ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 15-05-2011

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011

Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102.

Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
1.Inleiding

In de kroniek van vorig jaar[2] signaleerde ik reeds dat het natuurbeschermingsrecht in Nederland – opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998(Nb-wet 1998) – aan vele veranderingen onderhevig is en dat de jurisprudentie lang niet altijd zorgt voor duidelijke oplossingen. Ook het afgelopen jaar kent weer de nodige ontwikkelingen op het gebied van het natuurbeschermingsrecht. In dit artikel komen de belangrijkste ontwikkelingen van het afgelopen jaar tot juni 2012 aan de orde. Daarbij beperk ik mij tot veranderingen op het gebied van wetgeving en jurisprudentie. De meeste aandacht zal hierbij uitgaan naar enkele (voorgenomen) wetswijzigingen, waaronder het wetsvoorstel voor de Wet natuur en naar jurisprudentie over met name de vergunningplicht en de wijze van effectbeoordeling. De jurisprudentie laat verder zien dat in het bijzonder de uitstoot van stikstof zorgt voor een moeilijke toets naar de toelaatbaarheid van vergunningen. Ook dit aspect komt in dit artikel aan de orde.
2.(Voorgenomen) wetswijzigingen

Het aantal ingevoerde wetswijzigingen in het afgelopen jaar is zeer beperkt. De belangrijkste wijziging betreft de wijziging van de definitie van bestaand gebruik. Deze, en andere beperkte wijzigingen worden hierna toegelicht. In de vorige kroniek (BR 2011/67) signaleerde ik reeds de voorgenomen uitbreiding van de werkingssfeer van de Nb-wet 1998 naar de exclusieve economische zone. Dit wetsvoorstel[3] is nog steeds in behandeling. Het voornemen bestaat echter wel om een en ander uiteindelijk te incorporeren in de Wet natuur, waarvan een ambtelijk voorontwerp ook in deze kroniekperiode kenbaar is gemaakt. Ook dit voorontwerp komt aan de orde.
2.1 Ingevoerd: nieuwe definitie bestaand gebruik en geen lex silencio positivo
Met ingang van 31 december 2011[4] kent de Nb-wet 1998 een nieuwe definitie van het begrip ‘bestaand gebruik’ als bedoeld in art. 1 onder sub m Nb-wet 1998. Voordien werd onder bestaand gebruik verstaan ‘iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd’. Ook bood de wet een definitie voor bestaand gebruik indien een Vogel- of Habitatrichtlijngebied later dan 1 oktober 2005 werd aangewezen of aangemeld. Middels de wetswijziging van 31 december 2011 wordt nu als bestaand gebruik aangemerkt ‘gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag’. Met deze referentiedatum is aangesloten bij de datum waarop de Crisis- en herstelwet in werking is getreden. De relevantie van de definitie van bestaand gebruik is gelegen in het feit dat bestaand gebruik uitgezonderd is van de vergunningplicht van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 (op grond van art. 19d lid 3 Nb-wet 1998), mits dit bestaand gebruik geen project is dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uit de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 3 april 2012[5] volgt dat deze definitie ziet op het feitelijk gebruik, ongeacht of daarvoor een vergunning is verleend. Verder is van belang dat de staatssecretaris benadrukt dat het ook kan gaan om activiteiten die niet het hele jaar door plaatsvinden, maar bijvoorbeeld elk voor- en najaar of eenmaal in de vier jaar.
Het is echter nog maar de vraag of het veranderen van de definitie van bestaand gebruik, en dan met name voor zover het de in deze definitie opgenomen peildatum betreft, de praktijk echt kan helpen. Immers, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) laat zien weinig waarde te hechten aan de peildatum in de Nb-wet 1998 – althans, niet voor zover het de oude datum van 1 oktober 2005 betreft – voor de vraag of een uitzondering op de vergunningplicht geldt. Sinds de jurisprudentiereeks die begon met de uitspraak van 31 maart 2010[6] toetst de ABRvS in het kader van de vraag of sprake is van bestaand, vergunningvrij gebruik immers of er sprake is van een project dat reeds plaatsvond op een peildatum die Europeesrechtelijk wordt gemotiveerd en die afhangt van het soort gebied en de datum van aanwijzing van dat gebied (indien het een Vogelrichtlijngebied betreft) of de datum van aanmelding, in geval van een Habitatrichtlijngebied. Alleen dan wordt aangenomen dat sprake zou kunnen zijn van vergunningvrij bestaand gebruik.
Een andere ingevoerde wijziging is gerelateerd aan de inwerkingtreding van de Dienstenwet en de hierin opgenomen mogelijkheid om een positieve fictieve beschikking te krijgen bij een niet-tijdig besluit.[7] De achtergrond van deze wetswijziging is de volgende. In december 2009 is de Dienstenwet in werking getreden.[8] Deze wet diende tot uitvoering van de Dienstenrichtlijn.[9] Een van de onderdelen van de Dienstenrichtlijn is dat vergunningen automatisch worden verleend indien niet tijdig door het bevoegd gezag op de aanvraag wordt beslist. Door inwerkingtreding van de Dienstenwet is dit systeem van automatische vergunningverlening – de zogeheten lex silencio positivo – voor een groot aantal vergunningen gaan gelden,[10] tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Het werd onwenselijk geacht dat aangevraagde vergunningen exart. 16 en 19d Nb-wet 1998 ook van rechtswege verleend zouden kunnen worden. Het doel van deze vergunningen is immers de bescherming van natuurwaarden, al dan niet ter uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen. De toets of een project of handeling schadelijke gevolgen heeft voor een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied vindt juist daarom ook voorafgaand aan vergunningverlening plaats. Om die reden werd het toepassen van de lex silencio positivo op aanvragen om deze twee soorten vergunningen dan ook niet opportuun geacht en diende bij wet een uitzondering op dit algemene stelsel te worden gemaakt.[11] Een en ander is thans geregeld in art. 40 Nb-wet 1998.
2.2 Voorgenomen: wijziging art. 19kd Nb-wet 1998
In het kader van het permanent maken van de Crisis- en herstelwet[12] wordt een aantal wijzigingen van de Nb-wet 1998 voorgesteld. Een voor de praktijk relevante wijziging betreft de aanpassing van art. 19kd Nb-wet 1998. Deze aanpassing is drieledig, te weten 1. het verduidelijken van art. 19kd Nb-wet 1998 in die zin, dat als aan de voorwaarden van art. 19kd Nb-wet 1998 wordt voldaan, de vergunningplicht van art. 19d Nb-wet 1998 niet geldt; 2. het aanpassen van de referentiedata in art. 19kd Nb-wet 1998; en 3. het van toepassing verklaren van art. 19kd Nb-wet 1998 op plannen. Deze drie onderwerpen worden hierna toegelicht.
Ten eerste het verduidelijken van art. 19kd Nb-wet 1998. Sinds de voorzittersuitspraak van 22 juli 2010[13] wordt getwijfeld of een geslaagd beroep op art. 19kd Nb-wet 1998 wel leidt tot het vervallen van de vergunningplicht van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998. Dit was wel de bedoeling van de wetgever, maar bleek niet duidelijk uit de tekst, aldus ook deze voorzittersuitspraak. Op 7 september 2011 deed de ABRvS uitspraak in een bodemprocedure waarin deze kwestie ook speelde.[14] Uit deze hierna in par. 3 nog nader te bespreken uitspraak volgt dat ook bij een geslaagd beroep op art. 19kd lid 1 Nb-wet 1998 naar het oordeel van de ABRvS de algemene regel van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 blijft gelden. Met deze uitspraak ontstond de noodzaak om art. 19kd Nb-wet 1998 aan te passen, zodat dit artikel alsnog zou regelen wat oorspronkelijk was beoogd. Om de in de praktijk gebleken onduidelijkheid weg te nemen, wordt daarom voorgesteld om de aanhef van art. 19kd Nb-wet 1998 te wijzigen. Na aanpassing zal het artikel dan luiden:
“Onder significante gevolgen als bedoeld in art. 19d, eerste lid, […] worden niet verstaan…”.
Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat art. 19kd Nb-wet 1998 beoogt een uitzondering op de algemene vergunningplicht te creëren.
Het wetsvoorstel behelst verder een wijziging in de inhoudelijke regeling van art. 19kd Nb-wet 1998. Deze regeling komt erop neer dat stikstofdepositie niet bij de beoordeling wordt betrokken indien er – samengevat – per saldo geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, te rekenen vanaf een bepaalde referentiedatum. Deze referentiedatum is thans 7 december 2004, of later, indien het betrokken Natura 2000-gebied op een later moment is aangewezen of aangemeld als Vogel- respectievelijk Habitatrichtlijngebied.[15] In de hierna nog nader te bespreken uitspraak van 7 september 2011[16] concludeerde de ABRvS evenwel dat de datum van 7 december 2004 of later niet kon worden gehanteerd zijn in geval van een Natura 2000-gebied dat eerder dan deze datum was aangemeld bij de Europese Commissie of dat eerder was aangewezen. Het gaat daarbij met name om Vogelrichtlijngebieden die, ook in Nederland, veelal ruim voor 7 december 2004 zijn aangewezen. De ABRvS stelde daarbij dat voor Vogelrichtlijngebieden aangewezen vóór 10 juni 1994, 10 juni 1994 als referentiedatum heeft te gelden – waarschijnlijk vanuit de gedachte dat op die datum het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn ook voor Vogelrichtlijngebieden is gaan gelden. Bij Vogelrichtlijngebieden aangewezen ná 10 juni 1994, geldt de datum van aanwijzing als relevante referentiedatum. Het gevolg van deze uitspraak was dat het toepassingsbereik van art. 19kd Nb-wet 1998 aanzienlijk werd beperkt, ook omdat de ABRvS niet de mogelijkheid zag om een andere referentiedatum ‘in te lezen’ in art. 19kd Nb-wet 1998. De ABRvS verklaarde aldus de regeling van art. 19kd Nb-wet 1998 buiten toepassing voor die gevallen waarin een andere referentiedatum dan 7 december 2004 zou moeten worden gehanteerd.
Om aan deze uitspraak tegemoet te komen, wordt thans voorgesteld om de referentiedata van art. 19kd Nb-wet 1998 aan te passen. Wel doet zich daar iets opmerkelijks voor. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel[17] volgt dat beoogd is aan te sluiten bij de door de ABRvS geaccepteerde referentiedata (10 juni 1994 voor Vogelrichtlijngebieden aangewezen voor 10 juni 1994, datum van aanwijzing bij Vogelrichtlijngebieden, aangewezen na 10 juni 1994 en 7 december 2004 of later bij Habitatrichtlijngebieden die zijn aangemeld op de lijst van communautair belang). Echter, uit de tekst van het voorgestelde nieuwe art. 19kd Nb-wet 1998 volgt voor Vogelrichtlijngebieden een andere referentiedatum. Voor deze gebieden wordt nu in het wetsvoorstel bepaald dat als referentiedatum heeft te gelden ‘de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG’ (dit is de Vogelrichtlijn).[18] Dat kan heel goed een datum zijn die eerder ligt dan 10 juni 1994. Daarmee is het de vraag of de tekst van het wetsvoorstel wel in overeenstemming is met hetgeen de regering beoogt.
Een derde wijziging van art. 19kd Nb-wet 1998, die ook volgt uit bovengenoemd wetsvoorstel, betreft het van toepassing verklaren van de regeling van art. 19kd Nb-wet 1998 op plannen, waarvoor art. 19j Nb-wet 1998 een specifieke regeling kent. In de huidige formulering is de salderingsregeling slechts van toepassing indien er mogelijk een vergunningplicht bestaat op grond van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998. Pogingen om te stellen dat er geen passende beoordeling voor een plan hoefde te worden verricht omdat het (bestemmings)plan per saldo niet zou leiden tot een toename van stikstofdepositie strandden dan ook.[19] Dat art. 19kd Nb-wet 1998 niet meteen bij invoering van dit artikel van toepassing is verklaard op plannen, is – aldus de memorie van toelichting bij de voorgenomen wijziging – gelegen in het feit dat dit artikel is ingevoerd met deCrisis- en herstelwet en toen de focus op projecten lag.[20] Met het wetsvoorstel wordt nu geregeld dat er voor effecten vanwege stikstofdepositie geen passende beoordeling noodzakelijk is, indien de in een plan voorziene activiteiten niet, of per saldo niet, leiden tot een toename van de stikstofdepositie.
2.3 Voorgenomen wijziging: integrale herziening Nb-wet 1998 middels Wet natuur
Op 6 oktober 2011 is het ontwerp-wetsvoorstel natuur ter consultatie bekendgemaakt.[21] Dit wetsvoorstel voorziet in een nieuw wettelijk kader voor de natuurwetgeving, door integratie van de Nb-wet 1998 met de Flora- en faunawet en de Boswet. Voor een uitgebreide beschrijving van dit wetsvoorstel verwijs ik naar een eerdere publicatie.[22] Het was de bedoeling dat het wetsvoorstel het eerste kwartaal van 2012 aan de Tweede Kamer zou worden aangeboden. De val van de regering heeft dit proces vertraagd, waardoor nu onduidelijk is wanneer het voorstel zal worden behandeld. Wel is onlangs bekend geworden dat het wetsvoorstel niet controversieel is verklaard. De belangrijkste elementen van het wetsvoorstel, voor zover het voorstel de Nb-wet 1998 betreft, stip ik hierna kort aan.
Het belangrijkste doel van het wetsvoorstel is een nauwkeurige aansluiting bij internationale verplichtingen. Verder beoogt het voorstel te komen tot een meer ontwikkelingsgericht en minder belastend wettelijk stelsel om aldus een positieve bijdrage te leveren aan de gewenste economische ontwikkelingen. Een ander uitgangspunt is dat bevoegdheden zo veel mogelijk worden neergelegd bij een bestuurslaag die opereert op een schaalgrootte die aansluit bij de problematiek én die zo dicht mogelijk bij de burgers is gelegen – te weten de Provincie.[23]
Een eerste belangrijke wijziging die thans wordt voorgesteld, is dat de bevoegdheid tot vergunningverlening niet langer afhankelijk wordt gesteld van de ligging van de betrokken Natura 2000-gebieden. De locatie van een voorgenomen project zal daarentegen bepalen welk college van gedeputeerde staten bevoegd is om vergunning te verlenen. Heeft het project vervolgens ook mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden die in een andere Provincie zijn gelegen, dan zal de vergunning alleen kunnen worden verleend in overeenstemming met gedeputeerde staten van die Provincie. Ten aanzien van bepaalde gebieden en/of bepaalde activiteiten zal overigens, net zoals nu het geval is,[24] de Minister van EL&I het bevoegd gezag blijven.
Ook het gebiedsbeschermingsregime wordt gewijzigd. De gebiedsbescherming zal, na invoering van dit wetsvoorstel, op hoofdlijnen bestaan uit de volgende elementen: 1. aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden; 2. de verplichting om zorg te dragen voor actieve instandhoudingsmaatregelen en voor passende maatregelen; en 3. een regime voor een zorgvuldige beoordeling van nieuwe plannen en projecten die de natuurwaarden van een gebied kunnen aantasten.[25] Hoewel het wetsvoorstel bestaat uit veel minder artikelen dan de huidige Nb-wet 1998, verandert er inhoudelijk niet heel veel; de regeling uit art. 6 Habitatrichtlijn wordt min of meer letterlijk overgenomen. Een en ander resulteert in een overzichtelijk en beperkt aantal artikelen. Een aantal opvallende elementen bespreek ik kort. Ten eerste wordt voorgesteld het beschermingsregime te beperken tot gebieden waarvoor op grond van internationale verplichtingen (en dan in het bijzonder de Vogel- en Habitatrichtlijn) bescherming is vereist. De bescherming van nationale doelen (zoals het open en weidse karakter) en ook van beschermde natuurmonumenten komt daarmee te vervallen, althans, in het kader van de natuurwetgeving. Beoogd wordt om deze bescherming via het ruimtelijk spoor, desgewenst, te verzekeren.[26] Ook de vergunningplicht voor de zogeheten ‘andere handelingen’ waarop art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 thans ook betrekking heeft, vervalt na invoering van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel bevat verder een algemene verplichting voor gedeputeerde staten om zorg te dragen voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen als bedoeld in art. 6 lid 1 en 2 Habitatrichtlijn.[27] Ook wordt voorzien in een regeling voor het vaststellen van beheerplannen[28] en in een algemene aanschrijvingsbevoegdheid.[29] Deze regeling kan worden beschouwd als een vereenvoudigde versie van de huidige regeling in art. 19a en 19b Nb-wet 1998 respectievelijk art. 19c Nb-wet 1998. De toets die voor plannen en projecten moet worden uitgevoerd, verandert eveneens inhoudelijk niet. Wel wordt een en ander vormgegeven in (slechts) drie overzichtelijke artikelen.[30] Daarbij is relevant dat voorgesteld wordt de ‘natuurtoets’ verplicht te laten aanhaken zodra voor een bepaalde activiteit ook een omgevingsvergunning dient te worden verkregen. Op dit moment bestaat nog de mogelijkheid om eerst een losse Nb-wetvergunning aan te vragen. Een aanhaakverplichting ontstaat pas op het moment dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor ook een Nb-vergunning nodig is en laatstgenoemde vergunning nog niet is aangevraagd.[31]
Een belangrijke wijziging ten slotte is dat wordt voorzien in een algemene regeling om bepaalde aspecten programmatisch te regelen.[32] Een dergelijke regeling bevat de Nb-wet 1998 nu alleen voor de aanpak van stikstofdepositie.[33] Het wetsvoorstel laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat ook voor andere aspecten of andersoortige effecten kan worden gekozen voor een programmatische aanpak. Flexibiliteit wordt bereikt doordat het wetsvoorstel slechts een aantal randvoorwaarden voor een dergelijke aanpak beschrijft. De nadere detaillering zal vervolgens plaatsvinden bij ministeriële regels, waarvan de inhoud nog niet bekend is.
Het meest opvallende is dat het wetsvoorstel geen nadere regeling kent voor de toelaatbaarheid van bestaande activiteiten, terwijl juist op dit punt de laatste jaren veel – en ingewikkelde – jurisprudentie is verschenen. Het positieve hiervan is dat er in ieder geval geen regeling voor bestaand gebruik is opgenomen die niet in overeenstemming is met Europees recht, Europese en zelfs nationale jurisprudentie.[34] Maar anderzijds wordt er op deze manier ook geen duidelijk handvat voor de praktijk geboden en dient men zelf, aan de hand van ingewikkelde en moeilijk leesbare uitspraken, te concluderen of voor een bestaande activiteit mogelijk alsnog een ‘natuur’vergunning nodig is.
Al met al kan ten aanzien van het wetsvoorstel dan ook geconcludeerd worden dat het weliswaar op papier een duidelijke vereenvoudiging en verbetering is ten aanzien van de huidige Nb-wet 1998. De gedetailleerde regeling van de Nb-wet 1998 is teruggebracht tot een overzichtelijk en goed leesbaar wettelijk stelsel. Echter, de ingewikkeldheid van deze regeling is vaak niet het gevolg van moeilijke wetgeving, maar van de inhoud van de materie. Het natuurbeschermingsrecht kenmerkt zich immers door moeilijk toepasbare begrippen als ‘project’, ‘aantasting van natuurlijke kenmerken’, ‘significante gevolgen’ en ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’. Het wetsvoorstel brengt hierin geen wijziging – hetgeen ook logisch is, gezien de Europese basis van de nationale regeling.
3.Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie

3.1 Aanwijzing van Natura 2000-gebieden
In de periode waarop deze kroniek betrekking heeft, is nog een aantal uitspraken verschenen over de aanwijzing van Natura 2000-gebieden.[35]Deze uitspraken zijn feitelijk een herhaling van de lijn die de ABRvS met de uitspraken van 16 maart 2011[36] heeft ingezet, dan wel borduren op deze uitspraken voort. Ter illustratie bespreek ik hier een enkele uitspraak. In de uitspraak van 3 augustus 2011[37] kwam aan de orde een aanpassing van de begrenzing van een Habitatrichtlijngebied ten opzichte van de aanmelding bij de Europese Commissie. Deze aanpassing was, aldus de minister, nodig om de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied te kunnen realiseren. De uitspraak herhaalt eerst dat de minister een zekere beoordelingsruimte heeft bij de exacte begrenzing van een gebied en dat een verandering c.q. uitbreiding van de begrenzing ten opzichte van het aangemelde gebied, samengevat, is toegestaan indien door uitbreiding van een gebied verdergaande bescherming wordt geboden aan de habitats waarvoor een gebied is aangewezen. Uitbreiding van de begrenzing is mogelijk indien deze uitbreiding uitsluitend is gebaseerd op overwegingen van ecologische aard. In dit geval had de minister echter onvoldoende gemotiveerd waarom de uitbreiding van de voorgenomen omvang (meer dan een verdubbeling in oppervlakte) noodzakelijk was voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De ABRvS continueert ook de lijn dat het beleid van de minister om bij de aanwijzing als Natura 2000-gebied, de begrenzing van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied zo veel mogelijk gelijk te trekken, alleen kan worden gevolgd indien dit beleid uitsluitend is gebaseerd op ornithologische en ecologische criteria.[38]
Als een (onherroepelijk) aanwijzingsbesluit wordt gewijzigd, kan – hetgeen voor de hand ligt – in beginsel slechts opgekomen worden tegen wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit.[39] Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of omstandigheden van na het rechtens onaantastbaar worden van het oorspronkelijke besluit naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om het besluit ook op andere onderdelen te wijzigen. Als een gebied nog niet is aangewezen, maar al wel is aangemeld bij de Europese Commissie en op de lijst van communautair belang is geplaatst, kunnen – bijv. in het kader van een vergunningprocedure – alleen de gevolgen worden betrokken die het betrokken project of de betrokken andere handeling kan hebben voor de soorten en de habitats waarop de aanmelding bij de Europese Commissie en de plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang betrekking heeft. Dat het voornemen bestaat om bij de definitieve aanmelding van het gebied ook (extra) complementaire doelen in het aanwijzingsbesluit op te nemen, en dit voornemen ook al is vertaald in een ontwerp-aanwijzingsbesluit, doet daaraan niets af.[40] Wellicht heeft dit met name te maken met het feit dat complementaire doelen door Nederland zelf zijn gesteld en deze doelen niet dienen ter uitvoering van Europese verplichtingen.
3.2 Vergunningperikelen
Vergunning ex art. 16 Nb-wet 1998
De uitspraak van 28 maart 2012[41] is het nationaalrechtelijke equivalent van de uitspraak van 31 maart 2010[42]. Hier kwam aan de orde de vraag hoe een uitbreiding van een bestaande activiteit zou moeten worden getoetst en in hoeverre daarbij relevant is dat voor de bestaande activiteit toestemming is verleend vóórdat het betrokken gebied als beschermd natuurmonument is aangewezen. De ABRvS achtte dat relevant. Dat betekent, aldus de ABRvS, dat wanneer de vergunde uitbreiding niet leidt tot een toename van de ammoniakdepositie ten opzichte van de krachtens de Hinderwet of de Wet milieubeheer vergunde situatie op het moment van de aanwijzing van het beschermd natuurmonument, schadelijke effecten in de zin van het voormalige art. 16 lid 3 Nb-wet 1998 zijn uitgesloten. Voor de beoordeling of de ammoniakdepositie in de aangevraagde situatie niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie vóór de aan te houden referentiedata (te weten de data waarop de relevante gebieden zijn aangewezen), is verder niet van belang of de inrichting feitelijk nog in overeenstemming met de voor die datum vergunde situatie in werking is.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat art. 16 lid 3 Nb-wet 1998 met de inwerkingtreding van de Chw – en dus per 31 maart 2010 – is komen te vervallen. Voordien kon de vergunning ex art. 16 Nb-wet 1998 slechts worden verleend indien de natuurlijke kenmerken van het beschermd natuurmonument niet werden aangetast door de voorgenomen activiteit. De wetgever achtte deze voorwaarde te streng en heeft, door het laten vervallen van art. 16 lid 3 Nb-wet 1998, het bevoegd gezag de ruimte willen bieden om bij vergunningverlening niet alleen rekening te houden met de bescherming van de natuurwaarden, maar ook met andere belangen die met het uitvoeren van de aangevraagde activiteit zijn gemoeid.[43] De toets die thans moet worden verricht is een toets op basis van art. 3:4 lid 2 Awb. Daarmee is ook meteen de marginale rol van de bestuursrechter gegeven: deze kan bij de toetsing van de afweging van belangen slechts concluderen of deze belangenafweging in strijd met art. 3:4 lid 2 Awb is verricht, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.[44]
Projectbegrip
De uitspraak inzake de elektriciteitscentrale in de Eemshaven en bijbehorende werkzaamheden in de haven van 24 augustus 2011 is een mooie illustratie van de wijze waarop de ABRvS invulling geeft aan het projectbegrip van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998.[45] Het betrof hier de situatie dat de koelwaterinlaat ten behoeve van de centrale was voorzien in een te realiseren uitbreiding van de Eemshaven. Tevens bestond het voornemen om een laad- en losplaats aan de kade van deze havenuitbreiding te realiseren. Gelet hierop oordeelde de ABRvS dat deze werkzaamheden in de Eemshaven niet konden worden beschouwd als een autonome ontwikkeling van de Eemshaven, maar als werkzaamheden die het mogelijk maken om de centrale zoals deze is vergund, te bouwen en in werking te brengen. Verder was ter zitting bevestigd dat de vergunde centrale niet gebouwd en in werking gebracht zou kunnen worden indien de uitbreiding van de haven geen doorgang zou vinden. In dat geval zou de koelwaterinlaat elders gerealiseerd dienen te worden en zou de Nb-wetvergunning voor de centrale gewijzigd moeten worden, of zou een nieuwe vergunning moeten worden aangevraagd. Onder die omstandigheden was de ABRvS van oordeel dat de uitbreiding en de verdieping van de haven en de bouw en exploitatie van de centrale zodanig met elkaar verbonden zijn dat deze als één project in de zin van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 zijn te beschouwen. Deze procedure krijgt mogelijk nog wel een staartje. Als gevolg van deze uitspraak is in de beroepsprocedure tegen de Nb-wetvergunning voor de havenwerkzaamheden zonder zitting uitspraak gedaan. Ook die vergunning was vernietigd, omdat, aldus de ABRvS, de haven(werkzaamheden) en de centrale als één project voor de beoordeling van de vergunningplicht dienen te worden aangemerkt.[46] In de (verzets)uitspraak van 30 mei 2012 kwam echter wederom de vraag aan de orde of alle aan Groningen Seaports vergunde werkzaamheden in de Eemshaven wel als één project met de elektriciteitscentrale konden worden aangemerkt.[47] Hier concludeerde de ABRvS dat de eerdere conclusie echter niet zonder zitting kon worden vastgesteld. Wordt vervolgd dus. In de uitspraak van 4 mei 2011[48] was in ieder geval geen sprake van één project. Ook hier betrof het een elektriciteitscentrale waar een nieuwe eenheid werd bijgebouwd. Voor deze nieuwe activiteit was een aparte Nb-wetvergunning verleend. De ABRvS concludeerde dat de voorziene centrale en de bestaande centrale niet zodanig met elkaar waren verbonden dat sprake was van één project. Daarvoor achtte de ABRvS van belang dat was gebleken dat de voorziene centrale en de daarbij behorende voorzieningen, waaronder de koelwaterinlaat, onafhankelijk van de bestaande centrale en bijbehorende voorzieningen in werking zullen zijn. Dat voor de toevoer van kolen naar de nieuwe eenheid gebruik wordt gemaakt van een al bestaande transportband, deed daaraan niet af.
Bestaand gebruik
Zoals al opgemerkt is de definitie van bestaand gebruik in art. 1 onder m Nb-wet 1998 met ingang van 31 december 2011 gewijzigd. De uitspraak van 18 mei 2011[49] is nog gewezen onder oud recht. Het betrof een wijziging van de bedrijfsactiviteiten van de cementfabriek van ENCI, door middel van een wijziging van de samenstelling van de ertsstoffen die in het productieproces worden ingezet. Deze wijziging leidde tot een verhoging van de emissie. Aldus was sprake van een wijziging in betekenende mate, zodat ook niet kon worden gesteld dat nog steeds sprake was van bestaand gebruik. Ook het uitrijden en injecteren van drijfmest was ten onrechte als bestaand gebruik aangemerkt, maar dat gaf het bevoegd gezag tijdens de zitting reeds zelf toe.[50] Daarbij stelde de ABRvS nog ten overvloede dat de handeling de kwaliteit van het betrokken Natura 2000-gebied zou kunnen verslechteren en dat een vergunning op grond van art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 dus vereist is. Dat het – zoals het bevoegd gezag aanvoerde – niet voor de hand lag en ook niet wenselijk was om bemesting op individuele en incidentele basis via vergunningverlening te reguleren, maakt dit niet anders, aldus de ABRvS.
Over de wijze waarop bestaande (lees: vergund voordat een gebied werd aangewezen of aangemeld als Vogel- respectievelijk Habitatrichtlijngebied) activiteiten bij de beoordeling van een nieuwe activiteit moeten worden betrokken, schreef ik reeds in de vorige kroniek (BR 2011/67). Daarbij is met name het moment waarop de bestaande activiteiten zijn toegestaan van belang. Als relevante peildatum heeft in dat verband te gelden de datum waarop een gebied is aangewezen of is aangemeld bij de Europese Commissie, waarbij het in alle gevallen moet gaan om een datum die niet voor 10 juni 1994 is gelegen. In aanvulling daarop is het volgende nog van belang. Als een gebied zowel Vogel- en Habitatrichtlijngebied is, vormt de oudste datum de relevante peildatum.[51] Dat is meestal de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied.
Rol van art. 19e Nb-wet 1998
De toets aan art. 19e Nb-wet 1998 komt ook steeds vaker aan bod in uitspraken. Ingevolge dit artikel dient het bevoegd gezag, los van de conclusies uit de passende beoordeling, te beoordelen of de aangevraagde activiteit bij afweging van de betrokken belangen kan worden verleend. Daarbij dient het college na te gaan of het project of de andere handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd zodanige nadelige effecten heeft op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen dan wel op de natuurlijke kenmerken van het gebied, dat de vergunning bij afweging van de betrokken belangen behoort te worden geweigerd. Een voorbeeld van een weigering die is gebaseerd op art. 19e Nb-wet 1998 is de uitspraak van 30 november 2011.[52] De uitspraak van 8 februari 2012[53] laat zien dat de ABRvS in dit verband een marginale toets verricht. Onderzocht wordt of het bevoegd gezag zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen sprake is van zodanig nadelige effecten op de soorten waarvoor het betrokken Natura 2000-gebied is aangewezen dan wel op de natuurlijke kenmerken van dit gebied, dat de vergunning bij afweging van de betrokken belangen had moeten worden geweigerd.
Effectbeoordeling
Bij vergunningverlening dienen ook de effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden te worden beoordeeld. Niet omdat daartoe op grond van de Nb-wet 1998 een directe bevoegdheid bestaat voor vergunningverlenende instanties, maar omdat bij de voorbereiding van een besluit tot verlening van een vergunning beoordeeld dient te worden of vergunningverlening in overeenstemming is met art. 6 lid 3Habitatrichtlijn. In dit artikel ligt de algemene verplichting voor lidstaten besloten om een passende beoordeling te verrichten voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. In het licht daarvan moet ook ten aanzien van buitenlandse Natura 2000-gebieden de zekerheid zijn verkregen dat de vergunde activiteit de natuurlijke kenmerken van de beschermde, buitenlandse gebieden niet zal aantasten.[54]
Een voorbeeld van de wijze waarop de effectbeoordeling dient plaats te vinden, kan ook worden gevonden in de uitspraak van 4 mei 2011.[55] Uit deze uitspraak volgt dat de conclusie dat de nadelige gevolgen die kunnen optreden als gevolg van een plan of project niet-significant kunnen zijn, niet kan worden gebaseerd op de stelling dat een vaste getalsmatige grens niet wordt overschreden. Indien uitsluitend een dergelijke grens wordt gehanteerd, wordt niet voldaan aan de verplichting de mate waarin aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan bij de beoordeling van de significantie te betrekken, noch aan de verplichting de significantie van de effecten te beoordelen in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft. Dat betekent dat het hanteren van een vaste getalsmatige grens – in dit geval 1% areaalverlies van de oppervlakte van de betrokken habitattypen – niet kan worden aanvaard. Voortbordurend op deze algemene conclusies is het niet onlogisch dat de ABRvS in de uitspraak van 8 februari 2012 stelde dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een vooraf bepaalde vaste afstand tussen windturbines en Natura 2000-gebieden dient te worden aangehouden.[56] Er kan immers niet in algemene zin op voorhand worden vastgesteld of een project vanaf een bepaalde afstand wel of geen verslechterende of significant verstorende effecten kan hebben. Echter, voor soorten die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn kan, bij gebreke van een ander wetenschappelijk onderbouwd criterium wel het zogeheten ORNIS-criterium worden gehanteerd, zo bevestigde de ABRvS nog eens in de uitspraak van 8 februari 2012.[57] Onduidelijk is overigens vooralsnog of dit criterium ook kan worden gehanteerd bij Habitatrichtlijnsoorten. In voornoemde uitspraak hoefde de ABRvS, ondanks een daartoe strekkende beroepsgrond, op dit punt geen uitspraak te doen, nu gebleken was dát het ORNIS-criterium niet was toegepast ten aanzien van Habitatrichtlijnsoorten.
Bij de effectbeoordeling dient uitgegaan te worden van de instandhoudingsdoelstelling op gebiedsniveau, en niet van de landelijke staat van instandhouding.[58] Bij de beoordeling van de gevolgen dient voorts de feitelijke situatie in het Natura 2000-gebied als uitgangspunt te worden genomen.[59] Uit de uitspraak van 2 mei 2012 volgt ten slotte dat ook van belang is in hoeverre sprake is van tijdelijke effecten.[60] Als er een verwaarloosbare kleine kans op een effect is, behoeven de gevolgen hiervan voor deze soort in de passende beoordeling niet te worden betrokken.[61]
Indien in een gebied prioritaire soorten of habitattypen voorkomen en niet met zekerheid kan worden gesteld dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, bepaalt art. 19g lid 2 jo. lid 3 Nb-wet 1998 dat in het merendeel van de gevallen advies van de Europese Commissie dient te worden verkregen ten aanzien van de dwingende redenen die vergunningverlening kunnen rechtvaardigen. Onduidelijk was echter of dit advies al gevraagd zou moeten worden indien significante effecten zouden kunnen optreden in gebieden waar deze prioritaire soorten of typen (enkel) aanwezig zouden zijn, of dat de potentiële significante effecten zich zouden moeten voordoen ten aanzien van deze prioritaire soorten of typen. De uitspraak van 24 augustus 2011 geeft duidelijkheid op dit punt.[62] In deze uitspraak stelt de ABRvS dat er een verplichting bestaat om advies aan de Commissie te vragen indien uit de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een prioritair habitattype niet worden aangetast vanwege een of meer projecten. Niet de enkele aanwezigheid van prioritaire typen of soorten is, met andere woorden, bepalend.
Stikstofperikelen en art. 19kd Nb-wet 1998
In de periode waarop deze kroniek betrekking heeft, zijn weer meerdere uitspraken verschenen waarin stikstofdepositie een belangrijke kwestie was. Dat het lang niet altijd fout hoeft te gaan indien een voorgenomen activiteit stikstofdepositie veroorzaakt, blijkt uit de uitspraak inzake het Tracébesluit A4 Delft-Schiedam.[63] Als gevolg van de aanleg van dit tracé was sprake van een geringe toename van verkeer. Echter, uit deskundigenrapportages volgde dat er na realisatie van de A4 geen toename van de depositie zou optreden ten opzichte van de situatie in 2010. Dit kwam omdat de autonome ontwikkeling tot 2016-2020 een afname liet zien ten opzichte van de situatie in 2010 die groter is dan de beperkte toename als gevolg van de aanleg van de A4. Aldus was het opstellen van een passende beoordeling ook niet vereist.
Niet altijd kan echter geprofiteerd worden van een afname in de autonome ontwikkeling. Dat blijkt uit de uitspraak inzake het inpassingsplan Parkstad Limburg.[64] Dit plan voorzag in de realisering van een ringweg. Ook hier werd geconcludeerd dat de ringweg (en daarmee het inpassingsplan) op zichzelf een toename van de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden tot gevolg zal hebben, doch dat de autonome ontwikkeling een afname zou laten zien die groter is dan de toename als gevolg van het inpassingsplan. De ABRvS was echter – anders dan bij de uitspraak over het Tracébesluit A4 Delft-Schiedam – erg kritisch over deze redenering. Nu niet duidelijk was hoe hoog de toename ten gevolge van het inpassingsplan was en hoe deze toename zich verhoudt tot de achtergrondconcentratie, kon niet geconcludeerd worden dat de zekerheid bestaat dat het inpassingsplan de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zou aantasten. Daarbij achtte de ABRvS ook nog van belang dat de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitats in de betrokken Natura 2000-gebieden in ruime mate worden overschreden, dat voor de gevoelige habitattypen in de ontwerp-aanwijzingsbesluiten verbeterdoelstellingen zijn opgenomen, dat niet inzichtelijk is gemaakt welke gevolgen de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van het inpassingsplan zal hebben én dat het inpassingsplan een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben. De ABRvS meende dan ook dat het (eventueel) positieve effect van een autonome afname niet in de beoordeling kon worden betrokken. Daartoe stelde de ABRvS dat, daargelaten de vraag naar de zekerheid van de mate van afname in de komende jaren, de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van het inpassingsplan in relatie tot het behalen van de verbeterdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitattypen niet inzichtelijk zijn gemaakt. Daardoor was ook niet duidelijk in hoeverre het inpassingsplan het behalen van deze verbeterdoelstellingen zal vertragen dan wel aan het behalen daarvan in de weg staat. Het inpassingsplan werd derhalve vernietigd.
Het verschil met de uitspraak inzake het Tracébesluit A4 Delft-Schiedam is op zijn minst opmerkelijk. In de uitspraak inzake het inpassingsplan Parkstad Limburg geeft de ABRvS echter zelf een verklaring voor het verschil. Zo stelt de ABRvS dat de uitspraak inzake het Tracébesluit betrekking heeft op een situatie waarbij de voorziene weg op ongeveer 14 km van het desbetreffende Natura 2000-gebied is gelegen. Nu het in dat geval een indirecte en beperkte toename betrof kon worden geoordeeld dat significante effecten in het desbetreffende Natura 2000-gebied waren uitgesloten. Uit die uitspraak kan, aldus de ABRvS, niet worden afgeleid dat in iedere situatie waarin sprake zou zijn van een autonome afname van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die groter is dan de toename ten gevolge van een bepaald plan of project, zonder meer kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied. Daarbij acht de ABRvS tevens van belang dat ten aanzien van de ringweg na de afname van de stikstofdepositie in de autonome ontwikkeling de kritische depositiewaarden van de voor stikstofgevoelige habitattypen bij de ingebruikname van de weg toch nog in ruime mate zullen worden overschreden, alsook dat de beoogde weg twee Natura 2000-gebieden zal doorkruisen en een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben.
Het is dan ook niet zo opmerkelijk dat wat later na deze uitspraak ook de Nb-wetvergunning voor de aanleg en het gebruik van de ringweg werd vernietigd.[65] Laatstgenoemde uitspraak bevat echter nog een belangrijke overweging ten aanzien van de regeling in art. 19kd lid 1 onder b Nb-wet 1998. Op grond van dit artikel worden, samengevat, de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie niet bij vergunningverlening betrokken indien er per saldo geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Er is, aldus de ABRvS, pas sprake van ‘per saldo geen toename’ indien dit volgt uit een vergelijking tussen enerzijds de in 2015 (datum ingebruikname van de weg) te verwachten stikstofdepositie bij voortzetting van de huidige situatie en anderzijds de in dat jaar te verwachten stikstofdepositie na aanleg en ingebruikname van de weg. Dit volgt, aldus wederom de ABRvS, uit de tekst van onderdeel b. Dit onderdeel acht bepalend of de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteit in samenhang met de voor die activiteit getroffen maatregelen ‘per saldo’ niet is toegenomen of zal toenemen. Dit is anders indien de situatie van art. 19kd lid 1 onder a Nb-wet 1998 zich voordoet. In dat geval gaat het om veranderingen bij een bestaande activiteit en zal moeten worden nagegaan of, gerekend vanaf een bepaalde referentiedatum, per saldo geen sprake is van toename van stikstofdepositie. De dan relevante referentiedatum wordt bepaald door het moment waarop het relevante Natura 2000-gebied is aangewezen dan wel aangemeld, zoals hierna nog wordt toegelicht.[66]
Met de uitspraak van 7 september 2011[67] werd de discussie of in een situatie dat een beroep kon worden gedaan op art. 19kd Nb-wet 1998, er nog een (algemene) vergunningplicht ex art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 zou bestaan, beslecht. Deze uitspraak is aanleiding geweest voor het wetsvoorstel tot aanpassing van dit artikel. Dit wetsvoorstel besprak ik reeds in par. 2. In deze uitspraak laat de ABRvS de formulering van art. 19kd Nb-wet 1998 prevaleren boven de bedoeling van de wetgever, zoals deze ook blijkt uit de wetsgeschiedenis. Er wordt dan ook geconcludeerd dat uit art. 19kd Nb-wet 1998 niet volgt dat de uit art. 19d Nb-wet 1998 voortvloeiende vergunningplicht niet geldt voor de in art. 19kd lid 1 Nb-wet 1998 omschreven gevallen. Veeleer moet, aldus de ABRvS, uit de tekst worden opgemaakt dat bij de besluitvorming over de te verlenen vergunning de gevolgen die een handeling kan hebben voor het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied niet worden betrokken, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 19kd Nb-wet 1998. Daarmee is het voordeel van art. 19kd Nb-wet 1998 dus al enigszins beperkt. De (negatieve) consequenties van deze uitspraak zijn echter nog groter. In dezelfde uitspraak overwoog de ABRvS vervolgens dat de referentiedatum als bedoeld in art. 19kd lid 3 onder a en b Nb-wet 1998 (te weten 7 december 2004) in strijd is met de Habitatrichtlijnvoor zover deze regeling betrekking heeft op Vogelrichtlijngebieden die reeds vóór 7 december 2004 zijn aangewezen. Bij dergelijke gebieden zou de datum van aanwijzing als peildatum moeten worden gehanteerd. Daarbij plaatst de ABRvS nog wel de kanttekening dat als vroegste peildatum 10 juni 1994 moet worden gebruikt, ook als een Vogelrichtlijngebied voor 10 juni 1994 is aangewezen. De in art. 19kd lid 3 Nb-wet 1998 opgenomen referentiedatum van 7 december 2004 is niet in strijd met de Habitatrichtlijn voor zover sprake is van Vogelrichtlijngebieden die op of na deze referentiedatum zijn aangewezen en op Habitatrichtlijngebieden.
Mitigerende maatregelen
Het positieve effect van mitigerende maatregelen mag in de passende beoordeling worden betrokken. Mitigerende maatregelen kunnen op die manier dus bijdragen aan de conclusie dat een project of plan niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied en dat toestemming kan worden verleend. Dit is anders bij compenserende maatregelen. Deze maatregelen worden getroffen op het moment dat in de passende beoordeling geconcludeerd wordt dat een plan of project zorgt voor een aantasting van het Natura 2000-gebied. Deze aantasting dient dan, op grond van art. 19h lid 1 Nb-wet 1998 te worden gecompenseerd. Het verschil tussen mitigerende en compenserende maatregelen is dan ook van belang. Als mitigerende maatregelen zijn beschouwd maatregelen ter verbetering van voor stikstofgevoelige habitattypen, die op basis van een nog op te stellen uitvoeringsplan worden uitgevoerd in de betrokken Natura 2000-gebieden. Nu als gevolg van deze maatregelen meer stikstof uit de habitattypen wordt weggehaald dan er als gevolg van de vergunde activiteit bijkomt, concludeerde de ABRvS dat de toename van stikstofdepositie als gevolg van het in werking zijn van de vergunde activiteit geen afbreuk doet aan de mogelijkheden om een gunstige staat van instandhouding van de beschermde habitattypen te bereiken.[68] Saldering is een vorm van mitigatie en wordt vaak toegepast bij een activiteit die leidt tot een toename van ammoniakdepositie. Een vorm van salderen is de beëindiging van bedrijfsactiviteiten die ook ammoniakdepositie veroorzaken. Alleen als er een directe samenhang tussen de vergunde oprichting van het nieuwe bedrijf en de beëindiging van het reeds bestaande bedrijf bestaat, mag de beëindiging eventueel worden beschouwd als een relevante salderings-/mitigerende maatregel.[69] Directe samenhang is er bijvoorbeeld indien in de aanvraag en het besluit tot vergunningverlening een koppeling wordt gelegd tussen de beoogde activiteit en de voorgenomen bedrijfsbeëindiging en deze koppeling ook blijkt uit het besluit tot intrekking van de milieuvergunning van het te beëindigen bedrijf. Een voorbeeld van een geslaagd beroep op saldering biedt ook de uitspraak van 21 september 2011, waarin het een vergunning voor de uitbreiding en verplaatsing van een aantal agrarische bedrijven betrof.[70] Van belang is of de ammoniakdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden afneemt of gelijk blijft. Dat, ook na salderen, de achtergronddepositie (te) hoog blijft, doet niet ter zake.[71] Intrekking van een vergunning die is verleend voordat het relevante gebied werd aangewezen als Vogelrichtlijngebied of werd aangemeld als Habitatrichtlijngebied, heeft geen effect en kan dan ook niet worden beschouwd als een mitigerende maatregel. Dit volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 18 april 2012.[72]
De Provincie Noord-Brabant heeft ter vergemakkelijking van het salderen van effecten een depositiebank opgericht. In dat geval vindt saldering plaats tussen de toename van ammoniakemissie van een voorgenomen activiteit en afname van ammoniakemissie van bedrijven waarvan de vergunning is ingetrokken. Deze afname wordt geregistreerd en gereserveerd in een zogeheten depositiebank. Het oordeel van de ABRvS over deze depositiebank is interessant. Wellicht is dit de oplossing voor de toenemende stikstofproblematiek. Dit oordeel laat echter nog even op zich wachten. Uit de voorzittersuitspraak van 4 april 2011[73] blijkt in ieder geval reeds dat er nog de nodige vragen bij het gebruik van een dergelijke depositiebank kunnen worden gesteld. Deze vragen zijn in de bodemuitspraak niet beantwoord, aangezien de ABRvS toen – eenvoudigweg – concludeerde dat het gebruikmaken van de ruimte die de depositiebank biedt niet leidt tot de conclusie dat dan geen passende beoordeling hoeft te worden opgesteld.[74] Dat ligt ook voor de hand. Vaste jurisprudentie[75] is immers dat het positieve effect van mitigerende (en dus ook van salderings)maatregelen niet mag worden betrokken bij de vraag of een passende beoordeling nodig is.
Cumulatie
Op grond van art. 19f lid 1 Nb-wet 1998 dienen in de passende beoordeling de gevolgen van een plan of project niet alleen afzonderlijk te worden beoordeeld, maar moet ook bezien worden wat deze gevolgen zijn in combinatie met andere projecten of plannen. In het kader van deze cumulatieve beoordeling kunnen onzekere toekomstige gebeurtenissen bij de beoordeling buiten beschouwing blijven. Uit de uitspraak van 4 mei 2011 volgt voorts dat het standpunt dat bij de cumulatieve beoordeling alleen effecten betrokken hoefden te worden van projecten waarvoor vergunning op grond van de Nb-wet 1998 is verleend en die nog niet in bedrijf zijn gesteld en van projecten waarvoor verlening van een dergelijke vergunning op korte termijn is te verwachten, niet onjuist is te achten.[76] Voor een geslaagd beroep dat de cumulatieve beoordeling onjuist is uitgevoerd, is overigens vereist dat appellanten zelf inzichtelijk maken welke activiteiten ten onrechte buiten deze beoordeling zijn gelaten.[77]
Intrekking van een vergunning
Over de intrekking van een Nb-wetvergunning bestaat maar weinig jurisprudentie. In de uitspraak van de ABRvS van 27 juli 2011[78] was aan de orde een verzoek van derden om een Nb-wetvergunning in te trekken. Dit verzoek was door GS van Limburg geweigerd, ten eerste onder aanvoering van de stelling dat derden-belanghebbenden niet om intrekking van een Nb-wetvergunning zouden kunnen verzoeken. Met deze stelling maakt de ABRvS korte metten: een verzoek om intrekking kan door iedere belanghebbende worden ingediend. Het verzoek werd echter ook op inhoudelijke gronden afgewezen. Er werd om intrekking verzocht omdat de verlening van de Nb-wetvergunning was gebaseerd op het Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000-gebieden, terwijl uit latere uitspraken van de ABRvS[79] was gebleken dat bij toepassing van dit toetsingskader significant negatieve effecten niet zijn uitgesloten (en de vergunning dus niet zonder meer verleend had kunnen worden). GS stelden echter dat de in art. 43 Nb-wet 1998 limitatief opgesomde intrekkingsgronden niet aan de orde waren. Ook dit betoog vindt geen steun van de ABRvS. Juist omdat significant negatieve effecten nu niet konden worden uitgesloten, meent de ABRvS dat de vergunning in strijd met art. 19f lid 1 Nb-wet 1998 is verleend. De vergunning kon om die reden, met toepassing van art. 43 lid 2 onder d Nb-wet 1998, dan ook worden ingetrokken. Echter, ook dat mocht verzoekers in dit geval niet baten. Intrekking van een Nb-wetvergunning is immers een bevoegdheid en geen verplichting. Het stond GS dan ook vrij om de vergunning desondanks niet in te trekken nu zij ‘bij afweging van de daarbij betrokken belangen in dit geval in redelijkheid doorslaggevend gewicht mochten hechten aan het belang van de rechtszekerheid voor de vergunninghouder’. Kortom: het verzoek om intrekking, hoewel hiervoor een wettelijke grondslag bestond, mocht worden geweigerd.
Overdraagbaarheid van vergunningen
Er bestond nog geen jurisprudentie over de vraag of Nb-wetvergunningen overdraagbaar zijn. Met de uitspraak van 21 maart 2012[80] is daar een einde aan gekomen. Uit deze uitspraak volgt dat vergunningen als zodanig niet overdraagbaar zijn. De redenering daarbij is dat vergunningen moeten worden beschouwd als een ‘ander recht’ in de zin van art. 3:83 lid 3 BW, dergelijke andere rechten slechts overdraagbaar zijn indien de wet dit bepaalt en een dergelijke bepaling ten aanzien van Nb-wetvergunningen ontbreekt. Dat laat echter, aldus de ABRvS in deze uitspraak, onverlet dat wel een overgang van vergunningen kan worden bewerkstelligd, door een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling bij het bevoegd gezag in te dienen. Dit bevoegd gezag heeft echter niet de verplichting om een dergelijk verzoek in te willigen. Indien – zoals in de uitspraak van 21 maart 2012 het geval was – een uitsterfbeleid ten aanzien van de vergunde activiteit wordt gevoerd, kan hierin een reden liggen om niet mee te werken aan een wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. In dat geval – aldus ook de ABRvS – behoort een overdracht van aandelen van de vergunninghouder (mits de vergunninghouder geen natuurlijke persoon is) uiteraard nog wel tot de mogelijkheden en kan langs die weg de Nb-wetvergunning (of in ieder geval de feitelijke zeggenschap over de vergunde activiteit) alsnog worden verkregen.
3.3 Toetsing van plannen
In art. 19j Nb-wet 1998 is een regeling opgenomen voor de toetsing van plannen die mogelijk significante effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Inhoudelijk is de regeling gelijk aan art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 e.v. De verplichte plantoets gaat in de praktijk lang niet altijd goed, zo is ook nu weer gebleken.[81]Van belang is ten eerste te realiseren dat zodra een passende beoordeling voor een plan moet worden verricht, op grond van art. 7.2a lid 1 Wm ook een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. De voorzittersuitspraak van 16 april 2012 laat nog eens zien dat niet iedereen dit helder op het netvlies heeft.[82] De toets of voor projecten een vergunning nodig is, is vergelijkbaar met de plantoets. Niet helemaal logisch is dan ook de uitspraak waarin geoordeeld wordt dat een passende beoordeling voor een bestemmingsplan niet nodig was, terwijl uit de uitspraak kan worden afgeleid dat voor de activiteiten die met het bestemmingsplan mogelijk werden gemaakt, wel een vergunning ex art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 benodigd bleek.[83]
Van belang is ook om het volgende te realiseren. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de raad de aanvaardbaarheid daarvan opnieuw te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving.[84] Uit de enkele omstandigheid dat een deel van de bouwvlakken voor intensieve veehouderijen overeenstemt met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan reeds waren opgenomen, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met art. 19j Nb-wet 1998.[85] Bij de toets van de mogelijke effecten van een plan kan aldus een onder het voorheen geldende plan toegestane, maar niet verwezenlijkte bestemming, niet als uitgangspunt worden genomen.[86] Dit zal opnieuw moeten worden nagegaan. Indien een plan wijzigingsbevoegdheden bevat voor, in dit geval, de vergroting van bouwvlakken voor grondgebonden en intensieve veehouderijen, dient reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan te worden onderzocht of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Daarbij moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.[87] Het noodzakelijke ecologische onderzoek kan niet worden doorgeschoven naar een later stadium, bijvoorbeeld door in de bestemmingsplanbepalingen op te nemen dat dit onderzoek pas verricht hoeft te worden bij het verlenen van een binnenplanse ontheffing.[88]
De uitspraak van 7 september 2011[89] bespreekt de wijze van toetsing indien een plan voorziet in de mogelijkheid om bestaande grondgebonden en intensieve veehouderijen uit te breiden. De vraag of deze uitbreidingsmogelijkheden significante gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden kan niet worden beantwoord, aldus de ABRvS, zonder daarbij de gevolgen van de algehele omvang van deze veehouderijen voor die gebieden te betrekken, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. Dat de bestaande veehouderijen zouden kunnen worden aangemerkt als bestaand agrarisch gebruik waarvoor op grond van art. 19d Nb-wet 1998 geen vergunning is vereist, maakt dit niet anders. Dit standpunt gaat er, aldus de ABRvS, aan voorbij dat geen uitzondering bestaat op de vergunningplicht voor bestaand gebruik voor zover deze vergunningaanvragen mede betrekking hebben op de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden. Daarmee wordt aldus de koppeling gelegd met de uitspraak van 31 maart 2010.[90] Als in een passende beoordeling ten behoeve van een bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat bepaalde (mitigerende) maatregelen dienen te worden getroffen, dan dienen dergelijke maatregelen – in casu het voorkomen van lichtverstoring – in de bestemmingsplanregeling te worden opgenomen. Als dit niet gebeurt, is het plan in strijd met art. 19j Nb-wet 1998 vastgesteld.[91]
Op grond van art. 19j lid 5 Nb-wet 1998 bestaat er ten slotte geen verplichting tot het maken van een passende beoordeling in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds een passende beoordeling is gemaakt, voor zover een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. Een voorbeeld van een (voorlopig) geslaagd beroep op dit artikel biedt de voorzittersuitspraak van 16 november 2011.[92] Het betrof hier een wijzigingsplan ten behoeve van een minicamping, welk plan op 10 mei 2011 was vastgesteld. Voor dit kampeerterrein waren in het kader van de vraag of voor de aanleg van het kampeerterrein een vergunning ex art. 19d lid 1 Nb-wet 1998 nodig was, de effecten bij besluit van 11 mei 2010 beoordeeld. Nu deze beoordeling recentelijk was gemaakt, betrekking had op het project waarvoor ook het wijzigingsplan was vastgesteld en niet aannemelijk was dat sprake is van nieuwe gegevens of inzichten, kon van de passende beoordeling ten behoeve van de vergunning worden uitgegaan.
3.4 Varia
Relativiteitsvereiste Crisis- en herstelwet
De uitspraken van 4 januari 2012[93] en 14 september 2011[94] zijn een illustratie van de wijze waarop het relativiteitsvereiste van art. 1.9Chw (Crisis- en herstelwet), voor zover het de Nb-wet 1998 betreft, wordt ingevuld door de ABRvS. In de eerste uitspraak kwam een aantal omwonenden op tegen een Tracébesluit. In deze uitspraak overwoog de ABRvS dat de bepalingen van de Nb-wet 1998 met name ten doel hebben om het algemene belang van de bescherming van natuur en landschap te beschermen. Echter, de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met de algemene belangen die de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nb-wet 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Uit de uitspraak volgt dat een en ander zich min of meer vertaald in een afstandsnorm: bij Natura 2000-gebieden gelegen op grote afstand bestaat, aldus de ABRvS, geen duidelijke verwevenheid van het belang van een omwonende bij het behoud van een goede kwaliteit van haar leefomgeving met de algemene bepalingen die de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen. In dat geval moet wel worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nb-wet 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van deze omwonende. De uitspraak van 14 september 2011[95] ziet op de situatie dat een vereniging opkwam tegen de verlening van een Nb-wetvergunning. De vraag die zich hier voordeed, was of de Nb-wet 1998 ook zag op de bescherming van de statutaire belangen van de vereniging. Het belang van de vereniging was onder andere gericht op het handhaven en verbeteren van de visstand, zowel naar kwaliteit en kwantiteit, als naar verscheidenheid en op het voorkomen en bestrijden van situaties of gedragingen die schadelijk zijn of kunnen zijn of dat kunnen worden voor de visstand. Nu de statutaire belangen van de vereniging mede betrekking hebben op de bescherming van bepaalde natuurwaarden, vallen deze belangen, aldus de ABRvS, in dit geval samen met de algemene belangen die de Nb-wet 1998 beoogt te beschermen. Daarmee was aan het relativeitsvereiste voldaan.
Art. 28 EG-Verdrag
In het kader van een vergunning voor het uitzaaien van uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk geïmporteerde schelpdieren in de Oosterschelde werd aangevoerd dat de vergunningplicht ex art. 19d Nb-wet 1998 in dit geval in strijd zou zijn met het Unierecht.[96]Deze vergunningplicht zou, zo werd gesteld, moeten worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwalitatieve invoerbeperking in de zin van art. 28 EG-Verdrag (thans art. 30 VWEU). Een dergelijke handelsbelemmerende maatregel zou niet gerechtvaardigd kunnen worden met een beroep op art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn, noch zou de vergunningplicht gebaseerd kunnen worden op art. 30 EG-Verdrag (thans art. 36 VWEU). Dit betoog had echter geen kans van slagen. De ABRvS stelde dat wanneer op communautair niveau een geharmoniseerde regeling is getroffen voor een bepaalde materie, alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen aan de bepalingen van de harmonisatiemaatregel moeten worden getoetst en niet aan art. 28 of 30 EG-Verdrag (oud). Nu het uitzaaien moet worden aangemerkt als een project in de zin van de Habitatrichtlijn, is hierop art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn van toepassing. Daaruit volgt dat op communautair niveau een geharmoniseerde regeling is getroffen voor de betrokken materie, waarop het vergunningstelsel krachtens de Nb-wet 1998 betrekking heeft. Toetsing aan art. 28 of 30 EG-Verdrag (oud) is daardoor, aldus de ABRvS, niet meer aan de orde.
Schadevergoeding ex art. 31 Nb-wet 1998
De uitspraak van 27 april 2011 is een van de schaarse inhoudelijke uitspraken over de schadevergoedingsregeling in art. 31 e.v. Nb-wet 1998.[97] Het betreft een verzoek om schadevergoeding vanwege het afwijzen van een Nb-wetvergunning voor het mechanisch vissen van kokkels in de Oosterschelde. De uitspraak bevestigt ten eerste dat de schadevergoedingsregeling in de Nb-wet 1998 moet worden beschouwd als een nadeelcompensatieregeling. Dat betekent dat er alleen aanspraak bestaat op vergoeding indien de schade moet worden aangemerkt als buiten het normaal maatschappelijk risico vallende schade. Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het onder meer om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee degenen die daardoor worden geraakt rekening moeten houden, ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren, en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Hoe groot het normaal maatschappelijk risico is, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het gesteld schadeveroorzakende besluit. De ABRvS concludeert vervolgens dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen. Als belangrijkste redenen noemt de uitspraak dat de kokkelvisserij al sinds de jaren ’80 wordt geconfronteerd met beperkingen en dat al sinds 1999 de volledige voedselbehoefte van de scholeksters in de Oosterschelde in kokkels wordt gereserveerd. Naar het oordeel van de ABRvS is gelet daarop sprake van een dusdanige geleidelijke en voorzienbare ontwikkeling van het beleid ten aanzien van de kokkelvisserij in de Oosterschelde, dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schade die het gevolg is van een weigering van een vergunning op grond van dat beleid, binnen het normaal maatschappelijk risico van de kokkelvissers moet worden geacht te vallen. Daarbij is tevens van belang dat de kokkelvissers, gezien de kwetsbaarheid van het gebied waarin zij hun activiteiten wensen uit te voeren, alsmede in aanmerking genomen dat de vergunningen jaarlijks worden verleend of geweigerd, er rekening mee hadden dienen te houden dat een vergunning niet, of slechts onder stringente voorwaarden verleend zou worden.
4.Afronding

Het natuurbeschermingsrecht blijft een rechtsgebied dat in beweging is. De hele discussie rondom de programmatische aanpak ter voorkoming van stikstofdepositie is in deze kroniek zelfs buiten beschouwing gebleven. In dat verband wijs ik nog op de (lezenswaardige) voorlichting door de Raad van State ten aanzien van deze programmatische aanpak.[98] De Raad van State komt tot de conclusie dat de voorgestelde aanpak niet helemaal past binnen de Natuurbeschermingswet 1998. De voornaamste afwijking is de keuze om de Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd te maken zelf de ontwikkelingsruimte toe te wijzen aan nationale infrastructuurprojecten. Verder gaat het voorstel uit van een gefaseerde aanpak, terwijl de wet uitgaat van de vaststelling van een landsdekkend en meteen toepasbaar programma. Wat de Europese wetgeving betreft, ziet de Raad van State geen bezwaren tegen een programmatische aanpak als zodanig. Wel wijst zij erop, dat voor de gekozen aanpak uiteenlopende randvoorwaarden gelden, die moeten worden nageleefd. Zo moet gegarandeerd zijn, dat Nederland de natuurdoelen van Natura 2000 binnen een redelijke termijn zal bereiken. De tijd die Nederland daarvoor neemt, moet ecologisch verantwoord zijn. Doorslaggevend voor het slagen van de programmatische aanpak is dat de voorgestelde maatregelen op de afgesproken tijd en wijze worden uitgevoerd. De Raad van State benadrukt verder het belang van monitoring van de uitvoeringspraktijk en wijst erop dat de programmatische aanpak de laatste stand van de wetenschap en techniek moet weerspiegelen. Wordt vervolgd…

Voetnoten

Voetnoten

[1] M.M. (Marieke) Kaajan is advocaat bij Stibbe.
[2] M.M. Kaajan, ‘Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010’, BR 2011/67.
[3] Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone, Kamerstukken II 2008/09, 32 002, nr. 1 e.v.
[4] Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en enkele andere wetten (verbeteringen en aanvullingen), Stb. 2011, 675.
[5] Referentie 260571.
[6] ABRvS 31 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[7] Wet van 7 april 2011 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Dienstenwet en enige andere wetten ter vastlegging van uitzonderingen op de toepasselijkheid van de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen ingevolge de Dienstenwet, Stb. 2011, 201.
[8] Stb. 2009, 503.
[9] Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU L 276.
[10] Dit volgt uit art. 28 lid 1 Dienstenwet in combinatie met par. 4.1.3.3 Awb.
[11] Kamerstukken II 2010/11, 32 641, nr. 3, p. 14.
[12] Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht, Kamerstukken II 2011/12, 33 135.
[13] ABRvS (vz.) 22 juli 2010, nr. 201003331/2/R2.
[14] ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[15] Art. 19kd lid 3 onder a en b Nb-wet 1998.
[16] ABRvS 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[17] Kamerstukken II 2001/12, 33 135, nr. 3, p. 25-26.
[18] Art. 19kd lid 3 onder b wetsvoorstel.
[19] O.a. ABRvS 8 december 2010, nr. 200908373/1/R2 en ABRvS (vz.) 18 november 2011, nr. 20110808/2/R3.
[20] Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 3, p. 8.
[21] Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur), ontwerp wetsvoorstel natuur 0.2, 6 oktober 2011, http://internetconsultatie.nl/wetnatuur.
[22] M.M. Kaajan, ‘Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!’, M en R 2011/181. Zie verder ook I.R. Viertelhauzen, ‘De wijzigingen van het ontwerpwetsvoorstel Natuur’, TO 2012-01, 18.
[23] Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, p. 11-12.
[24] In de gevallen geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.
[25] Art. 2.1-2.9 wetsvoorstel
[26] Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, p. 15.
[27] Art. 2.2 wetsvoorstel.
[28] Art. 2.3 wetsvoorstel.
[29] Art. 2.4 wetsvoorstel.
[30] Art. 2.7-2.9 wetsvoorstel.
[31] Dit volgt uit art. 47 Nb-wet 1998.
[32] Art. 1.9 wetsvoorstel.
[33] Art. 19kg e.v. Nb-wet 1998.
[34] Zoals de uitspraak van het HvJ EU 14 januari 2010, nr. C-226/08, M en R 2010/40 en ABRvS 31 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[35] Een mooi overzichtsartikel over nieuwe jurisprudentie met betrekking tot de aanwijzing van Natura 2000-gebieden betreft H.E. Woldendorp, ‘Nieuwe jurisprudentie over de aanwijzing van Natura 2000-gebieden’, BR 2012/12.
[36] ABRvS 16 maart 2011, nr. 200904266/1/R2, 200902381/1/R2, 200902380/1/R2, 200902378/1/R2, 200902464/1/R2, 200902443/1/R2 en 200902398/1/R2.
[37] ABRvS 3 augustus 2011, nr. 201003064/T1/R2.
[38] ABRvS 26 december 2011, nr. 201003125/1/R2.
[39] ABRvS 20 juli 2011, nr. 201002979/1/R2.
[40] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 201007092/1/R2.
[41] ABRvS 28 maart 2012, nr. 201003118/1/A4.
[42] ABRvS 31 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[43] Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, p. 68.
[44] Aldus ook ABRvS 18 januari 2012, nr. 201110142/2/H4.
[45] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2.
[46] ABRvS 28 oktober 2011, nr. 201007498/2/R2 en 201007499/2/R2.
[47] ABRvS 30 mei 2012, nr. 201007498/3/R3 en 201007499/3/R3.
[48] ABRvS 4 mei 2011, nr. 200901310/1/R2 en 200901311/1/R2.
[49] ABRvS 18 mei 2011, nr. 200903577/1/R2.
[50] ABRvS 16 januari 2012, nr. 201012793/1/H4.
[51] ABRvS 18 april 2012, nr. 201003985/1/A4.
[52] ABRvS 30 november 2011, nr. 201008420/1/R2.
[53] ABRvS 8 februari 2012, nr. 201100875/1/R2.
[54] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2.
[55] ABRvS 4 mei 2011, nr. 200901310/1/R2 en 200901311/1/R2.
[56] ABRvS 8 februari 2012, nr. 201100875/1/R2.
[57] Zoals de ABRvS nog eens bevestigde in de uitspraak van 8 februari 2012, nr. 201100875/1/R2.
[58] ABRvS 2 mei 2012, nr. 201105967/1/R1.
[59] ABRvS 30 november 2011, nr. 201008420/1/R2 en ABRvS 18 januari 2012, nr. 201110142/2/H4.
[60] ABRvS 2 mei 2012, nr. 201105967/1/R1.
[61] ABRvS 8 februari 2012, nr. 201100875/1/R2.
[62] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2.
[63] ABRvS 6 juli 2011, nr. 201009980/1/M2. Een andere uitspraak waarin het (vooralsnog) goed ging betreft ABRvS (vz.) 1 september 2011, nr. 201107992/2/R2.
[64] ABRvS 7 december 2011, nr. 201011757/1R1 en 201012728/1/R1.
[65] ABRvS 25 april 2012, nr. 201105573/1/A4 en 201105587/1/A4.
[66] Conform de uitspraak van de ABRvS van 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[67] Conform de uitspraak van de ABRvS van 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[68] ABRvS 24 augustus 2011, nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2.
[69] ABRvS 29 juni 2011, nr. 200908730/1/R2.
[70] ABRvS 21 september 2011, nr. 201003291/1/R2, 201003294/1/R2 en 201003299/1/R2.
[71] ABRvS 4 april 2012, nr. 20100331/1/A4.
[72] ABRvS 18 april 2012, nr. 2010023985/1/A4.
[73] ABRvS (vz.) 4 april 2011, nr. 201010623/2/R3.
[74] ABRvS 27 februari 2012, nr. 201010623/1/R3.
[75] ABRvS 7 mei 2008, nr. 200604924/1 en 7 september 2011, nr. 201003301/1/R2.
[76] ABRvS 4 mei 2011, nr. 200901310/1/R2 en 200901311/1/R2.
[77] ABRvS 8 februari 2012, nr. 201100875/1/R2.
[78] ABRvS 27 juli 2011, nr. 201002690/1/R2.
[79] O.a. de uitspraak van de ABRvS van 24 september 2008, nr. 200708180/1.
[80] ABRvS 21 maart 2012, nr. 201100548/1/R2 en 201100550/1/R2.
[81] Zie ABRvS 24 augustus 2011, nr. 201002550/1/R3 voor een voorbeeld en ook ABRvS 7 december 2011, nr. 20100412/1/R1, waarin de ABRvS vaststelde dat bij de vaststelling van het plan in het geheel niet de effecten op het Natura 2000-gebied zijn onderzocht.
[82] ABRvS (vz.) 16 april 2012, nr. 201201394/2/R2. Zie in dit verband ook ABRvS 16 mei 2012, nr. 201007346/1/R2.
[83] ABRvS 16 mei 2012, nr. 201010535/1/R2.
[84] ABRvS 19 oktober 2011, nr. 200906702/1/R3.
[85] ABRvS 11 april 2012, nr. 201003878/1/R3.
[86] ABRvS 31 augustus 2011, nr. 201001276/1/R2.
[87] ABRvS 11 april 2012, nr. 201003878/1/R3.
[88] ABRvS 25 mei 2011, nr. 201004365/1/R2.
[89] ABRvS 7 september 2011, nr. 200907076/1/R3.
[90] ABRvS 31 maart 2010, nr. 200903784/1/R2.
[91] ABRvS 13 juli 2011, nr. 201008514/1/M3. Vgl. ook ABRvS 18 januari 2012, nr. 201005556/1/R2.
[92] ABRvS (vz.) 16 november 2011, nr. 201107246/1/R4 en 201107246/2/R4.
[93] ABRvS 4 januari 2012, nr. 201104518/1/R4 en 201111577/1/R4.
[94] ABRvS 14 september 2011, nr. 201011817/1/R2.
[95] ABRvS 14 september 2011, nr. 201011817/1/R2.
[96] ABRvS 8 februari 2012, nr. 201003293/1/A4, 201005947/1/A4 en 201008464/1/A4.
[97] ABRvS 27 april 2011, nr. 201006340/1/H2.
[98] Voorlichting met betrekking tot de Programmatische Aanpak Stikstof, Raad van State 11 april 2012, nr. W15.12.0046/IV.
Dit artikel heeft betrekking op het natuurbeschermingsrecht, een onderdeel van het omgevingsrecht.

Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan schreef samen met E.M.N. Noordover, “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit de besluitvorming”,…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…