ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 15-11-2015

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming

Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming. Dit deel heeft betrekking op de Flora en faunawet. Eerder verschenen in BR 2015 / 76.

1. Inleiding

Dit betreft deel 2 van de kroniek Natuurbeschermingsrecht en Flora- en faunawet (Ffw) 2015. In het eerste deel behandelden wij[1] de ontwikkelingen van het afgelopen jaar op het gebied van de Natuurbeschermingswet, oftewel de gebiedsbescherming. Deel 1 van deze kroniek verscheen in Bouwrecht 2015/61.[2]

Dit tweede deel van de kroniek behandelt de ontwikkelingen van het afgelopen jaar voor wat betreft de soortbescherming zoals neergelegd in de Ffw. In deel 2 komen de actualiteiten op het gebied van de soortbescherming aan de orde in de periode 1 januari 2014 tot en met 15 juli 2015. Kort worden eerst de relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving behandeld, daarna behandelt deze kroniek de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en rechtbank aan de hand van verschillende deelonderwerpen.

2. Wijzigingen wet- en regelgeving in de kroniek periode Ffw

In deze kroniekperiode is een tweetal dieren toegevoegd aan de lijst van Bijlage 2 van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten waarin de beschermde inheemse diersoorten zijn opgenomen, te weten de haringhaai[3]  en de wolf.[4]

De Wet natuurbescherming is op 1 juli 2015 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt thans voor bij de Eerste Kamer.[5] De huidige bevoegdheid van de minister om ontheffingen op grond van de Ffw te verlenen, zal in de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet worden overgedragen aan het college van Gedeputeerde Staten. Bij AMvB zullen flora- en fauna activiteiten worden aangewezen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zullen zijn, dan wel als sprake is van flora- en fauna activiteiten van nationaal belang welke minister(s) bevoegd zijn. Nieuw is dat in de Wet natuurbescherming een regeling is opgenomen voor actieve soortenbescherming (artikel 1.12 Wet natuurbescherming). Met deze nieuwe bepaling zijn provincies geheel verantwoordelijk voor de actieve soortenbescherming. Het is aan de provincie om te bezien voor welke soorten zij op haar grondgebied welke maatregelen aangewezen acht. Met betrekking tot de jacht, spreekt de Wet natuurbescherming over een zorgvuldige aanpak gericht op populatiebeheer en schadebestrijding. Er mag worden gejaagd wanneer dieren schade veroorzaken of om te beheren. Provincie, natuurorganisatie en jagers maken vooraf een faunabeheerplan. Daarin staat welke activiteiten nodig zijn voor een evenwichtige natuur. Na het jachtseizoen moeten de jagers volgens de Wet natuurbescherming laten weten welke dieren zijn afgeschoten. Dit zorgt voor beter inzicht in de jacht, zo is de gedachte van de wetgever.

2.1 Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie Ffw

In het hiernavolgende worden recente bestuursrechtelijke Ffw-uitspraken van de ABRvS en rechtbanken besproken over de periode januari 2014 tot en met 15 juli 2015. De volgende deelonderwerpen worden behandeld: (2.2) Relativiteitsvereiste; (2.3) Jacht en beheer en schadebestrijding; (2.4) Ontheffingen art. 75 Ffw; (2.5) Soorten; (2.6) Mitigerende maatregelen; (2.7) Verboden; (2.8) Gunstige staat van instandhouding; (2.9) Overig. Andere bevredigende oplossing; (2.10) Ontheffingsgronden; (2.11) Bestemmingsplannen; (2.12) Onderzoek; (2.13) Omgevingsvergunning en Ffw; (2.14) Handhaving. Deze kroniek wordt afgesloten met een slotbeschouwing in paragraaf 3. Schadebesluiten van het Faunafonds zullen in deze kroniek niet aan de orde komen.

2.2 Relativiteitsvereiste

Het relativiteitsvereiste kan ervoor zorgen dat een beroep op normen uit de Ffw, ook als dat inhoudelijk wellicht wel terecht is, niet kan slagen. Indien een belanghebbende een beroep doet op de Ffw dient dan ook te worden onderzocht of de normen uit de Ffw “kennelijk” strekken tot bescherming van de belangen van degene die de beroepsgrond aanvoert, oftewel of aan het relativiteitsvereiste van art 8:69a Awb is voldaan.

In deze kroniekperiode is een groot aantal uitspraken gedaan over het relativiteitsvereiste waarbij in onder meer bestemmingsplanprocedures een beroep op de normen uit de Ffw werd gedaan. Het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in art. 8:69a van de Awb, moet zo worden uitgelegd dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Ffw omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, ook niet kunnen stellen dat het bestemmingsplan vanwege de bepalingen uit de Ffw niet uitvoerbaar is.[6] Voor omwonenden die direct naast een perceel waarop de ontwikkeling ziet en waarop het beroep op de vermeende overtreding van de Ffw betrekking heeft, geldt dat het perceel onderdeel uitmaakt van de directe leefomgeving. In dat geval zijn de belangen van die appellant bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving in dit geval zo verweven met de algemene belangen die de Ffw beoogt te beschermen dat de betrokken normen uit de Ffw kennelijk strekken tot de bescherming van hun belangen.[7]  Deze omwonenden kunnen dan dus wel een beroep doen op de Ffw. Ook in een andere procedure werd uitgemaakt dat het direct aangrenzende perceel tot de directe leefomgeving behoort.[8]  Ook de woning van een appellant gelegen op 40 meter afstand van de woning in het bestemmingsplangebied waar een vleermuis was aangetroffen bevond zich in de directe leefomgeving.[9] Dat was, aldus de ABRvS anders bij een appellant in een bestemmingsplanprocedure, waarvan de woning was gelegen op een afstand van hemelsbreed 125 meter van een voormalige brandweerkazerne waarin de verblijfplaatsen van vleermuizen waren aangetroffen en waarbij zich tussen de woning en de brandweerkazerne bebouwing bevond. In dat geval is de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant niet aan de orde is en kwam appellant geen beroep toe op de normen uit de Ffw.[10] Voor een appellant in een andere bestemmingsplanprocedure werd aangenomen dat de ingeroepen normen van de Ffw strekken tot zijn belangen, mede gelet op de ligging van de EHS.[11] Bij eisers in een procedure tegen een evenementenvergunning die allen wonen in de directe omgeving van het park waarop de evenementenvergunning ziet en waarbij dit park voor hen het dichtstbijzijnde park betreft, maakt het feit dat zich tussen de woningen en het park een metrostation bevindt niet dat het relativiteitsvereiste hen kan worden tegengeworpen.[12] De normen uit de Ffw strekken verder niet tot de bedrijfseconomische belangen van een in het bestemmingsplangebied aanwezig bedrijf.[13] Ook het belang van het niet kunnen voortzetten en uitbreiden van bedrijfsactiviteiten,[14]  of de verhuurbaarheid van een bedrijfswoning zijn geen belangen die de Ffw beschermd.[15]

In deze kroniekperiode verscheen er een aantal uitspraken waarbij relativiteit en windturbines aan de orde was. De toets aan het relativiteitsvereiste van de tegen het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning opgekomen omwonende(n) wordt in die procedures verricht aan de hand van het criterium of sprake was van aantasting van de kwaliteit van de directe leefomgeving van die omwonende(n). De rechtbank oordeelde dat de effecten van de windturbines voor vleermuizen gelet op de afstand van 470 meter[16] en meer dan 800 meter[17] die directe leefomgeving niet zullen aantasten. De directe leefomgeving van appellanten met percelen gelegen op een afstand van ongeveer 1.400 meter en ruim 600 meter van het plangebied waarin een vijftal windturbines mogelijk wordt gemaakt wordt eveneens niet aangetast. Dat er in de tuinen van deze mensen minder vleermuizen gesignaleerd worden vanwege een ander windpark is onvoldoende om van een aantasting van de directe leefomgeving te kunnen spreken.[18]

Het relativiteitsvereiste kan niet worden tegengeworpen aan een stichting die blijkens de statuten opkomt voor de bescherming van bijzondere natuurwaarden. De bescherming van diersoorten wordt hieronder mede begrepen.[19] Een stichting die echter blijkens haar statuten opkomt voor – kort gezegd – monumentale belangen en landgoedbelangen van een terrein of gebouw kan zich niet beroepen op normen uit de Ffw.[20]

Uit het voorgaande blijkt dat het relativiteitsvereiste er dus aan in de weg kan staan dat een geslaagd beroep op de normen uit de Ffw wordt gedaan. Doordat de normen van de Ffw zich ook uitstrekken tot het belang van de directe leefomgeving, is de reikwijdte van de Ffw evenwel niet slechts beperkt tot stichtingen en verenigingen die zich inzetten voor natuurbelangen. Ook degenen waarbij een aantasting van kwaliteit van de directe leefomgeving zou kunnen optreden, kunnen een geslaagd beroep doen op de normen uit de Ffw.

2.3 Jacht, beheer en schadebestrijding

De Ffw kent voor jacht, beheer en schadebestrijding een aantal vrijstellingen en ontheffingen van de verboden uit de Ffw. De Ffw verstaat onder jacht het “bemachtigen, doden of met het oog daarop opsporen van wild, alsmede het doen van pogingen daartoe”. In art. 32 Ffw is aangegeven welke soorten als “wild” worden aangemerkt. Het doden van soorten die niet als wild zijn aangemerkt, valt niet onder het begrip “jacht”. De jacht wordt opengesteld in bepaalde perioden, geldt voor bepaalde soorten en mag plaatsvinden met vastgestelde middelen.

Naast de bepalingen over jacht kent de Ffw bepalingen over beheer en schadebestrijding. Beheer en bestrijding ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen bedrijfsmatige visserij en wateren of schade aan fauna betreft geen jacht in de zin van de Ffw. Bestrijding van schadeveroorzakende soorten kan worden gebaseerd op de artikelen 65, 67, of 68 Ffw. Op grond van art. 72 Ffw zijn de middelen aangewezen die bij schadebestrijding gebruikt mogen worden. Art. 65 Ffw regelt de vrijstelling voor het bestrijden van algemeen voorkomende beschermde inheemse soorten die in het gehele land of delen daarvan belangrijke schade aanrichten aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of schade aan fauna. Daarbij maakt artikel 65 Ffw een onderscheid tussen een vrijstelling op landelijk niveau en een vrijstelling op provinciaal niveau. Naast deze vrijstellingsmogelijkheid kent de Ffw nog een aanwijzingsbevoegdheid en een ontheffingmogelijkheid. Op grond van art. 67 Ffw kunnen Gedeputeerde Staten personen of een categorie van personen aanwijzen die bepaalde diersoorten mogen doden. De aanwijzing kan geschieden op grond van de volgende criteria: (i) de gunstige staat van instandhouding komt niet in gevaar (geldt alleen bij beschermde inheemse soorten); (ii) er bestaat geen andere bevredigende oplossing ter voorkoming van schade; (iii) er is sprake van een belang zoals genoemd in de wet. Art. 68 Ffw vormt de grondslag voor de ontheffingverlening voor de bestrijding van beschermde inheemse diersoorten. Op grond van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de in de wet genoemde verbodsbepalingen, onder dezelfde voorwaarden als genoemd bij art. 67 Ffw alleen de in de wet genoemde belangen verschillen gedeeltelijk. Ontheffingen ex art. 68 Ffw worden in principe verleend aan een faunabeheereenheid, op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan.

Allereerst behandelen wij een tweetal uitspraken over jacht en vervolgens een aantal uitspraken over beheer en schadebestrijding. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel[21] heeft bepaald dat er tot 1 maart 2015 in Overijssel niet op ganzen gejaagd mag worden. In een spoedprocedure, aangespannen door de Vogelbescherming, heeft de rechtbank het besluit van de provincie om de jacht op ganzen in de winter toe te staan voor dit jaar geschorst. Aan de orde was de door de provincie verleende toestemming aan de faunabeheereenheid Overijssel om tot 2019 in de wintermaanden op ganzen te jagen. Dit is in strijd met het zogenaamde ganzenakkoord. Het ganzenakkoord is nooit in werking getreden, maar wordt door provincies wel gehanteerd als uitgangspunt van het beleid. In het ganzenakkoord is 1 november tot 1 maart als rustperiode voor de ganzen aangewezen. Volgens de provincie is de jacht toch nodig in deze periode, omdat in Overijssel overwinterende ganzen grote schade aan gewassen veroorzaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de provincie onvoldoende heeft onderbouwd dat overwinterende ganzen belangrijke schade veroorzaken op grasland. Deze schade wordt door een groot deel veroorzaakt door ganzen die het hele jaar in Nederland verblijven en die ook in de zomer afgeschoten kunnen worden. De voorzieningenrechter overwoog daarbij dat grote waarde kan worden gehecht aan een door het Faunafonds gegeven advies, waarin wordt aanbevolen om afschot tot de zomer te beperken. De voorzieningenrechter vond het daarnaast van belang dat omliggende provincies wel hebben gekozen voor het handhaven van de winterrust tot 1 maart en dat er deze winter in Overijssel al circa 5000 ganzen zijn afgeschoten. Op 2 juni 2014 heeft de Rechtbank Overijssel[22] , een uitspraak gedaan over het jagen op vossen met behulp van kunstlicht. Zoals de ABRvS reeds eerder overwoog in andere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2013:2207 en ECLI:NL:RVS:2013:2211) en zoals tevens volgt uit het arrest van het Benelux-Gerechtshof vallen vossen onder de werkingssfeer van de Benelux-Overeenkomst en de daarop gebaseerde beschikkingen. Vossen zijn namelijk aangewezen als ‘overig wild’ op grond van art. 1 lid 2 aanhef en onder d van de Benelux-Overeenkomst. In artikel 4, eerste lid, van de Benelux-Overeenkomst is een absoluut verbod opgenomen voor de jacht met het geweer gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang. Uit de uitspraken van de ABRvS van 4 december 2013 volgt voorts dat de bestrijding van vossen in dit geval is te kwalificeren als jacht in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Benelux-Overeenkomst. Dit betekent dat verweerder in het onderhavige geval artikel 68, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ffw buiten toepassing had moeten laten, voor zover daarin de bevoegdheid wordt gegeven ontheffing te verlenen van het verbod voor de jacht met het geweer gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang. Voorts had artikel 68, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ffw ook buiten toepassing moeten worden gelaten voor zover daarin de bevoegdheid wordt gegeven ontheffing te verlenen van het verbod op het doden van vossen met gebruikmaking van kunstmatige lichtbronnen. In de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:2211 overwoog de ABRvS voorts dat de Wijzigingsbeschikking van 24 april 2012 weliswaar het toepassingsgebied van de daarin genoemde beschikkingen van het Comité van Ministers beperkt, maar dat zij niet het toepassingsgebied van de Benelux-Overeenkomst zelf kan beperken. De ABRvS overwoog verder dat de Wijzigingsbeschikking de Beschikking middelen aldus heeft gewijzigd dat na 24 april 2012 de bij deze beschikking aangewezen middelen slechts zijn toe te passen bij de jacht niet zijnde jacht in het kader van bestrijding van schade. Dat het toepassingsbereik van de Beschikking middelen in deze zin is beperkt, brengt met zich dat met betrekking tot de jacht in het kader van de bestrijding van schade géén middelen zijn aangewezen. Met de ABRvS is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat zowel het jagen op vossen met het geweer gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang als het gebruik van kunstmatige lichtbronnen voor het doden van vossen ook ná 24 april 2012 nog is verboden. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het pas met de toestemming die het Comité van Ministers op 5 maart 2014 aan de Nederlandse regering heeft verleend – ervan uitgaande dat die toestemming rechtsgeldig is – mogelijk is om aan belanghebbende, in afwijking van de Benelux-Overeenkomst en de Beschikking middelen, een ontheffing te verlenen voor het ‘s nachts doden van vossen met gebruik van het geweer en kunstmatige lichtbronnen. De rechtbank is verder van oordeel dat de vraag of een dergelijke ontheffing kan worden verleend op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en inzichten dient te worden beantwoord. De motivering die verweerder aan zijn besluiten van 7 april 2010 en 2 december 2010 ten grondslag heeft gelegd, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende en niet actueel genoeg. Verweerder zal nader dienen te motiveren of en zo ja, waarom een dergelijke ontheffing kan worden verleend.

De rechtbank[23]  heeft daarnaast uitspraak gedaan inzake een ontheffing voor het doden van hazen. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat het besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, strikt noodzakelijk dient te zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering dient te berusten. Gedeputeerde Staten hebben onvoldoende gemotiveerd dat in het gebied van de wild beheer eenheden (verder ook: WBE’s) waarvoor de ontheffing is verleend belangrijke schade dreigt aan gewassen door toedoen van hazen. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten onvoldoende gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen in het gebied waarvoor de ontheffing is verleend. De volgende uitspraak inzake schadebeheer die wij willen bespreken betreft een uitspraak van de ABRvS[24] van 22 april 2015 inzake een ontheffing verleend voor het doden van reeën met een geweer in de provincie Limburg. Het college heeft beoordeeld of er een andere bevredigende oplossing als bedoeld in art. 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw is om een toename van het aantal aanrijdingen met reeën tegen te gaan. Gedeputeerde Staten hebben zich onder verwijzing naar het faunabeheerplan gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen andere bevredigende oplossing is. Daarbij zijn Gedeputeerde Staten ingegaan op diverse alternatieven voor afschot, daarmee heeft het college afdoende gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing is. De Faunabescherming heeft het tegendeel niet aangetoond. In de uitspraak van de ABRvS van 3 juni 2015[25]  wordt – in lijn met eerdere jurisprudentie – overwogen dat uit art. 4 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (verder ook: Bbsd) volgt dat een ontheffing als bedoeld in art. 68, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ffw slechts mag worden verleend ter regulering van de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. In de toelichting bij het besluit van 16 januari 2004 houdende wijzigingen van het Bbsd (Stb. 2004, 29) is vermeld dat het van belang is de omvang van de reeënpopulatie te beheren vanuit het oogpunt van dierenwelzijn. Een ontheffing voor het doden van reeën met geweer op deze grond mag om die reden dan ook slechts worden verleend als aannemelijk is dat er daadwerkelijk problemen zijn met het welzijn van de populaties reeën. Gedeputeerde Staten erkennen in deze procedure dat zij geen welzijnsproblematiek voor ogen te hebben gehad en dat de verwijzing de connotatie heeft gehad dat bij gebrek aan draagkracht meer verplaatsingen plaatsvinden die schade tot gevolg hebben. Nu er geen welzijnsproblemen als bedoeld in art. 4, aanhef en onder e, van het Bbsd zijn, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Gedeputeerde Staten dat belang niet, althans niet zonder nadere motivering, aan het besluit ten grondslag mochten leggen, aldus de ABRvS. Gedeputeerde Staten hebben overigens wel voldoende aannemelijk gemaakt dat een groei van de reeënpopulatie in Drenthe zal leiden tot meer aanrijdingen en derhalve dat de ontheffing in het belang is van de verkeersveiligheid. Gezien het vorenstaande hebben Gedeputeerde Staten dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat afschot van reeën een bevredigende oplossing is in het kader van de verkeersveiligheid.

2.4 Ontheffingen 75 Ffw

Een belang deel van de jurisprudentie over de Ffw heeft betrekking op zogenaamde art. 75 Ffw-ontheffingen. Voor de beantwoording van de vraag of er een ontheffing ex art. 75 Ffw is vereist en zo ja of deze ontheffing kan worden verleend, dienen de volgende voorvragen beantwoord te worden: a) komen er beschermde soorten voor in het gebied waar de activiteiten of handelingen worden verricht?; b) hebben de handelingen of activiteiten effect op deze soorten (of kunnen er mitigerende maatregelen worden genomen?); c) wordt er een verbod van de Ffw (art. 8-11 Ffw) overtreden? Indien deze vragen positief beantwoord worden dan geldt, voor de door Nederland beschermde soorten, de Bijlage IV-Habitatrichtlijnsoorten en voor vogels dat er ontheffing op grond van art. 75 Ffw kan worden verleend indien d) er wordt voldaan aan de ontheffingscriteria (d 1); de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar komt; (d 2) er geen andere bevredigende oplossing bestaat; en (d 3) er sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen belang. Aan de hand van deze criteria wordt hierna de relevante jurisprudentie in deze kroniekperiode beschreven.

2.5 Soorten

Voor de vraag of een ontheffing op grond van art. 75 Ffw is vereist of een vrijstelling geldt, is van belang welke soort aanwezig is. Daarnaast kunnen er verschillende ontheffingsgronden worden gebruikt al naar gelang de aanwezige soorten.

De voorzieningenrechter van de ABRvS[26] oordeelde in een bestemmingsplanprocedure waarin door een appellant werd gesteld dat er bepaalde beschermde soorten aanwezig zijn, dat appellant dan wel precies had moeten aangegeven om welke soorten het gaat. Appellant had in die procedure niet aangegeven voor welke soorten ganzen het plan volgens haar onaanvaardbare gevolgen zal hebben. De enkele stelling dat er “veel ganzen” in en nabij het plangebied verblijven is onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6 Mitigerende maatregelen

Vaste jurisprudentie van de ABRvS is inmiddels dat maatregelen alleen als mitigerende maatregelen in de zin van de Ffw aangemerkt kunnen worden indien de maatregelen voorkomen dat een verbodsbepaling van de Ffw wordt overtreden. Indien de maatregelen niet bewerkstelligen dat bijvoorbeeld de verstoring en beschadiging feitelijk wordt voorkomen, worden de verbodsbepalingen van bijvoorbeeld art. 11 van de Ffw toch overtreden. In dat geval dient de staatssecretaris te beoordelen of de aanvraag om ontheffing kon worden ingewilligd.[27]  In bestemmingsplanprocedures waarbij een meer terughoudende toets geldt voor de vraag of er een Ffw-ontheffing moet en kan worden verleend geldt dat tegenstanders van het plan niet zonder meer kunnen roepen dat de mitigerende maatregelen onvoldoende zullen zijn, of niet uitgevoerd kunnen worden. Zo oordeelde de ABRvS[28] in een bestemmingsplan procedure onder meer dat appellanten niet aangetoond hadden dat de mitigerende maatregelen die in de quickscan genoemd worden onvoldoende zouden zijn.

Als de maatregelen niet als mitigerende maatregelen aangemerkt kunnen worden, dan kunnen de maatregelen gezien worden als compenserende maatregelen. Voor compenserende maatregelen is in de Ffw plaats bij de beoordeling of de gunstige staat van instandhouding van de soort in gevaar wordt gebracht. Er staat dan echter al vast dat er een ontheffing is vereist. De compenserende maatregelen komen derhalve een stap verder in het proces aan de orde, waardoor het onderscheid tussen de verschillende soorten maatregelen van groot belang is. De uitspraak van de ABRvS[29] van 18 februari 2015 vormt een voorbeeld van een ontheffingsprocedure waarin de werking van een compensatiemaatregel ondeugdelijk was gemotiveerd.

2.7 Verboden

In de artikelen 8-11 Ffw zijn de verboden opgenomen. Artikel 8 Ffw betreft het verbod om planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. In deze kroniek periode hebben wij geen uitspraken op www.rechtspraak.nl  kunnen vinden met betrekking tot deze verbodsbepaling.

Art. 9 Ffw: doden en verwonden

Op grond van art. 9 Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland[30]  wordt een overtreding van art. 9 Ffw vastgesteld aan de hand van een rapport op basis waarvan de gemeente nu juist meende dat er geen strijdigheid met de Ffw aanwezig was. De conclusies uit het rapport worden door DLG te voorbarig geacht en de staatsecretaris neemt die conclusie over. De staatssecretaris had een last onder dwangsom opgelegd aan de gemeente Groesbeek. In opdracht van de gemeente was een nieuw fietspad langs de spoorlijn aangebracht. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 9 Ffw door de gemeente wordt overtreden. De voorzieningenrechter komt tot dat oordeel omdat in het inventarisatie natuurrapport dat is opgesteld voor de aanleg van het fietspad staat dat gedurende enkele weken in de nazomer juveniele zandhagedissen, opgejaagd door hun volwassen soortgenoten, op zoek gaan naar nieuw leefgebied (dispersie) en dientengevolge het fietspad zullen kruisen. Het is de voorzieningenrechter ter zitting gebleken, dat het gebruik van het fietspad aanmerkelijk is geïntensiveerd, nu dit volgens de gemeente een belangrijke fietsroute is geworden als enig alternatief voor een door de gemeente voor fietsers onveilig geachte andere weg. Daarmee staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vast dat artikel 9 van de Ffw wordt overtreden, omdat voorzienbaar is dat juveniele zandhagedissen in de dispersieperiode worden aangereden. Dat betekent dat de staatssecretaris bevoegd is tot handhavend optreden.

In de handhavingsprocedure die ten grondslag ligt aan de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 juni 2015[31] concludeerde de rechtbank met betrekking tot art. 9 Ffw het volgende.

Uit de rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1284) volgt dat het in art. 9 Ffw opgenomen verbod niet is beperkt tot het opzettelijk doden van beschermde inheemse diersoorten. Uit het bepaalde in art. 9 Ffw en de wetssystematiek volgt verder dat met elke doding van een dier dat behoort tot een beschermde, inheemse diersoort, daargelaten of die doding voorzienbaar dan wel incidenteel is, het in art. 9 Ffw vervatte verbod wordt overtreden en derhalve een bevoegdheid bestaat tot handhavend optreden. Anders dan de gemeente stelde, kan zij naar het oordeel van de rechtbank als overtreder van het in art. 9 Ffw worden aangemerkt indien de feitelijke openstelling van de weg leidt tot sterfte onder steen- en/of kerkuilen ten gevolge van verkeersongevallen.

Art. 10 Ffw: opzettelijk verontrusten

Art. 10 Ffw verbiedt het opzettelijk verontrusten van beschermde diersoorten.[32]  In dit kader wijzen wij niet op een bestuursrechtelijke uitspraak maar op een uitspraak van de economische politierechter[33] over art. 10 Ffw. De politierechter oordeelt dat overtreding van het verbod van art. 10 Ffw een misdrijf is en er geen overtredingsvariant van dit verbod bestaat, omdat de gedraging opzet vereist. Artikel 10 Ffw is het enige verbod in de Ffw waarvoor het opzetvereiste geldt als te bewijzen onderdeel van het verbod. De economische politierechter was in deze uitspraak van oordeel dat het bewijs voor overtreding van artikel 10 Ffw niet geleverd is. Ook van zogenaamde voorwaardelijke opzet was naar zijn mening geen sprake. Kortom, de politierechter meende dat de verdachte niet de intentie heeft gehad om vogels te verontrusten, maar de verdachte heeft ook niet de aanmerkelijke kans genomen er vogels verontrust zullen raken als gevolg van de kap van bomen in het broedseizoen. De politierechter overwoog vervolgens dat als het opzetvereiste in de verbodsbepaling zelf is opgenomen, er geen sprake meer kan zijn van de overtredingsvariant. De regeling van het opzet in de Wet op de economische delicten is dan dus niet meer van toepassing, omdat artikel 2, lid 1 WED luidt “De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2° WED, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. De economische politierechter legt op grond van art. 5 Vogelrichtlijn en de Ffw het bestanddeel opzettelijk verontrusten in art. 10 Ffw aldus uit, dat het moet gaan om een opzettelijke verstoring van in die bepaling bedoelde dieren en dat om verstoring die van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de populatie van in de bepaling bedoelde dieren. Ook moet die verstoring wetens en willens zijn veroorzaakt, in elk geval dient de verstoring als waarschijnlijk gevolg als aanmerkelijke kans bewust te zijn aanvaard.

Art. 11 Ffw: Vaste rust en verblijfplaats / nesten

Ingevolge art. 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Een belangrijke vraag in het kader van de Ffw is gelet op het verbod van art. 11 Ffw wat de omvang is van de vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor de beoordeling van de omvang van de vaste rust- en verblijfplaats is kennis van de betreffende soort vereist, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Rechtbank Overijssel. De rechtbank overwoog dat nu steenmarters gebouwbewonende zoogdieren zijn en de omgevingsvergunning zag op bouwactiviteiten aan de buitenkant van het betrokken pand de eventuele verblijf- of rustplaats van de steenmarter niet werd aangetast.[34] Verder is het inmiddels vaste jurisprudentie dat nesten buiten het broedseizoen niet onder de definitie van het begrip nest van art. 11 Ffw vallen. Dat is anders bij zogenaamde jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten vallen ook buiten het broedseizoen onder de definitie “vaste rust- en verblijfplaats” van art. 11 Ffw. Dat is slechts anders als het nest permanent verlaten is.[35]

In de jurisprudentie komt nogal eens de vraag aan de orde of het foerageergebied en de vliegroutes (van vogels of vleermuizen) tevens tot de vaste rust- en verblijfplaats gerekend moeten worden. Dat is volgens vaste jurisprudentie in ieder geval zo indien de foerageergebieden en vliegroutes samenvallen met de vaste rust- en verblijfplaatsen als bedoeld in art. 11 Ffw.[36] Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt verder dat art. 11 Ffw ook wordt overtreden indien de vaste rust- en verblijfplaatsen niet samenvallen met het foerageergebied, maar door de aantasting van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- en verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord dat de desbetreffende soort deze plaatsen om die reden zal verlaten.[37] De ABRvS legt een verband tussen art. 11 Ffw en art. 12, eerste lid, aanhef en onder d, Habitatrichtlijn. De ABRvS overwoog dat het waarborgen van de ecologische functionaliteit van broed- en rustplaatsen verzekerd moet zijn, dat wil zeggen dat deze plaatsen een diersoort alle elementen moeten blijven bieden die nodig zijn om succesvol te kunnen broeden of rusten. Andere gebieden van de habitat van een diersoort, zoals foerageergebieden, worden niet beschermd door art. 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Habitatrichtlijn, tenzij deze samenvallen met broed- of rustplaatsen.[38] Alleen indien de foerageergebied van essentieel belang zijn voor de soort kan deze dus tot de vaste rust- en verblijfplaats ex art. 11 Ffw worden gerekend.[39]

2.8 Gunstige staat van instandhouding

Als vaststaat dat er een beschermde soort aanwezig is waarvoor geen vrijstelling geldt en er een verbodsbepaling wordt overtreden, dan is er een ontheffing vereist. Een van de eisen voor het kunnen verlenen van een ontheffing ex art. 75 Ffw is dat de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt.

Om te kunnen beoordelen of de gunstige staat van instandhouding van de soort in gevaar komt bestaat er voor vogels al lange tijd een criterium aan de hand waarvan effecten op de soorten (en daarmee op de gunstige staat van instandhouding van de soort) mag worden bepaald. Dit betreft het zogenaamde 1%-of ORNIS-criterium, dat door de ABRvS tot de hierna te bespreken uitspraak van 18 februari 2015 slechts bij vogels werd toegepast. Het 1%-criterium houdt in dat indien het effect van een initiatief leidt tot minder sterfte dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de soort er geen aantoonbaar effect is op de populatieomvang van de soort en er daardoor dus ook geen aantasting is van de gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor andere soorten dan vogels was er geen criterium voorhanden. De ABRvS heeft in 2015 in een uitspraak[40]  overwogen dat het 1%-criterium ook kan worden gebruikt bij de vraag of bij andere soorten dan vogels, te weten vleermuizen (Bijlage IV Habitatrichtlijn soorten) de gunstige staat van instandhouding in het geding is. Overigens is het niet zo dat als aan het 1% criterium wordt voldaan de gunstige staat van instandhouding niet meer ter discussie kan staan. Zie hiervoor de uitspraak van ABRvS[41] inzake het rapen van kievitseieren. Hoewel dit geen art. 75-ontheffing betreft is de uitspraak wel relevant voor de toets van de gunstige staat van instandhouding in relatie tot het 1% criterium. In art. 60 Ffw is voor GS de mogelijkheid opgenomen om ontheffing te verlenen voor het rapen van kievitseieren. De ontheffing is geregeld in de Regeling zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren Flora- en faunawet. De ABRvS toetst bij deze ontheffing net als bij de art. 75 Ffw-ontheffing aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Dat wil echter niet zeggen dat als aan dit 1% criterium wordt voldaan de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar kan komen. De ABRvS verwijst in dit verband naar het arrest van 27 april 1988[42]  van het Hof van Justitie waarin al bepaald is dat aan art. 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vogelrichtlijn niet wordt voldaan, wanneer niet is gewaarborgd dat de populatie van de betrokken soort op een bevredigend niveau wordt gehandhaafd. De ABRvS komt in de uitspraak van 2015 – in weerwil van eerdere uitspraken – tot de conclusie dat sprake is van een “beeld van duurzame achteruitgang gedurende bijna 20 jaar”. De ABRvS meent dat het vaststaat dat het Friese grasland steeds een natuurlijke habitat van de kievit is geweest en dat de kievit minder voorkomt op grasland dan voorheen. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar de vraag of de kievit op lange termijn nog zal voorkomen in grasland. De ABRvS overwoog vervolgens dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de staat van instandhouding van de kievit in Friesland gunstig is en derhalve een ontheffing kon worden verleend van het verbod kievitseieren te rapen. Voldoen aan de 1%-norm was in deze uitspraak dan ook niet voldoende.

In bestemmingsplanprocedures wordt de vraag naar de benodigde Ffw-ontheffingen marginaal getoetst, en daarmee ook de vraag naar de gunstige staat van instandhouding. Een voorbeeld van die marginale toetsing betreft de uitspraak van de ABRvS[43] van 12 november 2014. In deze uitspraak wordt geoordeeld dat de toelichting van de raad dat de “gunstige staat van instandhouding voor deze soort gegarandeerd is” voldoende werd geacht, omdat deze toelichting door appellanten niet werd betwist en daarmee werd aangenomen dat de raad zich terecht op het standpunt kon stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond.

De stelling dat de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is dient in een bestemmingsplanprocedure wel deugdelijk te worden onderbouwd, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 14 april 2015, inzake een ontheffing op grond van art. 75 Ffw van de verbodsbepalingen van artikel 10, 11 en 12 Ffw voor vier meeuwensoorten.[44]  De rechtbank stelt vast dat verweerders conclusie dat het plan van aanpak geen negatieve invloed heeft op de gunstige staat, ook desgevraagd niet nader is onderbouwd. Verweerder heeft aangevoerd dat hij bij de beoordeling aansluiting heeft gezocht bij het 1%-criterium. Maar verweerders conclusie dat aan dit criterium is voldaan is op geen enkele wijze feitelijk of cijfermatig onderbouwd anders dan door de stelling dat het gaat om een relatief zeer klein aantal nesten in relatie tot het totale aantal nesten van de landelijke populatie. Dat klemt temeer nu eiseres onderbouwd heeft aangevoerd dat de betreffende soorten niet evenredig verspreid in het land voorkomen en dat het plan van aanpak wordt uitgevoerd in een gebied (de gemeenten Leiden, Haarlem en Alkmaar) waar de betreffende soorten juist (relatief) veel voorkomen. Gelet op de onderbouwde betwisting door eiseres had het op de weg van verweerder gelegen nader te motiveren dat de gunstige staat van de betrokken soorten niet in geding is. Het bestreden besluit is op dit onderdeel dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en evenmin deugdelijk gemotiveerd.

2.9 Andere bevredigende oplossing

Bij de beoordeling van een ontheffingsaanvraag als bedoeld in art. 75 Ffw dient de staatssecretaris tevens te beoordelen of er “een andere bevredigende oplossing bestaat”. Als er een andere bevredigende oplossing is, dan kan de ontheffing niet worden verleend.

In een procedure[45]  inzake een verzoek om handhavend op te treden vanwege een orka bij Dolfinarium Harderwijk overwoog de ABRvS dat zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van het begrip “andere bevredigende oplossing”, zoals verzoekers in overweging hadden gegeven. De ABRvS zag hiervoor geen aanleiding omdat het Hof van Justitie deze term in de arresten van 12 december 1996, C-10-/96 en 14 juni 2007, C-342/05 reeds heeft verduidelijkt. De ABRvS verwijst vervolgens naar vaste jurisprudentie en oordeelt dat de staatssecretaris bij de beantwoording van de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in art. 75 lid 6 Ffw beoordelingsvrijheid heeft. De Rechtbank Gelderland[46]  haalde deze standaardoverweging over de beoordelingsvrijheid eveneens aan, maar overwoog vervolgens dat verweerder onvoldoende had onderbouwd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in dat artikel. De rechtbank achtte hierbij van belang dat volgens paragraaf 3.5 van de Soortenstandaard Das[47] sprake moet zijn van de voor de das meest bevredigende oplossing om het doel van de werkzaamheden (bijna) te bereiken. In het bestreden besluit was niet gemotiveerd waarom de gekozen plek voor de das de meest bevredigende oplossing is. De verwijzing naar de soortenstandaard is interessant, omdat over de juridische status van de standaard niet eerder werd geoordeeld. Op grond van deze uitspraak krijgt de soortenstandaard een zeer zwaar gewicht, nu de staatssecretaris gehouden (lijkt) om overeenkomstig de soortenstandaard te handelen en zij hier slechts gemotiveerd van kan afwijken. In een Inpassingsplanprocedure werden door appellanten alternatieven aangedragen als andere bevredigende oplossing. Deze oplossingen werd door Provinciale Staten niet als een geschikte oplossing aangemerkt voor de aanpassing van de N279, omdat deze alternatieven geen oplossing zouden bieden voor de ter plaatse optredende verkeersproblemen. De ABRvS[48]  volgt deze stelling en meent dat daarom niet van een andere bevredigende oplossing in de zin van art. 75 lid 6 Ffw kan worden gesproken.

2.10 Ontheffingsgronden

Een ontheffing ex art. 75 Ffw voor vogels en voor zogenaamde tabel 3 soorten kan slechts worden verleend als er een rechtvaardigingsgrond bestaat om tot ontheffingverlening over te gaan. Dit worden ook wel de ontheffingsgronden genoemd. Voor Habitatrichtlijnsoorten (onderdeel van de tabel 3 soorten) en vogels kunnen alleen de ontheffingsgronden worden gebruikt die respectievelijk in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn zijn genoemd en voor zover de verboden die voorkomen in de Richtlijnen aan de orde zijn. Voor de in Nederland extra aangewezen soorten (de overige tabel 3 soorten) en overige “nationale koppen” zoals bijvoorbeeld extra verboden, kunnen ook de overige ontheffingsgronden zoals opgenomen in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (verder ook: Vrijstellingsbesluit) worden gebruikt die niet in de Habitat- of Vogelrichtlijn (HR en VR) staan. Deze extra Nederlandse soorten betreffen onder meer: de bosmuis, de egel en de gewone pad. Voor die soorten kan tevens de ontheffingsgrond “ruimtelijke inrichting of ontwikkeling” (art. 2, derde lid, aanhef en onder j van het Vrijstellingsbesluit) worden gebruikt.[49] Deze ontheffingsgrond kan overigens blijkens de jurisprudentie van de ABRvS ook worden gebruikt bij de ontheffingverlening van vogelsoorten indien sprake is van een verstoring die niet van wezenlijke invloed is.[50] Verstoring van vogels die niet van wezenlijke invloed is, is op grond van de VR niet verboden en betreft derhalve een zogenaamde nationale kop.

Niet altijd komt de bestuursrechter echter toe aan de vraag of de ontheffingsgrond wel aan de ontheffing ten grondslag gelegd kan worden. Zo kwam in een procedure over een projectplan op grond van de Waterwet de vraag aan de orde of bij de aanleg van de hoogwatergeul inderdaad het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid aan de Ffw-ontheffing ten grondslag gelegd kon worden niet aan de orde omdat niet bestreden was dat dit het geval was.[51] De ABRvS overwoog in een andere procedure inzake een bestemmingsplan dat de aanleg van een fietspad mogelijk kan worden aangemerkt als een dwingende redenen van groot openbaar belang, bij de eventueel vereiste ontheffing ex art. 75 Ffw. Let wel, de ABRvS toetst in die procedure terughoudend, omdat het een bestemmingsplanprocedure betrof en de Ffw in dat geval alleen relevant is voor de vraag naar de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De ABRvS[52] oordeelt in een handhavingsprocedure over de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal dat met die aanleg een dwingende reden van groot openbaar belang is gediend. De ABRvS bekijkt daartoe het bij de (vierde!) beslissing op bezwaar overgelegde eindverslag uit 2009 waaruit volgt dat het aantal bootpassages daadwerkelijk is gestegen. Hieruit leidt de ABRvS af dat het project werkgelegenheid heeft gecreëerd. De ABRvS is, mede gelet op de hoge werkloosheid in de regio, van oordeel dat hiermee het werkgelegenheidsbelang voldoende is aangetoond en een dwingende reden van groot openbaar belang vormt. Opvallend is hier dat dit oordeel bij een eerdere beslissing op bezwaar waarschijnlijk nog niet gevormd had kunnen worden, omdat van het betreffende project pas na afronding een eindverslag beschikbaar is gekomen. De Rechtbank Amsterdam[53] heeft zich in deze kroniekperiode nog gebogen over de vraag wat de reikwijdte is van de ontheffingsgrond “onderzoek” (ex art. 75 lid 6 onder a Ffw) bij een verleende ontheffing van de verbodsbepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 Ffw voor vier meeuwensoorten. Aan de aanvraag ligt een plan van aanpak “Beheer Meeuwenoverlast” ten grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de tekst van het plan van aanpak en de toelichting daarop ter zitting het primaire oogmerk en het doel op de langere termijn het tegengaan van overlast van meeuwen. Voor de beantwoording van de vraag of art. 75 lid 6 onder a Ffw ook dergelijk onderzoek heeft bedoeld, bekijkt de rechtbank doel en strekking van de Vogelrichtlijn. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat deze meeuwenaanpak niet als ‘onderzoek’ in de zin van de Ffw kan worden aangemerkt. De ontheffing is dus op een verkeerde grondslag verleend.

2.11 Bestemmingsplannen

In bestemmingsplanprocedures wordt nogal eens de vraag opgeworpen of een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen had moeten worden vanwege de verbodsbepalingen in de Ffw. De ABRvS[54] oordeelt in een bestemmingsplanprocedure waar de vraag aan de orde was of de raad de realisatie van een landschapsplan als voorwaardelijke verplichting had moeten stellen, omdat de uitvoering van dat plan mede bepalend zou zijn voor de beoordeling van het beschikbare foerageergebied van een steenuilenpaar, dat die verplichting niet bestond. De ABRvS overwoog onder meer op basis van het feit dat bij de Ffw-ontheffing de uitvoering van het landschapsplan voor realisering van het plan als ontheffingsvoorwaarde kan worden gesteld dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in relatie tot de Ffw niet in het geding is. De raad mocht ervan uitgaan dat het landschapsplan daadwerkelijk zal worden uitgevoerd voordat met de bebouwing wordt aangevangen. Ook voor de op grond van de Ffw vereiste mitigerende en/of compenserende maatregelen geldt dat deze niet in het plan gewaarborgd hoeven worden. Die maatregelen kunnen in de eventueel te verlenen ontheffing verplicht worden gesteld.[55]

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan de vraag of ontheffing op grond van de Ffw is vereist en kan worden verkregen aan de orde komen in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dit betreft een marginale toets aan het bepaalde in de Ffw. Dat is ook begrijpelijk, omdat voor die eventueel vereiste ontheffingen op grond van de Ffw een aparte procedure doorlopen zal worden. De ABRvS[56] bekijkt steeds of de gemeenteraad op grond van onder meer beschikbare onderzoeksrapporten inderdaad tot de conclusie heeft kunnen komen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Als de ontheffing reeds verleend is en die ontheffing onherroepelijk is, is er geen reden meer om aan te nemen dat de Ffw aan de uitvoering van het plan in de weg staat.[57] Voor appellanten in bestemmingsplanprocedures geldt dat deze wel voldoende concreet moeten aanvoeren waarom de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in gevaar komt. En daarmee is het zowel voor het bevoegd gezag als voor appellanten van groot belang om voldoende goed onderzoek te laten verrichten, of het verrichte onderzoek gemotiveerd te bestrijden. Een bestemmingsplan zal nadat goed onderbouwd onderzoek is verricht niet eenvoudig vernietigd worden wegens de (on) uitvoerbaarheid in het kader van de Ffw.

2.12 Onderzoek

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan kan in twijfel worden getrokken als kan worden aangetoond dat het onderzoek dat aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt gebreken vertoont. In het hiernavolgende komt een groot aantal uitspraken aan de orde waarbij het verrichte onderzoek ter discussie staat. Het overgrote deel van de uitspraken inzake de onderzoeken heeft betrekking op bestemmingsplanprocedures. Echter ook omgevingsvergunningen en ontheffingsprocedures komen in deze paragraaf aan de orde. Immers, ook in die procedures kan de besluitvorming in gevaar komen als blijkt dat er gebreken kleven aan de verrichte onderzoeken. Voor het bestuursorgaan is het daarom van belang dat er goed onderzoek wordt verricht. De beoordeling van de rapporten zal over het algemeen in de bodemprocedure plaatsvinden. Zoals de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 30 juni 2015[58]  overwoog leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich naar haar aard niet voor een grondige waardering van de bewijskracht van de in die procedure overgelegde ecologische rapporten. De mogelijke gebreken aan het onderzoek zijn onder te verdelen in de volgende categorieën.

2.12.1 Geen of onvolledig onderzoek verricht

Zie bijvoorbeeld ABRvS 30 april 2014[59] waarbij er in het kader van het bestemmingsplan geen onderzoek was verricht naar de gevolgen voor de aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten van de aanleg van een bypass waarmee de onderbreking van een ecologische verbindingszone gecompenseerd zal worden. De ABRvS overwoog op 8 april 2015[60] dat ten onrechte naar de aanwezige flora en fauna van een deel van het plangebied dat later in het plan is meegenomen, geen onderzoek is verricht. Dat terwijl er een rapport van een natuuronderzoeksbureau voorhanden was waaruit bleek dat in het plangebied beschermde dier- en plantensoorten voorkomen. Gelet hierop had de raad (aanvullend) onderzoek moeten laten verrichten voor dit terreindeel. Nu dat niet is gebeurd, is het plan in strijd met art. 3:2 Awb voorbereid. Soms gaat wel het goed, ondanks het feit dat er geen onderzoek is verricht. Een voorbeeld hiervan betreft de uitspraak van de ABRvS van 30 april 2014.[61]  Er was geen onderzoek verricht ten behoeve van een bestemmingsplan, maar de raad had wel navraag gedaan bij de ecoloog voor de omgevingsvergunning over de aanwezigheid van vleermuizen. Uit dit overleg bleek dat een onderzoek achterwege kon worden gelaten. Omdat appellanten geen begin van bewijs hebben geleverd dat ter plaatse beschermde dier- en of plantensoorten bevinden was er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Ook moet de besluitvorming uiteindelijk wel worden gebaseerd op conclusies die uit het onderzoek kunnen worden getrokken. In een uitspraak van de ABRvS[62] viel op basis van natuurtoets en quickscan strijd met Ffw door bestemmingsplan niet uit te sluiten.

2.12.2 Onderzoek voor ander doel verricht

Het onderzoek dat aan het besluit ten grondslag wordt gelegd, dient wel (in voldoende mate) te zien op de aan de orde zijnde besluitvorming. Zo oordeelde de ABRvS[63]  over een literatuuronderzoek dat was uitgevoerd in het kader van het verlenen van een Nbw-vergunning voor dezelfde activiteit (in dit geval elektrovissen) dat dit onderzoek slechts betrekking heeft op de toetsing van de aanvraag aan de Natuurbeschermingswet (“Nbw”). De ABRvS overwoog dat echter wel betekenis mag worden toegekend aan de voorschriften van de verleende Nbw-vergunning, die bepaalde handelingen al verbieden, waardoor in de context van de Ffw een overtreding van een verbodsbepaling kan worden uitgesloten.

2.12.3 Geen nader onderzoek verricht

Het komt in de praktijk veelvuldig voor dat uit een eerste verkennend onderzoek of een quickscan volgt dat nader onderzoek verricht moet worden. Echter dat gebeurt vervolgens niet altijd. Een voorbeeld hiervan vormt de bestemmingsplanuitspraak van de ABRvS van 10 maart 2015[64] waarbij er ten onrechte geen vervolgonderzoek was verricht naar de vraag of een ontheffing uiteindelijk verleend kan worden, terwijl uit de quickscan naar voren was gekomen dat naar alle waarschijnlijkheid een Ffw-ontheffing is vereist. Als uit de quickscan volgt dat nader onderzoek verricht moet worden dan moet dat onderzoek wel tijdig, te weten vóór het besluit waaraan het onderzoek ten grondslag ligt wordt genomen, verricht worden.[65] In de uitspraak van de ABRvS van 26 november 2014[66] was eveneens geen nader onderzoek verricht terwijl uit de quickscan wel volgde dat dit noodzakelijk was. De gemeenteraad heeft hier tegenin gebracht dat er geen nader onderzoek kon worden verricht omdat aan de gemeente de toegang tot de percelen werd geweigerd. Die toestemming blijkt echter op een later moment alsnog te zijn gegeven. Het bestemmingsplan is ruim vijf maanden na die toestemming vastgesteld. De ABRvS is van oordeel dat er daarmee voldoende tijd was voor de raad om het onderzoek alsnog uit te laten voeren.

In een andere bestemmingsplanuitspraak van de ABRvS van 16 juli 2014[67]  was er eveneens een quickscan uitgevoerd waarin was opgemerkt dat nog nader onderzoek moest worden verricht. In deze zaak gaat het echter wel goed. In dit geval heeft de gemeenteraad uitgelegd dat de verwijzing naar het nadere onderzoek in het rapport van de quickscan zo moet worden begrepen dat bij de aanvang van de uitvoering van de bepaalde werkzaamheden nog een aanvullend ecologisch onderzoek ter plaatse zal plaatsvinden teneinde nogmaals beoordelen of de Ffw zich daartegen niet verzet. In een procedure met betrekking tot een wijzigingsplan was de aanwezigheid van de beschermde soorten minder evident. De ABRvS oordeelt daar dat op grond van het verkennend natuurwaardenonderzoek niet kan worden uitgesloten dat in het plangebied beschermde soorten voorkomen, maar meende vervolgens dat het college in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien tot nader Ffw-onderzoek.

Niet alleen in bestemmingsplanprocedures speelt de vraag of er voldoende onderzoek is verricht. In de uitspraak van de ABRvS van 5 februari 2015[68] wordt in een handhavingsprocedure geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij in de verschillende rapporten geen aanleiding heeft gezien voor nader onderzoek. Door het ontbreken van dit onderzoek wordt het besluit vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Als een vervolgonderzoek wel goed wordt verricht, is daarmee ook de twijfel over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan van de baan. Over de vraag of het vervolgonderzoek wel goed is uitgevoerd is eveneens jurisprudentie beschikbaar. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 30 januari 2014[69] volgde uit de verrichte quickscan dat nader onderzoek moest worden verricht. Vervolgens werd er in opdracht van de gemeente nader onderzoek verricht. Appellant betoogde dat dit nadere onderzoek had moeten zien op het gehele plangebied. Dat stond echter niet in de quickscan, zodat het bestemmingsplan in stand blijft. Dat van belang is waar het nadere onderzoek exact op moet zien, volgt ook uit de uitspraak van de ABRvS van 26 november 2014[70], waarbij in de quickscan staat dat vervolgonderzoek verricht moet worden, maar waarin tevens staat dat op het perceel geen beschermde soorten zijn aangetroffen. Gelet daarop ziet de ABRvS geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De ABRvS oordeelde in de einduitspraak 8 juni 2015[71] dat appellant naar aanleiding van het aanvullend ecologisch onderzoek dat op grond van de tussenuitspraak moest worden uitgevoerd en de nadere motivering van de raad geen zienswijze heeft ingediend. De ABRvS ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van de notitie heeft kunnen uitgaan en in het licht van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek heeft kunnen concluderen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.12.4 Niet alle feiten en omstandigheden zijn (in het rapport en daarmee) bij de besluitvorming betrokken

Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 februari 2015[72] waarbij de raad er door appellant en insprekers tijdens vergaderingen van de raadscommissie op gewezen is dat er in het plangebied een dassenterritorium ligt. Ook is aan de raad bericht dat in het plangebied een hoofdburcht van dassen is gevonden. Uit de stukken blijkt echter niet dat de raad die gegevens bij de vaststelling van het plan heeft betrokken, noch dat de raad naar aanleiding hiervan heeft bezien of er nader onderzoek moest worden uitgevoerd.

2.12.5 Kwaliteit van het onderzoek / deskundigen

In de uitspraak van de ABRvS van 12 november 2014[73] wordt de deskundigheid van zowel de onderzoeker die het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoek heeft verricht als de deskundige die de contra-expertise heeft opgesteld in twijfel gebracht. De ABRvS overwoog dat “niet in geschil is dat beide adviesbureaus deskundig zijn”. De stelling van de wederpartij dat een van de onderzoeksbureaus bij de onderzoeken niet de juiste procedures heeft gevolgd is, gelet op het feit dat de ABRvS beide bureaus deskundig acht, “onvoldoende voor het oordeel dat die onderzoeken niet zorgvuldig zijn verricht”. De ABRvS overwoog dat de onderzoeken op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Het louter afwijken van een bepaalde onderzoeksmethode of procedure is voor de ABRvS niet van doorslaggevend belang.[74] Ook kan niet worden tegengeworpen dat bepaalde deskundigen of belangengroepen niet (tevens) zijn geraadpleegd.[75] Het onderzoek moet correct worden uitgevoerd, maar het feit dat de begrenzing van het onderzoekgebied van de quickscan enigszins verschilde met de begrenzing van het plangebied was in de uitspraak van de ABRvS van 8 oktober 2014[76] niet van dien aard dat de het onderzoeksrapport niet aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd.

Ook vanuit de zijde van appellanten gezien, zal er een gemotiveerd beroep moeten worden gedaan op de aan het onderzoek klevende gebreken om de rechtmatigheid van de besluitvorming succesvol aan te kunnen vechten. De meer en minder geslaagde beroepsgronden, dan wel de reden waarom de ingeroepen gronden al dan niet succesvol zijn, die zich richten tegen de uitgevoerde onderzoeken kunnen ook in subcategorieën worden onderverdeeld. In het hiernavolgende behandelen wij die gronden.

2.12.6 Geen contra-expertise uitgevoerd

De enkele stelling dat een deskundige rapport inhoudelijk onjuist is, dient in het bestuursrecht te worden verworpen indien er geen contra-expertise voor handen is. Dit geldt ook voor de stelling dat natuuronderzoeken onjuist zijn.[77] Uiteraard heeft een contra-expertise waarin een gelijkluidende conclusie wordt getrokken als in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek geen effect.[78] In de uitspraak van de ABRvS van 19 november 2014[79] was er een contra-expertise ingebracht. Vervolgens werd namens de raad een tweede onderzoek uitgevoerd waarbij het eerste natuuronderzoek was beoordeeld en gedegen was bevonden, maar waarin wordt aanbevolen om een extra beoordeling van de waarde voor de duurzame instandhouding van beschermde soorten van het plangebied te maken. Daarnaast heeft de ecoloog van de gemeente ter zitting nog een toelichting gegeven, in reactie op de bevindingen uit de contra-expertise. De ABRvS ziet gelet op de twee rapporten en de toelichting van de ecoloog van de gemeente geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voor wat betreft de mogelijke gevolgen voor door de Ffw beschermde amfibieën niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het door de tweede onderzoeker aanbevolen onderzoek staat daar ook niet aan in de weg, omdat blijkens de toelichting ter zitting er van uitgegaan moet worden dat het plangebied in de huidige situatie geen functioneel leefgebied is vanwege het ontbreken van voortplantingswater. Ook in de procedure waarop de uitspraak van de ABRvS van 18 februari 2015[80]  betrekking heeft was er een contra-expertise uitgevoerd waarna door de raad nader onderzoek werd verricht. Vervolgens laten appellanten ook nogmaals onderzoek uitvoeren. Hoewel partijen verdeeld blijven over de vraag of aan een bepaalde schuur een steenuilenkast hangt, zitten er in hetgeen namens appellanten is aangevoerd te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat in het plangebied nesten van jaarrond beschermde soorten aanwezig zijn. De ABRvS acht hierbij van belang dat de inhoud van de quickscan wordt bevestigd door een nadien naar aanleiding van de second opinion uitgevoerde actualisatie van de quickscan. Daarmee ziet de ABRvS geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de quickscan niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In de uitspraak van de ABRvS van 10 december 2014[81] overwoog de ABRvS dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende had onderzocht of de Ffw wat betreft de das niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan, gelet op het tegenrapport en de brief van de staatssecretaris. Weliswaar werd in het ecologisch onderzoek geconcludeerd dat het plangebied als foerageergebied behouden blijft en aantrekkelijker kan worden gemaakt voor de das, maar in het tegenrapport werd daarentegen geconcludeerd dat de voorziene uitbreiding van de camping zal leiden tot overtreding van de artikelen 10 en 11 van de Ffw. De brief van de staatssecretaris komt tot de conclusie dat nader onderzoek noodzakelijk is om uit te kunnen sluiten dat de aanleg en het gebruik van het plangebied geen overtreding van de Ffw zal betekenen. Een contra-expertise waarin slechts in algemene bewoording wordt gesteld dat het rapport op een aantal punten onvolledig en onjuist is, maar waarbij een deskundige onderbouwing daarvan ontbreekt, is onvoldoende om de rechtmatigheid van het besluit aan te tasten.[82]

2.12.7 Onvoldoende deskundig tegenonderzoek verricht

Ook de contra-expertise dient van voldoende kwaliteit te zijn, zo volgt onder meer uit ABRvS 24 december 2014[83]. Het door de vereniging overgelegde advies was niet gebaseerd op onderzoek waarin concreet met nadere gegevens is onderbouwd welke conclusies uit de notitie die aan het inpassingsplan ten grondslag lag onjuist zijn. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland[84] waarin werd overwogen dat de contra-expertise onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens bevat voor een andersluidende conclusie dan die in het ecologisch onderzoek is getrokken. Daarbij wordt van belang geacht dat het ecologisch onderzoek is verricht door een deskundige en de contra-expertise door de gemachtigde van eisers.

2.12.8 Niet gemotiveerd of aannemelijk gemaakt welk gebrek er kleeft aan het onderzoek dat aan het besluit het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd

Een appellant moet ten minste motiveren of aannemelijk maken welk gebrek er kleeft aan het onderzoek.[85] Ook zal een appellant als hij zich hierop beroept, aannemelijk moeten maken dat de uitvoering van het plan niet in overeenstemming met Ffw kan worden uitgevoerd.[86]

2.12.9 Waarneming zonder onderzoek

Het komt nogal eens voor dat appellanten in een beroepsprocedure naar voren brengen dat zij bepaalde beschermde soorten zelf in het gebied hebben waargenomen. Met die waarnemingen proberen zij dan te tornen aan de onderzoeksresultaten waarbij de betreffende soorten niet zijn aangetroffen. De enkele waarneming van een soort, zonder dat er bewijzen kunnen worden overgelegd leidt echter niet tot het oordeel dat onderzoek onjuist is.[87] Ook de beschikbare gegevens van een plaatselijke natuurvereniging over aanwezige soorten is onvoldoende, als uit het ter plaatse verrichte onderzoek anders blijkt.[88]

2.12.10 Effect van de maatregelen ongemotiveerd bestreden

Als appellanten van mening zijn dat bepaalde mitigerende, compenserende of andere maatregelen of handelingen niet het in de rapportage beschreven effect hebben, zal dit gemotiveerd bestreden moeten worden. De raad heeft verklaard dat bij de realisatie conform de in de gedragscode genoemde maatregelen zal worden gewerkt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat onvoldoende is verzekerd dat de maatregelen zoals genoemd in de gedragscode zullen worden uitgevoerd.[89]

2.12.11 Onderzoek is gedateerd

De actualiteit van onderzoek is ook een aspect dat meerdere malen terugkomt in uitspraken in deze kroniekperiode. Gewezen zij op de uitspraak van de ABRvS 5 maart 2014. Appellanten verwijten de raad in deze uitspraak dat het onderzoek gedateerd is. Het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan is uit 2012. Het onderzoek naar de flora en fauna in en om het plangebied dateert volgens appellanten uit 2006. Blijkens het verweerschrift is het onderzoek is echter in januari 2010 afgerond. De ABRvS[90] ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek niet meer actueel zou zijn, mede omdat er niet gebleken is dat sprake is van belang zijnde veranderingen op de gronden in het plangebied. Als appellanten aanvoeren dat het onderzoek niet meer actueel is, moeten zij meer aanvoeren dan de enkele datum waarop het rapport is opgesteld, zo volgt ook uit de uitspraak van de ABRvS van 13 juni 2014.[91] In deze uitspraak overwoog de ABRvS met betrekking tot onderzoek dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan drie jaar oud was, dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat het onderzoek niet meer actueel is. Een zelfde overweging is te vinden in de uitspraak van de ABRvS van 11 juni 2014[92]. Hoewel het onderzoek niet geactualiseerd heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken dat de stelling van verweerder dat de gegevens uit het rapport nog wel bruikbaar zijn, onjuist is. Zo is niet onderbouwd door appellant waarom er aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad dat zich sinds het meest recente vogelonderzoek geen relevante wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan. In de uitspraak van de ABRvS van 25 maart 2015[93] neemt de ABRvS in de overweging of het 10 jaar oude rapport kan worden gebruikt mee dat de raad had toegelicht dat bij de voorbereiding van het plan opnieuw een visuele waarneming door een deskundige was uitgevoerd in het plangebied. Kennelijk was daarom in die specifieke situatie geen sprake van verouderd onderzoek waarvan niet meer kon worden uitgegaan.

2.13 Omgevingsvergunning en Ffw

Op grond van art. 2.27 Wabo jo. art. 75b Ffw kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend voor handelingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en waarvoor een of meer van de verboden van de Ffw gelden, indien een verklaring van geen bedenkingen (“vvgb”) van de Minister van EZ wordt verkregen. Dit wordt ook wel het ‘aanhaken’ van de Ffw bij de Wabo genoemd. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient op grond van art. 75c Ffw ervoor zorg te dragen dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de Ffw-aspecten. De minister toetst bij de vvgb aan dezelfde criteria die gelden voor Ffw-ontheffingsverlening (art. 75d Ffw jo. art. 75 Ffw). Bij onlosmakelijke samenhang is ‘aanhaken’ slechts dan niet aan de orde indien evident is dat geen ontheffing of vvgb op grond van de Ffw is vereist. In alle andere gevallen moet het ter zake bevoegde en deskundige orgaan, de Minister van EZ, in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag of een Ffw-toestemming is vereist en, zo ja, te beoordelen of die toestemming kan worden afgegeven in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen.[94]

In een procedure waarbij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een uitkijktoren was verleend, werd geen vvgb nodig geacht. Uit een onderzoeksrapport bleek dat (de omgeving van) de bouwlocatie waarschijnlijk geen beschermde natuurwaarden herbergt. Daarbij werd in aanmerking genomen dat de verleende omgevingsvergunning niet ziet op het kappen van bomen. In het onderzoeksrapport werd er ten onrechte wel van uitgegaan dat er bomen gekapt zouden worden, maar omdat daarvan in feite geen sprake was werd de vvgb niet noodzakelijk geacht.[95] De onjuiste onderzoeksgegevens maakte dat niet anders. In een andere procedure bij de ABRvS waarbij het ging om een verleende omgevingsvergunning voor het ophogen met grond en het graven, dempen en herprofileren van sloten. Er kon noch uit de aanvraag noch uit het primaire besluit worden afgeleid dat de werkzaamheden tevens het kappen van bomen omvatten. Appellanten stelden dat er wel gekapt ging worden. Uit de nadien ten behoeve van het project verleende vvgb kan worden afgeleid dat in het kader van het project inderdaad bomen zullen worden gekapt, maar dit het niet anders maakt, aldus de ABRvS. Het college heeft zich ondanks het niet aanhaken van de Ffw die als gevolg van de kap van bomen wel was vereist, maar hetgeen nog geen onderdeel uitmaakte van de aanvraag en het primaire besluit, op het standpunt kunnen stellen dat (op dat moment) geen ontheffing op grond van de Ffw was vereist.

2.14 Handhaving

In de eerder genoemde uitspraak van de ABRvS van 19 november 2014[96]  inzake elektrovissen overwoog de ABRvS duidelijk dat indien de verzoeker om handhaving zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat een bepaalde handeling leidt tot een overtreding van een verbodsbepaling uit de Ffw en dit standpunt niet bij voorbaat onaannemelijk voorkomt, de staatssecretaris zelfstandig onderzoek moet doen naar de effecten van de betreffende handeling. De voorzieningenrechter[97] stelde in een andere procedure inzake een verzoek om handhaving dat strekte tot het voorkomen dat de tapuit tijdens het broedseizoen werd verstoord, dat uit de stukken bleek dat er ook andere oorzaken waren aan te wijzen dan (verstoring door) recreatie voor de teruggang van het aantal broedende tapuiten. Vervolgens overwoog de voorzieningenrechter dat indien sprake is van teruggang, dit niet zonder meer betekent dat verstoring als gevolg van recreatie en dus een overtreding van de Ffw heeft plaatsgevonden.

Als het bevoegd gezag een last onder dwangsom oplegt, dient de last duidelijk te zijn en mag deze niet te verstrekkend zijn. Er moet duidelijk zijn welke maatregelen getroffen moeten worden. De voorzieningenrechter[98] vond de last die luidde “afsluiting en het ongedaan maken van de barrière werking van een fietspad” te onduidelijk. Ook overwoog de voorzieningenrechter dat de directe afsluiting van het fietspad te verstrekkend was, omdat de overtreding zich alleen in de nazomer kan voordoen. Voor een preventieve last onder dwangsom moet sprake zijn van een klaarblijkelijk dreigende overtreding. In het ecologische advies worden de nodige kanttekeningen geplaatst bij de door de gemeente voorgenomen maatregelen, die volgens DLG nog nadere uitwerking behoeven en waarbij nog aandachtspunten en onzekere variabelen bestaan, waaronder de verkeersintensiteit. DLG durft geen harde uitspraak te doen of het risico op verkeersslachtoffers dusdanig is geminimaliseerd dat het (worstcase) enkel nog zal gaan om incidentele (niet voorzienbare) slachtoffers. In feite staat volgens DLG onvoldoende vast dat de Ffw niet wordt overtreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan gezien het voorgaande niet op voorhand geheel worden uitgesloten dat ten gevolge van de wegopenstelling verkeersslachtoffers onder de plaatselijke uilenpopulatie kunnen vallen. De beschikbare rapportages maken echter onvoldoende aannemelijk dat na uitvoering van de door de gemeente voorgestane maatregelen de kans dat uilen ter plaatse zullen worden gedood zodanig is dat daarmee een preventieve last onder dwangsom valt te rechtvaardigen. Niet is voldaan aan de in art. 5:7 van de Awb neergelegde eis voor preventief optreden dat sprake moet zijn van een klaarblijkelijke dreiging van het gevaar voor overtreding.

In de uitspraak van de ABRvS van 5 februari 2014[99]  ligt de vraag voor of er op grond van de art. 10 en 11 Ffw een herstelsanctie kan worden opgelegd. De ABRvS overwoog dat op grond van art. 5:21 Awb de staatssecretaris na vaststelling van de overtreding van de verboden van de Ffw de overtreder kan opdragen de situatie geheel of gedeeltelijk te herstellen in de toestand zoals die was voordat de overtreding plaatsvond. Een expliciete grondslag in de Ffw is hiervoor niet vereist. De ABRvS wijst daarbij op de doelstelling van de Habitatrichtlijn, het arrest van het Hof van Justitie van 9 juni 2011, C-383/09 en het Guidance document “on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC” van februari 2007. Lidstaten moeten niet alleen zorgen voor een juist en volledig rechtskader, maar moeten ook de effectiviteit van dit rechtskader waarborgen door zo nodig concrete en specifieke beschermingsmaatregelen en desnoods preventieve maatregelen te nemen.

Toepassing van bestuursdwang en het verhaal van kosten van bestuursdwang op grond van de zorgplicht van art. 2 Ffw was aan de orde in een uitspraak van de ABRvS[100] van 12 maart 2014. De staatssecretaris gelaste dat de kadavers in de bassins per direct te verwijderd moesten worden en dat de bassins binnen 2 met gebiedseigen water aangevuld moesten worden wegens het verspreidingsgevaar van botulisme. Appellanten hadden niet aannemelijk gemaakt, door het overleggen van concrete aanwijzingen, dat er geen gegronde vrees bestond voor botulisme.

3. Slotbeschouwing

De jurisprudentie van de ABRvS en rechtbanken inzake de Ffw is volop in beweging. In deze kroniekperiode is de meest baanbrekende uitspraak naar onze mening de ABRvS-uitspraak inzake de toepassing van het 1% criterium bij vleermuizen om te beoordelen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.[101] Met deze uitspraak heeft de praktijk eindelijk een duidelijk criterium dat gehanteerd kan worden bij de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van andere soorten dan alleen vogels.

Een andere lijn die valt op te maken uit de jurisprudentie is dat het uitvoeren van goed gedegen onderzoek, zowel aan de kant van het bestuursorgaan als aan de kant van degenen die tegen de besluitvorming opkomen, van zeer groot belang is. Is het onderzoek dat aan het besluit ten grondslag wordt gelegd goed uitgevoerd, dan is de kans op een vernietiging niet erg groot.

Fleur Onrust en Marieke Kaajan (ENVIR Advocaten)

Voetnoten

[1] Fleur Onrust en Marieke Kaajan, beiden advocaat/partner bij ENVIR Advocaten te Amsterdam.

[2] Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2015 (deel 1), BR 2015/61.

[3] Stcrt. 2015, nr. 1244.

[4] Stcrt. 2014, nr. 18306.

[5] Kamerstukken I 2014/15, 33348, A.

[6] ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75, ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:351, ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:467.

[7] ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1232.

[8] ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:575.

[9] ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953.

[10] ABRvS 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3012.

[11] ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1481.

[12] Rb. Amsterdam 30 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2382.

[13] Rb. Overijssel 14 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3367, ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:459, ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3617, ABRvS 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3376.

[14] ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1884.

[15] Rb. Gelderland 1 juli 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:3963.

[16] Rb. Oost-Brabant 23 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2125.

[17] Rb. Oost-Brabant 23 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2124.

[18] ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:351.

[19] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1284.

[20] Rb. Limburg 3 september 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:7619.

[21] Rb. Overijssel 15 januari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:182.

[22] Rb. Overijssel 2 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2014:2922.

[23] Rb. Noord-Holland 22 april 2015 ,ECLI:NL:RBNHO:2015:3283.

[24] ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1256.

[25] ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1717.

[26] ABRvS (vz.) 4 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:490.

[27] ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:112.

[28] ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:442. Zie ook: ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953. Of over de vraag of bepaalde voorgestelde voorzorgsmaatregelen niet getroffen kunnen worden; ABRvS 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1826. Zie over de vraag of de maatregelen afdoende zijn om effecten te voorkomen ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:552.

[29] ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:425.

[30] Rb. Gelderland 25 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2135.

[31] Rb. Gelderland van 16 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3953.

[32] Zie over het opzetvereiste in de nieuwe Wet natuurbescherming: A. Tubbing “Het opzetvereiste in de nieuwe Wet natuurbescherming”, Journaal Flora en fauna, mei 2015.

[33] Rb. Noord-Nederland, 3 april 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:1720 (strafrecht).

[34] Rb. Overijssel 11 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6589.

[35] ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:794.

[36] ABRvS 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2687, ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:487.

[37] Zie ABRvS 8 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1392 en ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4438, waarin hiervan geen sprake was.

[38] ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:442, ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4024.

[39] ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:860.

[40] ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:438.

[41] ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:73.

[42] HvJ EG, arrest van 27 april 1988, C-252/85, Commissie/Frankrijk en dat van 16 oktober 2003, C-182/02, Ligue pour la protection des oiseaux.

[43] ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4088.

[44] Rb. Amsterdam 14 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2170.

[45] ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1423.

[46] Rb. Gelderland 4 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7461.

[47] Op de website van RVO treft u de verschillende soortenstandaarden. De soortenstandaard geeft informatie over onder andere de kenmerkende ecologische aspecten van de soort en effectieve maatregelen om de soort te beschermen. Zie www.rvo.nl /onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/flora-en-faunawet-ffw/ontheffing-vrijstelling/soortenstandaard.

[48] ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:677.

[49] ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:146.

[50] ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4210.

[51] ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345.

[52] ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:425. Nog onvoldoende aangetoond ttv de tussenuitspraak van: ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:112.

[53] Rb. Amsterdam 14 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2170.

[54] ABRvS 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3363.

[55] ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:588.

[56] Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3716 voor de standaardoverweging.

[57] ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:234.

[58] Rb Midden-Nederland (vzr.) 30 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4842.

[59] ABRvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1512.

[60] ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1062.

[61] ABRvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1565.

[62] ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:514.

[63] ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4207.

[64] ABRvS 10 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1250. Zie tevens ABRvS 9 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2558, waarbij uit de quickscan volgt dat er vleermuizen aanwezig kunnen zijn, maar vervolgonderzoek nog niet is uitgevoerd en ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3398.

[65] ABRvS 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3843, waarbij het nadere onderzoek beschikbaar was maar dateerde van na het bestreden besluit, en ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3930, waarin het vervolgonderzoek wel tijdig was verricht.

[66] ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4222. Zie ook: ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:100.

[67] ABRvS van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2687.

[68] ABRvS 5 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:281.

[69] AVRvS 30 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:366.

[70] ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4269.

[71] ABRvS 8 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2111.

[72] ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:514.

[73] ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4024.

[74] Zie ook ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:279, ABRvS 8 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2126 en ABRvS 1 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2081. In deze drie uitspraken werd aangevoerd dat het onderzoek niet in overeenstemming met het vleermuizenprotocol was uitgevoerd. Zoals de ABRvS eerder heeft overwogen is het Vleermuizenprotocol 2013 een leidraad voor het onderzoek ten behoeve van een aanvraag van een ontheffing op grond van de Ffw. Zie tevens ABRvS 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1767 waarin werd overwogen dat de toegepaste methoden en tijdstip van meten juist waren, maar het onderzoek alsnog onvoldoende werd bevonden.

[75] ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:608.

[76] ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3656.

[77] Uitdrukkelijk verwijt geen eigen onderzoek te hebben laten verrichten: ABRvS 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1998, ABRvS 11 augustus 2014, ECLI:N:RVS:2014:3169, ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:165, Rb. Oost-Brabant 13 februari 2015, ECLI:NLRBOBR:2015:718, ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448.

[78] ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4299.

[79] 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4210.

[80] ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:487.

[81] ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4491.

[82] ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1367.

[83] ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4732. Zie ook: Rb. Midden-Nederland 22 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7087. De rechtbank komt tot het oordeel dat de staatssecretaris in deze handhavingsprocedure ten aanzien van de contra-expertise terecht heeft gesteld dat de conclusie is gebaseerd op een aantal onjuiste aannames.

[84] Rb. Noord-Holland 12 september 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8754.

[85] ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2108, ABRvS 23 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1964. Zie ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:686, in een procedure inzake een tracébesluit. Zie ook ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:145, waarbij niets was aangevoerd dat aanleiding geeft tot twijfel aan de conclusies uit de rapporten. ABRvS 3 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:418, ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1170, ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:281, ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4099, ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1290, ABRvS 23 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1037, ABRvS 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1010, ABRvS 9 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1769 en ABRvS 15 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2233.

[86] ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4151, ABRvS 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1046, ABRvS (vz.) 16 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1296.

[87] Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:70, ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1481, ABRvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1565, ABRvS 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3068, ABRvS 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1736, Rb. Midden-Nederland 22 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7087, ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:524, ABRvS 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:834, ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:564, en ten slotte ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:906, waarbij op geen enkele wijze werd aangevoerd dat er beschermde soorten aanwezig waren of konden zijn.

[88] Ook appellanten die stelden dat volgens de gegevens van de plaatselijk Natuur- en Vogelwacht beschermde dieren voorkomen in het plangebied (die echter niet met het uitgevoerde natuuronderzoek aanwezig werden bevonden in het gebied), zonder dit nader te onderbouwen, konden daarmee niet aannemelijk maken dat de raad niet van het uitgevoerde natuuronderzoek uit had mogen gaan. Zie hiervoor ABRvS 13 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:147.

[89] ABRvS 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2687.

[90] ABRvS 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:717. Ook in deze bestemmingsplanprocedure slaagt het verwijt dat het rapport gedateerd is niet.

[91] ABRvS 13 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2255 ,zie ook: ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1213, ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:165, Rb. Noord-Nederland 24 maart 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:1512.

[92] ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2077.

[93] ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:918.

[94] Rb. Limburg 25 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2459 en Rb. Oost-Brabant 23 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5483 en Rb. Overijssel 11 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6589.

[95] ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2066.

[96] ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4207.

[97] Rb. Noord-Holland (vzr.) 14 mei 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:5265.

[98] Rb. Gelderland (vzr.) 25 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2135.

[99] ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:281.

[100] ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:839.

[101] ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:438.


Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….