ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 08-10-2019

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)

Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in BR 2019/45. 

1. Inleiding
Deze kroniekperiode stond, voor wat betreft de bescherming van Natura 2000-gebieden, in het teken van de Programmatische Aanpak Stikstof (“de PAS”) en het hieruit voortvloeiende Programma Aanpak Stikstof (“het PAS”). Ten eerste omdat op 7 november 2018 – zoals hierna nog zal worden besproken – door het HvJ EU van de EU (“HvJ EU”) de door Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) gestelde prejudiciële vragen over de systematiek van en randvoorwaarden voor het PAS werden beantwoord.1HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. Zie ook M.M. Kaajan, ‘Het PAS-arrest; en nu?’, M en R 2019/18. 3. Ten tweede omdat de ABRvS en rechtbanken, in de periode totdat door de ABRvS duidelijkheid werd geboden over de houdbaarheid van het PAS, alle procedures waar het PAS een rol speelde (vergunningen én bestemmingsplannen) aanhielden. Dit leidde, ten derde, tot meerdere verzoeken om schorsing van besluiten, waardoor de ABRvS en rechtbanken een systematiek ontwikkelden om deze schorsingsverzoeken te beantwoorden.2ABRvS (vz.) 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795, AB 2018/108, m.nt. Red. en R.H.W. Frins, M en R 2018/61, m.nt. M.M. Kaajan, JBO 2018/86, m.nt. D. van der Meijden. Zie ook Rb. Gelderland 20 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5043; ECLI:NL:RBGEL:2018:5042; ECLI:NL:RBGEL:2018:5046; ECLI:NL:RBGEL:2018:5044; Rb. Noord-Nederland 20 december 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:5385, JBP 2019/10, m.nt. W. van Beek, AB 2019/178, m.nt. T. Mulder, Computerrecht 2019/53, m.nt. M.M.A. Oostveen, JNA 2019/1, m.nt. D. van der Meijden; Rb. Overijssel 30 november 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4590, M en R 2019/15, m.nt. M.M. Kaajan; Rb. Oost-Brabant (vz.) 18 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:904, JNA 2019/13, m.nt. D. van der Meijden; Rb. Midden-Nederland 29 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2018:5825 en ECLI:NL:RBMNE:2018:5823, M en R 2019/14, m.nt. M.M. Kaajan; ABRvS (vz.) 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:831 en ECLI:NL:RVS:2019:832 en ABRvS (vz.) 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:677, JNA 2019/16, m.nt. D. van der Meijden. En, last but not least, zo goed als tegelijkertijd bij het afronden van deze kroniek deed de ABRvS uitspraak in de twee zaken waarin de prejudiciële vragen waren gesteld waardoor ook duidelijkheid ontstond over de houdbaarheid van het PAS. Deze twee uitspraken van 29 mei 2019 worden hierna ook besproken.3ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (algemene uitspraak) en ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 (weiden en bemesten). Maar uiteraard gingen uitspraken het afgelopen jaar niet alleen maar over het PAS. Ook andere relevante uitspraken op het gebied van de bescherming van Natura 2000-gebieden komen in deze kroniekaan de orde, naast een kort overzicht van toekomstige wet- en regelgeving.

2. Toekomstige wet- en regelgeving
In de toekomst zal de Wnb in zijn geheel opgaan in de Omgevingswet en in de AMvB’s die onder de Omgevingswet hangen. De wijze waarop deze integratie vormgegeven wordt, blijkt uit de Aanvullingswet en het Aanvullingsbesluit natuur.4Zie ook R.H.W. Frins, ‘Het ontwerp-Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet’, TBR 2019/66. De Aanvullingswet natuur5Kamerstukken II 2017/18, 34985, 1-2. Zie ook Ch.W. Backes & A.A. Freriks, ‘Gebiedsbescherming en soortenbescherming in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet’, TO 2017/1, p. 12-20 en M.M. Kaajan, ‘Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?’, M en R 2017/45 (p. 280-291)., die op 29 juni 2018 aan de Tweede Kamer is aangeboden, voorziet in de formele inpassing van de instrumenten van de Wnb. Voor de praktijk interessanter is het Aanvullingsbesluit natuur, waarmee de natuurbescherming onder de Omgevingswet materieel vorm krijgt. Het ontwerp-Aanvullingsbesluit werd op 29 januari 2019 bekend gemaakt en lag tot 26 februari ter consultatie.6www.internetconsultatie.nl/aanvullingsbesluitnatuur. Het voert te ver om hier in deze kroniek verder in detail op in te gaan. Daarvoor zij verwezen naar andere publicaties. Wat betreft de gebiedsbescherming kan wel worden vastgesteld dat er, los van wat (technische) details, over all genomen inhoudelijk weinig verandert. Dat kan uiteraard ook niet, want het merendeel van de regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden vloeit direct voort uit de Habitatrichtlijn. Omdat de Wnb echter moet worden ingepast in de structuur van de Omgevingswet, leidt dit er echter wel toe dat onder de Omgevingswet een minder goed overzicht van de regels ten aanzien van gebiedsbescherming zal bestaan. Of dit een kwestie van wennen is of ook in de praktijk tot daadwerkelijke (toepassings)problemen zal leiden, zal moeten blijken.

3. Aanwijzing van Natura 2000-gebieden
In deze kroniekperiode is weer een aantal uitspraken verschenen over aanwijzingsbesluiten. Een aantal opvallende punten uit deze uitspraken komt hierna aan de orde. In de uitspraak van 11 juli 20187ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, JNA 2018/27, m.nt. Van der Meijden, Gst. 2018/167, m.nt. S.D.P. Kole. betrof het een aanwijzingsbesluit dat nog op grond van de Nbw was genomen, waardoor dit besluit (gelet op het overgangsrecht uit art. 9.10 lid 3 Wnb) aan de hand van de bepalingen van de Nbw moest worden beoordeeld. Overigens zou dat inhoudelijk niet veel verschil maken, aangezien de aanwijzingsprocedure vrijwel ongewijzigd is gebleven onder de Wnb en de inhoudelijke criteria uit de Habitatrichtlijn volgen (en nu ook gelijk zijn). In deze procedure was er geruime tijd verstreken tussen het moment waarop het Natura 2000-gebied was aangemeld bij de Europese Commissie en het moment waarop het aanwijzingsbesluit daadwerkelijk werd genomen. Dat laat onverlet, aldus de ABRvS, dat er dan nog steeds de bevoegdheid (sterker nog, een verplichting) bestaat om het gebied aan te wijzen. De uitspraak laat echter zien dat, onder meer door het tijdsverloop, discussie kan ontstaan over de habitattypen en soorten waarvoor het gebied wordt aangewezen. De ABRvS overweegt in dat kader evenwel dat bij het besluit tot aanwijzing van een gebied aan de hand van actuele gegevens vastgesteld dient te worden welke habitattypen (en soorten) in het gebied aanwezig zijn. Dat kan dus leiden tot een wijziging of toevoeging van habitattypen en soorten ten opzichte van de typen en soorten die genoemd zijn in de aanmelding bij de Europese Commissie. Verder wijst de ABRvS, in navolging van de uitspraak van 20 oktober 2010,8ABRvS 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119. erop dat de aanmelding en plaatsing van een gebied op de (Europese) lijst van gebieden van communautair belang niet uitsluitend betrekking heeft op het habitattype waarvoor het gebied is geselecteerd, maar ook op de in de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen die in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte in het bewuste gebied voorkomen. Ook deze habitattypen dienen in het aanwijzingsbesluit te worden opgenomen. De ABRvS bevestigt met de uitspraak verder de al in 2011 door de ABRvS ingezette lijn ten aanzien van de vraag welke aspecten bij een aanwijzingsbesluit meegenomen kunnen worden (alleen ecologische criteria), de mate waarin bij een aanwijzingsbesluit gemotiveerd moet kunnen worden of de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn, alsmede het gegeven dat uit de Habitatrichtlijn geen verplichting volgt om in een besluit tot aanwijzing van een speciale beschermingszone (dat is een Natura 2000-gebied) een termijn voor verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen op te nemen.9Zie ABRvS 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770, Module Ruimtelijke ordening 2011/5593, m.nt. R. Sieben, BR 2011/188, m.nt. H.E. Woldendorp, JM 2011/71, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans. Opvallend is wel de overweging van de ABRvS ten aanzien van de mogelijke schade als gevolg van een aanwijzingsbesluit. Anders dan de Wnb, kende de Nbw nog een grondslag voor schadevergoeding – in de vorm van nadeelcompensatie – vanwege een aanwijzingsbesluit. Vanwege het bestaan van een afzonderlijke regeling op dit punt, maakt vergoeding van eventuele schade als gevolg van een aanwijzingsbesluit geen deel uit van dit besluit. Ook dit is al geruime tijd vaste jurisprudentie onder de Nbw. De vraag is overigens hoe deze jurisprudentie zich onder de Wnb zal gaan ontwikkelingen. Anders dan de Nbw, kent de Wnb immers geen grondslag voor vergoeding van schade als gevolg van de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. De (rechtbank)uitspraak van 26 oktober 201810Rb. Zeeland-West-Brabant 26 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6257, JGROND 2019/24, m.nt. F.M.A. van der Loo.bevestigt dat de Wnb op dit punt geen overgangsrecht kent en dus per 1 januari 2017 directe werking heeft. Het schrappen van de voorheen in de Nbw opgenomen grondslag voor schadevergoeding als gevolg van aanwijzingsbesluiten is, aldus de rechtbank, een bewuste keuze geweest van de wetgever en er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het creëren van een grondslag door een wetshistorische interpretatie van art. 9.1 lid 1 Wnb of door het inlezen van overgangsrecht. Indien dit oordeel door de ABRvS wordt ondersteund, zou dit mogelijk kunnen leiden tot een wijziging van de toetsing van aanwijzingsbesluiten.

4. Vergunningperikelen

4.1 Project of andere handeling
In de uitspraak van 19 december 201811ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4192, JNA 2018/75, m.nt. D. van der Meijden. kwam de afbakening van het project waarvoor vergunning was verleend aan de orde. Het betrof een vergunning voor de oprichting van een varkenshouderij; de vraag was of ook het uitrijden van mest en het extra verkeer van en naar de veehouderij onderdeel uitmaakt van het project ‘varkenshouderij’. De ABRvS overweegt op dit punt ten eerste dat het uitrijden van mest geen deel uitmaakte van de aanvraag. Voorts is het uitrijden van mest niet onlosmakelijk verbonden met een agrarisch bedrijf omdat er alternatieven zijn, zoals de verwerking van mest op een andere locatie dan de gronden van het bedrijf. De ABRvS continueert hiermee eerdere jurisprudentie ten aanzien van deze activiteit.

Na het arrest van het HvJ EU van de EU van 7 november 201812HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. is het de vraag of er nog wel een zinvol onderscheid gemaakt kan worden tussen projecten en andere handelingen, in ieder geval voor zover het gaat om activiteiten die zijn gestart nadat het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd. In dit arrest overwoog het HvJ, samengevat, dat iedere activiteit met mogelijk significant negatieve effecten voor een Natura 2000-gebied als project in de zin van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn moet worden aangemerkt. Daarmee lijkt een einde te zijn gekomen aan de eerdere jurisprudentie waarbij – zowel door het HvJ als door de ABRvS – werd aangesloten bij de MER-richtlijn voor de vraag wanneer sprake is van een project. Die jurisprudentie liet zien dat alleen in het geval van een ‘fysieke ingreep in het natuurlijk milieu’ of de ‘uitvoering van werken’ sprake is van een project. Dit betekende bijvoorbeeld dat het verlenen van toestemming tot de verlenging van de exploitatie voor een vliegveld niet als project werd aangemerkt omdat er verder geen fysieke ingrepen (bouw- of sloopwerkzaamheden bijvoorbeeld) nodig waren om de exploitatie van het vliegveld voort te zetten. Het arrest geeft verder ook duidelijkheid over de vraag in welke mate wijzigingen van een bestaande activiteit c.q. project ertoe kunnen leiden dat sprake is van een nieuw project. Dat is relevant voor o.a. de vraag of voor een wijziging van een bestaande situatie een nieuwe vergunning nodig kan zijn. Immers, als voor de bestaande situatie reeds toestemming was verleend voordat het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd, en deze bestaande situatie vervolgens niet wijzigt, is er geen nieuwe toetsing aan de normen van art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn vereist en volgt uit de Habitatrichtlijn geen vergunningplicht.13Wel kan, onder de Wnb, ook na het arrest van het HvJ EU van 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882) zo’n situatie worden aangemerkt als een – vergunningplichtige – andere handeling. Als wel sprake is van een wijziging, kan hierdoor een vergunningplicht ontstaan. In het arrest van 7 november 2018 stelt het HvJ hierover dat er geen sprake is van één en hetzelfde project, als geen sprake is van continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder deze activiteit wordt uitgevoerd. Het weiden van vee en bemesten van gronden kan – als deze activiteit als project moet worden aangemerkt – daardoor, aldus het HvJ, niet worden beschouwd als een activiteit die in de loop der jaren niet is gewijzigd, aangezien de locaties waar het weiden en bemesten plaatsvindt, continue wijzigen en ook de technieken waarmee dit gebeurt en de hoeveelheden waarin dit gebeurt wijzigen.

4.2 Bestaand gebruik en bestaande rechten
Bij de beoordeling van de gevolgen van een project voor een Natura 2000-gebied mag rekening worden gehouden met bestaande toestemmingen op de relevante referentiedata – de datum waarop het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd. Onder het verlenen van toestemming wordt in het algemeen verstaan een vergunning dan wel een melding op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer. Indien vervolgens na de referentiedatum een toestemming is verleend die minder gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden dan de op de referentiedatum toegestane activiteit, dan moet deze latere toestemming als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De uitspraak over de vliegbasis Woensdrecht14ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, JNA 2018/32, m.nt. D. van der Meijden. maakt duidelijk dat het toegestane gebruik op de referentiedatum (of een beperking van dit gebruik na de referentiedatum) ook afgeleid kan worden uit geluidscontouren die, in dit specifieke geval, zijn vastgelegd in een planologische kernbeslissing (het Structuurschema Militaire Terreinen).

4.3 Inhoudelijke beoordeling vergunningen
De inhoudelijke, ecologische, beoordeling van een verleende Wnb-vergunning is naar zijn aard heel casuïstisch. Het voert te ver om deze aspecten in deze kroniek gedetailleerd aan de orde te laten komen. Wij wijzen dan ook slechts volledigheidshalve op de uitspraak van 13 februari 201915ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:296. welke uitspraak een goed voorbeeld biedt van een zeer gedetailleerde, inhoudelijke toetsing door de ABRvS van een verleende Wnb-vergunning, alsmede op de uitspraak van 30 april 2019 inzake het bestemmingsplan Brouwerseiland.16ABRvS 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1399.

In de uitspraak van 18 juli 201817ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, JNA 2018/32, m.nt. D. van der Meijden. over de vliegbasis Woensdrecht werd door appellanten aangevoerd dat niet alle onderdelen van de activiteiten op de vliegbasis passend beoordeeld waren, terwijl alle aspecten van de herinrichting en het gebruik van de vliegbasis (zowel aan de land- als de luchtzijde) onlosmakelijk met elkaar samenhangen en dus als één project zouden moeten worden beschouwd. De basis voor deze stelling vonden appellanten in het gegeven dat voor de vergunningverlening uitgegaan was van een aantal te onderscheiden activiteiten, waarbij sommige activiteiten zijn beoordeeld als project en andere als andere handeling waarvoor geen passende beoordeling hoeft te worden gemaakt. In reactie op deze stelling brengt de ABRvS in herinnering dat een aanvraag voor een Wnb-vergunning betrekking dient te hebben op alle activiteiten die tezamen één project vormen. Dit project dient in zijn geheel passend beoordeeld te worden, waarbij geen activiteiten, ook niet die op zichzelf bezien niet als project kunnen worden aangemerkt, buiten beschouwing mogen blijven. Een splitsing tussen het passend beoordeeld van onderdelen van een activiteit als project en het ‘gewoon’ beoordelen van de onderdelen die als andere handeling zijn aan te merken, is dus niet toegestaan. Voor de beoordeling van de vliegbasis Woensdrecht leverde dit overigens geen problemen op. Alle relevante activiteiten die vallen onder de Wnb-vergunning (en dus onderdeel uitmaken van het onlosmakelijke project) waren, weliswaar in verschillende onderzoeken doch bij elkaar afdoende passend beoordeeld, zodat formeel aan de eis van één passende beoordeling was voldaan.

Met de inwerkingtreding van de PAS-regelgeving geldt er, op grond van art 5.5 lid 3 Wnb, een verbod op externe saldering. Dit verbod geldt niet voor zover er een aanvraag om een Wnb-vergunning is ingediend voor 1 juli 2015 – het moment waarop het PAS in werking is getreden. Vergunningen waarbij met behulp van externe saldering een toename van stikstofdepositie door een nieuwe of gewijzigde activiteit worden gerechtvaardigd, komen hierdoor nog met enige regelmaat voor – en uitspraken van de ABRvS hierover dus ook. Vermeldenswaardig in dit verband is de uitspraak van 19 december 2018,18ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4192, JNA 2018/75, m.nt. D. van der Meijden. waarin de ABRvS ook ingaat op de vraag met welke bedrijven nog extern gesaldeerd kan worden in het licht van het gegeven dat in het PAS ook al rekening is gehouden met enige mate van bedrijfsbeeindiging gedurende de PAS-periode (dit wordt de zogeheten ‘stoppersruimte’ genoemd). Voorkomen moet immers worden dat door het toepassen van externe saldering, feitelijk gesaldeerd wordt met bedrijfsbeëindigingen waarmee in het PAS ook al rekening is gehouden. Eerder19ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, Computerrecht 2017/256, m.nt. B.M.A. van Eck, M en R 2017/84, m.nt. M.M. Kaajan, AB 2017/313, m.nt. P. Mendelts, Gst. 2017/170, m.nt. B. Assink, JBO 2017/145, m.nt. D. van der Meijden, JM 2017/91, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans. overwoog de ABRvS al dat de dubbele inzet van deposities door extern salderen en door het toevoegen van de stoppersruimte in de depositieruimte van het PAS, niet is uitgesloten als een bedrijf op 1 juli 2015 nog in bedrijf was en op een afstand van meer dan 1 kilometer van een Natura 2000-gebied staat. De uitspraak van 19 december 2018 laat zien dat de ABRvS aan de hand van dit criterium nagaat of dubbele inzet van deposities, door het toepassen van externe saldering buiten het PAS om, is voorkomen. In concreto leidt dit ertoe dat in de gevallen waarin externe saldering heeft plaatsgevonden met een bedrijf dat op een grotere afstand dan 1 kilometer van een Natura 2000-gebied ligt en dat op 1 juli 2015 feitelijk nog stikstofdepositie veroorzaakte, het niet is uitgesloten dat de depositieafname door extern salderen dubbel zal worden ingezet. In dat geval dient door het bevoegd gezag nader onderbouwd te worden dat dubbele inzet is uitgesloten. Als dubbele inzet van depositieafname niet kan worden uitgesloten, is immers niet verzekerd dat de aangevraagde activiteit per saldo niet tot een toename van stikstofdepositie zal leiden. De afname van stikstofdepositie kan dan immers al zijn benut in het kader van het PAS. In de uitspraak van 29 mei 2019 inzake het PAS20ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.ov. 39.7. preciseert de ABRvS de uitspraak van 19 december 2018 door te stellen dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte; of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte; of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-geied staat. Dubbele inzet van stikstofdepositie is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015-1 juli 2018.

In de uitspraak van 6 februari 201921ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:349, JBO 2019/60, m.nt. D. van der Meijden, JG 2019/14, m.nt. M.G. Nielen. 23. boog de ABRvS zich over de vraag of in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een Wnb-vergunning voor een project door de vergunningverlener ook zou moeten worden beoordeeld of dit project noodzakelijk was. De ABRvS wijst erin dat verband op dat art. 2.8 lid 3 Wnb ruimte laat voor een belangenafweging in welk kader het bevoegd gezag bij het verlenen van een vergunning moet bezien of het gestelde belang bij de activiteit aannemelijk is. Dit belang behoort vervolgens te worden afgewogen tegen de daartegenover staande natuurbelangen. De vraag of het project noodzakelijk is, hoeft bij de beoordeling van de vergunningaanvraag niet te worden betrokken. Dat andere belangen – zoals het belang bij de aangevraagde activiteit – bij vergunningverlening voor een project behoren te worden afgewogen volgt ons inziens overigens ook, of wellicht primair, uit art. 1.10 lid 3 Wnb, en niet – zoals de ABRvS overweegt – uit art. 2.8 lid 3 Wnb.

De uitspraak inzake Windpark Fryslan22ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2339, JM 2018/108, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans. bevat nog een aantal noemenswaardige inhoudelijke aspecten. Ten eerste werd hier aangevoerd dat niet het gehele project in de passende beoordeling was betrokken, omdat de verwijdering van de windturbines niet mee was genomen in de beoordeling. Dit betoog slaagde niet. Aanleg en exploitatie van een windpark zijn weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen dus als één project te worden beschouwd; dat geldt echter niet voor de ontmanteling en/of verwijdering van de windturbines. Deze laatste fase is dan ook te beschouwen als een apart project, waarvan te zijner tijd kan worden beoordeeld of een vergunning nodig is. Verder laat deze uitspraak zien dat de ABRvS het zogeheten ‘Flux-Collision-Model’ – een veel gebruikt model om het aantal aanvaringsslachtoffers van een windpark onder bepaalde vogelsoorten te bepalen – aanvaardt.

In dit kader wijzen wij ten slotte nog op de uitspraak van de ABRvS van 20 februari 201923ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:547. waarin het arrest van het HvJ EU d.d. 8 november 201824HvJ EU 8 februari 2018, ECLI:EU:C:2018:883 (Holohan). wordt toegepast. Dit arrest maakt duidelijk dat in een passende beoordeling de gevolgen van een project (of plan) moeten worden geïnventariseerd en onderzocht voor zowel de soorten in een Natura 2000-gebied waarvoor geen instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd als voor soorten en habitattypen buiten een Natura 2000-gebied, op de voorwaarde dat deze effecten de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied kunnen aantasten. Dat betekent dus ook dat een voortoets ook de effecten op soorten in een Natura 2000-gebied waarvoor het gebied niet is aangewezen en de habitattypen en soorten buiten dat gebied moeten worden onderzocht, indien effecten op die soorten de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied kunnen aantasten.

4.4 Mitigatie, compensatie en instandhoudingsmaatregelen
De uitspraak inzake Windpark Fryslan25ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2339, JM 2018/108, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans. bevat een – geslaagd – voorbeeld van een mitigerende maatregel. Het betrof de aanleg van een werk- en natuureiland met een daarbij behorende ondiepte van 25 hectare. Deze maatregel was voorgeschreven om negatieve effecten van het windpark, in de vorm van het verlies van rust- en foerageergebied van een tweetal vogelsoorten waardoor een additionele sterfte van resp. 5-10 en 10-20 exemplaren zou kunnen optreden, weg te nemen. In het licht van de jurisprudentie van het HvJ EU26O.a. HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330; HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583 en HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593. over het onderscheid tussen een mitigerende en compenserende maatregel beoordeelt de ABRvS deze maatregel als mitigatie. Daarbij acht de ABRvS ten eerste van belang dat het gaat om een maatregel die de negatieve gevolgen van het windpark moet voorkomen of verminderen, waardoor wordt verzekerd dat het gebied ondanks de gevolgen van het project voor de omvang en kwaliteit voldoende draagkracht behoudt voor het in de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied genoemde aantal vogels. Ten tweede – en ook dat is van belang bij de vraag of een maatregel als mitigerende maatregel kwalificeert – achtte de ABRvS voldoende gewaarborgd dat de gekozen maatregel daadwerkelijk de negatieve gevolgen van het windpark zou voorkomen en/of verminderen, omdat (i) een extra rustplaats wordt geboden voor de zwarte stern; (ii) de effectiviteit van de luwe zone als foerageergebied voor de fuut door appellanten niet inhoudelijk was bestreden; en (iii) in de planregels was verzekerd dat het eiland en de luwe zone worden gerealiseerd en ingericht voordat het windpark in exploitatie wordt genomen. Het voor de ABRvS kenmerkende verschil ten opzichte van de arresten Briels en Orleans lijkt daarmee te zijn dat het hier een maatregel ter bescherming van soorten betreft en dat er geen onzekerheid bestaat over de effectiviteit van deze maatregel.

Met het arrest van 25 juli 201827HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593. legt het HvJ EU weer een stukje van de puzzel over mitigatie en compensatie. In dit arrest boog het HvJ EU zich over de vraag of het verdwijnen van foerageergebied van de blauwe kiekendief, als gevolg van de bouw en exploitatie van een windpark, en het vervolgens treffen van maatregelen om de effecten op het foerageergebied van de blauwe kiekendief te verzwakken, zou moeten worden beschouwd als compensatie of mitigatie. In eerdere arresten28HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330; HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583. was reeds door het HvJ EU aangegeven dat, bij aantasting van een habitattype, alleen maatregelen die getroffen worden op de locatie waar deze aantasting plaatsvindt en die leiden tot een vermindering van deze aantasting, als mitigatie kunnen worden aangemerkt. Het HvJ EU had zich echter nog niet eerder gebogen over een vergelijkbare situatie bij de aantasting van (foerageer- of leef)gebied van een soort, tot het arrest van 25 juli 2018. In het arrest stelt het HvJ EU niet dat een aantasting van (leef- of foerageer)gebied van een soort alleen kan worden voorkomen of verminderd door een (dan als mitigatie te kwalificeren) maatregel die op de locatie waar de aantasting plaatsvindt wordt getroffen. Wel stelt het HvJ EU vast dat de situatie in dit arrest vergelijkbaar is met Orleans en Briels in die zin dat bij “de beoordeling van de gevolgen van het plan of project uitgegaan wordt van dezelfde veronderstelling dat de toekomstige voordelen de gevolgen van het windmolenpark voor dat gebied zullen wegnemen, hoewel deze voordelen ook niet zeker zijn”. Daarbij maakt het HvJ EU, net als in deze eerdere arresten, duidelijk dat alleen wanneer er voldoende zekerheid is dat een maatregel daadwerkelijk zal bijdragen tot het voorkomen van schade door “ervoor te zorgen dat er geen redelijke twijfel bestaat dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zou aantasten, een dergelijke maatregel bij de passende beoordeling in aanmerking [kan] worden genomen”. Alleen dan is, met andere woorden, sprake van een mitigerende maatregel (die door het HvJ EU wordt omschreven als beschermingsmaatregel). Het HvJ EU stelt vervolgens dat in het algemeen de eventuele positieve gevolgen van het later ontwikkelen van een nieuwe habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden ‘gecompenseerd’, moeilijk te voorspellen of pas later zichtbaar is. Echter of van zo’n situatie sprake is, moet, aldus het HvJ, door de verwijzende rechter worden vastgesteld. Er mag, zoals al bekend was uit de arresten Briels, Orleans en Kolencentrale Moorburg, in de passende beoordeling geen rekening worden gehouden met toekomstige voordelen van maatregelen die, op het moment van de beoordeling, “louter potentieel zijn aangezien deze maatregelen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd” en er sprake is van onzekerheid over de effectiviteit van de maatregel. Het arrest laat daarmee onzes inziens zien29Zie ook H.E. Woldendorp, ‘Einde doorlopende weg. Over de PAS-Conclusie van de Advocaat-Generaal en het nuancerende Blakenburgverbinding-arrest van de Nederlandse Raad van State’, Tijdschrift voor Omgevingsrecht en Omgevingsbeleid 2018, nr. 3, p. 184-310. dat als er geen onzekerheid bestaat over de effectiviteit van een maatregel waarmee een negatief effect voor een beschermde soort wordt voorkomen of verminderd, deze maatregel als mitigerende c.q. beschermingsmaatregel in de passende beoordeling kan worden meegenomen.

5. Toetsing van plannen

5.1 Voortoets of passende beoordeling
Een bestemmingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen met een passende beoordeling30En dan is ook een plan-MER verplicht, op grond van art. 7.2a lid 1 Wm. worden vastgesteld. Deze bepaling zou, gelet op het voorzorgsbeginsel, zo uitgelegd behoren te worden dat als significant negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, een passende beoordeling moet worden verricht. In het licht daarvan is opmerkelijk de overweging van de ABRvS in de uitspraak van 6 februari 201931ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:325, JNA 2019/11, m.nt. D. van der Meijden. dat “niet wordt verwacht” dat de voorziene ontwikkeling significante gevolgen heeft zodat ‘de raad zich in redelijkheid op het standpunt [heeft] kunnen stellen dat de Wnb’ niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Ook de uitspraak van 26 september 201832ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3116. is in het licht van art. 2.7 lid 1 Wnb verwarrend. Hier overweegt de ABRvS dat beoordeeld moet worden “of de raad zich, zonder ecologisch onderzoek, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt geen gevolgen hebben voor de natuur op [….] het nabijgelegen Natura 2000-gebied”.33Zie in dit kader de vergelijkbare redenering in ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1663. Een vergelijkbare overweging bevat de uitspraak van 13 februari 2019.34ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:408, JBO 2019/68, m.nt. D. van der Meijden, JGROND 2019/93, m.nt. F.M.A. van der Loo. Het kan worden betwijfeld of deze ‘redelijkheidstoets’ – en de hiervoor kenmerkende afstandelijke toetsing door de ABRvS – zich verdraagt met de eis uit de Habitatrichtlijn dat een bestemmingsplan met mogelijke significant negatieve gevolgen passend beoordeeld dient te worden. Het is immers goed voorstelbaar dat deze eis een meer indringende toets rechtvaardigt, of wellicht zelfs verlangt. Opvallend in dat kader is ook de uitspraak van 8 januari 201935Rb. Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:316 waarin de rechtbank de stelling van verweerder dat er een inschatting was gemaakt dat de mogelijke effecten van stikstofdepositie “geen item” was in het kader van de uitvoering van een projectplan op grond van de Waterwet en dat om die reden geen passende beoordeling was gemaakt, onderschreef. Ook deze uitspraak past ons inziens niet in het in de Wnb doorklinkende voorzorgsbeginsel.

Een bestemmingsplan dat niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen (ten opzichte van feitelijke en planologisch legale) situatie kan geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor een dergelijk plan hoeft dan ook geen passende beoordeling te worden verricht.36ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2656, JNA 2018/35, m.nt. D. van der Meijden. Een plan dat een nieuwe ontwikkeling toestaat die bij vaststelling van het plan onherroepelijk was en waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen, welke ontwikkeling in het plan een één op één inpassing heeft gekregen, betreft ook een plan waarvoor in beginsel geen (aanvullende) passende beoordeling meer nodig is.37ABRvS (vz.) 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:286, JNA 2019/10, m.nt. D. van der Meijden. Ook als hierdoor dus in feite sprake is van een met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkeling die leidt tot een toename van stikstofdepositie. Een vermeldenswaardige uitspraak in dit licht is die van de ABRvS over het bestemmingsplan “De zeven dorpelingen”.38ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105, JNA 2019/25, m.nt. D. van der Meijden. . Het opmerkelijke van deze uitspraak zit overigens niet zozeer in de overweging van de ABRvS dat niet kan worden aangesloten bij een (ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan nog niet, maar ten tijde van de zitting bij de ABRvS over dit plan wél) onherroepelijke Wnb-vergunning omdat het plan meer mogelijk maakt dan de activiteiten die deze Wnb-vergunning toestaat. In zo’n situatie is geen sprake van een één-op-één inpassing van een onherroepelijke Wnb-vergunning en kan aan deze vergunning dus geen reden worden ontleend om geen passende beoordeling voor het bestemmingsplan te maken. Wat wel opvalt is dat de ABRvS geen aanleiding ziet om zelf in de zaak te voorzien door een planregel toe te voegen waardoor planologisch uitsluitend de Wnb-vergunde situatie wordt toegestaan. Dat doet de ABRvS niet omdat daarmee nog niet vaststaat dat een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het plan. Voor zover ons bekend is dat een van de weinige keren dat de ABRvS inhoudelijk kijkt naar een (onherroepelijke) Wnb-vergunning en de actualiteit van de aan deze vergunning ten grondslag liggende passende beoordeling in het kader van een bestemmingsplanprocedure waar de vraag voorligt of de Wnb-vergunde activiteit planologisch kan worden ingepast. De reden waarom de ABRvS nu niet de (onherroepelijk) Wnb-vergunde activiteit niet planologisch wil inpassen, is gelegen in het feit dat in dit geval de Wnb-vergunning gebaseerd is op het PAS en dat met de vergunning ontwikkelingsruimte uit het PAS is toegekend. Ten tijde van deze uitspraak had de ABRvS zich nog niet uitgesproken over de houdbaarheid van het PAS. Dat betekende dat voor dit bestemmingsplan nog niet kon worden vastgesteld of geen passende beoordeling meer hoeft te worden verricht indien een (onherroepelijke) Wnb-vergunning die gebaseerd is op het PAS planologisch wordt ingepast. Hoewel deze uitspraak juridisch bezien nog wel begrepen kan worden, moet er wel op worden gewezen dat de Wnb-vergunde activiteit op deze wijze weliswaar mogelijk niet via een bestemmingsplan zou kunnen worden toegestaan, maar dat dit wel kan via een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan (op grond van art. 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo) zonder dat opnieuw getoetst hoeft te worden aan de Wnb. In zoverre is de uitspraak dan ook opmerkelijk te noemen.

De uitspraak van 11 juli 201839ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2340. is een voorbeeld van een situatie die ons inziens eigenlijk niet meer voor hoort te komen. In het hier aan de orde zijnde bestemmingsplan was in de passende beoordeling geen rekening gehouden met de gevolgen van de bestemming evenementen, omdat het voorheen vigerende bestemmingsplan deze bestemming ook al kende. Echter, zoals toch nu wel bekend mag worden verondersteld: voor de vraag of een passende beoordeling niet nodig is, is niet bepalend dat het voorheen geldende planologische regime dezelfde activiteiten mogelijk maakte, maar of deze activiteiten ook feitelijk (en planologisch legaal) waren gerealiseerd. Nu daar in dit geval geen sprake van was, had nagegaan moeten worden of een passende beoordeling nodig was.

Een manier om te voorkomen dat een passende beoordeling is vereist, is het opnemen van een planregeling op grond waarvan is uitgesloten dat de ontwikkelingen die een nieuw bestemmingsplan mogelijk maakt, leiden tot meer stikstofemissie dan reeds feitelijk, en planologisch legaal, kon worden geëmitteerd onder het voorheen vigerende bestemmingsplan. Op zichzelf is dit een eenvoudige oplossing, maar de praktijk laat zien dat het ook dan soms niet helemaal goed gaat. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 201840ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1887, JNA 2018/14, m.nt. D. van der Meijden. Opvallend is overigens dat in deze uitspraak een passende beoordeling en dus ook een plan-MER was opgesteld, terwijl de planregeling hier effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand voorkwam, waardoor een passende beoordeling en plan-MER om die reden in ieder geval niet langer nodig was. waarin in de uitgevoerde beoordeling naar de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden de feitelijke situatie als uitgangspunt was genomen, hetgeen door de ABRvS voor juist wordt aangenomen41Dat betekent dat het hier niet alleen om de feitelijke maar ook om de ‘planologisch legale’ situatie ging. maar waar in de planregels was opgenomen dat er geen toename van stikstofemissie mocht plaatsvinden ten opzichte van de vergunde en de gemelde situatie. Strikt genomen was dit niet juist. Echter, de vergunde en de gemelde situatie bleek overeen te komen met de huidige feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan – reden voor de ABRvS om in dit specifieke geval te concluderen dat er geen sprake was van strijdigheid met de Wnb. Deze uitspraak laat maar weer eens zien wat dat er een opmerkelijk verschil bestaat tussen de toetsing van plannen en van projecten. Ook de uitspraak van 19 december 201842ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197, JBO 2019/12, m.nt. D. van der Meijden, JGROND 2019/11, m.nt. F.M.A. van der Loo. had voorkomen kunnen worden. In een quickscan naar de gevolgen van een bestemmingsplan voor het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde’ was geconcludeerd dat de herinrichting van het plangebied geen negatief effect zou hebben op de kwalificerende soorten van het Natura 2000-gebied. In de toelichting van het bestemmingsplan stelde de raad, mede naar aanleiding van deze quickscan, dat met het bestemmingsplan nauwelijks of geen wezenlijke effecten te verwachten zijn. Onduidelijk was echter waarop deze conclusies waren gebaseerd. Het moge dan ook geen verrassing zijn geweest dat de ABRvS concludeerde dat bij vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt, waardoor er, eveneens ten onrechte, geen plan-MER aan het bestemmingsplan ten grondslag lag. Deze uitspraak laat nog maar weer eens zien welke waarde er wordt gehecht aan een onderbouwing van de ecologische stellingen die bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden ingenomen.

Voor de goede orde zij er verder op gewezen dat een regeling op grond waarvan nieuwe activiteiten of een uitbreiding van bestaande activiteiten zijn toegestaan als deze qua stikstofdepositie stikstofneutraal zijn, alleen mogelijk is indien hieraan een passende beoordeling ten grondslag ligt.43Zie ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1117. De uitspraak van 10 april 201944ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1117. bevestigt nogmaals dat bij de (passende) beoordeling van de gevolgen van een plan voor een Natura 2000-gebied, uitgegaan moet worden van de maximale planologische mogelijkheden van het plan. Dat betekent in concreto dat hierbij ook de (maximale) gevolgen van een wijzigingsbevoegdheid in de (passende) beoordeling van het moederbestemmingsplan moeten worden meegenomen.

Als op grond van een vigerende Wnb-vergunning aan een bepaalde activiteit beperkingen zijn gesteld (in casu ter voorkoming van mogelijke verstoring door licht) is er geen noodzaak om deze beperkingen ook bij wijze van planregels in een bestemmingsplan op te nemen.45ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3208, JNA 2018/48, m.nt. D. van der Meijden. Wij wijzen ten slotte nog op de uitspraak van 21 november 201846ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3773, JM 2019/52, m.nt. R. Leijendekker-van Kraam. waarin de ABRvS overwoog dat het zogenaamde “Plan van Aanpak Radioactive Waste Management Programma” een niet door een bestuursorgaan vastgesteld plan als bedoeld in de Wnb betreft. De goedkeuring van dit plan omvat evenmin een vergunning voor een project als bedoeld in de Wnb, maar laat de eventuele plicht om, bij uitvoering van de in het plan beschreven activiteiten en maatregelen, over een dergelijke vergunning te beschikken onverlet. Dat betekent dat het plan van aanpak zonder een hieraan voorafgaande passende beoordeling kon worden goedgekeurd.

5.2 Effectbeoordeling
Voor de praktijk interessant zou de uitkomst van de hoofdzaak zijn geweest die volgt op de uitspraak in voorlopige voorziening van 19 december 2018.47ABRvS (vz.) 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4133, JNA 2018/67, m.nt. D. van der Meijden. Deze uitspraak gaat over de vraag in hoeverre bij de beoordeling van de gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied rekening moet worden gehouden met aan- en afrijdend verkeer. Onder verwijzing naar de bij de beoordeling van milieugevolgen gangbare praktijk dat met de gevolgen van af- en aanrijdende verkeer geen rekening meer hoeft te worden gehouden indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, overweegt de voorzieningenrechter erop voorhand ‘niet van overtuigd [te zijn] dat dit uitgangspunt onverkort kan worden toegepast bij de beoordeling van de vraag of een plan significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben’. Het zou voor de praktijk ons inziens erg wenselijk zijn als hierover helderheid wordt geboden door de ABRvS. Helaas biedt de hoofdzaak deze duidelijkheid niet. In de uitspraak van 29 mei 2019 waarin de ABRvS ten gronde moest oordelen over de ingediende beroepen, komen de gevolgen van aan- en afrijdend verkeer niet meer aan de orde.48ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1760.

Interessant in dit verband is ook de uitspraak van de ABRvS inzake de Blankenburgverbinding, met name vanwege de ADC-toets waar de ABRvS zich in deze uitspraak over moest buigen.49ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454, JNA 2018/33, m.nt. D. van der Meijden, Module Ruimtelijke ordening 2018/8025, m.nt. G. van den End, Computerrecht 2018/253, m.nt. Red., M en R 2018/254, m.nt. M.M. Kaajan. Voor de ADC-toets was aanleiding vanwege de effecten van stikstofdepositie als gevolg van deze nieuwe snelweg, in combinatie met de prejudiciële vragen over het PAS. Deze prejudiciële procedure heeft ervoor gezorgd dat alle zaken waar het PAS inhoudelijk aan de orde is, door de rechtbanken en ABRvS zijn aangehouden. De aanleg van de Blankenburgverbinding kon hier – kennelijk – niet op wachten, waardoor alleen nog een geslaagde ADC-toets ervoor zou kunnen zorgen dat deze werkzaamheden zouden kunnen worden gestart. Bij deze ADC-toets, die door de ABRvS overigens wordt onderschreven, valt met name de toets naar de afwezigheid van alternatieven op. Deze toets houdt in dat er geen alternatief mag zijn voor het voorgenomen initiatief met minder effecten op een Natura 2000-gebied. Dat is dus een andere toetsing dan de alternatieven-afweging die in het kader van een milieueffectrapport wordt verricht. In de uitspraak over de Blankenburgverbinding stelt de ABRvS echter dat er geen alternatieven zijn voor de verbinding omdat (1) de minister (eenvoudigweg) stelt dat er geen alternatieven zijn voor het tracé met een beperkter effect op Natura 2000-gebieden; (2) de nuloptie geen oplossing biedt voor het gesignaleerde probleem (bereikbaarheid en het verbeteren van de veiligheid in het Havengebied Rotterdam); en (3) er geen andere reële alternatieven zijn voor het tracé. Wat dat laatste argument betreft verwijst de ABRvS naar de alternatieven-afweging die in het kader van het MER is verricht. In de uitspraak wordt echter niet duidelijk of het voorkeursalternatief dat in het MER is ontwikkeld, ook het alternatief is met de minste effecten op Natura 2000-gebieden, terwijl dat het relevante toetsingscriterium is op grond van de Wnb.

6. Beheerplannen
Er zijn behoorlijk wat uitspraken over beheerplannen verschenen tijdens deze kroniekperiode. Dat laat zien dat er eindelijk serieus werk gemaakt is van de verplichting om binnen drie jaar (!) na aanwijzing van een Natura 2000-gebied een beheerplan vast te stellen – een verplichting die bij veel Natura 2000-gebieden niet is gehaald omdat de vaststelling van het beheerplan voor veel gebieden ook lange tijd afhankelijk was van de analyses die ten behoeve van het PAS werden gemaakt. Gelet op de beperking van de beroepsmogelijkheden tegen een beheerplan (voorheen in art. 39 lid 2 Nbw en thans in art. 8.1 lid 2 Wnb) zijn er weinig kansen om een beheerplan in een procedure bij de ABRvS inhoudelijk ter discussie te stellen. Beroepen kunnen alleen betrekking hebben op activiteiten die in het beheerplan zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, de voorwaarden waaronder deze uitzondering geldt en op activiteiten die juist niet zijn uitgezonderd van deze vergunningplicht. Dit maakt procedures bij de ABRvS erg casuïstisch van aard, zonder veel noemenswaardige juridische aandachtspunten.50Zie voor een voorbeeld van een dergelijke uitspraak ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2029. Zie ook Rb. Noord-Holland 18 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10969, JNA 2018/66, m.nt. D. van der Meijden en Rb. Oost-Brabant 20 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6370 en 6396, JNA 2019/3, 4 en 47, m.nt. D. van der Meijden. Zie ABRvS 20 juni 201851ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2028. voor een voorbeeld van de wijze waarop de ABRvS bepaalt in hoeverre beroep tegen een beheerplan mogelijk is. Van belang is wel te realiseren dat een activiteit uitgezonderd kan worden van de vergunningplicht van art. 2.7 lid 2 Wnb door deze activiteit – al dan niet na het uitvoeren van een passende beoordeling – in een beheerplan op te nemen (zie art. 2.9 lid 1 Wnb), maar dat er ook in de Wnb een rechtstreeks uitzondering op de vergunningplicht geldt voor activiteiten die kunnen worden aangemerkt als bestaand gebruik (als bedoeld in art. 2.9, lid 2 Wnb). Het gaat hier, zoals de ABRvS ook nu weer bevestigt in de uitspraak van 11 juli 201852ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2314, JNA 2018/28, D. van der Meijden. om twee zelfstandige, en van elkaar te onderscheiden, uitzonderingen op de vergunningplicht. Dat betekent ten eerste dat bestaand gebruik niet alleen door opname in het beheerplan vergunningvrij wordt maar dat ook los de uitzondering op de vergunningplicht van art. 2.9 lid 2 Wnb kan worden ingeroepen. Ten tweede is het ook zo, dat als een bepaalde activiteit niet in het beheerplan is opgenomen, dit niet automatisch betekent dat deze activiteit vergunningplichtig is. Het moge duidelijk zijn dat als in een beheerplan activiteiten worden opgenomen die, enkel door opname in het beheerplan, vergunningvrij zijn, het beheerplan de randvoorwaarden voor deze activiteiten duidelijk moet omschrijven. Als dit niet het geval is, is het beheerplan in strijd met de rechtszekerheid.53b. Oost-Brabant 20 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6370, JNA 2019/3 m.nt. D. van der Meijden.

De uitspraak van 7 september 201854Rb. Noord-Holland 7 september 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7678, JNA 2018/42, m.nt. D. van der Meijden. is een van de schaarse uitspraken over vergunningvrij gebruik in een beheerplan. Het ging hier om een mountainbikeroute die naar mening van het bevoegd gezag voor tenminste een deel (de zogeheten “Zuidlus”) als een bestaand pad in het beheerplan Schoorlse Duinen was opgenomen. Dit standpunt werd door de rechtbank onderschreven; het betoog van eiseres dat de mountainbikeroute mogelijk tot significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied zou kunnen leiden, kon daardoor door de rechtbank niet meer inhoudelijk worden beoordeeld. Dat had eiseres immers moeten aanvoeren tegen het besluit tot vaststelling van het beheerplan.

7. Programmatische Aanpak Stikstof

7.1 Prejudiciële procedure 55Zie ook M.M. Kaajan, ‘Het PAS-arrest, en nu?’, M en R 2019/18.
Op 17 mei 2017 stelde de ABRvS, in twee verschillende procedures waarbij het Programma Aanpak Stikstof (“het PAS”) was toegepast prejudiciële vragen aan HvJ EU van de EU. In de ene procedure stond een aantal Wnb-vergunningen ter discussie waarbij met gebruikmaking van het PAS ontwikkelingsruimte was toegekend.56ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, Computerrecht 2017/256, m.nt. B.M.A. van Eck, M en R 2017/84, m.nt. M.M. Kaajan, AB 2017/313, m.nt. P. Mendelts, Gst. 2017/170, m.nt. B. Assink, JBO 2017/145, m.nt. D. van der Meijden, JM 2017/91, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans. De andere procedure had betrekking op besluiten tot afwijzing van verzoeken om handhaving jegens het weiden van vee en het bemesten van gronden, een activiteit die in provinciale verordeningen en in art. 2.9 van de Regeling natuurbescherming met het PAS als onderbouwing vrijgesteld is van de vergunningplicht uit de Wnb.57ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260, M en R 2017/85, m.nt. M.M. Kaajan, JBO 2017/126, m.nt. D. van der Meijden, JM 2017/92, m.nt. J.M.I.J. Zijlmans.

De prejudiciële vragen van de ABRvS hadden in de eerste plaats betrekking op de aanvaardbaarheid, de randvoorwaarden en de inhoud van een programmatische aanpak. In de kern komen deze vragen neer op het volgende: (1) is de systematiek van een programmatische aanpak verenigbaar met de Habitatrichtlijn?; (2) kan een programma de basis vormen voor een generieke uitzondering op de verplichting om projecten voorafgaand aan het verlenen van toestemming, individueel te toetsen?; (3) kan, en zo ja, op welke wijze, in de passende beoordeling van het PAS rekening worden gehouden met de diverse PAS-maatregelen (bronmaatregelen, herstelmaatregelen) waarmee, onder andere, ruimte wordt gecreëerd voor nieuwe ontwikkelingen?; en (4) is het daarbij relevant of deze maatregelen al zijn getroffen en of met deze maatregelen al een positief effect is gerealiseerd?
Verder heeft de ABRvS ook twee vragen van meer algemene aard gesteld, waarmee ten eerste beoogd wordt duidelijkheid te krijgen over de reikwijdte van het project-begrip in de Habitatrichtlijn en ten tweede aan de orde wordt gesteld wanneer nog sprake is van de voortzetting van hetzelfde project bij de activiteiten bemesten en weiden. Dit laatste aspect is van belang op het moment dat een activiteit is gestart voordat het regime van de Habitatrichtlijn van kracht is geworden en nadien is voortgezet. In bepaalde gevallen hoeft dan voor zo’n activiteit niet meer aan de hand van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn te worden getoetst welke effecten deze activiteit kan hebben op een Natura 2000-gebied.

Op 7 november 2018 beantwoordde het HvJ de prejudiciële vragen.58HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. De antwoorden van het HvJ waren grotendeels niet verrassend, en komen in de kern neer op het volgende:

● Aanvaardbaarheid van een programmatische aanpak: Art. 6 lid 3 HRL staat niet in de weg aan een programmatische aanpak met een passende beoordeling. Maar “dat is slechts het geval wanneer na een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van die beoordeling kan worden gegarandeerd dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat geen van de plannen of projecten schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied”.

● Mogelijkheden voor een generieke uitzondering op de vergunningplicht: Het uitsluiten van een bepaalde categorie van projecten kan alleen indien “de nationale rechter ervan overtuigd is dat de passende beoordeling […] die in een eerder stadium is uitgevoerd, voldoet aan het criterium dat er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat” dat de projecten geen schadelijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied. Daarbij merkt het HvJ wel meteen op dat het “niet buiten redelijke wetenschappelijke twijfel [lijkt] te staan” dat het weiden van vee en bemesten van gronden geen schadelijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken” van de betrokken Natura 2000-gebieden.

● Wijze waarop verschillende maatregelen in de passende beoordeling van het PAS kunnen worden meegenomen: (i) instandhoudings- en passende maatregelen kunnen pas meegenomen worden als deze maatregelen zijn uitgevoerd; (ii) positieve effecten van instandhoudings- en passende maatregelen kunnen niet worden toegerekend aan een individueel project; en (iii) maatregelen waarmee schadelijke gevolgen van een project worden voorkomen of verminderd mogen wel in de passende beoordeling worden meegenomen, maar alleen indien de verwachte voordelen van deze maatregelen vaststaan ten tijde van de beoordeling. Er mag dan wetenschappelijk gezien geen redelijke twijfel bestaan over de effectiviteit van deze maatregel.

● Timing van de maatregelen: Toekomstige voordelen van maatregelen mogen niet worden betrokken in de passende beoordeling van het PAS als die voordelen nog niet vaststaan, “met name omdat nog niet is uitgewerkt hoe de voordelen tot stand zullen worden gebracht of omdat het niveau van wetenschappelijke kennis het niet mogelijk maakt dat zij met zekerheid in kaart worden gebracht of gekwantificeerd”.

Het PAS-arrest maakt aldus duidelijk dat op zichzelf een programmatische aanpak, met een bijbehorende passende beoordeling, ook past in het systeem van art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn en daarmee dus ook in de Wnb. Tegelijkertijd laat het arrest wederom zien dat de lat hoog ligt, waardoor het de vraag is of een programmatische aanpak materieel bezien wel aan de door HvJ geformuleerde criteria kan voldoen.

7.2 Eindoordeel ABRvS over het PAS
Op 29 mei 2019, twee dagen voor afronding van deze kroniek, velde de ABRvS het eindoordeel over het PAS, en daarmee ook over de wettelijke uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het bemesten van gronden resp. voor activiteiten met een stikstofdepositie van minder dan 0,05 mol/ha/jaar op een Natura 2000-gebied.59ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (algemene uitspraak) en ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 (weiden en bemesten). Voor een gedetailleerde beschrijving van de finesses van deze uitspraken en de consequenties van deze uitspraken voor de praktijk wordt hier verwezen naar andere – nog te verschijnen – publicaties en annotaties bij deze uitspraken. Hier wordt volstaan met een korte samenvatting van deze twee uitspraken.

Ten aanzien van het PAS als instrument en systematiek overweegt de ABRvS, samengevat, het volgende:

● Het arrest van het HvJ EU van 7 november 2018 laat zien dat in de passende beoordeling van het PAS de verwachte voordelen van instandhoudings- en passende maatregelen en van verwachte ontwikkelingen niet mogen worden betrokken bij de beoordeling of de negatieve gevolgen van de toedeling van depositieruimte, kunnen worden voorkomen of verminderd. Deze maatregelen en ontwikkelingen kunnen alleen een rol spelen bij de beoordeling van de staat van instandhouding van de natuurwaarden. De ABRvS komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt op dit punt niet voldoet aan de eisen van het HvJ EU.

● Uit het arrest volgt verder dat de verwachte voordelen van instandhoudings- en passende en beschermingsmaatregelen en autonome ontwikkelingen alleen dan in een passende beoordeling mogen worden betrokken als deze voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. De ABRvS komt echter tot de conclusie dat in de passende beoordeling van het PAS de verwachte voordelen van PAS-bronmaatregelen, herstelmaatregelen en van autonome ontwikkelingen zijn betrokken die volgens de maatstaf van het HvJ EU niet vaststonden ten tijde van die beoordeling. De redenen die tot deze conclusie leiden, verschillen per maatregel. Dit heeft echter als gevolg dat de omvang van de uit te geven depositieruimte ten onrechte gebaseerd is op maatregelen waarvan de verwachte voordelen nog niet (voldoende) vaststonden en dat dus onzeker is of deze depositieruimte kon worden uitgegeven;

● De ABRvS concludeert ten slotte dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het HvJ EU daaraan stelt. Omdat deze passende beoordeling de onderbouwing is voor de verlening van alle toestemmingen die passen binnen de bestaande en beschikbaar gestelde depositieruimte betekent dit dat een vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied niet mocht worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van een prioritair of overig project;

● E.e.a. betekent ook dat de grens- en drempelwaarde en de afstand die de basis vormen voor een uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken die de grens- en drempelwaarde niet overschrijden of die op een grotere afstand dan de vastgesteld afstand worden gerealiseerd, niet konden worden vastgesteld.
Ten aanzien van de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en bemesten van gronden concludeert de ABRvS dat deze onverbindend is, omdat deze in strijd is met de Habitatrichtlijn. Daarvoor acht de ABRvS het volgende van belang:

● De exploitatie van een melkveehouderij en het weiden van vee hangen onlosmakelijk met elkaar samen, vormen daarom één project en dienen gezamenlijk beoordeeld te worden. Het is daarom niet mogelijk om een deel van het project uit te zonderen van de vergunningplicht.

● Omdat niet op relatief eenvoudige wijze is vast te stellen dat uitgesloten is dat het weiden van vee in een concreet geval significante gevolgen heeft komt de ABRvS tot de conclusie dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee onverbindend is.

●De uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen ziet op alle toekomstige bemestingsactiviteiten. Deze toekomstige bemestingsactiviteiten en de bemestingsactiviteiten die in Nederland al sinds jaar en dag plaatsvinden zijn niet te duiden als één-en-hetzelfde project. Er is dus, met andere woorden, geen sprake van de voortzetting van hetzelfde project waarvoor reeds toestemming is verleend voordat het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd en waartegen alleen met toepassing van art. 6 lid 2 Habitatrichtlijn kan worden opgetreden. Verder kan niet worden geconcludeerd dat uitgesloten is dat het bemesten voor geen enkel Natura 2000-gebied significante gevolgen kan hebben. Om die reden is de uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen eveneens onverbindend.

7.2.1 Gevolgen voor de praktijk
De gevolgen voor de praktijk kunnen nog niet in detail worden vastgesteld, maar nu al is duidelijk dat deze groot zullen zijn. Het onverbindend verklaren van het PAS betekent dat het PAS niet ten grondslag kan worden gelegd aan Wnb-vergunningen en andere toestemmingsbesluiten waarbij ontwikkelingsruimte is toegekend of waarbij de stikstofdepositie zo laag is geoordeeld dat deze onder de grens- of drempelwaarde lag. Het betekent verder dat in het kader van een bestemmingsplanprocedure niet kan worden verwezen naar de passende beoordeling van het PAS. E.e.a. leidt ertoe dat voor al deze besluiten een inhoudelijke, ecologische beoordeling moet worden verricht. In lang niet alle gevallen zal dit eenvoudig zijn. Voor de goede orde zij opgemerkt dat deze – vergaande – consequenties, aldus de ABRvS, alleen geldt voor besluiten die nog niet onherroepelijk zijn. De komende tijd zal verder duidelijk worden of er nog aanvullende ruimte en behoefte is voor een aangepast PAS waarmee, bijvoorbeeld, de herstel en verbetering van de Natura 2000-gebieden wordt bevorderd en waardoor, in de toekomst wellicht, vergunningverlening voor nieuwe activiteiten met stikstofdepositie weer wat eenvoudiger wordt.

8. Varia

8.1 Relativiteit
Ook in deze kroniekperiode zijn weer de nodige uitspraken gewezen waarin het relativiteitsvereiste aan de orde is gekomen. Voor wat betreft de vraag in hoeverre appellanten een beroep kunnen doen op de normen uit de Wnb ter bescherming van Natura 2000-gebieden is hoofdzakelijk de afstand tussen de woning c.q. de percelen van appellanten en het Natura 2000-gebied ter bescherming waarvan men beroepsgronden aanvoert van belang. Bij een afstand van 130 tot 200 meter kan – onzes inziens logischerwijs – nog een inhoudelijk beroep worden gedaan op de Wnb.60ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:325, JNA 2019/11, m.nt. D. van der Meijden. Een afstand van 675 m, waarbij vanuit de appartementen van eisers niet of nauwelijks zicht op het betrokken Natura 2000-gebied bestond, werd onvoldoende geacht om de toets aan art. 8.69a Awb met goed gevolg af te leggen.61ABRvS (vz.) 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1742. Zie ook ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:888, waarin de ABRvS, vanwege een afstand van 600 meter tussen de percelen van appellanten en een Natura 2000-gebied, overwoog dat hierdoor geen zodanige verwevenheid bestaat met de individuele belangen van appellanten bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat ook hun beroep afstuitte op art. 8.69a Awb. Dat is ook het geval bij een afstand van ongeveer 900 meter, waarbij in het tussenliggende gebied verschillende bedrijven, een woningbouwlocatie en het water de Zaan waren gevestigd.62ABRvS (vz.) 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3019. Als een appellant, vanwege de eis van art. 8.69a Awb, de normen uit de Wnb niet kan inroepen omdat deze normen niet strekken tot bescherming van zijn belangen, dan leidt dit er ook toe dat belanghebbenden zich evenmin kunnen beroepen op die normen ten behoeve van het betoog dat een plan-MER diende te worden gemaakt omdat een passende beoordeling moest worden gemaakt.63ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, Module Ruimtelijke ordening 2018/8004, m.nt. G. van den End, JBO 2018/173, m.nt. D. van der Meijden, M en R 2018/101, m.nt. M.A.A. Soppe & H. Witbreuk.

Reeds in 201264ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0404, Milieurecht Totaal 2013/2568, m.nt. P. Jong. overwoog de ABRvS dat de bepalingen van de Nbw 1998 niet strekken tot de bescherming van bedrijfseconomische belangen. Er kan van worden uitgegaan dat dit ook geldt voor de Wnb. Echter, in die uitspraak ging het om bedrijfseconomische belangen die betrekking hadden op agrarische gronden buiten de begrenzing van het betrokken Natura 2000-gebied waarbij de agrarische bedrijfsactiviteiten niet werden beïnvloed door de staat van instandhouding van dit Natura 2000-gebied. In de uitspraak van 6 februari 201965ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:349, JBO 2019/60, m.nt. D. van der Meijden, JG 2019/14, m.nt. M.G. Nielen. maakt de ABRvS duidelijk dat de Wnb wel strekt tot bescherming van bedrijfseconomische belangen indien het gaat om gronden (i.c. een mosselperceel) binnen een Natura 2000-gebied en de kwaliteit van het perceel66De ABRvS hanteert in dit kader de term ‘het voortbrengende vermogen van het mosselperceel’. mede wordt bepaald door de staat van instandhouding van dit Natura 2000-gebied. In dat geval zijn de bedrijfseconomische belangen van appellant zodanig verweven met het belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied, dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen van de Nbw (en thans de Wnb) kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van de appellant. Ten aanzien van een bewonersvereniging die de belangen behartigt van bewoners die op een afstand van ongeveer 25 meter van een Natura 2000-gebied wonen, overweegt de ABRvS – niet onverwacht – dat de belangen van deze vereniging bij het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving van de bewoners zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van deze vereniging.67ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105, JNA 2019/25, m.nt. D. van der Meijden.

8.2 Handhaving
Procedures over handhaving op grond van de regels die in de Wnb zijn gesteld ter bescherming van Natura 2000-gebieden komen niet vaak voor. In deze kroniekperiode zijn er een aantal handhavingsuitspraken verschenen.68Zie o.a. Rb. Limburg 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9901. Gewezen zij ten eerste op de uitspraak van 25 september 201869Rb. Overijssel 25 september 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:3504, JNA 2018/49, m.nt. D. van der Meijden. waar een verzoek tot handhaving was gericht tegen de exploitatie van een vleeskalverenhouderij. De rechtbank meende dat verweerder dit verzoek terecht mocht afwijzen om de reden dat voor de bedrijfsactiviteiten reeds een (nog niet onherroepelijke) Wnb-vergunning was verleend. Dat is een logische reden om een handhavingsverzoek niet te honoreren. Opvallend is echter ook dat de rechtbank het ook terecht achtte dat verweerder niet optrad tegen de transportbewegingen van en naar het bedrijf omdat (i) dit aspect van de bedrijfsvoering pas in de bezwaarfase aan het handhavingsverzoek was toegevoegd; en (ii) de vraag in hoeverre de transportbewegingen onder de Wnb-vergunning vallen onderwerp van geschil kan zijn in de procedure tegen de verleende Wnb-vergunning. De arresten van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 augustus 201870Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7149, ECLI:NL:GHARL:2018:7150 resp. ECLI:NL:GHARL:2018:7151. in een strafrechtelijke procedure laten – terecht – zien dat voor een strafrechtelijke veroordeling daadwerkelijk aangetoond moet worden dat de verweten gedraging heeft geleid tot een verslechtering of een significante verstoring van de kwaliteit van de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. De algemene stelling dat – in dit geval – het rijden op (onverharde) wegen in een Natura 2000-gebied met een zogeheten ‘’off-the-road” motor significante schade toebrengt aan de natuur is onvoldoende om de specifiek op de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied toegespitste tenlastelegging bewezen te achten.

8.3 Aanhaken; vvgb
In de (voorlopige voorzienings)uitspraak van 2 november 201871Rb. Midden-Nederland 2 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5362. kwam een omgevingsvergunning zonder aanhakende natuurtoestemming aan de orde. Mooi om te zien is dat, weliswaar bij het aanvragen van de omgevingsvergunning, door de aanvrager niet de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ was aangevraagd, maar dat de vergunningverlener dit aspect wel zelf had meegenomen in de besluitvorming. Zo was aan GS gevraagd of een verklaring van geen bedenkingen nodig zou zijn, hetgeen door GS werd weersproken omdat de aangevraagde activiteit niet zou leiden tot een overtreding van art. 2.7 lid 2 Wnb. Inhoudelijk bestonden hierover bij de verzoekster in deze procedure wel de nodige twijfels; de conclusie van GS was niet gebaseerd op een voortoets. Dat werd erkend door de aanvrager; uit de uitspraak volgt dat er weliswaar onderzoek was, maar dat dit onderzoek niet bij deze vergunningaanvraag was gevoegd (hetgeen wel gebeurd was bij twee vergelijkbare aanvragen om omgevingsvergunning). De voorzieningenrechter concludeert daarop dat dit gebrek in de bezwaarfase kan worden hersteld. Op zichzelf is dat correct, maar daarmee impliceert de voorzieningenrechter ook wel dat deze voortoets inhoudelijk juist is en dat de conclusie dat geen Wnb-toestemming nodig is terecht op die voortoets kon worden gebaseerd. Immers, als uit de voortoets zou volgen dat een Wnb-toestemming – in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen – wel noodzakelijk zou zijn, dan volgt daarmee ook dat de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. Het is de vraag of dit gebrek zich eenvoudig laat herstellen in de bezwaarfase.

De juridisch correcte uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 30 mei 201872Rb. Zeeland-West-Brabant 30 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3183, JOB 2018/182, m.nt. D. van der Meijden. laat zien welke opmerkelijke consequenties de aanhaakverplichting voor de natuurtoestemming uit de Wabo kan hebben. Ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning, was reeds een Nbw-vergunning aangevraagd. Echter, de dag na het nemen van een besluit op de omgevingsvergunning werd de aanvraag voor de Natuurbeschermingswetvergunning als nog ingetrokken. Dit achtte de rechtbank niet relevant ‘aangezien dit na het beoordelingsmoment is geschied’. Er kon dus niet alsnog sprake zijn van het ‘aanhaken’ van de natuurvergunning. Helemaal correct, al was het alleen maar omdat op het moment dat de omgevingsvergunning werd verleend, de aanvraag om de Natuurbeschermingswetvergunning nog niet was ingetrokken. De uitspraak van 13 maart 2019 van de ABRvS73ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803. borduurt min of meer voort op de lijn die de Rechtbank Zeeland-West-Brabant al inzette. Hier concludeerde de ABRvS ook dat er geen verplichting (meer) bestond om de natuurtoestemming aan te haken aan de omgevingsvergunning omdat (i) weliswaar eerst een aanvraag om omgevingsvergunning met aanhakende natuurtoestemming was aangevraagd; maar (ii) deze aanvraag voor zover het de aanhakende natuurtoestemming betrof nadien was ingetrokken, omdat een aparte aanvraag om een ontheffing als bedoeld in hfdst. 3Wnb74In casu ging het om een aanvraag om een ontheffing van de verboden uit hoofdstuk 3 van de Wnb. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de conclusie anders zou zijn bij een aanvraag om een vergunning op grond van hfdst. 2 Wnb. was ingediend. In die situatie bestaat er niet langer een verplichting om de natuurtoestemming te laten aanhaken bij de omgevingsvergunning.

8.4 Beperken toegang
In deze kroniekperiode verscheen ook een aantal uitspraken over besluiten tot beperking van de toegang tot Natura 2000-gebieden.75Rb. Midden-Nederland 29 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5892 en ECLI:NL:RBMNE:2018:5894. De bevoegdheid daartoe volgt uit art. 2.5 lid 1 Wnb. In deze uitspraken wordt bevestigd dat een toegangsbeperkingsbesluit kan worden genomen indien dit ‘nodig’ is gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Voor de beoordeling van het ‘nodig zijn’ is niet vereist dat de activiteiten die door de beperking van de toegang worden voorkomen slechts dan in aanmerking mogen worden genomen als wetenschappelijk is aangetoond of anderszins buiten twijfel staat dat deze activiteiten significante gevolgen hebben voor het Natura 2000-gebied. Art. 2.5 lid 1 Wnb biedt de mogelijkheid om maatregelen te treffen die bijdragen aan of noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en de habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Daarbij heeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte voor de beantwoording van de vraag of het nodig is dat de betreffende maatregelen worden genomen, waarbij acht moet worden geslagen op het voorzorgsbeginsel. Ook moet daarbij niet alleen uitgegaan worden van activiteiten waarvan wetenschappelijke zekerheid bestaat dat deze onherstelbare schade zullen toebrengen aan natuurwaarden, maar moet verweerder ook activiteiten in de besluitvorming betrekken waarvan uit de beoordeling door deskundigen volgt dat schadelijke gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen onzeker zijn maar niet kunnen worden uitgesloten. Als evenwel zeker is dat een bepaalde activiteit geen negatieve invloed zal hebben op een Natura 2000-gebied, kan er geen noodzaak meer zijn voor toegangsbeperkingen voor deze activiteit.

Dit laat, samengevat, veel ruimte voor het bevoegd gezag om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken. Echter, de in deze kroniekperiode verschenen uitspraken van de Rechtbank Midden-Nederland laten zien dat dit niet betekent dat een toegangsbeperkingsbesluit niet met succes kan worden aangevochten. Als de reden voor een toegangsbeperkingsbesluit wordt gevonden in een daling van het aantal vogels van een soort waarvoor een Natura 2000-gebied een instandhoudingsdoelstelling kent, zal wel voldoende gemotiveerd moeten zijn dat deze daling zich voordoet. Als deze soort verstoord wordt door een toename van recreatieve activiteiten in het Natura 2000-gebied, ligt het verder niet voor de hand om alle activiteiten (waaronder ook garnalenvissers) te beperken. Door het bevoegd gezag zal dan onderzocht moeten worden of voor het voorkomen van verstoring van deze soort ook kan worden volstaan met een minder vergaande maatregel dan het beperken van toegang voor alle activiteiten.

8.5 Overig
De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 9 november 201876Rb. Noord-Nederland 9 november 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4565. is een van de zeldzame uitspraken over het treffen van een passende maatregel als bedoeld in art. 6 lid 2Habitatrichtlijn. Het betrof hier de bestrijding van watercrassula in het Natura 2000-gebied Terschelling door het volledig afgraven van het gebied waar deze plant zich heeft gevestigd tot een diepte van 40 cm en het afgegraven terrein daarna te vullen met een laag schoon zand. Een maatregel die volgens eiseres – erfpachter van een perceel met daarop een recreatiewoning – buitenproportioneel was. Dat de maatregel voor eiseres ingrijpend zou kunnen zijn, werd ook door de voorzieningenrechter onderschreven. Nu echter ook voldoende aannemelijk was gemaakt dat de gekozen maatregel van afgraving in feite de enige thans bekende methode is om de watercrassula definitief te verwijderen, andere potentiële maatregelen minder succesvol zouden zijn en verder niet aannemelijk was geworden dat de woning van eiseres als gevolg van de werkzaamheden schade zou oplopen, werden er geen redenen aanwezig geacht voor schorsing van de uitvoering van de maatregelen.

Opmerkelijk is de situatie die in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland d.d. 6 november 201877Rb. Gelderland 6 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4770, JNA 2018/58, m.nt. D. van der Meijden. aan de orde was. Hier ging het om een wijziging tenaamstelling van een (oude) Nbw-vergunning zonder dat de eigenaar van die vergunning hiervan op de hoogte was. De rechtbank overweegt in dat kader dat een ander dan de vergunninghouder een dergelijk verzoek kan doen en dat de (voormalige) vergunninghouder belanghebbende is bij het besluit waarbij de tenaamstelling van zijn vergunning wordt gewijzigd. De voormalige vergunninghouder was echter niet betrokken bij de beoordeling van de aanvraag om wijziging van de tenaamstelling en ook niet bij het daaropvolgende besluit. Terecht concludeert de rechtbank dan ook dat met de belangen van deze vergunninghouder onvoldoende rekening is gehouden. Dit is zo’n procedure die simpel voorkomen had kunnen worden door de (voormalige) vergunninghouder, al dan niet op grond van art. 4.8 Awb, te vragen om te reageren op de aanvraag. Of, beter wellicht nog, om aanvulling van het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling te vragen door die aanvrager te laten aantonen dat ook de (op dat moment vigerende) vergunninghouder instemt met deze wijziging.

De uitspraak van 9 augustus 201878Rb. Noord-Nederland (vz.) 9 augustus 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3231. biedt een voorbeeld van de samenloop tussen het soorten- en gebiedsbeschermingsrecht. Voor een soort (in dit geval de Meervleermuis) die een ecologische relatie heeft met een Natura 2000-gebied, kan mogelijk een Wnb-vergunning nodig zijn. Dat laat uiteraard onverlet dat voor dezelfde soort – aanvullend – ook nog een ontheffing van de verbodsbepalingen uit hfdst. 3 Wnb noodzakelijk kan zijn. Verder wijzen wij in dit kader nog op de uitspraak van 7 september 201879Rb. Noord-Holland 7 september 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7678, JNA 2018/42, m.nt. D. van der Meijden. waarin een aantal procedurele kwesties aan de orde kwam. Naar aanleiding van een ingediend bezwaar tegen een verleende vergunning was alsnog een passende beoordeling opgesteld. Deze passende beoordeling was ten grondslag gelegd aan de beslissing op bezwaar. In beroep werd vervolgens aangevoerd dat aan de bezwaarmaker de gelegenheid had moeten worden geboden om, in de bezwaarfase, over de passende beoordeling gehoord te worden. Onder verwijzing naar art. 7.9 Awb concludeert de rechtbank dat de alsnog opgestelde passende beoordeling een omstandigheid van aanmerkelijk belang is, waarover de bezwaarmaker inderdaad gehoord had moeten worden. Dit gebrek wordt echter vervolgens met toepassing van art. 6.22 Awb gepasseerd, nu in beroep gronden tegen de passende beoordeling naar voren konden worden gebracht. Verder werd door eiseres in beroep aangevoerd dat met de beslissing op bezwaar de mountainbikeroute waarvoor vergunning was verleend, zodanig was gewijzigd dat ook hierin een reden lag om bezwaarmaakster, voor het nemen van de beslissing op bezwaar, nogmaals te horen. Dit volgt de rechtbank niet: de aanpassingen ten opzichte van de oorspronkelijke route zijn van ondergeschikte aard en het is niet aannemelijk dat die aanpassingen zullen leiden tot een uitbreiding van het aantal potentiële belanghebbenden.

Door de Europese Commissie gestarte inbreukprocedures over implementatie en uitvoering van de Habitatrichtlijn komen niet vaak voor – althans, leiden niet vaak tot een gerechtelijke procedure. Vandaar dat wij nog wijzen op het arrest van het HvJ EU van 18 oktober 201880HvJ EU 18 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:844. waarin het HvJ EU, naar aanleiding van een klacht van een natuurorganisatie, concludeerde dat het Verenigd Koninkrijk niet tijdig voldoende natuurgebieden ter bescherming van de bruinvis hadden aangemeld bij de Europese Commissie. Er was immers maar 1 gebied als zodanig voorgesteld, terwijl uit deskundigenonderzoek was gebleken dat er meerdere geschikte gebieden bestonden op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk.

9. Afronding
Deze kroniekperiode wordt toch wel gedomineerd door de ontwikkelingen over het PAS. De ABRvS heeft hierover nu zeer recent juridische duidelijkheid gegeven, maar de komende periode zal in de praktijk duidelijk zijn wat dit daadwerkelijk betekent voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. De volgende kroniek zal daar ongetwijfeld veel aandacht aan besteden.

 


Gerelateerd

Relativiteit bij het MER: deelaspecten van het milieuonderzoek
Erwin schreef een noot onder ABRvS 18 maar 2020, ECLI:NL:RVS:2020:801 in M en R 2020/49….
Aanleg rieteilanden en rietkraag is een beschermingsmaatregel waarmee in de passende beoordeling rekening mag worden gehouden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360 in M en R 2020/10…
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Fiets weg? Ook dat is bestuursrechtelijke handhaving
Fleur schreef een noot onder ABRvS 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4152 in OGR-updates. 1. In de…
Grote kamer en staatsraad advocaat-generaal kunnen Rechtbank Gelderland onvoldoende overtuigen?
Fleur schreef een noot onder Rb. Gelderland 7 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5015 in OGR-updates.  1. Op…
Programma Aanpak Stikstof; Uitzondering vergunningplicht weiden van vee/bemesten van gronden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 in M en R 2019/83…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Eisen passende beoordeling voor een programma (PAS).
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in M en R 2019/68…
Vervallen aanhaakverplichting natuurtoestemming bij omgevingsvergunning door intrekking onderdeel natuur.
Marieke schreef een noot onder ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803 in M en R 2019/57…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Verschillende wijzen van rechterlijke omgang met het PAS-arrest
Marieke schreef een noot bij Rb. Midden-Nederland 29 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5823 in M en R…
Prejudiciële vragen Habitatrichtlijn; hoe om te gaan met natuurwaarden waarvoor een gebied niet is aangewezen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:883 in 1. Dit arrest,…
Het PAS-arrest; en nu?
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/18 over de gevolgen van het PAS-arrest….
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Besluitbegrip. Besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan. Vaststelling faunabeheerplan.
M. Bauman, D. Sietses & J.V. van Ophen schreven een noot onder ABRvS 20 maart…
Lucht boven Natura 2000-gebied onderdeel van het gebied?
Marieke scheef een noot bij Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2665 in M en…
Heldere contouren – vereisten aan onderzoek Dienstenrichtlijn worden duidelijk
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 19 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4195 en ECLI:NL:RVS:2018:4196 in Annotaties…
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Bestemmingsplanregeling; verzekeren dat een passende beoordeling niet is vereist
Marieke scheef een noot bij ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530 in M en R 2018/42. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Amsterdams vestigingsverbod toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar Amsterdam Cheese Company mag toch open blijven
Het Amsterdamse vestigingsverbod voor toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar de Amsterdam Cheese Company mag van…
Randvoorwaarden PAS – arrest HvJ
Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (over de Programmatische…
Randvoorwaarden voor verkleining van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (Vereniging Hoekschewaards Landschap) in…
Afdeling laat zich weer uit over Dienstenrichtlijn in relatie tot bestemmingsplan
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3471 in Annotaties OGR 2018-0228….
Prejudiciële vragen PAS: conclusie van de A-G
Marieke schreef een noot bij HvJ EU (A-G) 22 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 in M en…
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Omgevingsrechtelijke besluitvorming voor zonneparken: een overzicht
In Bouwrecht 2018/77 gingen Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed in op de omgevingsrechtelijke besluitvorming voor…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/62…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/49…
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Schadevergoeding. Gevraagde schadevergoeding doorslaggevend voor bevoegdheid bestuursrechter. Rechtsmachtverdeling.
D. Sietses, K.J. de Graaf & A.T. Marseille schreven een noot bij ABRvS 2 augustus…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de bestuursrechtelijke beroepsprocedure
Erwin Noordover en Tom Barkhuysen schreven ‘Artikel 8:22 Awb: schakel tussen de curator en de…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
De reikwijdte en rechtsgrondslag van nadeelcompensatie in het omgevingsrecht.
Derek Sietses schreef in TBR 2016/34, afl. 3 het verslag van de jaarvergadering van Vereniging…
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor een tekortschieten in hun inspanningen
Erwin Noordover en Laurens Westendorp schreven ‘Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor…
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel
Erwin Noordover schreef ‘Baat het niet, dan schaadt het (mogelijk) wel’, Bb 23 juni 2015/nr….
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
De reikwijdte van de bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure
K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in O&A 2015/3, afl….
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
De curator als overtreder
Erwin Noordover schreef ‘De curator als overtreder’ in Tijdschrift voor Insolventierecht, 2015/12. Een failliet bedrijf…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Titel 8.4 Awb: verdwenen, gebleven en nieuwe problemen
Deze bijdrage van K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses maakt deel uit van…
De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies
Fleur Onrust schreef “De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies”, in “Gepaste afstand, de…
Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee’, TO oktober…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan curator
Fleur Onrust schreef in JM 2014/111 over een besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan de curator. In de…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz….
Spoedeisende bestuursdwang, handhaving, bluswater, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann, noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:90,  JM 2014/34….
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
De finaliseringsslag in het bestuursrecht
B. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in NJB 2013/497, afl. 10. Aandacht voor…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van complicerende factoren
Erwin Noordover schreef ‘Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van…
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Handhaving – spoedeisende bestuursdwang
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:BY1700, inz. Handhaving, spoedeisende…
Hoge Raad over Kostenverhaal Chemie-Pack
Fleur Onrust met C.N.J. Kortmann, noot onder HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7505, inz. Kostenverhaal Chemie-Pack, AB 2013/368….
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 1
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Bestuursrechtelijk kostenverhaal bestuursdwang bij Chemie-Pack
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder Rb. Breda 21 juni 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8992,inz. Spoedeisende bestuursdwang…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
SVIR en Barro: beleid en regel voor de nationale ruimte
In Bouwrecht 2012/49 ging Erwin Noordover in op het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
Artikel 7:11 Awb
Fleur Onrust schreef met L.M. Koenraad het artikelgewijze commentaar op artikel 7:11 Awb in Module bestuursrecht…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Kostenverhaal brand Chemie-Pack Moerdijk
Fleur Onrust schreef een noot met C.N.J. Kortmann bij de uitspraak van de Rb 21 april…
De verhouding tussen BW en Awb in het kader van een subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1307 inz. De verhouding tussen BW en…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Subsidievaststelling en de verhouding tussen BW en Awb
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, inz. Subsidievaststelling en de verhouding tussen…
Verrekening teveel betaalde subsidie
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, inz. Verrekening teveel betaalde subsidie…
Subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NLRVS:2010:BL7011, inz. Subsidievaststelling, AB 2011/92. De…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…
Mediation in het bestuursrecht
Marieke Kaajan schreef het artikel “Mediation in het bestuursrecht. Mogelijkheden voor een wettelijke regeling” , AAe…