ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 29-07-2013

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013

Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99.

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013

1.Inleiding

Net als in voorgaande jaren staan de ontwikkelingen in het natuurbeschermingsrecht in Nederland niet stil. Niet alleen op het gebied van wetgeving doch ook op het gebied van jurisprudentie zijn ontwikkelingen te signaleren. In dit artikel komen de belangrijkste ontwikkelingen in de periode 1 juni 2012 tot 1 juni 2013 aan de orde. Ontwikkelingen na deze datum zullen in zeer beperkte mate worden gesignaleerd. In dit artikel beperk ik mij tot de veranderingen op het gebied van wetgeving en jurisprudentie en zal ik slechts kort een aantal opmerkingen plaatsen over beleidsmatige aspecten. De meeste aandacht zal uitgaan naar enkele (voorgenomen) wetswijzigingen en naar jurisprudentie over met name de vergunningplicht, de wijze van effectbeoordeling en de beoordeling van plannen. Vooral ten aanzien van dit laatste aspect zijn vele uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in deze kroniekperiode verschenen.

2.(Voorgenomen) wetswijzigingen

Het aantal ingevoerde wetswijzigingen in het afgelopen jaar is beperkt. De belangrijkste wijziging betreft de wijziging die verband houdt met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet. Deze, en andere beperkte wijzigingen, worden hierna toegelicht. In eerdere kronieken signaleerde ik reeds de voorgenomen uitbreiding van de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998) naar de exclusieve economische zone. Dit wetsvoorstel[2] is nog steeds in behandeling. Het voornemen bestaat om een en ander uiteindelijk te incorporeren in de Wet natuurbescherming, welk wetsvoorstel in deze kroniekperiode ook aan de Tweede Kamer is gestuurd. Ook dit wetsvoorstel komt hierna, zij het kort, aan de orde.
2.1 Ingevoerd: wijziging artikel 19kd en nieuw artikel 19db
Met ingang van 25 april 2013 is de Nb-wet 1998, in het kader van het permanent maken van de Crisis- en herstelwet, op een aantal punten gewijzigd.[3] De belangrijkste wijzigingen betreffen die van artikel 19kd, alsmede de invoering van een nieuw artikel 19db Nb-wet 1998.
De wijziging van artikel 19kd kent meerdere onderdelen.[4] Ten eerste is, met een aangepast artikel 19kd, lid 1, Nb-wet 1998, geregeld dat de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 niet aan de orde is in situaties waarin wordt voldaan aan artikel 19kd Nb-wet 1998. Een tweede relevante wijziging van artikel 19kd is, dat thans dit artikel ook van toepassing is op de vaststelling van plannen als bedoeld in artikel 19j Nb-wet 1998. Zodoende bepaalt artikel 19kd, lid 1, Nb-wet 1998 nu dat onder significante gevolgen als bedoeld in artikel 19d, lid 1 en artikel 19j, lid 2, Nb-wet 1998, niet wordt verstaan de gevolgen van een handeling, dan wel de in een plan voorziene activiteiten, door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien voldaan is aan de verdere voorwaarden van artikel 19kd Nb-wet 1998.
De achtergrond van deze wijziging is tweeledig. Ten eerste heeft de ABRvS eerder vastgesteld dat, anders dan met het oorspronkelijke artikel 19kd was beoogd, bij toepassing van dit artikel de vergunningplicht van artikel 19d Nb-wet 1998 niet zou komen te vervallen.[5] Met de huidige formulering zou moeten vaststaan dat indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 19kd er niet langer sprake is van significante gevolgen als bedoeld in artikel 19d, lid 1 en artikel 19j, lid 2, Nb-wet 1998, zodat de verplichte toets op grond van deze twee artikelen voor zover het de gevolgen van stikstofdepositie zou betreffen, komt te vervallen. Het oorspronkelijke artikel 19kd had verder geen betrekking op plannen, omdat, aldus de memorie van toelichting, de oorspronkelijke Crisis- en herstelwet – welke wet aanleiding gaf tot het opnemen van artikel 19kd in de Nb-wet 1998 – de focus op projecten had.[6] De praktijk laat echter zien dat ook voor plannen een met projecten vergelijkbare problematiek voor zover het stikstofdepositie betreft, speelt. Dit is dan ook de reden waarom de werkingssfeer van artikel 19kd thans is uitgebreid. Discussie is nog wel mogelijk over de vraag hoe het gewijzigde artikel 19kd Nb-wet 1998 bij plannen in de praktijk kan worden toegepast. Het gaat daarbij met name om de vraag of relevant is wat de feitelijke (legale) planologische situatie op de referentiedatum was of dat onder een (bestemmings)plan op de referentiedatum ook niet-benutte, maar planologisch wel toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen worden verstaan. Enerzijds kan uit – ook hierna nog te bespreken – jurisprudentie ter zake van de plantoets ex artikel 19j Nb-wet 1998 immers worden afgeleid dat voor een vergelijking met het voorheen geldende planologisch regime slechts relevant is wat onder dit oude planologisch regime ook daadwerkelijk is gerealiseerd. Met andere woorden: de feitelijke situatie is dan bepalend.[7] Anderzijds heeft de ABRvS in een uitspraak van 1 mei 2013[8] overwogen dat een plan dat voorziet in een wijziging of uitbreiding van een veehouderij die niet leidt tot een verhoging van de depositie ten opzichte van de toegestane situatie op de relevante peildatum, moet worden beschouwd als een plan waarvan is uitgesloten dat het significante gevolgen heeft. Een dergelijk plan kan op basis van artikel 19j Nb-wet 1998 worden vastgesteld, zonder dat daarvoor een passende beoordeling nodig is. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat niet de feitelijke situatie op de referentiedatum relevant is, maar de vergunde c.q. toegestane situatie. Verder kan de vraag worden gesteld wanneer sprake is van een plan dat in betekenende mate is gewijzigd, als bedoeld in artikel 19kd, lid 1, onder a, Nb-wet 1998. Zou daarvan ook sprake zijn indien op elkaar volgende bestemmingsplannen weliswaar wijzigingen bevatten, maar deze wijzigingen geen betrekking hebben op stikstofgevoelige activiteiten? Om deze – en nog overige – onduidelijkheden op te helderen heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage onlangs nadere vragen gesteld.[9]
Een derde wijziging van artikel 19kd Nb-wet 1998 betreft de aanpassing van de referentiedata, genoemd in lid 3. Ook deze aanpassing wordt ingegeven door jurisprudentie van de ABRvS, waarin werd geoordeeld dat de oorspronkelijke referentiedatum van 7 december 2004 niet in overeenstemming was met het Europees recht.[10] Als gevolg van de aanpassing kent artikel 19kd nu twee referentiedata voor zover het Habitatrichtlijngebieden betreft en één referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden. Voor Habitatrichtlijngebieden geldt als referentiedatum als bedoeld in artikel 19kd, lid 1, Nb-wet 1998 nog steeds 7 december 2004 of de latere datum waarop het gebied is aangemerkt als gebied van communautair belang. Dit is geen wijziging ten opzichte van het voorheen geldende artikel. Bij Vogelrichtlijngebieden geldt de datum van aanwijzing als relevante referentiedatum. Dit is wel nieuw. Enigszins opmerkelijk is deze aanpassing wel. Uit de toelichting bij artikel 19kd blijkt dat beoogd is te regelen de referentiedata geheel in overeenstemming te laten zijn met eerdergenoemde jurisprudentie van de ABRvS. In deze jurisprudentie heeft de ABRvS echter gesteld dat voor Vogelrichtlijngebieden als referentiedatum 10 juni 1994 zou moeten worden gehanteerd, ook indien het Vogelrichtlijngebieden betreft die vóór 10 juni 1994 zijn aangewezen. De toelichting is in overeenstemming met deze jurisprudentie.[11] In de toelichting staat immers dat ‘de referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden [wordt] aangepast in die zin dat voor Vogelrichtlijngebieden die zijn aangewezen voor afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn de referentiedatum 10 juni 1994 geldt en voor gebieden die zijn aangewezen ná afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn de referentiedatum de datum van aanwijzing van het desbetreffende gebied is’. Nu de datum 10 juni 1994 echter niet terugkomt in artikel 19kd, is een en ander niet met elkaar in overeenstemming. De eerdere jurisprudentie van de ABRvS over artikel 19kd indachtig zal de ABRvS waarschijnlijk geen aandacht schenken aan de toelichting bij dit artikel. De toepassing van het artikel zal daardoor naar verwachting strikter, en dus beperkter, zijn dan door de wetgever is beoogd.
Voordat ik toekom aan bespreking van het nieuwe artikel 19db Nb-wet 1998 ga ik nog in op twee kleine aanpassingen. Ten eerste de wijziging van artikel 19ki door toevoeging van een nieuw lid 2. Artikel 19ki voorzag voorheen alleen in de bevoegdheid om maatregelen die in de PAS[12]zijn opgenomen te wijzigen of te vervangen. Dit kan onder de voorwaarde dat aangetoond is dat deze wijziging of de vervangende maatregel per saldo een vergelijkbaar of positief effect zal hebben op de vermindering van de stikstofdepositie. Met het thans ingevoerde lid 2 wordt het mogelijk om een in de PAS opgenomen project te wijzigen of een project toe te voegen indien – eveneens – is aangetoond dat die wijziging of toevoeging per saldo een vergelijkbaar of positiever effect zal hebben op de vermindering van de stikstofdepositie. Dergelijke projecten kunnen op grond van artikel 19kh, lid 5, Nb-wet 1998 in de PAS worden opgenomen.
Een andere beperkte, maar voor de praktijk wel relevante, wijziging betreft die van artikel 19ia, waaraan lid 4 is toegevoegd. Op grond van deze toevoeging staat nu vast dat artikel 65 Nb-wet 1998 niet van overeenkomstige toepassing is op handelingen als bedoeld in artikel 19ia, lid 1, Nb-wet 1998. De achtergrond van deze wijziging is de volgende. Voor Natura 2000-gebieden die voorheen een beschermd natuurmonument waren, gelden niet alleen instandhoudingsdoelen ter uitvoering van de Habitatrichtlijn, maar ook oude doelen met betrekking tot natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis. Ingevolge jurisprudentie van de ABRvS geldt op grond van artikel 65 Nb-wet 1998 ten aanzien van deze oude doelen ook de externe werking, zodat rekening moet worden gehouden met mogelijk schadelijke handelingen die buiten het Natura 2000-gebied worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing. Dit is niet door de regering beoogd.[13] Beoogd was te regelen dat het overgangsrechtelijke regime van artikel 65 Nb-wet 1998 alleen van toepassing zou zijn op gebieden die hun status als beschermd natuurmonument behouden en die dus niet deze status verliezen als zij Natura 2000-gebied worden.[14] Om een en ander te verduidelijken is lid 4 aan artikel 19ia Nb-wet 1998 toegevoegd.
Als gezegd is met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet ook artikel 19db in de Nb-wet 1998 opgenomen. Dit artikel voorziet in een voorziening ter voorkoming van een dubbele toetsing op natuurwaarden voor projecten of andere handelingen die opgenomen zijn in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ontwikkelingsgebied in de zin van artikel 2.3 Crisis- en herstelwet. Beoogd is te regelen dat de toetsing van dergelijke projecten en andere handelingen plaatsvindt op het planniveau en dat deze toetsing, indien voldaan wordt aan gestelde voorwaarden, niet nogmaals op projectniveau behoeft te worden uitgevoerd. Hiermee worden vergunningsprocedures vereenvoudigd en worden onderzoekslasten voor initiatiefnemers beperkt.[15] Aldus kunnen op basis van de voor een bestemmingsplan opgestelde passende beoordeling de voorwaarden, voorschriften en beperkingen in dat plan worden vastgelegd waaronder nieuwe projecten zich in een ontwikkelingsgebied mogen vestigen. Daarvoor zal de passende beoordeling niet alleen de bestemmingen, maar ook de op grond daarvan toegestane activiteiten en de mogelijke effecten daarvan op Natura 2000-gebieden in voldoende mate van concreetheid moeten beschrijven. Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor verlening van vergunningen voor projecten of andere handelingen kan (maar hoeft niet) voorafgaand aan de vaststelling van een dergelijk bestemmingsplan instemming verlenen aan de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden, voorschriften en beperkingen waaronder het project of de andere handeling wordt toegestaan. Vervolgens zal nog steeds een vergunning op grond van artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 zijn vereist. Deze vergunning wordt verleend indien het project of de andere handeling voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het bestemmingsplan, de (passende) beoordeling die is verricht ten behoeve van het bestemmingsplan op het moment van vergunningverlening actueel is en het bestuursorgaan dat bevoegd is voor verlening van de vergunning instemt (of reeds heeft ingestemd) met de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden, voorschriften en beperkingen. Dergelijke voorschriften worden voorts ook aan de vergunning verbonden.[16] De winst zit erin dat voor projecten en handelingen die voldoen aan het bestemmingsplan, geen aparte vergunningaanvraag nodig is en dus ook geen aparte (inhoudelijke) passende beoordeling hoeft te worden opgesteld.[17]
2.2 Voorgenomen wijziging: integrale herziening Nb-wet 1998 middels de Wet natuurbescherming
Het wetsvoorstel voor de Wet natuurbescherming is in augustus 2012 aan de Tweede Kamer gezonden.[18] Op 21 december 2012 heeft de Minister van EZ vervolgens in een brief aan de Tweede Kamer bericht dat het wetsvoorstel zou worden aangepast.[19] Het betreft hier met name aanpassingen van het wetsvoorstel in het licht van het regeerakkoord. De huidige planning is dat voor de zomer 2013 een nota van wijzigingen aan de Tweede Kamer wordt gezonden.[20] Het door de regering beoogde eindperspectief is dat de Wet natuurbescherming zal opgaan in de Omgevingswet.[21] In het nu reeds aangekondigde voorstel voor de Omgevingswet zullen overigens drie instrumenten uit het Wetsvoorstel natuurbescherming meegenomen en geïntegreerd worden, te weten het beheerplan voor Natura 2000-gebieden, (onderdelen van) de op te stellen natuurvisie en de vergunningprocedure. Het voert te ver om hier het wetsvoorstel inhoudelijk te bespreken. Voor een inhoudelijke beschrijving van het wetsvoorstel zoals dat thans aan de Tweede Kamer is verzonden, verwijs ik dan ook naar andere publicaties.[22]
2.3 Overige (voorgenomen) wijzigingen
Wat betreft de overige (voorgenomen) wijzigingen wijs ik ten eerste op de wijziging van artikel 39 Nb-wet 1998, in werking getreden op 1 januari 2013. Met deze wijziging wordt niet langer in artikel 39, lid 1, Nb-wet 1998 bepaald dat tegen een besluit op grond van deze wet beroep kan worden ingesteld bij de ABRvS, alsmede dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake een programma als bedoeld in artikel 19kg Nb-wet 1998. Deze wijziging komt voort uit de Wet aanpassing bestuursprocesrecht.[23] De regeling is overigens materieel niet gewijzigd. Op grond van artikel 8:6, lid 1, Awb juncto hoofdstuk 2 van bijlage 2, staat nog steeds rechtstreeks beroep open bij de ABRvS. Tevens is, ingevolge artikel 8:5, lid 1, Awb juncto hoofdstuk 1 van bijlage 2, geen beroep mogelijk tegen de artikelen 17, 19kg en 23 Nb-wet 1998. Artikel 39 Nb-wet 1998 bepaalt nog steeds dat het beroep schorsende werking heeft indien het beroep zich richt tegen de (gedeeltelijke) intrekking of wijziging van een aanwijzingsbesluit. Tevens is ongewijzigd dat het beroep tot vaststelling van een beheerplan uitsluitend betrekking kan hebben op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen.
Volledigheidshalve wijs ik er verder op dat de artikelen 45, 45a en 57, lid 2 tot en met lid 4, Nb-wet 1998 zijn komen te vervallen als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht.[24] De specifieke regelingen in de Nb-wet 1998 waren als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht overbodig geworden.
Voorgenomen wijzigingen zijn er voorts ten slotte ook vanwege de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De PAS heeft betrekking op 133 van de 166 Natura 2000-gebieden in ons land. In de vorige kroniek wees ik reeds op de voorlichting door de Raad van State ten aanzien van een concept-PAS. De conclusie van de Raad van State was dat de voorgestelde aanpak niet conform het huidige stelsel in de Nb-wet 1998 is.[25] De regering is dan ook voornemens om de Natuurbeschermingswet op dit punt aan te passen. Het wetsvoorstel tot aanpassing is reeds in januari in de ministerraad behandeld en voorts is advies gevraagd – en inmiddels verkregen – bij de Raad van State. De planning is dat in juni 2013 het wetsontwerp wordt voorgelegd aan de Tweede Kamer en vervolgens in het najaar in de Eerste Kamer.[26] Dit alles om ervoor te zorgen dat de gewijzigde Nb-wet 1998 op 1 januari 2014 in werking zal treden.[27] Inhoudelijk gezien is de PAS ook nog niet afgerond. Ook hier wordt uitgegaan van een strakke planning die ertoe zou moeten leiden dat in december 2013 alle betrokken overheden (Rijk en provincies) hun handtekening zetten onder het akkoord met betrekking tot de PAS, zodat ook de PAS per 1 januari 2014 in werking zal treden. Ten behoeve van de PAS wordt echter ook nog een (plan-)milieueffectrapport opgesteld, waarmee de nodige tijd gemoeid zal zijn.[28] De planning is dat dit MER eind oktober aan de Commissie voor de milieueffectrapportage voor advies wordt aangeboden.[29] Gelet op deze strakke planning is het niet geheel onvoorstelbaar als de termijn van 1 januari 2014 niet gehaald zal worden. En dan is het nog maar de vraag of de PAS het in de praktijk gewenste doel kan dienen. Ter zake van die vraag verwijs ik naar een eerdere publicatie.[30]

3.Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie

3.1 Aanwijzing van Natura 2000-gebieden
Zoals reeds in een vorige kroniek vermeld,[31] heeft de ABRvS met de uitspraken van 16 maart 2011[32] het kader geschetst aan de hand waarvan aanwijzingsbesluiten dienen te worden beoordeeld. Niet alleen zijn er in de onderhavige kroniekperiode een gering aantal uitspraken verschenen die betrekking hebben op aanwijzingsbesluiten, doch ook blijkt uit deze uitspraken dat de met de uitspraken van 16 maart 2011 ingezette lijn wordt voortgezet. Een (beperkt) aantal uitspraken uit de kroniekperiode dat toch van belang is, wordt hierna beschreven.
Een eerste uitspraak, te weten van 14 november 2012[33], heeft betrekking op de opname van de zogeheten ‘complementaire doelen’ die op grond van artikel 10a, lid 3, Nb-wet 1998 (Natuurbeschermingswet 1998) in een aanwijzingsbesluit kunnen worden opgenomen. Ter zake van het stellen van dergelijke doelstellingen is door de Staatssecretaris van Economische Zaken beleid vastgesteld. Dit beleid houdt in dat voor soorten met een zeer ongunstige staat van instandhouding of met een lage landelijke dekking en/of onvoldoende geografische verspreiding, complementaire doelen kunnen worden gesteld. In beroep wordt aangevoerd dat dit beleid onrechtmatig is en dat een onjuiste toepassing wordt gegeven aan dit beleid. Zeer eenvoudig – en zonder nadere motivering – stelt de ABRvS echter dat er geen grond is voor het oordeel dat het beleid als hiervoor omschreven, onrechtmatig is. Overigens heeft de staatssecretaris aangekondigd dat de complementaire doelen zullen komen te vervallen en zijn er ook al meerdere aanwijzingsbesluiten hierop aangepast.[34] Voor de goede orde is verder van belang dat op grond van deartikelen 19d en 19j Nb-wet 1998 in het kader van vergunningverlening of het verlenen van toestemming voor een plan niet getoetst hoeft te worden aan de mogelijke effecten van een voorgenomen activiteit voor zover het complementaire doelen betreft.[35]
Een inhoudelijke uitspraak over een aanwijzingsbesluit deed de ABRvS eveneens op 14 november 2012.[36] In deze uitspraak kwam aan de orde in hoeverre terecht agrarische landbouwgronden deel uitmaakten van het aangewezen gebied. De motivering ter zake van dit punt in het aanwijzingsbesluit was dat deze gebieden in belangrijke mate worden ontsloten door de bospercelen waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied was aangewezen en daarmee als het ware fungeerde als ‘cement tussen de bakstenen’. Deze redenering vond echter geen steun bij de ABRvS. Immers, niet was gebleken dat de landbouwgronden uit ecologische overwegingen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied waren gebracht. Voorts werd in het aanwijzingsbesluit niet gesteld dat deze gronden een integraal onderdeel uitmaakten van het ecosysteem waartoe het habitattype waarvoor het gebied wel terecht was aangewezen (te weten vochtige alluviale bossen) behoort. Ook was in het aanwijzingsbesluit niet vermeld dat de landbouwgronden nodig waren voor het behoud van oppervlakte en kwaliteit van deze bossen in het gebied. Met de uitspraken van 16 maart 2011, zoals eerder aangehaald, in gedachten is deze uitspraak van 14 november 2012 niet opmerkelijk. Immers, de lijn is dat alleen ecologische argumenten aanleiding kunnen zijn om bepaalde gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied, hetgeen dus ook geldt voor de omvang en begrenzing van dit gebied.
3.2 Vergunningperikelen
Vergunning ex artikel 16 Nb-wet 1998
Over de toepassing van artikel 16 Nb-wet 1998 – zijnde de vergunningplicht in geval van mogelijke effecten op beschermde natuurmonumenten – is in de kroniekperiode weinig jurisprudentie verschenen. Met de uitspraak van 29 augustus 2012[37] bevestigt de ABRvS dat ook in het kader van artikel 16 Nb-wet 1998 saldering van effecten kan plaatsvinden. In deze uitspraak betrof het de vergunningverlening voor een varkenshouderij, waardoor er in beginsel een toename van ammoniakdepositie zou optreden. Bij de beslissing tot vergunningverlening was echter de afname van ammoniakdepositie als gevolg van het beëindigen van een andere varkenshouderij betrokken. Nu niet in geschil was dat er een directe samenhang bestond tussen de vergunde varkenshouderij en de intrekking van de milieuvergunning voor een andere varkenshouderij, waardoor eveneens vaststond dat nergens in het beschermde natuurmonument een toename van ammoniakdepositie zou optreden, meende de ABRvS dat het college de gevraagde vergunning terecht had verleend. Deze uitspraak is niet erg opmerkelijk, gelet op het feit dat in het kader van de toets op grond van artikel 19d e.v. Nb-wet 1998 deze wijze van saldering al vele malen geaccepteerd is. Een kleine wetenswaardigheid levert voorts de uitspraak van 18 juni 2012 op.[38] Het betrof de vaststelling van een wijzigingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening, waarbij appellant aanvoerde dat tegelijkertijd een vergunning op grond van artikel 16 Nb-wet 1998 zou zijn vereist. De ABRvS gaat niet mee met dit betoog van de appellanten en stelt dat het vaststellen van een wijzigingsplan geen handeling is als bedoeld in dit artikel. Of voor de uitvoering van het wijzigingsplan een vergunning op grond van artikel 16 Nb-wet 1998 nodig is, en zo ja, of deze vergunning kan worden verleend, is dan ook pas van belang in het kader van een procedure op grond van artikel 16 Nb-wet 1998. Wel past hierbij nog één kanttekening: het wijzigingsplan had, aldus de ABRvS, niet kunnen worden vastgesteld indien en voor zover op voorhand in redelijkheid had moeten worden ingezien dat de Nb-wet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.
De uitspraak van 13 juni 2012[39] is een voorbeeld van de wijze waarop de belangenafweging in het kader van de vergunningverlening ex artikel 16 Nb-wet 1998 plaats kan vinden. Eerder al heeft de ABRvS overwogen dat de rechterlijke toetsing van de belangenafweging in dit verband een beperkte is.[40] De toets die moet worden verricht is een toets op basis van artikel 3:4, lid 2, Awb, waardoor de bestuursrechter slechts dan kan vaststellen dat de belangenafweging in strijd met dit artikel is verricht wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. In eerdergenoemde uitspraak van 13 juni 2012 stelde de ABRvS, in het kader van de vergunningverlening voor een aantal windturbines, vast dat het college niet alleen het belang van het natuurschoon had betrokken bij de besluitvorming, maar ook het belang van het behalen van de doelstelling voor het realiseren van windenergie zoals neergelegd in het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2006-2012. Voorts was gesteld dat de windturbines goed aansloten bij de omgeving van de stormvloedkering, die grotendeels wordt gekenmerkt door gebouwen en andere door de mens aangelegde elementen. Door de windturbines op die locatie te concentreren, waren de gevolgen voor het open en weidse landschap voor het gehele gebied beperkt. Aldus hoefde het college, zo stelde de ABRvS, geen aanleiding te zien om bij afweging van alle betrokken belangen de vergunning voor het windturbinepark te weigeren.
Projectbegrip
Ook voor zover het de invulling van de definitie van ‘project’ in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 betreft, heeft de ABRvS weer een aantal uitspraken gewezen. Een eerste relevante uitspraak betreft die van 3 april 2013,[41] waarin de vergunningverlening voor het uitbreiden van een veehouderij aan de orde was. Onder verwijzing naar het arrest Stadt Papenburg van het Hof van Justitie EU[42] stelden appellanten dat het begrip ‘project’ zodanig uitgelegd diende te worden dat bij iedere wijziging van een bestaande situatie voor de toepassing van de MER- en de Habitatrichtlijn moet worden uitgegaan van de fictie dat het project nog niet bestaat en in zijn geheel nog zal worden gerealiseerd. Honorering van deze stelling zou betekenen dat dan ook bij iedere wijziging het totale project wederom, als project, getoetst zou moeten worden. Alleen al uit de MER-richtlijn blijkt, aldus de ABRvS, dat een dergelijke uitleg niet juist is. Daarbij achtte de ABRvS van belang dat in bijlage I en II bij die Richtlijn projecten zijn omschreven waarop de bepalingen van de MER-richtlijn van toepassing kunnen zijn. In beide bijlagen wordt de wijziging van projecten genoemd als een afzonderlijk project. Verder blijkt ook uit onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 11 augustus 1995[43] dat een wijziging van een gerealiseerd project kan worden beschouwd als een zelfstandig project. Aldus moet, zo overwoog de ABRvS, het wijzigen van een veehouderij, bestaande uit het uitvoeren van (gewijzigde) bouwwerken en het tot stand brengen van andere installaties of werken, als een afzonderlijk project worden aangemerkt. De bestaande situatie moet vervolgens, conform vaste jurisprudentie van de ABRvS[44], als ‘andere handeling’ als bedoeld in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 worden beoordeeld. In een procedure ter zake van de weigering van een vergunning voor het uitvoeren van gemotoriseerde strandexcursies op het strand van Terschelling stelde de ABRvS voorts vast dat deze activiteit moest worden beschouwd als het verrichten van een andere handeling, niet zijnde het realiseren van een project. Het betrof immers geen fysieke ingreep in het natuurlijk milieu of landschap, zoals de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken – conform de omschrijving van het projectbegrip in de MER-richtlijn.[45] Deze activiteit moest aldus slechts beoordeeld worden aan de hand van artikel 19d en 19e Nb-wet 1998. Evenmin een project is het tijdelijk wederom voor ontsluitingsverkeer openstellen van een bestaande, verharde weg die zonder het treffen van maatregelen geschikt is om te dienen als ontsluitingsweg.[46] Ook dit betreft immers geen fysieke ingreep.
In het kader van de vraag of sprake is van een of meerdere projecten, doet zich vaak de kwestie voor van de mate van samenhang tussen meerdere activiteiten. Hierover zijn in het verleden al uitspraken door de ABRvS gedaan,[47] doch ook de uitspraak van 28 november 2012 biedt een mooi overzicht van de criteria die in dat verband van belang zijn.[48] Aan de orde was een vergunning voor de herontwikkeling en exploitatie van het voormalige zendercomplex Radio Kootwijk. Het te ontwikkelen gebied omvatte het monumentale zendstation Radio Kootwijk, 450 ha natuurgebied, het voormalige hotel, de watertoren, een tiental andere gebouwen en woningen in het dorp Radio Kootwijk. De ABRvS stelde vast dat niet sprake was van één project, nu niet alle onderdelen van de herontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Daarbij achtte de ABRvS van belang dat bijvoorbeeld de realisering van woningen en de bouw van een dorpshuis niet onlosmakelijk samenhingen met de verbouwing en de wijziging van de functie van het voormalige zendstation. Verder was niet inzichtelijk gemaakt welke activiteiten uitsluitend of mede als mitigerende maatregelen zijn bedoeld, welke handelingen vergunningplichtig worden geacht en welke activiteiten niet als mitigerende maatregel of als vergunningplichtige handeling worden beschouwd. Daarmee maakte de passende beoordeling niet inzichtelijk voor welke handelingen precies vergunning was aangevraagd nu ook niet per project inzicht in de gevolgen voor het gebied was gegeven. Nu dit gebrek met vergunningverlening niet was hersteld, kon het besluit niet in stand blijven.
Deze uitspraak is een logisch vervolg op de uitspraak van de ABRvS van 15 augustus 2012.[49] Hier betrof het de vergunningverlening voor het zogeheten IIVR-project in de Veluwerandmeren, bestaande uit een groot aantal inrichtingsmaatregelen op het gebied van waterkwaliteit, natte natuur, watersport, oevergebruik en recreatie in en nabij het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Bij vergunningverlening was ervan uitgegaan dat deze maatregelen samen één project in de zin van artikel 19d Nb-wet 1998 vormen. Dit oordeel werd evenwel niet door de ABRvS onderschreven. Daartoe werd overwogen dat de omstandigheid dat een aantal maatregelen in en nabij hetzelfde Natura 2000-gebied wordt gerealiseerd en dat voor deze maatregelen tegelijkertijd vergunning is gevraagd, niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of het gaat om één project. De maatregelen die in het kader van het inrichtingsplan zijn voorzien, worden verspreid over een lange tijdsperiode uitgevoerd en verschillen sterk naar aard. Verschillende van de maatregelen waarvoor bij het besluit vergunning is verleend, betreffen niet een project of andere handeling in de zin van artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998. Dit geldt bijvoorbeeld voor maatregelen die zien op stimuleringsmaatregelen – zoals innamepunten voor de inzameling van afvalwater van de recreatievaart – en op onderzoeksmaatregelen, bijvoorbeeld met betrekking tot de aanpassing van het waterpeil. Ook maatregelen die een uitsluitend positief effect beogen voor het beheer van het Natura 2000-gebied, kunnen niet als projecten of andere handelingen worden aangemerkt. Aldus, zo stelde de ABRvS, was bij het besluit in strijd met artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 vergunning verleend voor een samenstel van projecten, andere handelingen en overige maatregelen, die slechts gedeeltelijk vergunningplichtig zijn. Overigens is wel van belang het volgende nog te noteren. In deze uitspraak stelt de ABRvS, bij mijn weten voor de eerste keer expliciet, dat de Nb-wet 1998 er op zich zelf niet aan in de weg staat om bij één besluit op basis van één aanvraag, vergunning als bedoeld in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 te verlenen voor het realiseren van verscheidene projecten en het verrichten van andere handelingen die vallen onder de reikwijdte van artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998. Daarbij is echter wel vereist dat de vergunning dan duidelijk vermeldt op welke projecten en andere handelingen zij concreet betrekking heeft. Indien een passende beoordeling noodzakelijk is, zal daarin voorts per project een beoordeling gegeven moeten worden van de gevolgen, waarbij mitigerende maatregelen kunnen worden betrokken.
In de vorige kroniek werd al gewezen op de discussie ter zake van de omvang van het projectbegrip bij de ontwikkeling van een elektriciteitscentrale en werkzaamheden in de Eemshaven. De uitspraak van 27 december 2012[50] is op zich niet zo’n opmerkelijk vervolg op de uitspraak van 24 augustus 2011.[51] In laatstgenoemde uitspraak oordeelde de ABRvS, kort gezegd, dat de vergunningen en de passende beoordeling voor het project van de elektriciteitscentrale ten onrechte geen betrekking hadden op de uitbreiding van de Wilhelminahaven voor zover deze uitbreiding onlosmakelijk verbonden was met de centrale. Aldus werd in de procedure waarbij de Nb-wetvergunning voor de herinrichting van de Eemshaven aan de orde was, dan ook geoordeeld dat voor dit deel van de uitbreiding van de Wilhelminahaven geen vergunning meer kon worden verleend als onderdeel van het project uitbreiding en verdieping van de Eemshaven. Dit hoorde immers bij de elektriciteitscentrale. De ABRvS gaat vervolgens wel efficiënt te werk, door niet alleen het beroep gegrond te verklaren maar ook het primaire besluit tot vergunningverlening voor het project uitbreiding en verdieping van de Eemshaven te herroepen, zodat deze besluiten ook daadwerkelijk geen betrekking meer hebben op de uitbreiding van de Wilhelminahaven.
Ten aanzien van de toepassing van het criterium onlosmakelijke samenhang kan ook nog worden gewezen op de uitspraken van 19 oktober 2012.[52] Het betrof hier de vergunningverlening voor een varkenshouderij op twee locaties in Doetinchem. Door appellanten werd aangevoerd dat niet sprake was van één project maar van twee projecten, te weten de wijziging van de bestaande varkenshouderij en de oprichting van een nieuwe varkenshouderij op een andere locatie. Bij het besluit tot vergunningverlening was echter uitgegaan van één project. De ABRvS onderschrijft het standpunt in het bestreden besluit en acht het daarbij van belang dat de varkenshouderij in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer (kennelijk) is aangemerkt als één inrichting. Feitelijk was verder van belang dat de vergunde wijziging van de bestaande varkenshouderij en de uitbreiding van die varkenshouderij met twee stallen op korte afstand van elkaar zijn gelegen. Het is dan ook niet erg opmerkelijk dat de ABRvS deze twee activiteiten aanmerkt als één project.
Bestaand gebruik/bestaande rechten
Met de uitspraken van 31 maart 2010 en de daaropvolgende, gelijkluidende, uitspraken heeft de ABRvS de lijn van beoordeling van bestaande rechten uiteengezet.[53] De in deze uitspraken geformuleerde referentiedata zijn ook bepalend voor de vraag of al dan niet handhavend opgetreden kan worden vanwege handelingen (mogelijk) in strijd met artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998.[54] In de onderhavige kroniekperiode is daar niet veel nieuwe jurisprudentie over gevormd. Volledigheidshalve wijs ik wel op de volgende uitspraken. De uitspraak van 21 november 2012[55] is een voorbeeld van de vraag wanneer sprake is van een wijziging in betekenende mate. Nu weliswaar deze uitspraak onder de definitie van ‘bestaand recht’ als bedoeld in artikel 1, onder m, Nb-wet 1998 (oud) is gewezen, is onduidelijk wat de relevantie van deze uitspraak voor de huidige praktijk is. Toch is deze uitspraak het signaleren waard. Het betrof de weigering van een aangevraagde vergunning voor een nertsenhouderij. De vergunning was geweigerd aangezien het bevoegd gezag van mening was dat de aangevraagde activiteit moest worden beschouwd als bestaand gebruik, waarvoor op grond van artikel 19d, lid 3, Nb-wet 1998 geen vergunningplicht geldt. Dit standpunt werd door appellant betwist, onder aanvoering van de stelling dat de bedrijfsvoering van de nertsenhouderij langdurig was gestaakt en dat ook een wijziging van het huisvestingssysteem zou hebben plaatsgevonden. De staking van de bedrijfsvoering komt vervolgens niet terug in de uitspraak van de ABRvS. Wel stelt de ABRvS vast dat de omschakeling van het oorspronkelijke, traditionele huisvestingssysteem naar een zogeheten Groen Label-stal moet worden aangemerkt als een zodanig ingrijpende wijziging in de bedrijfsvoering en de consequenties daarvan, dat niet gesproken kan worden van een gebruik dat niet in betekenende mate is gewijzigd. Aldus was in het kader van de vergunningverlening ten onrechte gesteld dat een vergunning niet nodig was. Het opmerkelijke aan deze uitspraak is dat, daar waar de ABRvS eerder heeft vastgesteld dat van bestaande rechten slechts sprake is indien een bepaald gebruik op de relevante peildatum reeds was vergund, dit aspect in het kader van de toets aan artikel 19d, lid 3, Nb-wet 1998 niet relevant lijkt te zijn. De lijn van redeneren in de jurisprudentie van de ABRvS lijkt aldus niet geheel consistent te zijn.
In het kader van de toets naar bestaande rechten wordt door de ABRvS van belang geacht wat vergund was op de relevante peildatum. Eerdere jurisprudentie heeft laten zien dat de vergunde situatie kan blijken uit een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm) dan wel diens voorganger de Hinderwet, of een geaccepteerde 8.19 Wm-melding.[56] Onbesproken was echter nog de vraag hoe omgegaan zou moeten worden met een vergunning die op de relevante peildatum van kracht was geworden, doch later vernietigd is. Dit aspect kwam aan de orde in de uitspraak van 20 februari 2013[57] waarbij de uitkomst overigens niet geheel verrassend is. De ABRvS stelt dat, als gevolg van vernietiging van het besluit tot verlening van de milieuvergunning, alle rechtsgevolgen van dat besluit eveneens zijn vernietigd. Dat betekent dat aan deze vernietigde milieuvergunning, die weliswaar bestond op de peildatum, dan ook geen (bestaande) rechten in het kader van de Nb-wet 1998 kunnen worden ontleend. Er werd nog geprobeerd dit gebrek te helen door te wijzen op een bouwvergunning die vóór de peildatum was verleend. Dat hielp partijen ook niet. Deze bestaande rechten konden niet worden ontleend aan deze bouwvergunning nu bepalend voor de aanwezigheid van bestaande rechten is of er op de peildatum een vergunning aanwezig was die recht gaf op een bedrijfsvoering met een bepaalde belasting op de relevante Natura 2000-gebieden. Het enkele feit dat de bouwvergunning was verleend, was niet voldoende voor het exploiteren van de veehouderij want daarvoor was uiteraard ook de (vernietigende) milieuvergunning noodzakelijk. Eindconclusie was dan ook dat er geen bestaande rechten waren voor deze veehouderij, waarmee in het kader van de toets op grond van artikel 19d Nb-wet 1998 rekening had kunnen worden gehouden. In dit kader verdient nog bespreking de uitspraak van 22 mei 2013[58] waarin de ABRvS in herinnering brengt dat een melding als bedoeld in artikel 8.19 Wm (oud) op grond van de destijds geldende wettelijke regeling in de plaats kwam van de vergunning waarop de eerder verleende vergunning betrekking had.[59] Uit de uitspraak wordt niet duidelijk wanneer deze melding was gedaan. Ik wijs er wel op dat de ABRvS nadien, op basis van het sinds 1 oktober 2000 geldende regime, heeft overwogen dat een gemelde verandering ex artikel 8.19 Wm niet (meer) wordt geacht in de plaats te zijn getreden van de desbetreffende onderdelen van de milieuvergunning.[60] De melding waarop de uitspraak van 22 mei 2013 betrekking heeft zal dus waarschijnlijk zijn gedaan voor deze datum.
Effectbeoordeling
Discussie over de effectbeoordeling speelt zich af op twee fronten, te weten 1. is er een passende beoordeling nodig?; en 2. is de inhoudelijke beoordeling correct verricht? Een schaars voorbeeld van een situatie waarin onomstotelijk kon worden vastgesteld dat er geen passende beoordeling nodig was voor, in dit geval, een bestemmingsplan biedt de uitspraak van 23 januari 2013.[61] Het plan voorzag in casu in een beperkt aantal nieuwe woningen, een beperkte verkeersaantrekkende werking als gevolg van de in het plan voorziene activiteiten en in de ontwikkeling van nieuwe natuur. Op basis van een quickscan was vastgesteld dat er geen negatieve effecten zullen zijn op het relevante Natura 2000-gebied, mede gelet op de omzetting van landbouwgrond in bos en natuur, de aard van de ontwikkelingen en de relatief grote afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied. Dat laatste aspect valt op zich overigens niet zo eenvoudig te begrijpen, nu ook was vastgesteld dat het betrokken Natura 2000-gebied slechts op een afstand van ongeveer 175 meter van het plangebied lag. Wellicht was voor de conclusie (meer) van belang dat door appellanten niet aannemelijk was gemaakt dat de raad zich niet op de conclusies van de quickscan had mogen baseren en kan deze uitspraak dan vooral in de sleutel van de bewijslastverdeling worden geplaatst.
Een inhoudelijk aspect dat in het kader van de effectbeoordeling veelal van belang is, betreft de mogelijke effecten op debuitenlandse Natura 2000-gebieden. Uit eerdere jurisprudentie[62] weten we inmiddels dat de beoordeling van effecten op dergelijke gebieden hetzij kan plaatsvinden bij de toetsing van een verleende milieu-(omgevings)vergunning dan wel in het kader van een verleende vergunning op grond van de Nb-wet 1998. Twee kanttekeningen op dit punt zijn echter van belang. Ten eerste is vooralsnog onduidelijk of er een preferentie bestaat tussen de toets in het kader van het milieuspoor dan wel in het kader van het natuurspoor.[63] Voorts is lange tijd onduidelijk geweest hoe deze toetsing van buitenlandse gebieden dan zou moeten plaatsvinden. Voorstelbaar is immers dat de Nederlandse beoordelingssystematiek afwijkt van een buitenlandse beoordelingssystematiek. Dit probleem laat zich illustreren aan de hand van de volgende omstandigheid. Bekend is dat men in Duitsland, voor de aanvaardbaarheid van een toename van stikstofdepositie een beoordelingssystematiek heeft ontwikkeld die – samengevat – erop neerkomt dat een bepaalde procentuele toename van stikstofdepositie aanvaardbaar wordt geacht. Deze wijze van beoordeling staat echter haaks op jurisprudentie van de ABRvS, waarin is gesteld dat in het kader van een beoordeling op grond van de Nb-wet 1998 juist niet mag worden uitgegaan van een vaste getalsmatige grens, maar dat de specifieke (milieu)kenmerken van het betreffende gebied in de beoordeling dienen te worden betrokken.[64] Ten aanzien van dit laatste aspect is een aantal uitspraken in de kroniekperiode verschenen, waardoor het enigszins duidelijker wordt op welke wijze de effecten op de buitenlandse Natura 2000-gebieden beoordeeld zouden kunnen worden. Deze beoordeling kan, aldus deze uitspraken, plaatsvinden aan de hand van een eigen onderzoek, dan wel op basis van een bij de buitenlandse autoriteiten gevraagd standpunt ter zake.[65] Hoe de ABRvS zal oordelen in het geval dat de Nederlandse beoordelingssystematiek duidelijk afwijkt van een buitenlandse wijze van beoordelen, is echter vooralsnog onduidelijk. Voorstelbaar is dat ook dit aspect nog in jurisprudentie aan de orde zal komen.[66]
Ten slotte wijs ik in dit verband nog op de uitspraak van 1 mei 2013.[67] In deze procedure werd aangevoerd dat een Nb-wetvergunning voor het veranderen van een vleesvarkenshouderij ten onrechte was verleend omdat de emissie van stikstof vrijwel gelijk blijft waardoor de stikstofdepositie in het betrokken Natura 2000-gebied onvoldoende afneemt en de natuurlijke kenmerken van het gebied niet verbeteren. De ABRvS volgt dit betoog niet en stelt dat artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn in dit geval enkel vereist dat het vergunde project de natuurlijke kenmerken van een gebied niet aantast. Deze bepaling vereist niet dat slechts vergunning voor een project kan worden verleend indien het project de natuurlijke kenmerken van een gebied verbetert. Voor zover een rechtstreeks beroep op artikel 6, lid 1, Habitatrichtlijn kan worden gedaan en uit deze bepaling volgt dat door het bevoegd gezag instandhoudingsmaatregelen moeten worden getroffen, overweegt de ABRvS dat uit deze bepaling niet volgt dat het bevoegd gezag voor de maatregel van het weigeren van een vergunning moet kiezen.
Stikstofperikelen
Nu met eerdere uitspraken van de ABRvS de reikwijdte van artikel 19kd Nb-wet 1998 aanzienlijk is beperkt[68] is het niet zo opmerkelijk dat in de kroniekperiode weinig inhoudelijk relevante uitspraken zijn verschenen die betrekking hebben op de toepassing van dit artikel. Wel wijs ik nog op de uitspraak van 10 oktober 2012,[69] waarin de vraag aan de orde kwam hoe een passende beoordeling vormgegeven moet worden in een situatie dat een beroep kan worden gedaan op artikel 19kd, lid 1, aanhef en onder b, Nb-wet 1998. In het kader van een vergunning voor een uitbreiding van een nertsenfokkerij was door middel van gedeeltelijke intrekking van vergunningen voor twee veehouderijen verzekerd dat de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden per saldo zal dalen. Mitsdien was afgezien van het opstellen van een passende beoordeling. Hierover werd door appellanten in beroep geklaagd, nu naar de mening van appellanten deze passende beoordeling wel had moeten plaatsvinden. Dit betoog werd door de ABRvS niet gevolgd. Daarbij werd van belang geacht dat in gevallen waar artikel 19kd, lid 1, onder b, Nb-wet 1998 van toepassing is, op basis van een beoordeling van de stikstofdepositie vast is komen te staan dat de vergunningverlening niet leidt tot een verhoging van depositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Daarmee is ook verzekerd dat in zoverre geen effecten optreden. Aldus is, zo stelt de ABRvS, in deze gevallen op basis van een voor dit aspect passende beoordeling verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied, voor zover het gaat om stikstofdepositie, niet zullen worden aangetast. Een aanvullende passende beoordeling was dan ook niet vereist. De ABRvS heeft deze lijn inhoudelijk ook doorgetrokken naar plannen. Verwezen zij naar de reeds, bij de wijziging van artikel 19kd Nb-wet 1998, besproken uitspraak van 1 mei 2013.[70]
Mitigerende maatregelen
De, wellicht, belangrijkste uitspraak in deze kroniekperiode betreft de uitspraak inzake het Tracébesluit A2 ‘s-Hertogenbosch-Eindhoven.[71] Deze uitspraak gaat, kort gezegd, over de vraag wanneer een bepaalde maatregel als compenserende dan wel mitigerende maatregel moet worden aangemerkt. De volgende achtergrondinformatie is daarbij van belang. Als gevolg van de wijzigingen van de A2 op het traject ‘s-Hertogenbosch-Eindhoven, en de daarmee gepaard gaande toename van stikstofdepositie, zou een kwaliteitsverlies van het areaal blauwgraslanden optreden. Alle maatregelen die ter plaatse zouden kunnen worden genomen om dit kwaliteitsverlies te voorkomen dan wel te beperken, waren reeds genomen of zouden op korte termijn nog niet kunnen worden getroffen. Dientengevolge was in het Tracébesluit ervoor gekozen om elders in het Natura 2000-gebied het areaal blauwgraslanden uit te breiden. Daartoe was een voorschrift aan het Tracébesluit verbonden. Dit voorschrift werd door het bevoegd gezag gekwalificeerd als een mitigerende maatregel. Het standpunt van de minister ter zake komt er aldus op neer dat, in het geval waarin een project negatieve gevolgen heeft voor het bestaande areaal van een beschermd habitattype in een Natura 2000-gebied, bij de conclusie dat geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied relevant is dat in het kader van het project in hetzelfde Natura 2000-gebied een areaal van gelijke of grotere omvang van dat habitattype tot ontwikkeling zal worden gebracht op een locatie waar dat habitattype geen negatieve gevolgen van het project zal ondervinden. De ABRvS aarzelt en stelt vast dat noch de tekst van de Habitatrichtlijn noch jurisprudentie van het Hof van Justitie uitsluitsel geven over hoe in dit geval dient te worden beoordeeld of sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied als bedoeld in artikel 19g, lid 1, Nb-wet 1998 en besluit derhalve tot het stellen van prejudiciële vragen. Deze vragen strekken ertoe te verduidelijken of in het onderhavige geval sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied door de gekozen constructie en of, als een dergelijke aantasting zich voor zou doen, het ontwikkelen van een nieuw areaal van een habitattype dient te worden aangemerkt als een compenserende maatregel. Inmiddels is ook gebleken dat de ABRvS andere, vergelijkbare zaken, aanhoudt in afwachting van het antwoord op deze prejudiciële vragen.[72]
Wat betreft mitigerende maatregelen is ten slotte van belang dat de ABRvS nog eens heeft benadrukt dat er geen wettelijke regeling bestaat die voorschrijft dat een Nb-wetvergunning pas mag worden verleend nadat mitigerende maatregelen zijn uitgevoerd.[73]
Cumulatie
Op het gebied van cumulatie verscheen in deze periode slechts één uitspraak die een aanvulling vormde op eerdere jurisprudentie. In het kader van een Nb-wetvergunning voor de sloop van drie gebouwen en de bouw van een kinderdagverblijf, een recreatieruimte en tien appartementen in de nabijheid van het Natura 2000-gebied ‘Noord-Hollands Duinreservaat’ werd mogelijke cumulatie van effecten met de staalproductie bij Tata Steel te IJmuiden aangevoerd.[74] Zo stelde appellant dat de staalproductie zou worden opgevoerd met een bepaalde toename per jaar, alsmede dat ten onrechte geen rekening was gehouden met de bouw van een warmtekrachtcentrale op het terrein van Tata Steel, noch met het plan om een bestemmingsplan voor het strand van Wijk aan Zee vast te stellen, waarbij ruimte zal worden geboden de exploitatie van strandpaviljoens uit te breiden. Dit betoog had geen kans van slagen, nu de ABRvS vaststelde dat deze ontwikkelingen zouden moeten worden beschouwd als onzekere toekomstige gebeurtenissen, die, zoals reeds was geoordeeld bij de uitspraak van 9 december 2009[75], bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing dienen te blijven. De uitspraak is daarmee een mooi voorbeeld van wat onder toekomstige onzekere ontwikkelingen kan worden begrepen. Bestaande activiteiten hoeven – veelal – niet in de cumulatieve beoordeling te worden opgenomen. De gevolgen van die activiteiten kunnen immers worden geacht in de omgeving te zijn verdisconteerd en bepalen mede de huidige staat van instandhouding.[76] Voor de goede orde wijs ik er daarnaast op dat een cumulatieve beoordeling niet is vereist voor een zogeheten andere handeling als bedoeld in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998. Artikel 19f Nb-wet 1998 is in dat geval immers niet van toepassing.[77]
3.3 Toetsing van plannen
De toetsing van plannen op grond van artikel 19j Nb-wet 1998 biedt voer voor veel jurisprudentie van de ABRvS. Zo ook in deze kroniekperiode. Niets ten nadele van de betrokken overheden, maar het blijft toch wel ietwat opmerkelijk dat een groot aantal uitspraken betrekking heeft op een situatie waarin ten onrechte een passende beoordeling in het geheel achterwege was gelaten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de meest in het oog springende uitspraken.
Een passende beoordeling is ook vereist indien een bestemmingsplan wordt vastgesteld waarbij een woning, die weliswaar reeds (illegaal) aanwezig was, voor het eerst als zodanig bestemd wordt in een bestemmingsplan.[78] Dat gold temeer, nu het bestemmingsplan niet alleen de basis biedt voor het alsnog verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woning, doch ook werd voorzien in een uitbreiding van de aan- en uitbouw van de woning. Het feit dat door de ABRvS was vastgesteld dat de woning op het perceel aanwezig was vóór de aanwijzing van het betreffende gebied als beschermd natuurmonument en de aanmelding van dit gebied bij de Europese Commissie op grond van de Habitatrichtlijn, achtte de ABRvS daarbij (kennelijk) niet van belang. Niet valt overigens uit te sluiten dat dit aspect buiten beschouwing werd gelaten juist vanwege het feit dat de woning illegaal en dus zonder vergunning op het perceel aanwezig was.
Het merendeel van de relevante uitspraken betreft situaties waarin een passende beoordeling in het geheel achterwege is gelaten; enerzijds situaties waarbij überhaupt niet onderzocht was wat de gevolgen van het voorgenomen plan zouden kunnen zijn voor Natura 2000-gebieden in de omgeving, anderzijds omdat ten onrechte niet, op basis van de conclusies van bijvoorbeeld een uitgevoerde quickscan, nader onderzoek was verricht.[79] Zo werden de ligging nabij Natura 2000-gebieden dan wel het feit dat het onderhavige bestemmingsplan voorzag in een (al dan niet geringe) uitbreiding van bebouwings- en gebruiksmogelijkheden in deze zaken kennelijk niet relevant geacht voor het uitvoeren van een passende beoordeling, dan wel het verrichten van enig ander onderzoek. Volledigheidshalve wijs ik verder op een aantal uitspraken in deze kroniekperiode die situaties betreffen waarin, vanwege het treffen van mitigerende maatregelen, afgezien was van het maken van een passende beoordeling.[80] Ook dit is in strijd met vaste jurisprudentie. Reeds bij uitspraak van 7 mei 2008[81] en bij uitspraak van 7 september 2011[82]heeft de ABRvS immers gesteld dat mitigerende maatregelen niet bij de beoordeling mogen worden betrokken of sprake kan zijn significante gevolgen, maar wel bij het maken van een passende beoordeling. Bij het beoordelen of sprake kan zijn van significante gevolgen gaat het er immers om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. En uit de omstandigheid dat de mitigerende maatregelen zijn betrokken bij de beoordeling of sprake is van significante gevolgen, volgt dat kennelijk (zonder deze maatregelen) niet uitgesloten kan worden dat significante gevolgen zullen optreden. In dat verband zij in dit verband nog gewezen op de uitspraak van 31 oktober 2012.[83] Deze uitspraak heeft betrekking op een situatie waarin op grond van de toepassing van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant werd geconcludeerd dat significante gevolgen waren uitgesloten. Deze verordening voorziet in de mogelijkheid van saldering van stikstofdepositie door tussenkomst van een zogeheten depositiebank. Een dergelijke wijze van saldering wordt, gelet op vaste jurisprudentie toch beschouwd als mitigerende maatregel, zodat ook in die situatie een passende beoordeling was vereist.
Verder is nog eens benadrukt dat een passende beoordeling ook gemaakt dient te worden indien, op basis van de planregels in een bestemmingsplan, is verzekerd dat een bepaald bouwvak alleen dan kan worden vergroot nadat is aangetoond dat er geen nadelige effecten plaatsvinden in het Natura 2000-gebied in de nabijheid. Het onderzoek naar de gevolgen voor het Natura 2000-gebied dient immers, aldus de ABRvS, te worden verricht bij de voorbereiding van het plan.[84] Dit onderzoek kan, met andere woorden, niet worden doorgeschoven naar een later stadium. Voor de goede orde zij er voorts op gewezen dat indien en voor zover voor een plan een passende beoordeling vereist is, dit ook betekent dat een plan-MER dient te worden verricht. Dit is nog eens bevestigd in de uitspraak van 8 mei 2013,[85] doch volgt ook rechtstreeks uitartikel 7.2a, lid 1, Wm.
Voordat ik inga op een aantal inhoudelijke aspecten van de beoordeling die in het kader van de plantoets dient plaats te vinden, wijs ik kort nog op een tweetal uitspraken waarin wel terecht werd gesteld dat een passende beoordeling niet noodzakelijk was. Het eerste geval betreft de situatie waarin in een voortoets geconcludeerd was dat door de ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt geen significant negatieve effecten op beschermde gebieden worden verwacht. In dat geval kon, zo stelt de ABRvS, uit de inhoud van het rapport worden afgeleid dat hiermee is bedoeld te concluderen dat het uitgesloten is dat het project significante gevolgen kan hebben voor het betrokken Natura 2000-gebied – overigens wel iets anders dan eerder aangegeven ‘verwachting’. Aldus was een passende beoordeling niet vereist. Als reeds gesteld kan ook een plan dat voorziet in een wijziging of uitbreiding van een bestaande veehouderij die niet leidt tot een verhoging van de depositie ten opzichte van de toegestane situatie op de relevante peildatum worden beschouwd als een plan waarvan is uitgesloten dat het significante gevolgen heeft. Een dergelijk plan kan op basis van artikel 19j, lid 1, Nb-wet 1998 worden vastgesteld zonder dat daarvoor een passende beoordeling is vereist.[86]
Ter zake van de inhoud c.q. de omvang van een uit te voeren passende beoordeling is ook een aantal uitspraken verschenen. Nieuwe aspecten kwamen daarbij veelal niet aan de orde, doch volledigheidshalve – en gezien het feit dat dit aspect kennelijk in de praktijk nog tot moeilijkheden leidt – wijs ik op de volgende uitspraken. Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan houdt in dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Aldus dient al bij vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid te worden onderzocht of een invulling van deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk is, ongeacht de voorwaarde dat deze bevoegdheid pas mag worden toegepast indien geen significante negatieve effecten optreden.[87] In dat kader moet worden bezien of, uitgaande van de maximale mogelijkheden van het plan, het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.[88] In zijn algemeenheid geldt het uitgangspunt dat bij de beoordeling van een bestemmingsplan uitgegaan dient te worden van de maximale planologische invulling, alsmede van de feitelijke situatie ter plaatse (en niet van de vergunde situatie) voor het vaststellen van de feitelijke gevolgen van een bestemmingsplan.[89] In herinnering wordt verder nog gebracht dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van ontwikkelingen die reeds onder een vorig plan mogelijk waren gemaakt, doch niet zijn gerealiseerd, opnieuw moeten worden bezien, mede in relatie tot de op dat moment van vaststelling geldende regelgeving.[90] Uit de enkele omstandigheid dat een bouwmogelijkheid overeenstemt met een bouwmogelijkheid van het voorheen geldende plan, volgt dan ook niet automatisch dat het plan op dit punt in overeenstemming is met de Nb-wet 1998.[91] Illustratief in dit verband is ook nog de uitspraak van 24 april 2013.[92] In deze uitspraak benadrukt de ABRvS dat de passende beoordeling in het kader van een plan ex artikel 19j, lid 1, Nb-wet 1998 betrekking dient te hebben op alle ontwikkelingen die in het plan zijn voorzien. Daarbij is niet relevant of deze ontwikkelingen in een vergunningprocedure als bedoeld in artikel 19d, lid 1, Nb-wet 1998 zijn aan te merken als de realisering van een project of het verrichten van een andere handeling. Voorts geldt dat bij de beoordeling van de gevolgen de feitelijke situatie in het Natura 2000-gebied ten tijde van de vaststelling van het plan als uitgangspunt moet worden genomen en derhalve niet, anders dan appellanten in deze procedure stelden, de situatie ten tijde van de aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn.
Relevant voor de praktijk zijn nog de uitspraken die betrekking hebben op de vraag op welke wijze eventueel voor het uitvoeren van het plan noodzakelijke mitigerende maatregelen dienen te zijn verzekerd. De lijn van de ABRvS daarbij is dat mitigerende maatregelen ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet getroffen hoeven te zijn.[93] De gedachte daarachter lijkt te zijn dat, alvorens met de realisatie van het project kan worden begonnen, een vergunning als bedoeld in artikel 19d Nb-wet 1998 vereist is. De mitigerende maatregelen die in casu volgens de passende beoordeling noodzakelijk zijn teneinde te voorkomen dat een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied zal plaatsvinden, dienen (en zullen) dan bij de beslissing op de aanvraag om vergunning te worden betrokken. Zonder een dergelijke vergunning kan het project immers niet worden gerealiseerd. Hoewel de mitigerende maatregelen derhalve ten tijde van de vaststelling van een plan niet getroffen hoeven te zijn, dient wel ten tijde van de vaststelling voldoende vast te staan dat de in de passende beoordeling opgenomen mitigerende maatregelen daadwerkelijk getroffen zullen worden.[94] Het verzekeren dat de mitigerende maatregelen zullen worden getroffen, kan vorm krijgen door middel van een artikel in de planregels, waarbij – bijvoorbeeld – wordt bepaald dat een bepaalde bestemming pas kan worden gerealiseerd wanneer de in de passende beoordeling genoemde mitigerende maatregelen zijn getroffen en in stand worden gehouden.[95]Saldering is een toegestane vorm van mitigatie, welke ook in het kader van de passende beoordeling voor een plan als bedoeld in artikel 19j Nb-wet 1998 kan worden betrokken.[96] Als echter in dat kader een beroep wordt gedaan op saldering via een depositiebank, zal ten tijde van de vaststelling van het plan wel vast moeten staan dat een verzoek tot saldering op basis van de depositiebank wordt gehonoreerd en/of dat het saldo in de depositiebank toereikend is. De enkele verwachting dat de saldering geregeld kan worden of een (tijdelijke) reservering van de in de depositiebank opgenomen vervallen en vrijgekomen stikstofdeposities is niet voldoende om zeker te stellen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.[97] In dat geval kan, aldus de ABRvS, niet op basis van concrete gegevens worden beoordeeld of is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.
3.4 Varia
Relatie Nb-wet 1998 en Monumentenverordening
De uitspraak van 9 januari 2013[98] heeft betrekking op de aanwijzing van een gemeentelijk landschapsmonument en de vaststelling van de criteria waaraan vergunningaanvragen worden getoetst. Deze aanwijzing geschiedde op basis van de (gemeentelijke) Monumentenverordening. In hoger beroep wordt aan de orde gesteld in hoeverre de raad nog de bevoegdheid had ter zake een regeling in de Monumentenverordening op te nemen. Die bevoegdheid zou niet meer bestaan indien de aanwijzing van gemeentelijke landschapsmonumenten uitputtend in de Nb-wet 1998 zou zijn geregeld. Anders dan de rechtbank had aangenomen, meent de ABRvS dat dit niet het geval is. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk IV van de Nb-wet 1998 blijkt de destijds door de regering gevoelde noodzaak om een wettelijke regeling te treffen ter bescherming van waardevolle landschapsgezichten. Uit de memorie van toelichting op de Nb-wet 1998[99] blijkt voorts dat gekozen is voor bescherming van een aangewezen landschapsgezicht door middel van het bestemmingsplan, analoog aan de regeling voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Deze passages bieden, aldus de ABRvS, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever met de regeling in hoofdstuk IV van de Nb-wet 1998 een uitputtende regeling heeft willen treffen. De geschiedenis van de totstandkoming van deze regeling biedt ook overigens geen steun voor dat oordeel. De enkele omstandigheid dat de wetgever de bevoegdheid tot aanwijzing van een landschap als beschermd landschapsgezicht aan het college van gedeputeerde staten heeft toegekend, betekent voorts niet dat de wetgever aanvullende gemeentelijke regels heeft willen uitsluiten. De mate van gedetailleerdheid van de regeling van de bescherming van landschappen in de Nb-wet 1998 geeft, anders dan de rechtbank had overwogen, evenmin grond voor het oordeel dat die regeling uitputtend bedoeld is.
Vervolgens kwam in deze procedure de vraag aan de orde of in de Nb-wet 1998 besloten zou liggen dat de wetgever ervan uitgegaan is dat op gemeentelijk niveau de bescherming van landschapsgezichten voldoende wordt gediend met het gebruik van de instrumenten van de ruimtelijke ordening. Ook dit standpunt slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de formele wetgever het niet nodig heeft gevonden om een aanwijzingsbevoegdheid met een vergunningenstelsel in de Nb-wet 1998 op te nemen, betekent niet dat de lagere regelgever daar niet voor mag kiezen. De gemeenteraad mag zijn eigen afweging maken en de verordeningen maken die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.
Toepassing Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen (Overijssel)
In Overijssel heeft de provincie beleid opgesteld ter zake van de wijze waarop omgegaan moet worden met stikstofdepositie als gevolg van veehouderij. Het betreft het ‘Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen’ (Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde ‘Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel’ (Beleidsregel). Bij vergunningverlening op grond vanartikel 19d Nb-wet 1998 zijn het Beleidskader en de Beleidsregel aangemerkt als een passende beoordeling. De ABRvS kon zich echter niet vinden in de aanpak. Nb-wetvergunningen die gebaseerd waren op dit beleid, worden dan ook vernietigd.[100]
Het volgende is daarbij van belang. Het uitgangspunt van het college is gelet op het Beleidskader, dat het voor het halen van de voor de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen noodzakelijk is de stikstofdepositie op deze gebieden te verlagen. De doelstelling van het Beleidskader is om de stikstofdepositie op de gezamenlijke in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden gemiddeld te doen verminderen. Omdat uit een in 2009 opgestelde rapport blijkt dat veehouderijen in de omgeving van de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden gemiddeld 35% van de totale stikstofdepositie veroorzaken, zouden deze veehouderijen gemiddeld ook 35% van de gewenste totale reductie aan de reductie moeten bijdragen. Met de Beleidsregel is beoogd deze reductiedoelstelling te bewerkstelligen. Daartoe zijn in de Beleidsregel, al naargelang de mate waarin de betrokken veehouderij bijdraagt aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats, voorwaarden gesteld waaraan bij vergunningverlening moet worden voldaan. Volgens het college zal met deze samenhangende aanpak de gewenste reductie van de stikstofdepositie in 2028, wanneer drie beheerplanperiodes zijn verstreken, zijn gerealiseerd. Het college acht deze reductie voldoende voor het halen van de voor de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. De ABRvS overweegt echter dat in gevallen waarin het maken van een passende beoordeling is vereist om tot verlening van een vergunning voor een project krachtens artikel 19d Nb-wet 1998 te kunnen overgaan, de zekerheid dient te worden verkregen dat door dat project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. De Beleidsregel is erop gericht de veehouderijsector in Overijssel voor een evenredig deel te laten bijdragen aan de volgens het college voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen vereiste totale reductie van de stikstofdepositie van gemiddeld 740 mol N/ha/jr op de Natura 2000-gebieden. Echter, ook als wordt aangenomen dat toepassing van de Beleidsregel deze evenredige bijdrage aan de benodigde reductie zou bewerkstelligen, kan het college uit die toepassing nog niet afleiden dat de totale volgens het college noodzakelijke reductie wordt bereikt. De Beleidsregel heeft immers geen betrekking op het behalen van het overige deel van de volgens het college noodzakelijke reductie, die moet worden bereikt via andere bronnen dan veehouderijen. Reeds gelet hierop heeft het college zich er met slechts verwijzing naar de toepassing van het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, lid 1, Nb-wet 1998, niet van verzekerd kunnen achten dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied.
Deze uitspraak is daarmee een mooi voorbeeld van waarop men probeert een praktische aanpak te vinden om om te gaan met de stikstofproblematiek. Helaas sneuvelen dergelijke handelwijzen tot op heden veelal bij de ABRvS. Dit laat nog maar weer eens zien dat de praktijk baat kan hebben bij een werkend PAS.

4.Afronding

Al met al zijn er ook het afgelopen jaar weer interessante ontwikkelingen te signaleren. Voor de komende periode zal de aandacht naar verwachting met name uitgaan naar de vaststelling van de PAS. Vervolgens zal het de vraag zijn hoe de ABRvS om zal gaan met de toetsing van Nb-wetvergunningen die de PAS als onderbouwing hebben. En uiteraard zal worden uitgekeken naar de uitspraak van het Hof van Justitie ter zake van de prejudiciële vragen die in het kader van het Tracébesluit A2 zijn gesteld. Gezien de doorlooptijden bij het Hof valt echter nog te betwijfelen of deze uitspraak op tijd voor een volgende kroniek zal worden gewezen. Maar ook zonder deze uitspraak zal er waarschijnlijk ook dan voldoende stof tot nadenken zijn.

Voetnoten

Voetnoten

[1] Marieke Kaajan is advocaat omgevingsrecht bij Stibbe, Amsterdam.
[2] Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Kamerstukken II 2008/09, 32 002, nr. 1 e.v.
[3] Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het Omgevingsrecht, Stb. 2013, 144.
[4] Voor de goede orde wijs ik er in dit verband op dat na inwerkingtreding van het onlangs ingediende wetsvoorstel Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Kamerstukken II 2012/13, 33 669, art. 19kd zal komen te vervallen. De gedachte hierachter is dat aan art. 19kd geen behoefte meer bestaat op het moment dat de PAS in werking is getreden.
[5] ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[6] Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 3, p. 8.
[7] Zie in dit verband bijv. ABRvS 5 december 2012, nr. 201109053/1/R2.
[8] ABRvS 1 mei 2013, nr. 201202866/1/R1.
[9] www.commissiemer.nl/actueel/2013juni/Wijziging_art__19kd_Natuurbeschermingswet_.
[10] ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[11] Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 3, p. 26.
[12] Programmatische aanpak vermindering stikstofdepositie.
[13] Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 3, p. 25.
[14] Ingevolge art. 15a Nb-wet 1998.
[15] Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 25, p. 10.
[16] Dit volgt uit art. 19db, lid 3 en lid 4, Nb-wet 1998.
[17] Dit volgt ook uit Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 25, p. 11.
[18] Regels ter bescherming van natuur (Wet natuurbescherming), Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 1-3.
[19] Brief Minister van Economische Zaken d.d. 21 december 2012, nr. BBR/12388304.
[20] Brief Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer d.d. 8 maart 2013, nr. DGMR NB/13033541.
[21] Brief Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer d.d. 8 maart 2013, nr. DGMR NB/13033541.
[22] Zie onder andere A.A. Freriks, Gebiedsbescherming in het voorstelstel voor de Wet natuurbescherming, JFF 2012, nr. 8, p. 283-291; H.M. Dotinga, E.E. Meijer en S. Scheerens, Voorstellen voor verbetering van het wetsvoorstel natuurbescherming, TO 2012, nr. 3, p. 75-90 en H.P.M. Wingens, Het wetsvoorstel natuurbescherming, Agr.r. 2012, nr. 11, p. 365-371.
[23] Van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht), Stb. 2012, 682.
[24] Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht), Stb. 2012, 233.
[25] Voorlichting met betrekking tot de Programmatische Aanpak Stikstof, Raad van State 11 april 2012, nr. W15.120046/IV.
[26] Dit wetsvoorstel is inderdaad op 19 juni 2013, na afronding van dit artikel, aan de Tweede Kamer gezonden. Het betreft de Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Kamerstukken II 2012/13, 33 669.
[29] Zie in dit verband Commissie voor de milieueffectrapportage, Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport, 4 juni 2013, rapportnr. 2653-70.
[30] M.M. Kaajan, Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?, Preadvies Vereniging voor Agrarisch Recht 2013, Agr.r. 2013, p. 62-71.
[31] M.M. Kaajan, Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011, BR 2012/104.
[32] ABRvS 16 maart 2011, nr. 200904266/1/R2, 200902381/1/R2, 200902380/1/R2.
[33] ABRvS 14 november 2012, nr. 201104846/1/A4.
[34] Stcrt. 2013, 6334.
[35] ABRvS 14 november 2012, nr. 201104173/1/A4.
[36] ABRvS 14 november 2012, nr. 201104553/1/A4.
[37] ABRvS 29 augustus 2012, nr. 201012244/1/A4.
[38] ABRvS 18 juli 2012, nr. 201109600/1/R4.
[39] ABRvS 13 juni 2012, nr. 201112988/1/A4 en 201112989/1/A4.
[40] ABRvS 18 januari 2012, nr. 201110142/2/H4.
[41] ABRvS 3 april 2013, nr. 201113433/1/A4.
[42] HvJ EU 14 januari 2010, nr. C-226/08.
[43] HvJ 11 EU augustus 1995, nr. C-431/92/.
[44] ABRvS 30 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[45] ABRvS 27 december 2012, nr. 201111811/1/A4.
[46] ABRvS 6 maart 2013, nr. 201113007/1/A4.
[47] ABRvS 24 december 2008, nr. 200705874/1/.
[48] ABRvS 28 november 2012, nr. 201109738/1/A4.
[49] ABRvS 15 augustus 2012, nr. 201101474/1/A4.
[50] ABRvS 27 december 2012, nr. 201007498/1/R2 en 201007499/1/R2.
[51] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2.
[52] ABRvS (vz.) 19 oktober 2012, nr. 201207197/1/A4 en 201207197/2/A4.
[53] ABRvS 30 maart 2010, nr. 200903784/1/R2 en ABRvS 1 september 2010, nr. 200905018/1/R2.
[54] ABRvS 24 oktober 2012, nr. 201101092/1/A4.
[55] ABRvS 21 november 2012, nr. 201101656/1/T1/A4.
[56] ABRvS 30 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[57] ABRvS 20 februari 2013, nr. 201106554/1/A4.
[58] ABRvS 22 mei 2013, nr. 201203714/1/A4.
[59] Daarbij verwijst de ABRvS naar de uitspraak van ABRvS (vz.) 6 mei 1998, JM 1998/118.
[60] ABRvS 21 augustus 2002, AB 2003/28.
[61] ABRvS 23 januari 2013, nr. 201200431/1/R3.
[62] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2 en ABRvS 29 augustus 2012, nr. 201001848/1/T1/A4.
[63] ABRvS 29 augustus 2012, nr. 201001848/1/T1/A4, met mijn annotatie in M en R 2012/141, waarin ik nader op dit aspect inga, alsmede ABRvS 9 januari 2013, nr. 201107101/1/A4. Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Kamerstukken II 2012/13, 33 669, zou overigens een einde komen aan deze onduidelijkheid. Dit wetsvoorstel introduceert een nieuwe definitie van het begrip “Natura 2000-gebied” waardoor ook buitenlandse Natura 2000-gebieden onder de werkingssfeer van de wet vallen, in combinatie met een regeling ter zake van de bevoegdheid tot vergunningverlening ingeval van effecten op, onder andere, buitenlandse Natura 2000-gebieden. Zie het voorgestelde art. 1, sub n, art. 2, lid 6 en art. 2a, lid 3, van dit wetsvoorstel.
[64] Zie ABRvS 4 mei 2011, nr. 200901310/1/R2 en 200901311/1/R2.
[65] Dit blijkt onder andere uit ABRvS 10 oktober 2012, nr. 201010326/1/T1/A4 en ABRvS 1 mei 2013, nr. 201011080/A4.
[66] Interessant in dit verband is de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Kamerstukken II 2012/13, 33 669, nr. 3, p. 26, waaruit volgt dat er overleg plaatsvindt met de buurlanden Duitsland en België over de toetsingskaders die in dit verband over en weer gebruikt worden. Het streven is erop gericht dat op het moment dat het concept van het programma aanpak stikstof voor zienswijzen ter inzage wordt gelegd, een toetsingskader voor buitenlandse gebieden beschikbaar zal zijn.
[67] ABRvS 1 mei 2013, nr. 201209215/1/R2.
[68] O.a. ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[69] ABRvS 10 oktober 2012, nr. 201010326/1/T1/A4.
[70] ABRvS 1 mei 2013, nr. 201202866/1/R1.
[71] ABRvS 7 november 2012, nr. 201110075/1/R4 en 201201853/1/R4.
[72] Zie bijv. ABRvS 24 april 2013, nr. 201200457/1/R2, waarin als mitigerende maatregel was voorgesteld het omvormen van niet beschermde monotone naaldbossen in loofbossen.
[73] ABRvS 29 mei 2013, nr. 201113431/1/A4.
[74] ABRvS 14 november 2012, nr. 201104173/1/A4.
[75] ABRvS 9 december 2009, nr. 200805338/1/R2.
[76] ABRvS 1 mei 2013, nr. 201111379/1/A4.
[77] ABRvS 6 maart 2013, nr. 201113007/1/A4.
[78] ABRvS 13 februari 2013, nr. 201201236/1/R1.
[79] O.a. ABRvS 25 juli 2012, nr. 201113323/1/R4 en 201113323/2/R4; ABRvS 6 juni 2012, nr. 201105680/1/R3; ABRvS 22 augustus 2012, nr. 201100220/1/R4; ABRvS 24 oktober 2012, nr. 201200349/1/R1; ABRvS 8 mei 2013, nr. 201207598/1/R1; ABRvS 22 mei 2013, nr. 201205222/1/R2 alsmede ABRvS 22 mei 2013, nr. 201203015/1/R3.
[80] ABRvS 18 juni 2012, nr. 201011214/1/R4; ABRvS (vz.) 19 juni 2012, nr. 201203015/5/2 R3; ABRvS 31 oktober 2012, nr. 201105435/1/R3N en ABRvS 27 december 2012, nr. 201207675/1/R3.
[81] ABRvS 7 mei 2008, nr. 200604924/1.
[82] ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[83] ABRvS 31 oktober 2012, nr. 201105435/1/R3.
[84] Zie in dit verband ABRvS 31 oktober 2012, nr. 201105435/1/R3.
[85] ABRvS 8 mei 2013, nr. 201208118/1/R1.
[86] ABRvS 1 mei 2013, nr. 201202866/1/R1.
[87] ABRvS 26 september 2012, nr. 201108509/1/R4.
[88] Aldus ABRvS 22 augustus 2012, nr. 201101467/1/R2.
[89] ABRvS 5 december 2012, nr. 201109053/1/R3 en ABRvS 15 mei 2013, nr. 201203598/1/R4.
[90] ABRvS 20 maart 2013, nr. 201208230/1/R1.
[91] ABRvS 19 december 2012, nr. 201111621/1/R2.
[92] ABRvS 24 april 2013, nr. 201200457/1/R2.
[93] ABRvS 24 april 2013, nr. 201200457/1/R2.
[94] Aldus ook ABRvS 29 juni 2011, nr. 200905914/1/R2.
[95] Dit blijkt uit de uitspraak van de ABRvS 31 oktober 2012, nr. 201201588/1/R4. Een ander voorbeeld van een dergelijke, toegestane, constructie betreft de uitspraak van ABRvS (vz.) 6 november 2012, nr. 201207794/2/R4.
[96] Dit wordt nog eens bevestigd in de uitspraak van ABRvS 13 juni 2012, nr. 201104625/1/R1.
[97] Aldus ABRvS 24 oktober 2012, nr. 201107891/1/R3.
[98] ABRvS 9 januari 2013, nr. 201107478/1/A4 en 2011074780/1/A4.
[99] Kamerstukken II 1993/94, 23 580, nr. 3, p. 53.
[100] De redenering van de ABRvS ter zake van het beleid is te vinden in ABRvS 22 mei 2013, nr. 201107526/1/T1/A4.
Deze kroniek heeft betrekking op het natuurbeschermingsrecht, een onderdeel van het omgevingsrecht.

Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan schreef samen met E.M.N. Noordover, “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit de besluitvorming”,…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…