ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 01-09-2014

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014

Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75.

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014

1.Inleiding

Er is weer een jaar verstreken sinds de vorige kroniek Natuurbeschermingsrecht verscheen[2], dus zodoende is het weer tijd voor een overzicht van de stand van zaken. In dit artikel komen aan de orde de meest relevante wetswijzingen en voornemens daartoe van het afgelopen jaar en in het oog springende uitspraken van, met name, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “ABRvS”). “Met name” omdat lagere rechtbanken en, uiteraard, ook het Hof van Justitie van de EU, zich in het afgelopen jaar hebben gebogen over kwesties die het nationale en/of Europese natuurbeschermingsrecht betreffen. De ontwikkelingen die in dit artikel worden beschreven, bestrijken de periode 1 juni 2013 tot 1 juni 2014.

2.(Voorgenomen) wetswijzigingen

2.1. Inleiding
Wat wijzigingen betreft, springt in deze kroniekperiode het meest in het oog het wetsvoorstel om de programmatische aanpak stikstofdepositie (“PAS”) op de thans, beleidsmatig voorgenomen wijze vorm te geven in wetgeving.[3] Dit wetsvoorstel is eind april 2014 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu ter beoordeling voor bij de Eerste Kamer. De gewenste inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 juli 2014.[4] Verder is eindelijk de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 (“Nb-wet 1998”), en overigens ook die van de Flora- en faunawet, uitgebreid naar de exclusieve economische zone (“EEZ”).[5] Hierna bespreek ik kort de belangrijkste onderdelen van deze twee (voorgenomen) wijzigingen.
In de pijplijn zit daarnaast nog steeds de Wet natuurbescherming en het opnemen van een deel van het natuurbeschermingsrecht in de Omgevingswet. Over deze twee voornemens valt inhoudelijk niet veel op te merken. Wat betreft de Wet natuurbescherming blijkt uit een overzicht van de Tweede Kamer dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2015 in werking zou moeten treden, in verband met de uitvoering van het zogeheten bestuursakkoord natuur en de daarin opgenomen overheveling van taken naar provincies per 2015.[6] Vooralsnog is echter alleen het wetsvoorstel, de bijbehorende memorie van toelichting en het advies van de Raad van State aan de Tweede Kamer gezonden.[7] Er zal dus nog het nodige moeten gebeuren, voordat dit wetsvoorstel in werking zal kunnen treden. Het wetsvoorstel voor de Omgevingswet wordt voor de zomer aan de Tweede Kamer gezonden. Dan zal ook duidelijk zijn op welke wijze (onderdelen van) het natuurbeschermingsrecht in deze wet worden opgenomen.
2.2. Uitbreiding Nb-wet 1998 naar EEZ
De Nederlandse EEZ is het gebied, gelegen in de Noordzee, dat grenst aan de territoriale zee en samenvalt met het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat. Met de uitbreiding van de werkingssfeer van de Nb-wet 1998, geregeld in het nieuwe art. 1a Nb-wet 1998, naar de EEZ kunnen ook gebieden die deel uitmaken van de EEZ onderdeel worden van het Natura 2000-netwerk. Uitbreiding van de werkingssfeer van de Nb-wet 1998 was noodzakelijk geworden door de uitspraak van het Hof van Justitie van de EG (“HvJ EU”) waarin werd vastgesteld dat de werkingssfeer van de Habitatrichtlijn zich ook uitstrekt tot de EEZ. [8] Het HvJ EU heeft zich in die zaak niet uitgelaten over de toepassing van deVogelrichtlijn in de EEZ. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat aangenomen wordt dat, gelet op de doelstelling van deze richtlijn en het feit dat Vogelrichtlijngebieden onderdeel zijn van Natura 2000-gebieden, de Vogelrichtlijn ook van toepassing is op de EEZ.[9] Een eerste consequentie van deze wet is dat de daarvoor in aanmerking komende gebieden in de Noordzee als Natura 2000-gebied kunnen (en moeten) worden aangewezen. Art. 10a en het nieuwe art. 15b Nb-wet 1998 voorzien daar nu in. Het gaat vooralsnog om twee Habitatrichtlijngebieden in de Noordzee (de Doggersbank en de Klaverbank) en één Vogelrichtlijngebied (Friese Front). Voornoemde Habitatrichtlijngebieden zijn reeds aangemeld bij de Europese Commissie.[10]
Een belangrijke consequentie van deze wetswijziging is, dat er vanaf inwerkingtreding van deze wet – en dus met ingang van 1 januari 2014 – een vergunningplicht geldt voor projecten en andere handelingen met mogelijk significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden in de EEZ. De op grond van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 te verkrijgen vergunning wordt verleend door de Minister van EZ.[11] Een vergunningplicht bestaat echter niet voor zover het gaat om activiteiten die onderwerp zijn van het (Europese) gemeenschappelijke visserijbeleid. Dit volgt uit het nieuweart. 22a Nb-wet 1998. Dit heeft te maken met het feit dat de Europese Commissie zich sinds de vaststelling van Verordening (EG) nr. 2371/2002, waarin het gemeenschappelijk visserijbeleid is geregeld, op het standpunt stelt dat lidstaten geen eigen bevoegdheid meer hebben om over visserijactiviteiten regels te stellen ter bescherming van het mariene milieu buiten de kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.[12]Van belang is verder dat, als een vorm van overgangsrecht, in art. 60a, lid 10, Nb-wet 1998 is bepaald dat de vergunningplicht van art 19d, lid 1, Nb-wet 1998 niet geldt voor projecten of andere handelingen waarvoor op grond van andere wetten, met inachtneming van art. 6, lid 3 en lid 4, Habitatrichtlijn, een vergunning is of zal worden verleend. Dit geldt ook voor wijzigingen van dergelijke vergunningen.[13] Deze overgangsrechtelijke voorziening is getroffen zodat aanvragen voor lopende projecten en wijzigingen van bestaande vergunningen (bijv. een Wbr-vergunning voor een windpark op zee) door hetzelfde bevoegde gezag kunnen worden afgehandeld.[14]
Met de wet waarmee de werkingssfeer is uitgebreid naar de EEZ zijn ook nog wat algemene onderdelen van de Nb-wet 1998 aangepast. Het meest in het oog springend is de wijziging van art. 2a Nb-wet 1998. Dit artikel regelt welk college van gedeputeerde staten bevoegd is in gevallen waarin een project of andere handeling gevolgen heeft voor een beschermd natuurmonument of Natura 2000-gebied dat gelegen is in meerdere provincies. Het reeds geldende art. 2a, lid 1 en lid 2, Nb-wet 1998 geeft daartoe een regeling indien een project of andere handeling hoofdzakelijk gevolgen heeft voor een deel van het beschermd natuurmonument of het Natura 2000-gebied dat gelegen is binnen de grenzen van één provincie. Het nieuwe lid 3 van art. 2a Nb-wet 1998 voegt daar nu aan toe dat als op het moment van indienen van de aanvraag van de vergunning redelijkerwijs niet of nog niet kan worden vastgesteld in welke provincie hoofdzakelijk de gevolgen zullen plaatsvinden, gedeputeerde staten van de provincie waarin het betreffende gebied geheel of grotendeels is gelegen de aanvraag in behandeling zullen nemen en op de aanvraag zullen beslissen.
2.3. PAS
De programmatische aanpak stikstof kent twee kanten, te weten de beleidsmatige kant – die uiteindelijk moet leiden tot de vaststelling van het daadwerkelijke programma tot vermindering van stikstofdepositie – en de juridische kant, die neerkomt op de wet- en regelgeving die de vaststelling en werking van de PAS regelen. In deze kroniek beperk ik me tot de juridische aspecten van de PAS en dus tot de wetgeving die in dat verband in voorbereiding is.[15] Aanleiding voor het wetsvoorstel dat nu bij de Eerste Kamer ligt, is de voorlichting van de Raad van State over het concept-PAS uit 2012.[16] Een van de conclusies van deze voorlichting was dat de PAS zoals men die voornemens was vast te stellen, niet (geheel) in overeenstemming was met de wettelijke regeling in de Nb-wet 1998. Het huidige wetsvoorstel beoogt de PAS en de wettelijke systematiek met elkaar in overeenstemming te brengen. Het wetsvoorstel gaat echter ook verder dan dat, nu het wetsvoorstel ook beoogt materiële wijzigingen in de Nb-wet 1998 aan te brengen. Het gaat dan overigens voor het merendeel om wijzigingen in de huidige regeling ter zake van de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het valt buiten het bereik van deze kroniek om tot in detail op dit wetsvoorstel in te gaan. Een aantal belangrijke aspecten stip ik hierna aan. Het gaat daarbij in het bijzonder om de regels die niet specifiek betrekking hebben op de inhoud en procedure van vaststelling van de PAS, maar de overige – soms algemene – regels.
Een algemene wijziging betreft de regeling waarmee wordt bereikt dat effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden ook moeten worden betrokken bij de vraag of een project, plan of andere handeling een significant negatief effect kan hebben op een Natura 2000-gebied. Deze regeling, zal na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, vorm gekregen hebben door aanpassing van de definitie van Natura 2000-gebied in art. 1, onderdeel n, Nb-wet 1998, en door in art. 2, lid 6, Nb-wet 1998 te bepalen dat bij een besluit op een aanvraag om een vergunning ook de gevolgen die het project of de andere handeling kan hebben op een buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebied betrokken dienen te worden. Er is ook voorzien in een regeling ter zake van de bevoegdheid in het geval dat een project of andere handeling alleen gevolgen kan hebben voor een buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebied. In dat geval beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling zal plaatsvinden, op de aanvraag.[17]
Wat betreft de huidige regels met betrekking tot stikstofdepositie is van belang dat voorgesteld wordt art. 19kd tot en met art. 19kf Nb-wet 1998 te laten vervallen. Materieel – doch wel gewijzigd – komen deze artikelen overigens wel terug in het wetsvoorstel. Het betreft dan met name art. 19kp en art. 19kr Nb-wet (nieuw). Laatstgenoemd artikel is het equivalent van art. 19kd Nb-wet 1998 zoals dat nu nog geldt. Het grote verschil is echter dat de specifieke salderingsregeling voor de beoordeling van effecten van stikstofdepositie als dit voorstel wordt aangenomen, alleen geldt voor effecten op Natura 2000-gebieden die niet in de PAS zijn opgenomen. Naar verwachting is dat maar een gering aantal gebieden – en dan voor het overgrote deel nog gebieden die geen dan wel beperkt habitattypen en/of leefgebieden bevatten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De toepassingsmogelijkheden van dit artikel zullen in de praktijk dus zeer beperkt zijn. Opvallend is ook dat de referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden – tegen welke datum worden afgezet of er “per saldo” geen toename van stikstofdepositie optreedt – wordt aangepast en in lijn wordt gebracht met jurisprudentie van de ABRvS.[18]
Een interessant onderdeel van het wetsvoorstel betreft ook het voorstel om vier nieuwe leden toe te voegen aan art. 19kh Nb-wet 1998. In dit artikel is nu de inhoud van de PAS beschreven. De voorgestelde leden 7 tot en met 10 bieden de basis voor een (ministeriële) regeling aan de hand waarvan op voorhand kan worden vastgesteld dat een project of andere handeling geen significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben. Als dit project of deze andere handeling dan geen andere (potentiële) effecten dan stikstofdepositie heeft, geldt de vergunningplicht van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 niet als wordt voldaan aan de ministeriële regeling. In deze regeling kan een grenswaarde worden opgenomen voor de hoeveelheid stikstofdepositie die nog aanvaardbaar is, dan wel kunnen afstandsnormen worden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen het project of de andere handeling en het betrokken Natura 2000-gebied. Deze waarde of afstand dient (conform het voorgestelde lid 8) zodanig te worden vastgesteld dat op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten. Het zal niet eenvoudig zijn om aan deze voorwaarde te voldoen. De huidige Nb-wet 1998 biedt ook al de basis voor een dergelijke regeling, in art. 19da Nb-wet 1998. Van deze mogelijkheid is echter tot op heden geen gebruik gemaakt.
Een van de doelstellingen van de PAS is het creëren van ontwikkelingsruimte, zodat ruimte ontstaat om toestemming te verlenen aan nieuwe activiteiten die een toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben. In een nieuw art. 19km Nb-wet 1998 wordt een gedetailleerde regeling gegeven voor de wijze waarop deze ontwikkelingsruimte kan worden toebedeeld; art. 19kn (nieuw) Nb-wet 1998 regelt daarnaast de mogelijkheden van reservering van ontwikkelingsruimte. Zonder in detail in te gaan op deze regeling, zijn twee punten het signaleren waard. Ten eerste is van belang dat ontwikkelingsruimte niet in een gewoon bestemmingsplan kan worden toebedeeld.[19] Het wetsvoorstel verbiedt verder externe salderingsmogelijkheden vanaf het moment dat het voorstel in werking is getreden (art. 19km, lid 3, zoals voorgesteld), tenzij er vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel al een aanvraag om een vergunning is ingediend waarbij externe salderingsmogelijkheden worden benut (art. 19km, lid 4, zoals nu voorgesteld). Deze twee elementen kunnen in de praktijk leiden tot ongunstige situaties, en tot de onmogelijkheid om een bestemmingsplannen voor, met name, het buitengebied vast te stellen. Ik verwijs in dit verband naar mijn eerdere publicaties in Nieuwsbrief StAB.[20]

Gelet op de hiervoor besproken beperkingen ten opzichte van de huidige systematiek en jurisprudentie, is het overgangsrecht ook van belang. Het voorgestelde art. 67a Nb-wet 1998 bepaalt dat art. 19km en de regeling van de toekenning van ontwikkelingsruimte (art. 19kn en art. 19ko Nb-wet 1998) niet van toepassing zijn als aan een drietal voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er een besluit tot vaststelling van een beheerplan of een bestemmingsplan voor een ontwikkelingsgebied, tot verlening van een art 19d, lid 1, Nb-wetvergunning, een omgevingsvergunning, tracébesluit, wegaanpassing in voorbereiding zijn op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt. Verder dient de aanvraag (en de hierbij gevoegde gegevens) voldoende te zijn en dient degene die het desbetreffende project of andere handeling zal verrichten, een tijdige uitvoering te verzekeren van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project of het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast dan wel om verslechteringen of significante verstorende effecten te voorkomen. Voor de praktijk zal – in ieder geval voor een geslaagd beroep op het toepassen van externe saldering – is dit overgangsrecht van groot belang te achten.

3.Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie

3.1. Aanwijzing van Natura 2000-gebieden
De formele aanwijzingsprocedure voor Natura 2000-gebieden is nog steeds niet voor alle gebieden afgerond. De jurisprudentie die op dat vlak de afgelopen kroniekperiode is verschenen, kan worden beschouwd als een continuering van al bestaande jurisprudentie en biedt in zoverre niet veel nieuwe inzichten. Volledigheidshalve bespreek ik hierna een paar vermeldenswaardige uitspraken.
In de uitspraak van 26 februari 2014[21] kwam aan de orde of de staatssecretaris het Natura 2000-gebied terecht had uitgebreid met agrarische gronden, terwijl deze gronden volgens appellanten geen kwalificerende waarden zouden bevatten. Het betrof in casu een uitbreiding van 35,5 ha ten opzichte van het gebied dat in 2003 was aangemeld bij de Europese Commissie. Dit gedeelte zou in hydrologisch opzicht samenhangen met het oorspronkelijk aangemelde gebied. Conform vaste jurisprudentie kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied echter uitsluitend overwegingen van ecologische aard worden betrokken bij de begrenzing van een gebied, waarbij voorts bij de exacte begrenzing een zekere beoordelingsruimte bestaat. Nu in het bestreden besluit echter niet voldoende onderbouwd was waarom de uitbreiding van de begrenzing van het gebied noodzakelijk was voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen – en de staatssecretaris feitelijk niet verder kwam dan de stelling dat het wenselijk was dit gebied uit te breiden en dat, 1 dag voor de zitting, door de beheerder telefonisch was aangegeven dat er geen andere mogelijkheden waren voor verbetering van de hydrologische situatie in het Natura 2000-gebied – berustte de uitbreiding van het gebied niet op een deugdelijke motivering, aldus de ABRvS.
Min of meer vergelijkbaar met deze uitspraak is de uitspraak van 23 april 2014,[22] al ging het in die uitspraak niet om een uitbreiding van het Natura 2000-gebied maar juist om een verkleining ten opzichte van zowel het ontwerpbesluit en ten opzichte van de plaatsing van het gebied op de lijst van communautair belang. De achtergrond van deze wijziging was dat ter plaatse een verbindingsweg was voorzien. Nu er ook hier geen redenen van ecologische aard ten grondslag lagen aan deze verkleining, was gebleken dat ter plaatse van de betreffende gronden ecologische waarden aanwezig zijn en dat de gronden aansluiten op het Natura 2000-gebied, was in de ogen van de ABRvS onvoldoende onderbouwd waarom de uitgesloten gronden niet in het Natura 2000-gebied hoefden te worden opgenomen.
Ik wijs in dit verband ook nog op de uitspraak van 12 maart 2014.[23] In die procedure werd door appellanten aangevoerd dat het Natura 2000-gebied Wooldse Veen ook aangewezen had moeten worden voor het habitattype “actief hoogveen, hoogveenlandschap”, terwijl de staatssecretaris enkel stelde dat hij niet gehouden was om dit habitattype in het bestreden besluit te betrekken. Dat de ABRvS verweerder in deze stelling niet volgde, is niet erg opmerkelijk, ook omdat niet tussen partijen ter discussie was dat dit habitattype al vóór het aanwijzen van het gebied als Natura 2000-gebied aanwezig was. Verder was in dat verband relevant dat dit habitattype een prioritair habitattype is dat landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert en waarvoor landelijk de instandhoudingsdoelstelling “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit” is opgenomen. Ten slotte was het Natura 2000-gebied wel aangewezen voor een ander habitattype (H7120), waarvan, blijkens het aanwijzingsbesluit, de bedoeling was dat dit habitattype zich zou ontwikkelen tot het habitattype “actief hoogveen, hoogveenlandschap”. Al met al was het dan ook opmerkelijk dat laatstgenoemde habitattype niet in het aanwijzingsbesluit was opgenomen, hetgeen voor de ABRvS reden voor vernietiging van het aanwijzingsbesluit was.
3.2. Vergunningperikelen
Vergunning ex art. 16 Nb-wet 1998
Vergunningen op grond van art. 16 Nb-wet 1998 worden in de praktijk niet vaak verleend, althans: liggen in ieder geval niet vaak ter toetsing voor bij de ABRvS. In deze kroniekperiode is een aantal uitspraken verschenen dat betrekking heeft op de toepassing van een zogeheten “Stikstofverordening” bij de verlening van een art. 16 Nb-wet 1998-vergunning.[24] Bespreking van deze uitspraken vindt plaats onder het kopje “stikstofperikelen”. Uit deze uitspraken volgt overigens ook dat uit art. 16 Nb-wet 1998 kan worden afgeleid dat voor een beschermd natuurmonument als geheel de gevolgen voor een handeling kunnen worden afgewogen zonder per hectare of afzonderlijk habitat een beoordeling te maken. Anders gezegd: het is bij toepassing van art. 16 Nb-wet 1998 mogelijk om vergunning te verlenen als (slechts) op het niveau van het totale gebied de mogelijke effecten van een voorgenomen handeling bekend zijn, ook als niet duidelijk is wat de effecten per hectare of afzonderlijke habitats zijn. Deze wijze van beoordeling (en toetsing) verschilt met de toets die op grond van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 e.v. moet plaatsvinden in geval van mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Achtergrond van dit verschil in benadering is m.i. een logisch gevolg van het verschil in toetsingskader tussen art. 16 Nb-wet 1998 (brede belangenafweging, veel discretionaire ruimte en een marginale toetsing door de ABRvS) en, met name, art. 19g, lid 1, Nb-wet 1998 (alleen vergunnen indien, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een gebied niet worden aangetast).
Projectbegrip
Deze kroniekperiode kent weinig baanbrekende uitspraken over het projectbegrip. Volledigheidshalve wijs ik in dit kader wel op de uitspraak van 16 april 2014[25] inzake een elektriciteitscentrale in de Eemshaven, waarin – in vervolg op een eerdere uitspraak over dezelfde centrale[26] – de ABRvS zich, wederom, moest uitspreken over de vraag of de verruiming en verdieping van de vaargeul van de Eemshaven naar de Noordzee deel uitmaakten van het project elektriciteitscentrale waarvoor de Nb-wetvergunning was verleend. Achtergrond van dit betoog van appellanten was dat de vaargeul alleen ten behoeve van deze elektriciteitscentrale zou worden verdiept en verruimd. Dit standpunt wordt door de ABRvS niet gedeeld. In het enkele feit dat de centrale gebruik zal maken van de verdieping van de vaargeul ziet de ABRvS geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van één project, te meer nu de centrale ook wordt geëxploiteerd indien de vaargeulverdieping niet zal worden gerealiseerd. Ook ten aanzien van andere werkzaamheden die in de haven door Groningen Seaports, het havenbedrijf, werden uitgevoerd, concludeerde de ABRvS dat deze geen onderdeel uitmaakten van het project “elektriciteitscentrale”. Het belangrijkste argument in dat verband was dat deze werkzaamheden mede ten behoeve van andere bestaande en toekomstige initiatiefnemers werden verricht om het vestigingsklimaat in de Eemshaven te verbeteren.
Bestaand gebruik/bestaande rechten
De uitspraak van 3 juni 2013 is, bij mijn weten, de eerste uitspraak waarin de ABRvS invulling geeft aan de definitie van “bestaand gebruik”, zoals deze luidt sinds 31 maart 2010.[27] Diende, in het geval van een wijziging van een bepaalde activiteit, voorheen nog nagegaan te worden of dit een “wijziging in betekenende mate” (dus: relevant in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen) betrof, nu is van belang dat aangetoond kan worden dat het gebruik dat plaatsvond op 31 maart 2010 op het moment van toetsing nog steeds plaatsvindt. Anders is niet langer sprake van bestaand gebruik. De uitspraak van 3 juni 2013 maakt duidelijk dat ook bij een wijziging die gunstiger is voor een Natura 2000-gebied niet meer wordt voldaan aan de definitie van bestaand gebruik. Iedere verandering na de peildatum van 31 maart 2010 van het gebruik, zoals dat op deze datum bestond, doet een beroep op de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaand gebruik dus vervallen.
ABRvS 19 februari 2014 laat echter zien dat de soep niet zo heet gegeten wordt.[28] Enige fluctuatie in het gebruik ten opzichte van het gebruik dat op de peildatum van 31 maart 2010 plaatsvond, betekent niet meteen dat niet wordt voldaan aan de definitie van bestaand gebruik. In casu betrof het een varkenshouderij, waar ten tijde van de controle iets minder mestvarkens aanwezig waren dan het aantal dat op 31 maart 2010 feitelijk aanwezig was (te weten 904 vs. 1.056). Een dergelijke fluctuatie acht de ABRvS inherent aan de bedrijfsvoering van een varkenshouderij. Waar de grens in een concreet geval ligt, is daarmee echter onduidelijk. Van belang is wel dat de uitspraak van 19 februari 2014 de eerste uitspraak is waarin de ABRvS een situatie aanmerkt als bestaand gebruik. De consequentie van die conclusie zou, gelet op art. 19d, lid 3, Nb-wet 1998, moeten zijn dat de vergunningplicht van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 niet geldt, tenzij het bestaande gebruik moet worden aangemerkt als een project met mogelijk significant negatieve gevolgen. Een reële verwachting zou dan ook zijn dat, na de vaststelling dat sprake is van bestaand gebruik, vervolgens getoetst zou worden of al dan niet sprake is van een project met mogelijk significant negatieve gevolgen. Daarmee zou immers de wettelijke systematiek worden toegepast. Het tegendeel is echter waar. Na de vaststelling dat weliswaar voldaan wordt aan de huidige definitie van bestaand gebruik, zet de ABRvS als het ware nog een tussenstap, door vervolgens te bespreken of er wel bestaande rechten zijn in de zin van de jurisprudentielijn die is ingezet met de uitspraken van 31 maart 2010.[29] Als op 31 maart 2010 en nadien geen wijziging heeft plaatsgevonden van de vergunde situatie ten opzichte van de vergunde situatie ten tijde van de referentiedatum[30], mag, aldus de ABRvS, de uitzondering op de vergunningplicht worden toegepast. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat alleen een beroep kan worden gedaan op de uitzondering voor bestaand gebruik als ook sprake is van een bestaand recht.
Dat betekent dat voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op de aanwezigheid van een bestaand gebruik, ook relevant is de uitspraak van de ABRvS van 13 november 2013.[31] Met die uitspraak is weer een stukje gelegd van de puzzel ten aanzien van bestaande rechten; een puzzel die met name van belang is indien de wens bestaat om, ten behoeve van een nieuwe activiteit of uitbreiding van een bestaande activiteit, een toename van stikstofdepositie te salderen met bestaande rechten. Eerdergenoemde uitspraak van 31 maart 2010 leerde ons dat saldering mogelijk is (en dat een inhoudelijke passende beoordeling niet is vereist), indien het totale project (dus: bestaande deel inclusief uitbreiding/wijziging) niet leidt tot meer stikstofdepositie dan hetgeen was toegestaan op de referentiedatum. De uitspraak van 13 november 2013 brengt een belangrijke nuancering aan. Als de ten tijde van de referentiedatum geldende vergunning nadien niet meer, of niet meer geheel van kracht is, kan de vergunde situatie op de referentiedatum niet zonder meer als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie. Als de vergunde situatie nadien is beperkt (en dus ook het recht om stikstofdepositie te veroorzaken is beperkt), is daarmee het bestaande recht waarmee gesaldeerd kan worden, ook overeenkomstig aangepast. Als het bestaande recht ná de referentiedatum is uitgebreid, betekent dit evenwel niet automatisch dat met dit meerdere kan worden gesaldeerd. Dat kan alleen, als de effecten van dit meerdere ook aan de hand van de Nb-wet 1998 zijn getoetst. Heeft deze toetsing niet plaatsgevonden, dan wordt de omvang van het bestaande recht slechts bepaald aan de hand van het mindere dat was toegestaan op de referentiedatum. Als een vergunning die bestond ten tijde van de referentiedatum, nadien van rechtswege is vervallen of is vernietigd, kan deze vergunning ook niet meer worden betrokken ter bepaling van de omvang van het bestaande recht.[32]
Effectbeoordeling
Niet helemaal een onderdeel van de effectbeoordeling, maar toch het meest hiermee verwant, is de vraag wanneer een passende beoordeling vereist is. Daarmee komen we terecht op het terrein van de zogeheten voortoets. Met dit buitenwettelijke instrument wordt in de praktijk vaak onderzocht wat de mogelijke effecten van een voorgenomen project zijn en of op voorhand geconcludeerd kan worden dat dit project, kort gezegd, geen significant negatieve effecten zal kunnen hebben. In de uitspraak van de voorzitter van de ABRvS van 7 november 2013[33] was aan de orde een voortoets, in casu natuurtoets geheten, waarin onderzocht was welke toenames van stikstofdeposities zijn voorzien in de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de renovatie van een strandhotel en de ontwikkeling van appartementen, commerciële ruimten en twee parkeergarages. In de natuurtoets was daartoe gekeken naar de stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen (bestemmings)plannen ten opzichte van de autonome ontwikkeling en niet ten opzichte van de huidige situatie. Juist op dit punt heeft de voorzitter aarzelingen. M.i. twijfelt de voorzitter terecht of met de autonome ontwikkeling reeds in de voortoets rekening mag worden gehouden. Het is immers überhaupt maar de vraag of “voorgesorteerd” kan worden op het positieve effect van een autonome daling van stikstofdepositie, zonder dat verzekerd is dat deze daling ook daadwerkelijk zal optreden. Gezien deze twijfel, in combinatie met het feit dat de voor stikstof gevoelige habitats in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden reeds overbelast zijn en de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen plannen zal toenemen, bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het opstellen van een passende beoordeling niet nodig is.
Als gesteld wordt de voortoets in de praktijk veelal gebruikt om, vaak in de vorm van een quick scan, te beoordelen of een passende beoordeling – voor een plan of een project – is vereist. Van deze voortoets moet worden onderscheiden het fenomeen “verslechteringstoets”, een toets die tot 1 februari 2009 een wettelijke basis kende in het toenmalige art, 19d, lid 1, Nb-wet 1998. Toen omvatte art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 niet alleen een vergunningplicht voor projecten met mogelijk significant negatieve effecten (dan was ook altijd een passende beoordeling verplicht), maar ook voor project met (alleen) mogelijke negatieve effecten. In dat geval werden de effecten beoordeeld aan de hand van een verslechteringstoets. Sinds 1 februari 2009 bevat de Nb-wet 1998 alleen een vergunningplicht in geval van mogelijk significant negatieve effecten en dient, als dergelijke effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, altijd een passende beoordeling te worden opgesteld.[34] Het verbaast dan ook wat om in de uitspraak van 10 juli 2013 over een verslechteringstoets te lezen.[35] De inhoud van deze (uitgebreide) verslechteringstoets wordt in die uitspraak uitgebreid beoordeeld, waarna de conclusie volgt dat een passende beoordeling niet is vereist en dus ook geen plan-MER (want in casu ging het om een bestemmingsplan). Interessant is echter wel dat de ABRvS in het kader van de beoordeling van de verslechteringstoets, aandacht besteed aan cumulatieve effecten, terwijl dergelijke effecten alleen beoordeeld hoeven te worden indien een passende beoordeling wordt verricht. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de ABRvS de verslechteringstoets toch als passende beoordeling kwalificeert. De redenering in deze uitspraak lijkt dan ook niet helemaal consistent te zijn.
Interessant onderdeel van de effectbeoordeling is ook de wijze waarop effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden beoordeeld moeten worden. Dit aspect kwam in de vorige kroniek ook aan bod. Als significante gevolgen voor buitenlandse gebieden niet kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt.[36] In dit kader verdient de uitspraak van 10 juli 2013 bespreking.[37] Het betrof hier een activiteit met mogelijke effecten op Belgische Natura 2000-gebieden, als gevolg van de door deze activiteit veroorzaakte stikstofdepositie. Deze toename van stikstofdepositie was gesaldeerd met de vergunde situatie in 1997, die gelijk was aan de vergunde situatie op de voor deze Natura 2000-gebieden relevante referentiedatum. De ABRvS geeft aan appellanten toe dat de vergunde situatie op de referentiedatum niet duidelijk blijkt uit de door verweerder overgelegde vergunning en dat hierdoor niet uit te sluiten is dat de depositie die op de referentiedatum mocht worden veroorzaakt lager is dan de depositie die mocht worden veroorzaakt op basis van de ten behoeve van de saldering ingetrokken vergunning uit 1997. Verlening van de gevraagde vergunning, na saldering, leidt daardoor mogelijk niet tot de door het college berekende afname van de depositie op het Vogelrichtlijngebied ten opzichte van de op 10 juni 1994 vergunde situatie. Desondanks slaagt het betoog van appellanten toch niet, omdat de ABRvS van oordeel is dat het onderzoek van verweerder naar de gevolgen van het Belgische Vogelrichtlijngebied voldoende is geweest. Daarvoor acht de ABRvS relevant dat het op grond van de (mij onbekende) stukken niet aannemelijk is dat de situatie in 1997 in betekenende mate (wat daar ook onder wordt verstaan!) afwijkt van de situatie waarvan verweerder is uitgegaan en dat de Belgische autoriteiten van geen bezwaar tegen de vergunningverlening hebben doen blijken, ook niet nadat zij expliciet om een standpunt zijn gevraagd. Daarmee ziet de ABRvS geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
De (tussen)uitspraak van 16 april 2014 inzake de Nb-wetvergunning voor een elektriciteitscentrale in de Eemshaven gaat ook in op de wijze waarop effecten op buitenlandse, in casu Duitse, Natura 2000-gebieden beoordeeld moeten worden.[38] Deze uitspraak laat de ambigue houding van de ABRvS ten aanzien van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden zien. De ABRvS stelt ten eerste vast dat noch de Nb-wet 1998 noch het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 een bevoegdheidstoedeling bevat ten aanzien van buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. Art. 19d Nb-wet 1998 biedt dan ook, aldus de ABRvS, geen grondslag voor het verlenen van een vergunning voor zover het gaat om de mogelijke schadelijke gevolgen van een project voor buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat het bevoegd gezag moet beoordelen of vergunningverlening in overeenstemming is met art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Dat betekent, zo stelt de ABRvS, dat het Nederlandse bevoegde gezag alleen een vergunning kan verlenen voor het project voor zover het effecten heeft op de in Nederland gelegen Natura 2000-gebieden, indien het tevens de zekerheid heeft verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebieden niet aantast. Voor het verkrijgen van deze zekerheid is het naar het oordeel van de ABRvS niet noodzakelijk dat de buitenlandse autoriteiten hebben ingestemd met de vergunningverlening voor het project, ook omdat de Habitatrichtlijn niet verplicht tot het verkrijgen van een dergelijke instemming. Concreet betekent dit dat geen vergunning kan worden verleend voor het project voor zover het effecten heeft op de Duitse Natura 2000-gebieden, maar dat in het kader van de beoordeling van de effecten van de centrale tevens de effecten op de Duitse Natura 2000-gebieden moeten worden onderzocht.
Inhoudelijk bezien is ook de wijze waarop de effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden beoordeeld moeten worden interessant. Ook daarover gaat de hiervoor genoemde uitspraak van 16 april 2014 inzake de Eemshaven. De effecten vanwege stikstofdepositie op de relevante Duitse Natura 2000-gebieden waren in de vergunning die in die uitspraak ter toetsing voorlag, op twee manieren beoordeeld, te weten aan de hand van een in Nederland ontwikkelde systematiek en via de methode die in Duitsland gebruikelijk gehanteerd werd. De Nederlandse systeembenadering werd door de ABRvS (zie ook hierna) voor de Duitse gebieden niet geaccepteerd, in het bijzonder omdat voor de in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden geen mitigerende maatregelen waren voorgeschreven teneinde effecten ten gevolge van de toename van stikstofdepositie op de Duitse Natura 2000-gebieden te voorkomen. Echter, de ABRvS stelt vervolgens vast dat ook de Duitse bevoegde autoriteiten vanwege art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn, slechts toestemming voor een activiteit kunnen verlenen wanneer zij op basis van de beste wetenschappelijke kennis, gelet op de specifieke kenmerken van de Duitse Natura 2000-gebieden, de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Nu de Duitse methode, die ook in de passende beoordeling voor de bestreden vergunning was gebruikt, in de praktijk bij vergunningprocedures in Duitsland gangbaar is, hebben verweerders, aldus de ABRvS, er in beginsel dan ook van uit mogen gaan dat deze methode in overeenstemming is met art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Op zichzelf geen baanbrekende conclusie, ware het niet dat de Duitse methodiek, samengevat, extra stikstofdepositie van maximaal 3% van de kritische depositiewaarde als verwaarloosbaar beschouwt, terwijl alleen die Natura 2000-gebieden zouden hoeven te worden onderzocht waar de toename van stikstofdepositie 7,14 mol/ha/jr of meer bedraagt. Daarmee gaat de Duitse methodiek uit van hoge drempels die door de ABRvS bij de beoordeling van effecten op Nederlandse Natura 2000-gebieden niet geaccepteerd zouden worden.
In het kader van de effectbeoordeling zou de praktijk erg geholpen zijn bij vaste criteria of drempelwaarden aan de hand waarvan vrij eenvoudig zou kunnen worden vastgesteld of een bepaalde voorgenomen ontwikkeling een significant negatief effect kan hebben. Helaas slagen dergelijke pogingen veelal niet. Zo kan niet op voorhand worden uitgesloten dat uitbreidingen die onder 0,5 dan wel 1% van de kritische depositiewaarden blijven, niet leiden tot significant negatieve effecten.[39] Een systeembenadering waarbij per gebied wordt gekeken naar de specifieke omstandigheden daarvan, de specifieke kenmerken van de habitattypen, de staat van instandhouding en de factoren die van belang zijn voor het functioneren en het voorkomen van de habitattypen is in beginsel in lijn met het Kokkelvisserij-arrest van 7 september 2004[40], zo concludeerde de ABRvS in de uitspraak van 16 april 2014.[41] In die uitspraak ging het om de beoordeling van effecten van stikstofdepositie. Er dient dan echter vervolgens nog wel een beoordeling van de toename van de stikstofdepositie plaats te vinden, waarbij een relatie met voornoemde aspecten wordt gelegd. Aan de conclusie in de passende beoordeling inzake de elektriciteitscentrale in de Eemshaven dat geen effect zal optreden op de instandhoudingsdoelstellingen was louter ten grondslag gelegd dat de toename van stikstofdepositie wegvalt in de foutenmarge van ecologische modellen en in het niet valt bij de jaarlijkse fluctuaties. Aldus is niet, zo stelt de ABRvS, aan de hand van de passende beoordeling de zekerheid verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Overigens gaat het uiteindelijk voor de beoordeelde gebieden in die uitspraak wel goed, omdat vergunninghouder onverplicht een groot aantal maatregelen treft die door de ABRvS als mitigerende maatregelen worden gekwalificeerd omdat deze maatregelen zijn bedoeld om mogelijke negatieve effecten van het project te voorkomen of te verzachten.
In dit verband wijs ik ook op de uitspraak van 19 juni 2013.[42] Het betrof hier een handhavingszaak waarbij een last onder dwangsom was opgelegd vanwege overtreding van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998. Materieel ging het om de vraag of voor bepaalde werkzaamheden met betrekking tot de waterhuishouding (waaronder het verbreden, het graven en verleggen van een sloot) en het egaliseren van een perceel een vergunning was vereist. Deze werkzaamheden waren verricht in een potentieel geschikt leefgebied van soorten waarvoor het betrokken Natura 2000-gebied was aangewezen. Het verlies van potentieel leefgebied van deze soorten kan, aldus de ABRvS, ook van invloed zijn op de instandhoudingdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Nu door appellant niet gemotiveerd weerlegd was dat de door hem verrichte werkzaamheden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen leiden, moest geconcludeerd worden dat een Nb-wetvergunning vereist was. Deze uitspraak toont nog maar weer eens aan dat de drempel van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998, aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of er een vergunningplicht geldt, snel wordt overschreden.
Bij de effectbeoordeling kunnen ook instandhoudingsmaatregelen worden betrokken in het kader van de vraag of een voorgenomen project leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zo blijkt uit de uitspraak van 30 oktober 2013.[43] Om deze maatregelen als feitelijke ontwikkeling in de passende beoordeling te kunnen betrekken, moet echter wel met een voldoende mate van zekerheid vaststaan dat deze maatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Verder dienen niet alleen de verwachte positieve effecten, maar ook eventuele negatieve effecten van deze instandhoudingsmaatregelen op de kwalificerende habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten te worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Er zal dan dus in de passende beoordeling aandacht moeten worden besteed aan zowel de verwachte positieve als negatieve effecten van de uitvoering, voortzetting dan wel uitbreiding en intensivering van instandhoudingsmaatregelen die zullen worden uitgevoerd in de betrokken Natura 2000-gebieden, afgezet tegen de verwachte effecten van de in dit geval vergunde projecten (twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte) op die gebieden en het kunnen verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. In de uitspraak van 30 oktober 2013 was volgens de ABRvS in de passende beoordeling aan deze aspecten onvoldoende aandacht besteed. Dit achtte de ABRvS in het bijzonder klemmend omdat het in bedrijf nemen van de twee centrales zou leiden tot een toename van stikstofdepositie, terwijl in de situatie zonder de twee centrales de kritische depositiewaarde van de relevante habitats reeds wordt overschreden, voor een aantal van die habitattypen een verbeterdoelstelling geldt en de voorziene instandhoudingsmaatregelen niet zouden leiden tot een afname van de achtergronddepositie van stikstof op de daarvoor gevoelige habitattypen. Verder kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat de ABRvS, indien instandhoudingsmaatregelen bij de passende beoordeling worden betrokken, van belang acht of de beoogde instandhoudingsmaatregelen voldoende zijn voor het op termijn behalen van de instandhoudingsdoelstellingen en of, zonder het treffen van mitigerende maatregelen voor de vergunde projecten, geen afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van de betreffende instandhoudingsmaatregelen.
Wellicht voor de hand liggend – maar toch ging het mis in de uitspraak 24 december 2013[44] – is de volgende situatie. Als in de vergunningvoorschriften bepaalde activiteiten niet zijn beperkt terwijl in de effectbeoordeling wel van deze beperking is uitgegaan, kan niet geconcludeerd worden dat geen sprake is van significant negatieve effecten. In die betreffende procedure waren in de vergunning geen voorschriften over de duur, de frequentie en het aantal vrachtwagens opgenomen, terwijl van een beperking op deze punten wel in de ecologische beoordeling was uitgegaan. Dan staat evenwel onvoldoende vast wat de daadwerkelijke effecten van de vergunde activiteit zullen zijn.
Stikstofperikelen
Effectbeoordeling in geval van stikstofdepositie verdient ook in deze kroniekperiode apart bespreking. Het merendeel van de uitspraken dat betrekking heeft op de Nb-wet 1998, ziet immers op projecten of plannen die leiden tot een toename van stikstofdepositie.[45] Daarbij is ook van belang te realiseren dat effecten vanwege stikstofdepositie niet alleen relevant zijn in geval van Habitatrichtlijngebieden, maar ook bij Vogelrichtlijngebieden.[46] Stikstofdepositie kan leiden tot negatieve effecten op leefgebieden van vogels. Ook dergelijke effecten dienen onderzocht te worden. Hierna komt aan de orde wanneer een toename van stikstof vanwege een nieuwe activiteit gesaldeerd kan worden met een afname van stikstof bij een reeds bestaande activiteit (zie hieronder onder “mitigerende maatregelen”). Verder wordt ook ingegaan op de (on)toepasbaarheid van zogeheten Stikstofverordeningen die in diverse provincies zijn vastgesteld om het hoofd te kunnen bieden aan de onmogelijkheid om nieuwe activiteiten die leiden tot een toename van stikstof te vergunnen.
In het kader van dergelijke Stikstofverordeningen is van belang te realiseren dat art. 16 en art 19d Nb-wet 1998 een verschillend regime kennen. Naast het feit dat art. 16 Nb-wet 1998 ziet op de vergunningplicht bij (nationale) beschermde natuurmonumenten terwijl art. 19d Nb-wet 1998 effecten op Natura 2000-gebieden betreft, springt het meest in het oog het ruime afwegingskader van art. 16 Nb-wet 1998 bij vergunningverlening tegenover het strikte beoordelingskader van, met name, art. 19g Nb-wet 1998 indien een vergunning op grond van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 is vereist. Van belang is verder te signaleren dat de ABRvS bij toetsing aan art. 16 Nb-wet 1998 steevast stelt dat dit artikel noopt tot een belangenafweging, die door de ABRvS slechts aan de hand van art. 3:4 lid 2, Awb (evenredigheidsbeginsel) marginaal kan worden getoetst, terwijl de ABRvS vol en inhoudelijk toetst aan art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 e.v. Met dit verschil in het achterhoofd, verbaast het dan ook niet dat de ABRvS toepassing van een Stikstofverordening ter onderbouwing van een vergunning ex art. 16 Nb-wet 1998 wel toestaat, terwijl daar, zoals hierna nog zal blijken, in het kader van een vergunning op grond van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 juist tegenovergesteld over gedacht wordt.[47]
Met de – langverwachte – uitspraak van 19 juni 2013 stemde de ABRvS in met de systematiek van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (“Stikstofverordening”).[48] Dat betekent overigens niet automatisch dat de ABRvS daarmee ook, indirect, instemde met de toepassing van deze verordening in het kader van een Nb-wetvergunning, zoals nog zal blijken uit de hierna te bespreken uitspraak van 13 november 2013.[49] In de uitspraak van 19 juni 2013 kwam een veelheid aan punten aan de orde. Het voert hier te ver om deze allemaal in detail te bespreken. Een aantal opvallende elementen uit de uitspraak komt hierna aan de orde.
De Stikstofverordening voorzag in het systeem dat een ieder die nieuwe stallen wenste te bouwen, dit diende te melden bij GS. De eerste vraag die in de uitspraak aan de orde kwam, betrof de vraag of iedere reactie van GS op deze melding aangemerkt kon worden als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb en of tegen deze reacties afzonderlijk in rechte kon worden opgekomen dan wel slechts in het kader van een Nb-wetvergunning waarbij gebruik gemaakt was van saldo dat op basis van de Stikstofverordening was vrijgekomen. De ABRvS concludeert dat iedere reactie van GS op een melding kwalificeert als besluit, nu de reactie van GS in alle gevallen een beslissing behelst van het zogeheten “gecorrigeerde emissieplafond” (de vergunde emissies, gecorrigeerd op basis van een aantal in de Stikstofverordening opgenomen vereisten). Dit gecorrigeerde emissieplafond vormt vervolgens het uitgangspunt bij toekomstige uitbreidingen. Het standpunt dat pas tegen dit besluit opgekomen zou kunnen worden als onderdeel van een procedure tegen een Nb-wetvergunning, werd door de ABRvS niet gedeeld. Aan dit oordeel ligt met name ten grondslag dat de Stikstofverordening, en dus ook de correctie van de toegestane emissies, bedoeld is als passende maatregel in de zin van art. 19ke Nb-wet 1998 (en daarmee als maatregel ter uitvoering van art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn). Saldering in de vergunningprocedure daarentegen wordt als mitigerende maatregel in de passende beoordeling op grond van art. 19f Nb-wet 1998. Verder achtte de ABRvS in dit kader van belang dat met de Stikstofverordening wordt beoogd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant te verminderen ten opzichte van 7 december 2004, terwijl bij saldering op grond van de Nb-wetvergunning mogelijk uitgegaan dient te worden van andere Natura 2000-gebieden. De afweging inzake de toename van de ammoniakemissie van een nieuwe stal in het kader van de Stikstofverordening en die inzake een vergunning op grond van art. 19d Nb-wet 1998 vindt dan ook op andere wijze plaats. Op grond van deze verschillen concludeert de ABRvS dat de salderingsbeslissing krachtens de Stikstofverordening geen beslissing is inzake de procedure ter voorbereiding van een Nb-wetvergunning. Er is dus, met andere woorden, geen sprake van een voorbereidingsbesluit als bedoeld in art. 6:3 Awb. Verder bestaan evenmin redenen uit te gaan van een concentratie van rechtsbescherming in de zin dat de salderingsbeslissing op grond van de Stikstofverordening niet zelfstandig appellabel is, maar uitsluitend in het kader van de Nb-wetvergunning aan de orde zou kunnen worden gesteld.
Door appellanten werd voorts aangevoerd dat de Stikstofverordening geen passende maatregel als bedoeld in art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn en art. 19ke Nb-wet 1998 zou zijn. Deze beroepsgrond toetst de ABRvS marginaal, waarbij geconcludeerd wordt dat GS binnen de aan hen toekomende beoordelingsmarge zijn gebleven. De ABRvS acht in dat verband van belang dat het aannemelijk is dat toepassing van de Stikstofverordening zal bijdragen aan de afname van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant. In dat kader achtte de ABRvS niet relevant dat de Stikstofverordening niet voorziet in de beoordeling van effecten van in Noord-Brabant gevestigde bedrijven op gebieden in België noch dat gesaldeerd wordt met emissies die op 7 december 2004 mochten worden veroorzaakt, terwijl niet voor alle Natura 2000-gebieden deze datum als referentiedatum voor bestaande rechten kan worden aangemerkt. In de uitspraak van de ABRvS klinkt daarmee duidelijk door dat deze uitspraak slechts ziet op rechtmatigheid van de Stikstofverordening als passende maatregel en niet op de toepassing van deze verordening in het kader van een Nb-wetvergunning.
Een laatste te bespreken element van deze uitspraak betreft de drempelwaarde die bij toepassing van de Stikstofverordening wordt gehanteerd. In de Stikstofverordening werden deposities beneden de drempelwaarde van 0,051 mol/ha/jr niet gesaldeerd omdat een depositie beneden deze waarde geen fysische betekenis meer heeft. Deze aanpak wordt door de ABRvS onderschreven. Hieruit zou afgeleid kunnen worden een dergelijke drempelwaarde ook in het kader van de Nb-wetvergunning zou kunnen worden gehanteerd. Ook dan zou immers gesteld kunnen worden dat deposities onder deze drempelwaarde geen fysische betekenis meer hebben.
Uit de uitspraak van 9 april 2014 volgt echter het tegendeel.[50] In die uitspraak stelde de ABRvS dat de hiervoor genoemde uitspraak van 19 juni 2013, slechts betrekking heeft op de depositiebank van de Provincie Noord-Brabant en de Stikstofverordening die de basis voor deze depositiebank vormt. Nu deze Stikstofverordening tot doel heeft het in algemene zin terugdringen van stikstofdepositie, kan het beoordelen van stikstofdepositie in het kader van de Stikstofverordening niet gelijkgesteld worden met het beoordelen van de gevolgen van stikstofdepositie ten behoeve van de verlening van een vergunning voor een project op grond van art. 19d Nb-wet 1998. Er kan dus niet, met andere woorden, in het kader van een Nb-wetvergunning gesteld worden dat een toename van stikstofdepositie van minder dan 0,051 mol/ha/jr geen fysische betekenis heeft, en dus irrelevant is. Formeel gezien is dit standpunt te volgen. Materieel beschouwd is het toch wat opmerkelijk. Als, zoals de ABRvS in de uitspraak van 19 juni 2013 vaststelde, stikstofdepositie beneden een bepaalde omvang geen fysische betekenis heeft, zou ik me goed kunnen voorstellen dat deze conclusie ook relevant is bij het verlenen van een Nb-wetvergunning. De uitspraak van 9 april 2014 is ook om een andere reden opmerkelijk. Het ging in de uitspraak om een Nb-wetvergunning voor de verplaatsing van een agrarische bedrijf. De ABRvS stelde vast dat als gevolg van deze verplaatsing, er een zeer geringe toename van stikstofdepositie zou optreden. Nu deze toename slechts op twee locaties van voor stikstofdepositie gevoelige habitattypen zou plaatsvinden, deze toename ongeveer vier duizendste deel van een procent van de kritische depositiewaarde betrof en appellanten niet hebben onderbouwd dat verweerder zich op grond hiervan niet heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast, ziet de ABRvS geen aanleiding voor de conclusie dat de vergunning in strijd met art. 19g, lid 1, Nb-wet 1998 is verleend. Aan deze conclusie van de ABRvS lijken geen ecologische argumenten ten grondslag te liggen, althans, dat blijkt niet uit de uitspraak. Daarmee lijkt de ABRvS toch een soort van cijfermatige grens te hebben bepaald waardoor in dit geval de zekerheid was verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zouden worden aangetast door vergunningverlening. Eventuele vergelijkbare vervolguitspraken zullen laten zien of deze lijn door de ABRvS wordt voortgezet.
Hoewel met de uitspraak van 19 juni 2013 de toepassing van de Stikstofverordening als zodanig door de ABRvS werd geaccepteerd, is de Stikstofverordening in het kader van de Nb-wetvergunning geen gelukkig leven beschoren. Op 13 november 2013 stelde de ABRvS vast dat de systematiek van de Stikstofverordening niet waarborgde dat saldering van de mogelijke effecten van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden op de juiste wijze plaatsvond.[51] Daarmee waarborgde toepassing van de Stikstofverordening niet dat met zekerheid kon worden gesteld dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zouden worden aangetast. Er waren drie redenen die de basis voor deze conclusie vormden. Het betreft de volgende drie redenen.
Nu toepassing van de depositiebank die met de Stikstofverordening was ingesteld, kan worden beschouwd als een vorm van externe saldering, diende er, aldus de ABRvS directe samenhang te bestaan tussen de in de depositiebank opgenomen saldi van ingetrokken milieuvergunningen en de onttrekkingen van saldi ten behoeve van een Nb-wetvergunning voor de oprichting of uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Hoewel het vereiste van directe samenhang niet zo ver gaat dat bij saldering op grond van de depositiebank moet worden aangegeven van welke ingetrokken milieuvergunning het saldo afkomstig is, is alleen sprake van directe samenhang bij milieuvergunningen die zijn ingetrokken na de datum van het instellen van de depositiebank. Aangezien de Stikstofverordening niet uitsloot dat in de depositiebank saldi zijn opgenomen van milieuvergunningen die voor de oprichting van de depositiebank zijn ingetrokken, was niet voldaan aan het vereiste van directe samenhang. Dat was het eerste kritiekpunt van de ABRvS.
Ten tweede stelde de ABRvS vast dat de Stikstofverordening niet uitsloot dat in de depositiebank alleen saldi wordt opgenomen van bedrijven die op het moment van intrekken van de milieuvergunning feitelijk niet meer aanwezig waren. Een bedrijf is feitelijk aanwezig als dit bedrijf op het moment van intrekking van de milieuvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie, nog zijn activiteiten kan hervatten zonder dat daarvoor een vergunning op grond van art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 voor de realisering van een project is vereist. Door het ontbreken van deze waarborg zou het zo kunnen zijn dat een saldogevend bedrijf zijn activiteiten zou kunnen hervatten zonder een toets onder de Nb-wet 1998 terwijl de emissies van dit bedrijf in de depositiebank zouden zijn opgenomen ten behoeve van een nieuwe activiteit.
De derde reden voor de ABRvS om toepassing van de depositiebank in het kader van een Nb-wetvergunning niet te accepteren, was gelegen in het verschil tussen de gehanteerde “referentiedatum” bij de Stikstofverordening en de werkelijke referentiedatum die voor de betrokken Natura 2000-gebieden zou moeten worden gehanteerd. Zoals volgt uit eerdere jurisprudentie bepaalt het vergunde op de werkelijke referentiedatum de omvang van het bestaande recht waarmee kan worden gesaldeerd. In de depositiebank kon het saldo worden opgenomen van een milieuvergunning die was verleend vóór 7 december 2004 voor een bedrijf dat op 7 december 2004 nog aantoonbaar in bedrijf was en welke vergunning na die datum is ingetrokken. Daarmee hanteerden de Stikstofverordening en de depositiebank feitelijk de datum van 7 december 2004 als referentiedatum. Bij saldering van deposities op Habitatrichtlijngebieden kan deze datum inderdaad als referentiedatum worden gehanteerd. Bij Vogelrichtlijngebieden geldt evenwel een andere, eerdere, referentiedatum. In de vergunningen die in de uitspraak van 13 november 2013 aan de orde waren, was het saldo uit de depositiebank ook gebruikt om een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn te salderen. Nu voor deze gebieden andere referentiedata gelden (in casu onder meer 10 juni 1994 en 24 maart 2000), was het door deze systematiek mogelijk dat saldo is gebruikt dat afkomstig is van een milieuvergunning voor een bedrijf dat na de referentiedatum is opgericht of is gewijzigd, zonder dat is gewaarborgd dat die oprichting of wijziging passend is beoordeeld. Dit saldo kon dan ook niet worden gebruikt ten behoeve van saldering van een toename van stikstofdepositie op deze gebieden. Daarmee viel het doek voor de depositiebank.[52]
Aan de uitspraak van 19 maart 2014[53] ten slotte, waarin de ABRvS concludeerde dat het gebruik van twee depositiebanken binnen dezelfde provincie niet is toegestaan, moeten m.i. niet te veel algemene conclusies worden ontleend. Juist de inhoud van de Stikstofverordening Gelderland was voor de ABRvS immers bepalend voor de conclusie dat er naast de krachtens de Stikstofverordening ingestelde depositiebank geen ruimte was voor een andere, zogeheten “niet geregelde” depositiebank. Daarvoor achtte de ABRvS van belang dat uit het samenstel van de bepalingen in de Stikstofverordening volgde dat saldering ten behoeve van de vergunningverlening krachtens de Nb-wet 1998 voor veehouderijbedrijven in de Stikstofverordening wordt gereguleerd. Zo volgde bijvoorbeeld uit de toelichting op de Stikstofverordening dat saldering buiten het salderingssysteem van de verordening niet was toegestaan, hetgeen volgens de toelichting betekende dat saldering op andere wijze dan via het salderingssysteem zoals geregeld in de Stikstofverordening niet wordt meegenomen in de beoordeling van een vergunningaanvraag of een verzoek om een verklaring van geen bedenkingen. Daarmee stond voor de ABRvS vast dat de Stikstofverordening een uitputtende en exclusieve regeling bevat voor saldering die wordt betrokken bij de passende beoordeling die ten behoeve van een Nb-wetvergunning wordt verricht, zodat niet buiten deze Stikstofverordening om een andere depositiebank kon worden aangehouden waarvan ook het saldo wordt betrokken als maatregel bij de passende beoordeling.
Art. 19kd Nb-wet 1998
De toepassing van art. 19kd, lid 1, aanhef en onder b, Nb-wet 1998 kwam aan de orde in de uitspraak van 13 november 2013.[54] In deze uitspraak concludeerde de ABRvS, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak[55], dat voor de toepassing van art. 19kd, lid 1, aanhef en onder b, Nb-wet 1998 bepalend is of de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteit in samenhang met de voor die activiteit getroffen maatregelen “per saldo” niet is toegenomen of zal toenemen. Anders dan in art. 19kd, lid 1, aanhef en onder a, Nb-wet 1998, waarin de woorden “sedertdien per saldo” erop duiden dat het gaat om de gevolgen sinds de referentiedatum, wordt in onderdeel b, waarin het woord “sedertdien” ontbreekt, geen verbinding met de referentiedatum gelegd, maar met de aanvang van het gebruik of de wijziging in betekenende mate van het gebruik. Er moet dan ook, bij toepassing van art. 19kd, lid 1, aanhef en onder b, Nb-wet 1998 niet getoetst worden wat de eventuele toename van stikstofdepositie is ten opzichte van een referentiedatum, maar juist ten opzichte van de huidige situatie (waarin de voorgenomen activiteit niet plaatsvindt). Toetsing aan het bepaalde onder b van art. 19kd, lid 1, Nb-wet 1998 is niet alleen geboden indien de handeling een activiteit is die na de referentiedatum is begonnen, maar ook als sprake is van een gebruik dat na de referentiedatum in betekenende mate is gewijzigd. Een wijziging in betekenende mate doet zich in ieder geval voor indien krachtens een vergunning, verleend na de referentiedatum, minder ammoniakemissie is toegestaan dan de vergunde situatie op de referentiedatum.[56] In dat geval kan dus, bij toepassing van art. 19kd, lid 1, Nb-wet 1998 niet getoetst worden of per saldo, gerekend vanaf de referentiedatum, sprake is van ten minste een gelijkblijvende hoeveelheid stikstofdepositie, maar zal de stikstofdepositie ten opzichte van het vergunde na de referentiedatum niet mogen toenemen.
Verstopt in een uitspraak van 27 november 2013[57] zit nog een belangrijke opvatting van de ABRvS over de verhouding tussen art. 19kd en art. 19e e.v. Nb-wet 1998. In die procedure werd door verweerder aangevoerd dat voor de betrokken Natura 2000-gebieden (in casu ging het om Habitatrichtlijngebieden) art. 19kd Nb-wet 1998 buiten toepassing kon worden gelaten, omdat dit artikel niet uitsluit dat de beoordeling van de vergunningaanvraag plaatsvindt op grond van art. 19e tot en met 19h Nb-wet 1998. In dit concrete geval werd langs die weg geconcludeerd dat er geen significante gevolgen als bedoeld in art. 19d Nb-wet 1998 zouden zijn. Naar aanleiding van die stelling overweegt de ABRvS dat art. 19kd Nb-wet 1998 een specifieke regeling bevat voor de beoordeling van de gevolgen van een handeling voor de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Gelet hierop dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of voor de Habitatrichtlijngebieden toepassing kan worden gegeven aan dit artikel. Pas indien is vastgesteld, aldus de ABRvS, dat art. 19kd Nb-wet 1998 niet kan worden toegepast, dient te worden teruggevallen op het toetsingskader van art. 19e tot en met 19h Nb-wet 1998. Bij mijn weten is er geen eerdere uitspraak van de ABRvS waarin deze opvatting is neergelegd. Zonder nadere toelichting of verwijzing naar wetsgeschiedenis komt het mij voor dat dit toch wel een opmerkelijke uitspraak is, meer in het bijzonder omdat in de wetsgeschiedenis ook geen aanknopingspunten voor deze opvatting te vinden zijn.
Mitigerende maatregelen
Mitigatie van effecten, en dan in het bijzonder door saldering van stikstofemissie, zorgt voor de nodige uitspraken. Saldering kan worden onderverdeeld in interne en externe saldering. Van interne saldering is sprake als een toename van emissies en bijbehorende stikstofdepositie wordt gesaldeerd met eigen, in het verleden verkregen, bestaande rechten. Externe saldering doet zich voor indien ten behoeve van een toename van emissies gebruik wordt gemaakt van emissierechten van een derde, bijvoorbeeld door intrekking of inperking van de (milieu)vergunning van deze derde. Er is inmiddels veel jurisprudentie over saldering. Kern van deze jurisprudentie is dat externe saldering is toegestaan indien er een directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning van het saldogevende bedrijf en de verlening van de Nb-wetvergunning van het saldonemende bedrijf.[58]
In deze kroniekperiode is aan deze jurisprudentie over saldering nog het nodige toegevoegd. Zo volgt uit ABRvS 14 augustus 2013[59]dat een voorwaarde voor (externe) saldering is dat het bedrijf wier emissierechten worden gebruikt nog “feitelijk aanwezig is”. Anders dan deze term doet vermoeden, betekent dit niet dat het bedrijf ook feitelijk nog activiteiten dient te verrichten. Integendeel. Een bedrijf is feitelijk aanwezig indien het bedrijf zonder dat het daarvoor een nieuwe (milieu)vergunning hoeft aan te vragen, zijn activiteiten weer kan verrichten. Het maakt, met andere woorden, dan dus niet uit dat op het moment van saldering geen dieren worden gehouden – saldering als mitigerende maatregel kan dan toch plaatsvinden, omdat een vergunninghouder tot het moment dat de milieuvergunning wordt ingetrokken (hetgeen dient te gebeuren in het kader van de saldering), zijn bedrijf overeenkomstig die vergunning kan hervatten.
In deze kroniekperiode is in jurisprudentie ook aan de orde gekomen of bij de saldering van effecten niet alleen verzekerd zou moeten zijn dat de milieuvergunning van het saldogevende bedrijf wordt ingetrokken, maar ook de Nb-wetvergunning van dit bedrijf. In de uitspraak van 13 november 2013[60] heeft de ABRvS overwogen dat wanneer het saldogevende bedrijf waarvan de milieuvergunning ten behoeve van saldering middels een depositiebank wordt ingetrokken nog over een Nb-wetvergunning beschikt en vervolgens een omgevingsvergunning aanvraagt die overeenkomt met de bedrijfsvoering die ten grondslag ligt aan die geldende Nb-wetvergunning, het niet onmogelijk is dat in dergelijke situaties dat bedrijf geen salderingsbesluit nodig heeft. Dan worden dus geen saldi aan de depositiebank zouden onttrokken en zou de depositiebank stikstofdepositie bevatten die in feite niet als vervallen kan worden beschouwd. Het vóórkomen van dergelijke situaties wordt door de ABRvS evenwel zodanig onwaarschijnlijk geacht dat niet hoefde te worden bepaald dat in de depositiebank alleen stikstofdeposities werden opgenomen als van het saldogevende bedrijf niet alleen de milieuvergunning maar ook de Nb-wetvergunning was ingetrokken. Dat heeft – waarschijnlijk, want dat blijkt niet uit deze uitspraak – te maken met het feit dat deze saldogevende bedrijven niet beschikten over een Nb-wetvergunning. Tot eenzelfde conclusie kwam de ABRvS bij een Nb-wetvergunning ten behoeve waarvan niet was gesaldeerd via een depositiebank maar rechtstreeks door intrekking van een milieuvergunning.[61] Ook in die situatie moet het uiterst onwaarschijnlijk worden geacht dat na intrekking van de milieuvergunning nog gebruik gemaakt kan worden van een Nb-wetvergunning. Ook dan hoeft niet te zijn gewaarborgd dat bij saldering niet alleen de milieuvergunning maar ook de Nb-wetvergunning wordt ingetrokken.
In de uitspraak van 16 april 2014[62] moest de ABRvS zich buigen over de vraag of bij de keuze van diverse mitigerende maatregelen, de voorkeur zou moeten liggen bij bronmaatregelen boven effectmaatregelen. De ABRvS overweegt in dat verband ten eerste dat verweerders hebben gesteld dat brongerichte maatregelen zijn genomen, in die zin dat in de milieuvergunning een NOx-emissie is voorgeschreven die voldoet aan de beste beschikbare technieken volgens het BREF Grote stookinstallaties. Verder concludeert de ABRvS dat noch uit de Nb-wet 1998 noch uit de Habitatrichtlijn een verplichting voortvloeit om in het kader van mitigatie indien mogelijk voorrang te geven aan (verdergaande) bronmaatregelen boven andere maatregelen.
In 2012 stelde de ABRvS prejudiciële vragen die feitelijk neerkwamen op het verschil tussen de begrippen mitigatie en compensatie.[63]Het ging in die procedure om de vraag of de ontwikkeling van een nieuw areaal van het habitattype blauwgraslanden in een Natura 2000-gebied waar, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (uitbreiding van de snelheid A2 tussen Den Bosch en Eindhoven) ditzelfde habitattype – op een andere locatie – significant zou worden aangetast. In een aantal uitspraken is naar deze prejudiciële procedure verwezen. Zo ook in de uitspraak van 23 april 2014,[64] in welke uitspraak het ging om het omvormen van naaldbos naar loofbos vanwege effecten op het habitattype beuken- en eikenbossen met hulst, waarmee effecten van stikstofdepositie op dit habitattype zouden kunnen worden gemitigeerd. Volgens appellanten zouden deze maatregelen moeten worden aangemerkt als compenserende en niet als mitigerende maatregelen. De ABRvS spreekt zich hier niet over uit, en verwijst in dat kader naar de lopende prejudiciële procedure.
Op 15 mei 2014 heeft het HvJ EU de gestelde vragen beantwoord.[65] Het HvJ EU concludeert dat de ontwikkeling van het nieuwe areaal moet worden aangemerkt als een compenserende maatregel, omdat deze maatregel er niet toe strekt om de significant negatieve gevolgen die voor dit habitattype rechtstreeks uit het project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen maar beoogt deze gevolgen nadien te compenseren. Daarbij acht het HvJ EU ook van belang dat de eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuw habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden gecompenseerd, in de regel onzeker zijn en dat deze gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele jaren zichtbaar zullen worden. Met deze positieve gevolgen zou daarom in het besluit waarbij toestemming voor het project wordt verleend geen rekening kunnen worden gehouden. Hoewel het arrest van het HvJ EU na de, zo goed als gelijkluidende, conclusie van de A-G niet meer helemaal onverwacht kwam, is mijn inschatting dat de consequenties van dit arrest voor de praktijk aanzienlijk zullen zijn.[66] Afhankelijk van de vormgeving van de maatregelen die in het kader van de PAS worden uitgevoerd, is het verder ook nog maar de vraag in hoeverre de PAS hierdoor wordt geraakt. De komende tijd zullen de implicaties van het arrest van het HvJ EU duidelijker worden.
Cumulatie
In deze kroniekperiode is met een aantal uitspraken meer duidelijkheid verkregen over de wijze waarop de beoordeling van cumulatieve effecten dient plaats te vinden.
In de uitspraak van 30 oktober 2013[67] zet de ABRvS nog eens duidelijk het kader van de cumulatieve beoordeling uiteen. Zo hoeft bij het beoordelen van de mogelijke cumulatieve effecten in het kader van de vergunningverlening ingevolge de Nb-wet 1998 met andere projecten waarvoor een Nb-wetvergunning is vereist maar die nog niet is verleend, geen rekening te worden gehouden. In afwachting van een besluit op een aanvraag voor een Nb-wetvergunning is immers doorgaans niet zeker of – en zo ja met welke voorschriften – de vergunning verleend zal worden. Dergelijke andere vergunningplichtige projecten zijn dan ook aan te merken als een onzekere toekomstige gebeurtenis. Van andere projecten waarvoor een Nb-wetvergunning is verleend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en die ook reeds zijn uitgevoerd dan wel bestaande activiteiten waarvoor geen Nb-wetvergunning benodigd is, kunnen de gevolgen van die activiteiten in de meeste gevallen worden geacht in de omgeving te zijn verdisconteerd (ze zitten dan in de achtergrondwaarde). Deze activiteiten hoeven, aldus de ABRvS, in beginsel ook niet meer afzonderlijk in de beoordeling van de cumulatieve effecten te worden betrokken. Projecten waarvoor een Nb-wetvergunning is verleend, maar die nog niet of slechts ten dele zijn uitgevoerd ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, en die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dienen wel bij de beoordeling van de mogelijke cumulatieve effecten te worden betrokken. Daarbij is van belang te realiseren dat in beginsel de datum van de verlening van de in geschil zijnde Nb-wetvergunning bepalend is voor de vraag welke andere projecten dan wel activiteiten als een onzekere toekomstige gebeurtenis zijn aan te merken, tenzij een besluit op bezwaar is genomen. In dat geval dient ten tijde van de beslissing op bezwaar, aan de hand van voorgaande criteria, te worden bezien welke plannen of projecten in de cumulatieve beoordeling moeten worden betrokken.
In het bestemmingsplan dat ter toetsing voorlag in de uitspraak van 4 december 2013[68] was voor het bepalen van de mogelijke cumulatieve effecten alleen gekeken naar ontwikkelingen binnen de eigen gemeente. Daarmee had de raad niet inzichtelijk gemaakt of ten tijde van de vaststelling van het plan op het grondgebied van de nabijgelegen gemeenten concrete ontwikkelingen waren voorzien die bij de beoordeling van cumulatieve effecten in beschouwing hadden moeten worden genomen, of dat enkel sprake was van onzekere toekomstige gebeurtenissen die bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing hadden mogen worden gelaten.
De uitspraak van 16 april 2014[69] is verder bij mijn weten de eerste uitspraak waarin de ABRvS concreet ingaat op de wijze waarop cumulatie van effecten vanwege ontwikkelingen die met bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt, dient plaats te vinden. Art. 19f, lid 1, Nb-wet 1998 vereist dat effecten van een project of plan gecumuleerd dienen te worden beoordeeld met andere plannen en projecten. Deze formulering is direct afkomstig van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Aangezien onder “plannen” in de zin van art. 6 Habitatrichtlijn ook bestemmingsplannen worden begrepen, zou in theorie de verplichting bestaan om effecten van een project te cumuleren met bestemmingsplannen. In de praktijk ondoenlijk. Er was echter nog geen jurisprudentie waarin de reikwijdte van de cumulatieplicht voor zover het plannen betreft aan de orde was gekomen. In de genoemde uitspraak van 16 april 2014 overweegt de ABRvS dat bestemmingsplannen een planologische grondslag kunnen bieden voor projecten waarvoor een Nb-wetvergunning noodzakelijk is. Voor dergelijke projecten is, zolang geen Nb-wetvergunning is verleend, nadere besluitvorming vereist. Aldus is bij de beoordeling van de cumulatieve effecten dan ook terecht geen rekening gehouden met (ontwerp-)bestemmingsplannen, zo concludeert de ABRvS.
3.3. Toetsing van plannen
Net als in de vorige kroniekperiode, zijn uitspraken waarin de toetsing aan art. 19j Nb-wet 1998 centraal staat, in aantal het grootst. Dat wil overigens niet zeggen dat alle baanbrekende uitspraken ook op dit vlak gewezen zijn. Integendeel zou ik eerder zeggen. Het gros van de uitspraken ziet op situaties waarin, net als eerder, geen dan wel ondeugdelijk ecologisch onderzoek is verricht waardoor ook ten onrechte is geconcludeerd dat geen passende beoordeling was vereist.[70] Hierna volgt een overzicht van de meest in het oog springende uitspraken. Kort noem ik hier nog de vaste jurisprudentie dat de conclusie dat geen passende beoordeling vereist is, niet kan worden gebaseerd op mitigerende maatregelen die getroffen dienen te worden om deze conclusie te ondersteunen. Bij de beoordeling of sprake kan zijn van significante gevolgen gaat het erom om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Wanneer significante gevolgen niet zijn uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Pas in die passende beoordeling kunnen mitigerende maatregelen worden betrokken. Dat is al bekende jurisprudentie. ABRvS 22 januari 2014[71] laat echter zien dat dit in de praktijk nog niet altijd goed gaat.
In ABRvS 28 augustus 2013[72] voorzag het bestemmingsplan in de juridisch planologische regeling van maximaal 68 woningen en bijbehorende voorzieningen. Door appellanten werd aangevoerd dat de verkeersbewegingen als gevolg van dit plan zouden leiden tot een toename van stikstofbelasting. Er was geen passende beoordeling opgesteld. Aan het stikstofonderzoek lagen ten grondslag luchtkwaliteitsonderzoek en een zogeheten Natuurplan voor het Tracébesluit Velperbroek – een ander besluit dan het bestemmingsplan dat ter toetsing voorlag in deze uitspraak. Het behoeft weinig toelichting dat deze twee stukken niet ten grondslag konden worden gelegd aan het natuuronderzoek dat ten behoeve van het bestemmingsplan diende te worden verricht. Ten eerste omdat luchtkwaliteitsonderzoek ziet op de toetsing aan de in paragraaf 5.2 Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit; grenswaarden die niet relevant of bepalend zijn voor de toetsing op grond vanart. 19j Nb-wet 1998. In het Natuurplan was de bijdrage aan de stikstofdepositie als gevolg van de verbreding van de A12 berekend, en niet de bijdrage als gevolg van het onderhavige plan. Aldus was niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied vanwege dit plan. Daarmee was ook niet aannemelijk gemaakt dat geen passende beoordeling noodzakelijk was en stond evenmin vast dat geen milieueffectrapport vereist was.[73] Uit art. 7.2a, lid 1, Wet milieubeheer volgt immers dat een dergelijk rapport dient te worden opgesteld zodra een passende beoordeling voor een plan moet worden gemaakt.
Het vermelden waard is ook de uitspraak van 10 januari 2014.[74] In het bestemmingsplan dat in die uitspraak ter toetsing voorlag, werd door verweerder het standpunt ingenomen dat een passende beoordeling voor het plan niet vereist was, omdat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk zou maken afzonderlijk aan art. 19d, lid 1, Nb-wet 1998 worden getoetst. De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zullen daarom in de praktijk nooit (kunnen) leiden tot significant negatieve effecten. Als extra argument voor het ontbreken van de passende beoordeling werd nog aangevoerd dat het bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan voor het buitengebied niet mogelijk is om alle potentiële uitbreidingsmogelijkheden van alle veehouderijbedrijven te toetsen aan de Nb-wet 1998. Hoezeer dit standpunt vanuit de praktijk ook te begrijpen is – en het eigenlijk ook wel een logische gedachtegang is – past deze systematiek niet in de wijze waarop de ABRvS bestemmingsplannen toetst. Verweerder had, aldus de ABRvS, bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moeten onderzoeken of een maximale invulling van de planologische mogelijkheden zonder het maken van een passende beoordeling aanvaardbaar was. Door dit onderzoek achterwege te laten, is het plan in strijd met art. 19j Nb-wet 1998 vastgesteld.
Min of meer vergelijkbaar met deze uitspraak is die van 19 maart 2014.[75] In het bestemmingsplan dat in die uitspraak ter toetsing voorlag, was bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen alleen zou kunnen worden verleend indien zou vaststaan dat een vergunning op grond van de Nb-wet 1998 niet nodig is, is verleend, dan wel zal worden verleend. Er was verder in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de Nb-wet 1998 getoetst (althans, dat blijkt niet uit deze uitspraak). Deze regeling in het bestemmingsplan werd door de ABRvS niet in stand gelaten – maar overigens niet met de motivering dat de bepalingen uit de Nb-wet 1998 kennelijk niet op correcte wijze waren toegepast. De ABRvS stelde daarentegen dat deze bepaling weliswaar is bedoeld als voorlichting voor personen met bouwplannen, maar dat de bepaling als zodanig niet geschikt is om te worden opgenomen in de planregels. Dat had te maken met het feit dat uit de bepaling volgt dat ook in gevallen waarin het bouwen van gebouwen op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, een nadere toetsing door B&W is vereist bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen. Het plan biedt daarmee op dit punt onvoldoende zekerheid over de vraag of voor een bouwinitiatief een omgevingsvergunning kan worden verkregen. Op zichzelf is dit een te begrijpen redenering van de ABRvS. Gesteld had echter ook kunnen worden dat kennelijk bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende duidelijk was of realisatie van de bestemmingen op grond van de Nb-wet 1998 mogelijk was, waardoor de betreffende planregel om die reden vernietigd had kunnen worden, zeker nu door appellant ook was aangevoerd dat deze planregel in strijd was met de Nb-wet 1998.[76]
Dat bij de beoordeling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden bij de vaststelling van bestemmingsplannen uitgegaan moet worden van de maximale mogelijkheden die een bestemmingsplan biedt, wordt weer eens bevestigd in de uitspraak van 29 januari 2014.[77] Door niet uit te gaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, maar van een inrichtingsplan van de initiatiefnemer voor de voorgenomen uitbreiding, waarin verwachtingen ten aanzien van de gebruiksfuncties zijn beschreven, is onvoldoende inzichtelijk gemaakt of het plan een significant negatief effect kan hebben voor het betrokken Natura 2000-gebied. De verplichting om uit te gaan van de maximale mogelijkheden die een bestemmingsplan biedt, omvat ook het rekening houden met de potentiële ecologische effecten van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in een bestemmingsplan, alsook het opnieuw bestemmen van reeds eerder bestemde, maar nog niet gerealiseerde functies.[78]
Er zijn ook voorbeelden van situaties waarin terecht geen passende beoordeling voor een plan is opgesteld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2013[79], waar het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van 9 km van het vastgestelde bestemmingsplan lag. Het plan maakte de vestiging van een paardenfokkerij, met daaraan ondergeschikt paardrijactiviteiten ten behoeve van derden, en de realisatie van een groenstrook mogelijk. Nu verweerder niet alleen de afstand tot dit Natura 2000-gebied, maar ook de geringe omvang van de ontwikkeling die met het plan mogelijk werd gemaakt, in de beoordeling had betrokken, ziet de ABRvS geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uitgesloten is dat de ontwikkeling die in het plan mogelijk wordt gemaakt, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben op het betrokken Natura 2000-gebied. Deze uitspraak laat treffend zien dat zelfs op een afstand van 9 km nog een (min of meer) inhoudelijke toets dient plaats te vinden alvorens de conclusie kan worden getrokken dat geen passende beoordeling is vereist. ABRvS 10 juli 2013[80] maakt verder duidelijk dat als appellanten alleen maar aanvoeren dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van een bestemmingsplan voor het milieu en betwisten dat het niet nodig is om een passende beoordeling op te stellen, de ABRvS deze beroepsgrond slechts marginaal behandelt en de conclusies uit het ecologisch onderzoek leidend acht. Interessant in dit verband is ten slotte nog de uitspraak van 16 oktober 2013.[81] Ondanks dat het bestreden bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakte waardoor de stikstofdepositie (gering) zou toenemen, stemt de ABRvS in met de conclusie van de raad dat een passende beoordeling niet was vereist. Het is lastig te zien hoe deze uitspraak zich verhoudt met de meer gangbare lijn in de jurisprudentie dat, indien sprake is van een toename van stikstof op een toch al overbelast systeem, een passende beoordeling in beginsel vereist is. Verder laat de uitspraak zien dat ook in dit geval een (vrij) uitgebreide ecologische beoordeling is verricht, terwijl de ABRvS desondanks concludeert dat een passende beoordeling terecht niet is opgesteld.
Ik wijs in dit verband ook nog op de uitspraak van 19 maart 2014.[82] Ten behoeve van het bestemmingsplan dat in die uitspraak ter toetsing voorlag, was ecologisch onderzoek verricht dat in de stukken die deel uitmaakten van het bestemmingsplan was aangemerkt als habitattoets dan wel als passende beoordeling. Er was evenwel geen plan-MER gemaakt, waartoe volgens appellanten op grond van art. 7.2a, lid 1, Wm wel een verplichting bestond. Dit artikel stelt een milieueffectrapport bij de voorbereiding van een plan waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt verplicht. Dit betoog slaagt evenwel niet, vanwege de feitelijke vaststelling door de ABRvS dat een passende beoordeling niet was vereist. Daarbij acht de ABRvS niet van belang of het onderzoek naar de effecten van een plan als passende beoordeling is aangemerkt, maar dient, aldus de ABRvS, op grond van de inhoud van het onderzoek te worden vastgesteld of het plan zonder passende beoordeling kan worden vastgesteld. Dat het ecologisch onderzoek in sommige stukken, die behoorden bij het bestemmingsplan, als passende beoordeling was aangemerkt, deed dan ook niet ter zake.
3.4. Varia
Een wat vreemde eend in de bijt is de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 5 juni 2013.[83] Het betrof hier een civiele procedure, aangespannen door de Stichting Das & Boom tegen de Staat der Nederlanden. De Stichting vorderde, samengevat, de Staat ertoe te veroordelen om meer maatregelen te treffen om het korhoen in Nederland te beschermen, onder andere door verbetering en uitbreiding van het huidige leefgebied van het korhoen en door bijplaatsing van korhoenders uit andere gebiedsdelen in Europa. De vordering werd onder andere gebaseerd op art. 19 Nb-wet 1998 en het hieraan ten grondslag liggende art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn. Kern van het verweer van de Staat was dat er weliswaar een verplichting voor de Staat bestond om het korhoen te beschermen, maar dat de Staat niet gedwongen kan worden tot het treffen van specifieke maatregelen, juist omdat de Staat een ruime beoordelingsvrijheid zou toekomen om vast te stellen welke maatregelen passend en noodzakelijk zijn om het korhoen in Nederland in een gunstige staat van instandhouding te brengen en te houden. De rechtbank volgt de Staat deels in deze redenering. Van belang daarbij is dat de rechtbank ten eerste vaststelt dat art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn – waarin de verplichting is neergelegd om passende maatregelen te treffen – moet worden aangemerkt als een resultaatsverplichting. Dat betekent, aldus de rechtbank, dat de Staat positieve beheermaatregelen moet treffen zolang de kwaliteit van het gebied of de soort achteruit dreigt te gaan, ongeacht de oorzaak van de achteruitgang (dus ook bij bijvoorbeeld natuurlijke ontwikkelingen als klimaatverandering). Tegelijkertijd concludeert de rechtbank dat de Staat discretionaire ruimte heeft om te beoordelen welke maatregelen in een bepaalde situatie als passend moeten worden beschouwd. Deze discretionaire ruimte is echter niet onbeperkt, vanwege het uitgangspunt dat de Staat bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Habitatrichtlijn, te weten het behoud en herstel van de gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna in Europa.
Concreet gezegd betekent dit dat het de Staat vrijstaat om te bepalen welke maatregelen hij kiest voor ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (en dus ook ter uitvoering van art. 19c Nb-wet 1998). Die vrijheid mag er echter ten eerste niet toe leiden dat de staat van instandhouding van de soort zodanig verslechtert dat er gevaar ontstaat voor de gunstige staat van instandhouding van de soort. De consequentie daarvan is dus ook dat de discretionaire ruimte afneemt als de staat van instandhouding van de soort ongunstiger wordt. De discretionaire ruimte is voorts beperkt, omdat de te treffen maatregelen effectief dienen te zijn. De verplichting om bij te dragen aan de gunstige staat van instandhouding wordt tenslotte begrensd door de proportionaliteit van de maatregelen: de Staat kan niet verplicht worden onmogelijke maatregelen te treffen. Dat gezegd hebbende, concludeert de rechtbank dat de Staat in dit concrete geval niet kan worden verplicht om nadere maatregelen te treffen. De rechtbank stelt ten eerste vast dat de Staat, met name door de maatregel van bijplaatsing van korhoenen, voldoet aan de verplichting tot het treffen van positieve beheermaatregen om de achteruitgang van de staat van instandhouding van het korhoen tegen te gaan. Nu alleen die maatregel – en niet de door de Stichting Das & Boom gevorderde maatregel van uitbreiding van het bestaande leefgebied – een effectieve maatregel is om het korhoen onder de huidige omstandigheden voor uitsterven te behoeden, kan de Staat niet verplicht worden het bestaande leefgebied uit te breiden. De vorderingen van de Stichting worden dan ook afgewezen.
Ook over de toepassing van de relativiteitseis van art. 8:69a Awb in het kader van de Nb-wet 1998 is een aantal uitspraken verschenen. De uitspraak van 24 juli 2013[84] laat zien dat de bepalingen van de Nb-wet 1998 ten doel hebben het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Deze normen strekken kennelijk niet tot bescherming van bedrijfseconomische belangen van bedrijven bij het niet realiseren van een voorzien bedrijventerrein.[85] Ook een partij die niet in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied woont en niet heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden behorende tot het Natura 2000-gebied deel uitmaken van zijn directe leefomgeving, kan geen beroep doen op de Nb-wet 1998.[86] Er bestaat dan geen directe verwevenheid van zijn individuele belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe leefomgeving met het algemene belang dat de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen. Het is in dit verband niet erg opmerkelijk dat ook het feitelijk belang van appellant om als huurder haar werkzaamheden ongestoord te kunnen blijven uitoefenen, geen belang is dat valt onder het beschermingsbereik van de normen die de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen en evenmin een belang dat verweven is met het algemene belang dat de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen. Ook in zo’n situatie staat art. 8:69a Awb er aan in de weg dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.[87]
Over de verhouding tussen een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) en een Nb-wetvergunning is ook een aantal uitspraken verschenen. Voor een goed begrip van deze uitspraken is van belang te realiseren dat een Nb-wetvergunning, net als een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet, niet automatisch gekoppeld is aan de omgevingsvergunning. Als voor een bepaalde activiteit zowel een omgevingsvergunning als een Nb-wetvergunning nodig is, heeft de initiatiefnemer de keuze voor de te volgen procedure, in die zin dat er voor gekozen kan worden de Nb-wetvergunning eerder dan de omgevingsvergunning aan te vragen. In dat geval volgen er twee aparte besluiten. Als de omgevingsvergunning echter als eerste wordt aangevraagd terwijl ook een Nb-wettoestemming is vereist, haakt laatstgenoemde toestemming aan. Er is dan een verklaring van geen bedenkingen benodigd van het bevoegd gezag op grond van de Nb-wet 1998, alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit volgt uit art. 46 Nb-wet 1998 e.v.[88] Als de Nb-wetvergunning tijdig apart is aangevraagd, resteert bij de omgevingsvergunning nog slechts een uitvoerbaarheidstoets.[89] Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden indien het bevoegd gezag op voorhand had moeten inzien dat de Nb-wet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.[90] In het kader van de omgevingsvergunning hoeft het bevoegd gezag dan niet, nogmaals, te beoordelen in hoeverre een passende beoordeling is vereist.[91]
In de procedure die uiteindelijk leidde tot een uitspraak op 9 april 2014[92] kwam vergunninghouder op tegen een aan de vergunning verbonden voorschrift. In dat voorschrift was bepaald dat indien de inrichting binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden niet volledig is voltooid en in werking is gebracht conform de aanvraag, de vergunning zou vervallen voor die onderdelen welke niet binnen die termijn zijn benut. Het voorschrift leek daarmee op het oude art. 8.18, lid 1, sub a, Wm. Door appellant werd aangevoerd dat dit voorschrift zich niet zou verdragen met de limitatieve opsomming van omstandigheden in art. 43, lid 2, Nb-wet 1998 waaronder een vergunning kan worden ingetrokken. De ABRvS volgt appellant in deze redenering en stelt vast dat de Nb-wet 1998 niet voorziet in het van rechtswege vervallen van een onherroepelijk verleende vergunning – nog daargelaten dat onduidelijk is wat binnen het kader van een Nb-wetvergunning moet worden verstaand onder “inrichting” en “onderdelen”. Verder is, aldus de ABRvS, in art. 43, lid 2, Nb-wet 1998 uitputtend geregeld in welke gevallen het bevoegd gezag een Nb-wetvergunning kan intrekken of kan wijzigen. Aldus kan de regeling van art. 43, lid 1, Nb-wet 1998, op grond waarvan aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden en een vergunning onder beperkingen kan worden verleend, niet zodanig worden toegepast dat een onherroepelijk verleende vergunning wordt geacht (deels) niet meer te bestaan zonder dat daar een intrekkings- of wijzigingsbesluit aan ten grondslag ligt. Kortom: het voorschrift in de vergunning is in strijd met art. 43, lid 2, Nb-wet 1998 en kan ook om die reden niet worden gebaseerd op art. 43, lid 1, Nb-wet 1998.
4.Afronding

Ook deze kroniekperiode is er al met al weer het nodige gebeurd op het gebied van het natuurbeschermingsrecht. De komende tijd zal in het bijzonder de PAS de nodige aandacht verdienen. Belangrijk is verder ook de invulling die de ABRvS gaat geven aan het arrest van het HvJ EU van 15 mei 2014.[93] Met dit arrest is duidelijk geworden dat herstelmaatregelen die elders in hetzelfde Natura 2000-gebied worden uitgevoerd, vanwege effecten op een in dit gebied aanwezige habitattype, moeten worden aangemerkt als compensatie. Daarmee is het verlenen van toestemming voor een project of plan weer een stuk minder makkelijk geworden.

Voetnoten

Voetnoten

[1] Marieke Kaajan is advocaat/partner bij ENVIR Advocaten te Amsterdam.
[2] M.M. Kaajan, Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013, BR 2013/99.
[3] Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Kamerstukken 33 669.
[4] Tweede Kamer, wetsvoorstellen af te doen voor zomerreces 2014.
[5] Wet van 9 oktober 2013 houdende wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Stb. 2013, 412.
[6] Tweede Kamer, wetsvoorstellen af te doen voor zomerreces 2014.
[7] Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nrs. 1 t/m 4.
[8] HvJ EG 20 oktober 2005, C-6/04.
[9] Zie in dit verband ook Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Kamerstukken II 2008/09, 32 002, nr. 3, p. 2.
[10] Vogelrichtlijngebieden hoeven niet eerst te worden aangemeld bij de Europese Commissie voordat deze gebieden kunnen worden aangewezen.
[11] Dit heeft te maken met het feit dat de EEZ een niet-provinciaal ingedeeld gebied betreft waarvoor de Minister van EZ op grond van art. 3, onder b, van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 jo. art. 19d, lid 5, Nb-wet 1998 het bevoegd gezag is.
[12] Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Kamerstukken II 2008/09, 32 002, nr. 3, p. 8.
[13] Art. 60a, lid 11, Nb-wet 1998.
[14] Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Kamerstukken II 2009/10, 32 002, nr. 6, p. 2 en nr. 7, p. 4-5.
[15] Zie verder ook M.M. Kaajan, Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7 t/m 15 en L. Boerema, Het stikstofdoolhof: Wat als de PAS omvalt?, JFf 2014/1, p. 3 t/m 16 en de in deze artikelen genoemde literatuur.
[16] Raad van State, Voorlichting met betrekking tot de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 30 654, nr. 102.
[17] Voorgesteld art. 2a, lid 3, Nb-wet 1998. Dit artikel zal, gelet op de hiervoor besproken EEZ-wet, overigens nog moeten worden hernummerd.
[18] Daarmee wordt de referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden in lijn gebracht met de uitspraak ABRvS 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656.
[19] Ontwikkelingsruimte kan wel toegekend worden aan een bestemmingsplan als bedoeld in art. 19db, lid 1, Nb-wet. Dat is een bestemmingsplan voor een ontwikkelingsgebied als bedoeld in art. 2.3 Crisis- en herstelwet.
[20] M.M. Kaajan, Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7 t/m 15.
[21] ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:659.
[22] ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1404. Zie in gelijke zin ook ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239.
[23] ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:856.
[24] ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:14 en ECLI:NL:RVS:2014:21.
[25] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312.
[26] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425 en 200902744.
[27] ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107.
[28] ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537.
[29] ABRvS 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656.
[30] Dit is de datum waarop voor het betrokken Natura 2000-gebied het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd. Voor Habitatrichtlijngebieden is dat veelal 7 december 2004, zijnde de datum waarop deze gebieden werden geplaatst op de zogeheten lijst van communautair belang. Voor Vogelrichtlijngebieden, aangewezen op of voor 10 juni 1994, is 10 juni 1994 de referentiedatum. Vogelrichtlijngebieden die zijn aangewezen na 10 juni 1994, hebben de datum van aanwijzing als referentiedatum.
[31] ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891.
[32] ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285.
[33] ABRvS (vz.) 7 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1976.
[34] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1297.
[35] ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:188.
[36] ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285.
[37] ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:180.
[38] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312.
[39] ABRvS (vz.) 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:365; ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1597; ABRvS (vz.) 2 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:680, ABRvS 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1127 en ABRvS 18 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1203.
[40] HvJ EG 7 september 2004, nr. C-127/02.
[41] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312.
[42] ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3694.
[43] ABRvS 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1694 en ook ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2443.
[44] ABRvS 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2617.
[45] Zie evenwel ABRvS 8 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:7, voor een schaars voorbeeld van een uitspraak waarin in het kader van de Nb-wetvergunning effecten op vleermuizen waren onderzocht.
[46] Zie hiervoor ABRvS 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2208.
[47] Voorbeelden van uitspraken die betrekking hebben op art. 16 Nb-wet 1998 zijn ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:14 en ECLI:NL:RVS:2014:21.
[48] ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654. Gelijk ook ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:403, ECLI:NL:RVS:2013:405 en ECLI:NL:RVS:2013:408.
[49] ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931.
[50] ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207.
[51] ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931.
[52] Zie ook ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1640, waarin het bevoegd gezag nog een, niet geslaagde, poging doet om de ABRvS anders over de stikstofverordening te laten concluderen.
[53] ABRvS 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:909.
[54] ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891.
[55] ABRvS 25 april 2012, nr. 201105573.
[56] ABRvS 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2164.
[57] ABRvS 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2166.
[58] Zie bijv. ABRvS 18 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1167 en, van dezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2032:1150.
[59] ECLI:NL:RVS:2013:714.
[60] ABRvS 13 november 2013, ECLI:NLRVS:2013:1931.
[61] ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1210.
[62] ABRVs 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1321.
[63] ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2504.
[64] ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1426.
[65] HvJ EU 15 mei 2014, C-521/12.
[66] Conclusie A-G d.d. 27 februari 2014, bij HvJ EU 15 mei 2014, C-521/12.
[67] ABRvS 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1694.
[68] ABRvS 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2208.
[69] ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1321.
[70] Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:324, voor een voorbeeld van een bestemmingsplan dat een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied mogelijk maakte zonder dat onderzoek naar significante effecten van deze ontwikkeling had plaatsgevonden en ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:398, voor een bestemmingsplan dat de mogelijkheid bevatte voor intensieve veehouderijen en voor hervestiging van intensieve veehouderijen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden zonder dat onderzocht was of een passende beoordeling was vereist.
[71] ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:93.
[72] ECLI:NL:RVS:2013:964.
[73] Met deze uitspraak vergelijkbaar is ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421. Hier was weliswaar gebruikgemaakt van bestaand ecologisch onderzoek, maar dit onderzoek was onvoldoende op het concrete project toegespitst om de conclusie te kunnen dragen dat de raad zich ervan heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden door het bestemmingsplan niet zullen worden aangetast.
[74] ABRvS (vz.) 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:80. Een soortgelijke redenering werd ook ingenomen ter zake van het bestemmingsplan dat ter toetsing voorlag in ABRvS 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:726.
[75] ABRvS 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1006.
[76] Appellant voerde overigens ook aan dat de planregel in strijd was met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat de ABRvS feitelijk kon kiezen welk argument zij gegrond achtte.
[77] ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:178.
[78] Dit was al vaste jurisprudentie maar is nog eens bevestigd in ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:426.
[79] ABRvS 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:552.
[80] ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:205.
[81] ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573.
[82] ABRvS 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:927.
[83] Rb. Den Haag 5 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2166.
[84] ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:474.
[85] Zo ook ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75.
[86] Rb. Den Haag 10 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1570. Gelijk ook ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170.
[87] ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:230.
[88] Zie voor een voorbeeld van een uitspraak waarin deze systematiek wordt toegepast Rb. Midden-Nederland 4 februari 2014,ECLI:NL:RBMNE:2014:394.
[89] ABRvS (vz.) 3 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1132.
[90] Zie ook Rb. Limburg 3 maart 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:1932.
[91] Rb. Oost-Brabant 27 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2570.
[92] ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1211.
[93] HvJ EU 15 mei 2014, C-521/12 (opgenomen in de volgende aflevering 8 van Bouwrecht m.nt. Woldendorp).
Deze kroniek gaat over het omgevingsrecht, meer in het bijzonder het natuurbeschermingsrecht.

Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan schreef samen met E.M.N. Noordover, “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit de besluitvorming”,…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…