omgevingsvergunningen (zonder aanhaken) kunnen de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb met name in het kader van de uitvoerbaarheid van de besluiten aan de orde komen. Maar ook in het kader van een waterwetgeving kunnen de soortenbeschermingsbepalingen aan de orde komen. Een voorbeeld betreft procedure over de gecoördineerde behandeling van een tweetal besluiten tot vaststelling van een projectplan op grond van de Waterwet, een besluit tot wijziging van de legger en een omgevingsvergunning ter uitvoering van een projectplan op grond van de Waterwet. De ABRvS125ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3225 (Dijkversterking Dijktraject 74 Neer). overwoog in die procedure dat de uitvoerbaarheid wordt betwist van het projectplan vanwege de gestelde aanwezigheid van broedplaatsen waarvoor mogelijk een vrijstelling of ontheffing op grond van de Wnb zou zijn vereist. Die vraag kan in beginsel in die procedures (ontheffing soortenbescherming Wnb) aan de orde gesteld worden. Alleen indien het bestuursorgaan op voorhand redelijkerwijs in had moeten zien dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, is dat anders. Die situatie doet zich niet voor.

In het kader van een watervergunning voor twee waterkrachtcentrales lag de vraag voor of in de vergunningvoorschriften voor de watervergunning voorschriften over soortbescherming opgenomen hadden moeten worden. De rechtbank126Rb. Oost-Brabant 2 november 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5364 (tevens ECLI:NL:RBOBR:2018:5363). overweegt dat er wel een grondslag is om deze voorschriften aan de vergunning te verbinden, nu op grond van de Waterwet aan de vergunning voorschriften verbonden kunnen worden ter bescherming en verbetering van de ecologische kwaliteit van de watersystemen. Het feit dat de Wnb voorziet in soortenbescherming, maakt niet dat op grond van de Waterwet geen voorschriften voor ‘overige vissoorten’ aan de vergunning mogen worden verbonden, zo overweegt de rechtbank. De doelstelling van de Waterwet omvat volgens de rechtbank immers meer dan het beschermen van de vissoorten zalm en paling. Zoals prof. mr. Van Rijswick terecht opmerkt in haar noot in AB 2019/33 is ook voor ons onduidelijk of de Wnb in dit geval (ook) van toepassing is.

In een civiele procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden127Hof Arnhem-Leeuwarden 11 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8145. stond een krakerskortgeding centraal. Het risico dat de projectontwikkelaar regels voor soortbescherming (mogelijk) overtreedt staat naar het oordeel van het Hof niet in de weg aan toewijzing van de ontruiming. Dit is wel aanleiding voor het Hof om de ontruimingstermijn te verlengen tot 90 dagen na het wijzen van dit arrest, nu een uitgewerkt plan van aanpak om compenserende maatregelen te nemen ontbreekt. Wij vragen ons af of het Hof niet simpelweg had kunnen (en moeten) vertrouwen op de bestuursrechtelijke beginselplicht tot handhaving voor de situatie dat zich inderdaad overtreding van de Wnb voor zou doen.

3.12 Overig
Onder het kopje overig wijzen wij in deze kroniekperiode op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant128Rb. Oost-Brabant 27 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3110. over het verschil tussen het begrip “bebouwde kom” als bedoeld in de Wnb en het begrip “bebouwde kom” als bedoeld in de APV.

3.13 Afronding
Hoewel onvermijdbaar de PAS in deze kroniekperiode een hoofdrol speelt in de jurisprudentie en publicaties, valt toch ook voor soortenbescherming weer genoeg jurisprudentie te bespreken. Er hebben zich echter op dit punt geen heel grote wijzigingen voorgedaan. Wij zijn benieuwd naar de ontwikkelingen in de komende periode en houden deze weer nauwlettend in de gaten.


Gerelateerd

Relativiteit bij het MER: deelaspecten van het milieuonderzoek
Erwin schreef een noot onder ABRvS 18 maar 2020, ECLI:NL:RVS:2020:801 in M en R 2020/49….
Aanleg rieteilanden en rietkraag is een beschermingsmaatregel waarmee in de passende beoordeling rekening mag worden gehouden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360 in M en R 2020/10…
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Programma Aanpak Stikstof; Uitzondering vergunningplicht weiden van vee/bemesten van gronden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 in M en R 2019/83…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Eisen passende beoordeling voor een programma (PAS).
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in M en R 2019/68…
Vervallen aanhaakverplichting natuurtoestemming bij omgevingsvergunning door intrekking onderdeel natuur.
Marieke schreef een noot onder ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803 in M en R 2019/57…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in…
Prejudiciële vragen Habitatrichtlijn; hoe om te gaan met natuurwaarden waarvoor een gebied niet is aangewezen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:883 in 1. Dit arrest,…
Het PAS-arrest; en nu?
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/18 over de gevolgen van het PAS-arrest….
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Besluitbegrip. Besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan. Vaststelling faunabeheerplan.
M. Bauman, D. Sietses & J.V. van Ophen schreven een noot onder ABRvS 20 maart…
Lucht boven Natura 2000-gebied onderdeel van het gebied?
Marieke scheef een noot bij Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2665 in M en…
Heldere contouren – vereisten aan onderzoek Dienstenrichtlijn worden duidelijk
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 19 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4195 en ECLI:NL:RVS:2018:4196 in Annotaties…
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Bestemmingsplanregeling; verzekeren dat een passende beoordeling niet is vereist
Marieke scheef een noot bij ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530 in M en R 2018/42. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Amsterdams vestigingsverbod toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar Amsterdam Cheese Company mag toch open blijven
Het Amsterdamse vestigingsverbod voor toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar de Amsterdam Cheese Company mag van…
Randvoorwaarden PAS – arrest HvJ
Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (over de Programmatische…
Randvoorwaarden voor verkleining van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (Vereniging Hoekschewaards Landschap) in…
Afdeling laat zich weer uit over Dienstenrichtlijn in relatie tot bestemmingsplan
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3471 in Annotaties OGR 2018-0228….
Prejudiciële vragen PAS: conclusie van de A-G
Marieke schreef een noot bij HvJ EU (A-G) 22 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 in M en…
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Omgevingsrechtelijke besluitvorming voor zonneparken: een overzicht
In Bouwrecht 2018/77 gingen Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed in op de omgevingsrechtelijke besluitvorming voor…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/62…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/49…
Subsidies voor duurzame initiatieven
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Subsidies voor duurzame initiatieven’, Bb 2018/33.
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Schadevergoeding. Gevraagde schadevergoeding doorslaggevend voor bevoegdheid bestuursrechter. Rechtsmachtverdeling.
D. Sietses, K.J. de Graaf & A.T. Marseille schreven een noot bij ABRvS 2 augustus…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de bestuursrechtelijke beroepsprocedure
Erwin Noordover en Tom Barkhuysen schreven ‘Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
De reikwijdte en rechtsgrondslag van nadeelcompensatie in het omgevingsrecht.
Derek Sietses schreef in TBR 2016/34, afl. 3 het verslag van de jaarvergadering van Vereniging…
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor een tekortschieten in hun inspanningen
Erwin Noordover en Laurens Westendorp schreven ‘Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor…
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel
Erwin Noordover schreef ‘Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel’, Bb 23 juni 2015/nr….
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
De reikwijdte van de bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure
K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in O&A 2015/3, afl….
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
De curator als overtreder
Erwin Noordover schreef ‘De curator als overtreder’ in Tijdschrift voor Insolventierecht, 2015/12. Een failliet bedrijf…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Titel 8.4 Awb: verdwenen, gebleven en nieuwe problemen
Deze bijdrage van K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses maakt deel uit van…
De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies
Fleur Onrust schreef “De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies”, in “Gepaste afstand, de…
Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee’, TO oktober…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan curator
Fleur Onrust schreef in JM 2014/111 over een besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan de curator. In de…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz….
Spoedeisende bestuursdwang, handhaving, bluswater, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann, noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:90,  JM 2014/34….
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
De finaliseringsslag in het bestuursrecht
B. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in NJB 2013/497, afl. 10. Aandacht voor…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van complicerende factoren
Erwin Noordover schreef ‘Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van…
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Handhaving – spoedeisende bestuursdwang
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:BY1700, inz. Handhaving, spoedeisende…
Hoge Raad over Kostenverhaal Chemie-Pack
Fleur Onrust met C.N.J. Kortmann, noot onder HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7505, inz. Kostenverhaal Chemie-Pack, AB 2013/368….
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 1
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Bestuursrechtelijk kostenverhaal bestuursdwang bij Chemie-Pack
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder Rb. Breda 21 juni 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8992,inz. Spoedeisende bestuursdwang…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
SVIR en Barro: beleid en regel voor de nationale ruimte
In Bouwrecht 2012/49 ging Erwin Noordover in op het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
Artikel 7:11 Awb
Fleur Onrust schreef met L.M. Koenraad het artikelgewijze commentaar op artikel 7:11 Awb in Module bestuursrecht…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Kostenverhaal brand Chemie-Pack Moerdijk
Fleur Onrust schreef een noot met C.N.J. Kortmann bij de uitspraak van de Rb 21 april…
De verhouding tussen BW en Awb in het kader van een subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1307 inz. De verhouding tussen BW en…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Subsidievaststelling en de verhouding tussen BW en Awb
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, inz. Subsidievaststelling en de verhouding tussen…
Verrekening teveel betaalde subsidie
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, inz. Verrekening teveel betaalde subsidie…
Subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NLRVS:2010:BL7011, inz. Subsidievaststelling, AB 2011/92. De…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…
Mediation in het bestuursrecht
Marieke Kaajan schreef het artikel “Mediation in het bestuursrecht. Mogelijkheden voor een wettelijke regeling” , AAe…