ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 21-04-2011

Kostenverhaal brand Chemie-Pack Moerdijk

Fleur Onrust schreef een noot met C.N.J. Kortmann bij de uitspraak van de Rb 21 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ2058 inz. Kostenverhaal na de brand bij ChemiePack te Moerdijk, JM 2011/75.

Deze uitspraak heeft betrekking op de brand bij Chemie-Pack, een chemisch bedrijf in Moerdijk, in januari van dit jaar. De brandweer heeft de brand geblust waarbij verontreinigd bluswater in het oppervlaktewater terecht is gekomen. Het waterschap Brabantse Delta heeft de sloten nog op dezelfde dag van de brand afgedamd, waarmee werd geprobeerd te voorkomen dat het bluswater in het oppervlaktewater terecht kwam. Er is echter wel bluswater in het oppervlaktewater terechtgekomen. Het waterschap is daarom overgegaan tot het verwijderen, afvoeren, opslaan en verwerken van het bluswater (lees: het met bluswater verontreinigde slootwater). Het waterschap past spoedeisende bestuursdwang toe vanwege overtreding van het lozingsverbod van artikel 6.2 Waterwet en verhaalt de kosten op het uitgebrande bedrijf.

Zoals de Voorzieningenrechter terecht overweegt, gaat het in deze procedure alleen nog om het kostenverhaal. Het waterschap heeft immers al bestuursdwang toegepast. Artikel 5:25 lid 1 bepaalt: “De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.” De eerste vraag in deze procedure is dus of de drijver van de inrichting waar de brand is uitgebroken als overtreder van het lozingsverbod kan worden aangemerkt nu er verontreinigd bluswater van de brandweer in het oppervlaktewater terecht is gekomen.

Artikel 5:1 Awb bevat de definitie van het begrip ‘overtreder’. Overtreder is degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Naast degene die de fysieke handeling verricht kunnen ook anderen als overtreder aangemerkt worden. Zo geldt in het algemeen dat degene onder wiens eindverantwoordelijkheid een activiteit verricht wordt, evenzeer als overtreder aangemerkt kan worden (ABRvS 3 juli 2002, AB 2002/311). Ook rechtspersonen kunnen als overtreder worden aangemerkt. Naast degene die de fysieke handeling verricht en degene die verantwoordelijk kan worden gehouden voor die handeling is het de vraag of ook derden als overtreder aangemerkt kunnen worden, bijvoorbeeld door vergunningvoorschriften te overtreden. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in gevallen waarin de drijver van de inrichting voor de naleving van de vergunningvoorschriften afhankelijk is van derden en die derden handelen in strijd met de vergunning, alsnog de drijver als overtreder kan worden aangemerkt. Zie hiertoe de uitspraak van de Afdeling 24 december 1998 (AB 2000/238) en ABRvS 4 maart 2009 (200803007/1; tevens aangehaald in V.M.Y. van ’t Lam, “Handhaving in het milieurecht: wanneer mag het bevoegd gezag afzien van handhavend optreden en wie is de overtreder”, StAB 2010/2). In die laatste zaak werd de drijver van de inrichting als overtreder aangemerkt vanwege het feit dat pallets die zich op het terrein van de inrichting bevonden in een bepaald soort folie waren gewikkeld. Dit was in strijd met de voorschriften van de milieuvergunning. Volgens de drijver lag de verantwoordelijkheid van die verpakking bij de verzender van de pallets. De Afdeling merkt de drijver van de inrichting echter aan als overtreder. Volgens de Afdeling is het niet aannemelijk dat de drijver het voorschrift niet kan naleven, zo nodig door haar opdrachtgevers te houden aan de voor hen geldende contractuele verplichtingen op grond van de Algemene Vervoersvoorwaarden. De drijver van de inrichting wordt in die uitspraak dus verantwoordelijk gehouden voor de handelingen van derden.

Uit het oogpunt van effectieve handhaving is deze rechtspraak wel te begrijpen. Voorschriften van een milieuvergunning kunnen namelijk alleen door de drijver van de inrichting worden overtreden. Dit houdt verband met het feit dat de vergunning geldt voor eenieder die de inrichting drijft (art. 8.20 Wm). Overigens geeft het begrip ‘drijver’ niet altijd de vereiste duidelijkheid, nu van dit begrip geen definitie in de Wm is opgenomen. In geval van milieuvergunningen geldt ingevolge de vaste jurisprudentie van de Afdeling dat niet alleen aan de rechtspersoon die de inrichting drijft, maar tevens aan degene die feitelijk leiding geeft aan de verboden gedraging een last onder dwangsom kan worden opgelegd. (Zie ook: Van ’t Lam “Enkele ontwikkelingen in milieurechtelijke jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State”, BR 2010/80, waarin uitgebreid in wordt gegaan op de handhaving in het milieurecht en een overzicht wordt gegeven van de jurisprudentie van onder meer het begrip ‘overtreder’ in het milieurecht. Zie voor begrip overtreder tevens: P.J.J. van Buuren ea., “Bestuursdwang en dwangsom”, Kluwer 2011.) De verzender van de pallets kwalificeerde zich in elk geval niet als drijver en was dus niet gebonden aan de voorschriften van de milieuvergunning. Zonder toerekening van zijn handelen aan de drijver van de inrichting zou er dan helemaal geen overtreder aan te wijzen zijn.

In het onderhavige geval wordt de drijver verantwoordelijk gehouden voor feitelijk handelen van de brandweer dat overtreding van artikel 6.2 Waterwet oplevert. De vraag die nu opkomt is of deze situatie zodanig vergelijkbaar is met de zojuist besproken zaken, dat het voor de hand ligt om de drijver van de inrichting ook in dit geval als overtreder te beschouwen.

Voor de uitleg van het begrip ‘overtreder’ is van belang te weten tot wie de geschonden norm zich richt. In het onderhavige geval wordt een overtreding van artikel 6.2 Waterwet (het oude artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren) ten laste gelegd. Artikel 6.2 Waterwet luidt: “Het is verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij: a. een daartoe strekkende vergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap; b. daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur; c. artikel 6.3 van toepassing is.” Het overtreden voorschrift richt zich dus niet alleen tot de drijver van de inrichting, maar tot eenieder. Uit het genoemde perspectief van effectieve handhaving ligt het nu minder voor de hand dat een handeling van een derde (de brandweer) wordt toegerekend aan de drijver van de inrichting. Immers, ook de brandweer zelf kan als overtreder van het geschonden voorschrift worden aangemerkt. Voor wat betreft het onderhavige verbod komt niet slechts de drijver van de inrichting in aanmerking als overtreder, hetgeen bij een overtreding van de milieuvergunning waarschijnlijk wel het geval zou zijn geweest. De vraag, of het handelen van de brandweer desondanks aan Chemie-Pack als een overtreding kan worden toegerekend, is hier dus prangender.

Uit haar uitspraak van 15 oktober 2008 (gepubliceerd in AB 2008, 364 m.nt. F.C.M.A. Michiels, M&R 2009-04, nr. 33 m.nt. van ’t Lam en JB 2008/256), ook aangehaald door de rechtbank in de onderhavige uitspraak, overweegt de Afdeling over het overtrederbegrip het volgende: “Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht en daarnaast degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen omdat hij daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. In dit geval kan de overtreding aan het bedrijf worden toegerekend omdat de bluswerkzaamheden van de brandweer feitelijk moeten worden geacht in opdracht van het bedrijf te zijn verricht. Dat het bedrijf de brandweer niet zelf heeft gewaarschuwd, maakt dit niet anders nu de brandbestrijding in een bedrijf door de brandweer in het algemeen moet worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en de gevolgen daarvan aan het bedrijf kunnen worden toegerekend.”

Voor de toerekening aan het bedrijf (de drijver) heeft de Afdeling twee ficties nodig. Ten eerste dat de drijver geacht moet worden opdracht te hebben gegeven voor de bluswerkzaamheden (ook al is dat feitelijk niet zo) en ten tweede dat brandbestrijding in het algemeen moet worden geacht de gevolgen van de brand te beperken (dit zal feitelijk doorgaans ook het geval zijn). Dat de drijver als opdrachtgever van de brandweer wordt beschouwd lijkt ons een wat ongelukkige aanname. In de hierna nog te bespreken brandweerkostenrechtspraak van de Hoge Raad wordt juist benadrukt dat brandbestrijding gezien moet worden als een exclusieve publiekrechtelijke taak, die niet moet worden vertroebeld door privaatrechtelijke figuren als opdracht of zaakwaarneming. Die opvatting moet waarborgen dat het slachtoffer van de brand en/of de brandweer zelf afzien van bluswerkzaamheden vanwege eventuele negatieve financiële consequenties. Bovendien geschiedt het blussen doorgaans ook in het belang van de naburige percelen en (in bredere zin) de omgeving hetgeen het publieke karakter van de taak onderstreept. Een overtuigender redenering van de Afdeling zou wellicht zijn geweest dat de overtreding van de Waterwet aan het bedrijf moet worden toegerekend omdat de verontreinigende bluswerkzaamheden van de brandweer het directe gevolg waren van de bedrijfsbrand en bovendien gerechtvaardigd werden door het – hogere – belang van de brandbestrijding.

Naar het oordeel van de Afdeling moet de brandbestrijding in een bedrijf door de brandweer ‘in het algemeen worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en de gevolgen daarvan kunnen aan het bedrijf worden toegerekend.’ Zoals Michiels in zijn noot onder voornoemde uitspraak opmerkt, laten de woorden ‘in het algemeen’ nog ruimte voor een uitzondering. De vraag is nu of die uitzondering zich in het onderhavige geval voordoet. Daarvoor zijn de verschillen in beide zaken van belang. In beide procedures wordt het ontstaan van de brand niet aan het bedrijf verweten. In de uitspraak van 15 oktober 2008 acht de Afdeling nog van belang dat de voorzorg van het bedrijf niet zover hoeft te gaan, zoals het waterschap betoogde, dat er bij het blussen eenvoudigweg geen verontreinigd bluswater in het oppervlaktewater kan komen. In dat geval had het bedrijf naar mening van de Afdeling, ‘na het blussen van de brand niet de maatregelen genomen, die uiteindelijk door het waterschap moesten worden genomen, om verdere verontreiniging van het oppervlaktewater tegen te gaan. Het bedrijf had (meteen) kunnen doen wat uiteindelijk door het waterschap is gedaan.’ Uit de onderhavige uitspraak volgt niet of Chemie-Pack wél de nodige maatregelen heeft getroffen. Gelet op het feit dat Chemie-Pack stelt te weinig tijd te hebben gekregen om alle maatregelen te treffen, lijkt dat overigens niet aannemelijk.

Chemie-Pack voert daarnaast nog aan dat het blussen met schuim in plaats van water voor minder verontreiniging had gezorgd. De rechtbank ziet dit echter niet als feit of omstandigheid waardoor de kosten van de bestuursdwang niet (of niet geheel) op het bedrijf konden worden verhaald (de ‘tenzij’-clausule van art. 5:25 lid 1 Awb). Naar mening van de rechtbank betreft dit de verhouding tussen het bedrijf en de brandweer die het waterschap verder niet aangaat. Voor zover het bedrijf schade meent te hebben geleden moet zij deze schade maar proberen te verhalen op de rechtspersoon aan wie de bewuste handelwijze van de brandweer kan worden toegerekend, aldus de rechtbank.

Wij hebben twijfels bij deze motivering. Ten eerste lijkt ons de oorzaak van de verontreiniging wel degelijk relevant voor de belangenafweging die het waterschap bij het kostenverhaal dient te maken. Als de brandweer inderdaad fouten heeft gemaakt, en de verontreiniging zonder die fouten geheel of gedeeltelijk zou zijn uitgebleven, dan valt niet goed in te zien waarom Chemie-Pack dan – primair – de volledige saneringskosten moet dragen. Bovendien rijst de vraag òf Chemie-Pack in dat geval deze kosten op de brandweer (in casu vermoedelijk: de gemeente Moerdijk) kan verhalen.

Op welke grondslag zou Chemie-Pack regres kunnen nemen op de gemeente wegens foutief bluswerk? Bij afwezigheid van een contractuele relatie dient de onrechtmatige daad zich als eerste aan. Maar welke norm heeft de brandweer dan jegens Chemie-Pack geschonden? Wij constateerden al dat – ook – de brandweer artikel 6.2 van de Waterwet heeft geschonden, maar die norm (het lozingsverbod) lijkt niet te zijn gesteld ter bescherming van de financiële belangen van Chemie-Pack. De relativiteitseis van art. 6:163 BW blokkeert dan het regres. De burgerlijke rechter zou dit kunnen ondervangen door schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm aan te nemen, maar ook dan rijst de vraag of zo een norm de strekking heeft Chemie-Pack te beschermen tegen kostenverhaal door het waterschap. Voorts rijst de vraag of het kostenverhaal door het waterschap op Chemie-Pack op basis van art. 6:98 BW aan de gemeente is toe te rekenen als een gevolg van foutief bluswerk. De gemeente zal immers stellen dat het kostenverhaal op Chemie-Pack veeleer het gevolg is van een besluit van het waterschap. Kortom, een vordering jegens de gemeente uit onrechtmatige daad zal voor Chemie-Pack nog niet eenvoudig zijn te effectueren.

Een kansrijkere rechtgrondslag biedt wellicht art. 6:102 BW (zie hierover recent: H. Bröring en S. de Valk, “Uitdijende aansprakelijkheid in het bestuursrecht: bestuurders de klos?” NJB 2011, p. 621). Dit wetsartikel regelt de verdeling van de onderlinge draagplicht als twee (rechts)personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade. Deze verdeling geschiedt – kort samengevat – op basis van een causaliteitsmaatstaf met een billijkheidscorrectie. Dat biedt perspectief voor Chemie-Pack, omdat de brandweer de primaire veroorzaker is van de lozing. Is deze bovendien (deels) het gevolg van een fout van de brandweer dan wijst ook de billijkheid in diens richting. Het probleem is echter, dat de schade hier bestaat uit de saneringskosten die het waterschap heeft moeten maken. Chemie-Pack is op grond van art. 5:25 Awb aansprakelijk voor deze kosten, omdat zij als overtreder is aangeschreven. Sinds de invoering van de 4e tranche (bestuursrechtelijke geldschulden) worden deze kosten bij beschikking vastgesteld (art. 5:25 lid 6 jo. art. 4:86 lid 1 Awb). De gemeente zou zich derhalve kunnen verweren met de stelling dat, nu zij niet is aangeschreven en ook geen kostenverhaalsbeschikking heeft ontvangen, zij niet aansprakelijk is voor die kosten en er dus geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:102 BW.

De Voorzieningenrechter is wellicht wat lichtvaardig tot het oordeel gekomen dat schade als gevolg van eventuele fouten van de brandweer maar afgewikkeld moet worden in de verhouding tussen Chemie-Pack en de gemeente waaronder de brandweer ressorteert, en dat het waterschap daar verder buiten staat. Een klein gedachtenexperiment kan dat illustreren. Stel dat het waterschap niet Chemie-Pack, maar de brandweer had aangeschreven en de saneringskosten op de gemeente Moerdijk had verhaald, zou de gemeente deze kosten dan hebben kunnen verhalen op Chemie-Pack? Dat is nog maar de vraag. Al in 1992 oordeelde de Hoge Raad (HR 11 december 1992, NJ 1994/639 inz. Vlissingen / Rize) dat de Brandweerwet geen grondslag bood voor verhaal door de gemeente Vlissingen van brandweerkosten op de eigenaar van het brandende schip “Rize”. Bovendien oordeelde de Hoge Raad dat deze uitsluiting van publiekrechtelijk kostenverhaal een aanwijzing is dat privaatrechtelijke kostenverhaal ook is uitgesloten. De gemeente Vlissingen ving dientengevolge bot. Op grond van dit arrest zou de gemeente Moerdijk vermoedelijk eenzelfde lot zijn beschoren.

Als de conclusie van het voorgaande inderdaad moet zijn dat het in feite het waterschap is dat bepaalt wie de saneringskosten uiteindelijk moet dragen, dan moet naar ons oordeel de handelwijze van de brandweer wel degelijk onderdeel uitmaken van de afweging omtrent (de mate van) het kostenverhaal op Chemie-Pack. Als deze zaak uiteindelijk de Afdeling haalt, zal het interessant zijn te zien welke redenering zij op dit punt gaat volgen.

Al met al laat deze uitspraak zien dat deze materie nog lang niet is uitgekristalliseerd. Dat wetgever en rechtspraak een ruim overtredersbegrip hanteren is begrijpelijk vanuit een oogpunt van effectieve handhaving. De keerzijde is dat er bij één overtreding regelmatig sprake zal zijn van pluraliteit van overtreders met alle complicaties van dien. Het zou de rechtszekerheid ten goede komen als de wetgever in hoofdstuk 5 van de Awb een artikel toevoegt dat de (al dan niet) hoofdelijke aansprakelijkheid en onderlinge draagplicht regelt van (rechts)personen die gezamenlijk als overtreder van een norm kunnen worden aangemerkt. Vanzelfsprekend kan artikel 6:102 BW daarbij een inspiratiebron vormen.

Deze noot gaat over bestuursrechtelijke handhaving een onderdeel van het algemeen bestuursrecht.


Gerelateerd

Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies
Fleur Onrust schreef “De positie van deskundigen bij beslissingen over kunstsubsidies”, in “Gepaste afstand, de…
Besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan curator
Fleur Onrust schreef in JM 2014/111 over een besluit kostenverhaal bestuursdwang gericht aan de curator. In de…
Spoedeisende bestuursdwang na incident te Schiphol
Fleur Onrust schreef in JM 2014/100 over spoedeisende bestuursdwang na een incident met een sprinklerinstallatie op Schiphol….
Spoedeisende bestuursdwang, handhaving, bluswater, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann, noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:90,  JM 2014/34….
Spoedeisende bestuursdwang, Chemie-Pack, kostenverhaal, overtreder
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:102, inz….
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Last onder dwangsom, bluswater en de Waterwet
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:659, inz. Last…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Kostenverhaal bestuursdwang en verontreinigd bluswater
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann en P. Jong een noot onder Rb Noord-Nederland 9…
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 2
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Handhaving – spoedeisende bestuursdwang
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:BY1700, inz. Handhaving, spoedeisende…
Hoge Raad over Kostenverhaal Chemie-Pack
Fleur Onrust met C.N.J. Kortmann, noot onder HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7505, inz. Kostenverhaal Chemie-Pack, AB 2013/368….
Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel 1
Fleur Onrust schreef samen met C.N.J. Kortmann het artikel “Verhaal van kosten bij (chemische) branden, deel…
Spoedeisende bestuursdwang, kostenverhaal, overtrederbegrip, bluswater
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5953, inz. Spoedeisende…
Bestuursrechtelijk kostenverhaal bestuursdwang bij Chemie-Pack
Fleur Onrust schreef met C.N.J. Kortmann een noot onder Rb. Breda 21 juni 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8992,inz. Spoedeisende bestuursdwang…
Artikel 7:11 Awb
Fleur Onrust schreef met L.M. Koenraad het artikelgewijze commentaar op artikel 7:11 Awb in Module bestuursrecht…
De verhouding tussen BW en Awb in het kader van een subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1307 inz. De verhouding tussen BW en…
Subsidievaststelling en de verhouding tussen BW en Awb
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, inz. Subsidievaststelling en de verhouding tussen…
Verrekening teveel betaalde subsidie
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, inz. Verrekening teveel betaalde subsidie…
Subsidievaststelling
Fleur Onrust schreef een noot onder ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NLRVS:2010:BL7011, inz. Subsidievaststelling, AB 2011/92. De…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…
Mediation in het bestuursrecht
Marieke Kaajan schreef het artikel “Mediation in het bestuursrecht. Mogelijkheden voor een wettelijke regeling” , AAe…