Amsterdam: +31 20 737 20 66
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)

Marcel Soppe[1]

1          Inleiding

Als Toon ergens een hekel aan had, dan was het wel aan het in de loop der jaren al maar toenemende, veelal door “Brussel” ingegeven, “milieugedoe” binnen het recht van de ruimtelijke ordening. Hij vertelde mij met enige regelmaat – bij voorkeur onder het genot van een biertje – dat het door hem zo geliefde rechtsgebied werd vervuild door instrumenten als de m.e.r.[2] In een adem tekende hij daar dan wel bij aan dat hij blij was met excentriekelingen zoals ondergetekende die er kennelijk al jaren lol in hebben om onderzoek te verrichten naar bijvoorbeeld het juridische functioneren van het instrument m.e.r. binnen de ruimtelijke ordeningsbesluitvorming. Dan konden hij en hem gelijkgestemden dat in ieder geval laten rusten. Meestal gingen de gesprekken met Toon over belangrijkere zaken dan het recht, zoals over EVV Eindhoven en het karakteristieke oude stadion van Heracles aan de Bornsestraat in “mijn” Almelo waarover hij moeiteloos fraaie anekdotes kon oplepelen, gelijk over heel veel andere onderwerpen van uiteenlopende aard overigens. Ik weet zeker dat de goede herinneringen aan Toon door onder meer die boeiende verhalen levend zullen blijven. Ook in zijn werk laat Toon een grote erfenis na. In deze herinneringsbundel zal ik niet direct aansluiten bij een van de vele door hem beschreven onderwerpen, maar doen waar Toon vast en zeker op zou hebben gerekend. Dat betekent dat mijn bijdrage handelt over het m.e.r.-instrument. Concreet wordt ingegaan op de situatie waarin de project-m.e.r.-(beoordelings)plicht wordt geëffectueerd in het ruimtelijk spoor en er sprake is van een gefaseerd uit te voeren project. Als er meerdere bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplannen worden vastgesteld, is het de vraag hoe de project-m.e.r.-plicht moet worden geëffectueerd. Die vraag wordt zowel in het licht van de geldende Nederlandse m.e.r.-regeling (paragraaf 2) als in het licht van de m.e.r.-richtlijn (paragraaf 3) bezien. Daaruit zal onder meer blijken dat er thans sprake is van een implementatiegebrek. Een voorstel om dit gebrek te helen wordt niet alleen gerelateerd aan de thans vigerende regelgeving (paragraaf 3.1), maar ook aan de op 28 februari 2013 verschenen ambtelijke ‘toetsversie’ van de Omgevingswet (hierna spreek ik gemakshalve van de Omgevingswet) (paragraaf 4). Speciale aandacht zal daarbij uitgaan naar art. 7.23 lid 2 Omgevingswet. Daarin is bepaald dat wanneer voor een project meerdere besluiten moeten worden genomen waarvoor een project-MER moet worden gemaakt, volstaan kan worden met het opstellen van een project-MER voor het eerste besluit waarvoor die plicht geldt.[3] Een bepaling die Toon, naar ik verwacht, zeer zou hebben aangesproken.

2          Effectuering van de project-m.e.r.-plicht bij gefaseerde besluitvorming in het ruimtelijke ordeningsspoor

Voor een aantal projecten is de project-m.e.r.-(beoordelings)plicht in het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) verbonden aan de vaststelling van een uitwerkings- of wijzigingsplan (ex art. 3.6 lid 1, onderdelen a en b, Wro) dan wel bij het ontbreken daarvan aan het bestemmingsplan (als bedoeld in art. 3.1 lid 1 Wro). Daarbij gaat het bijvoorbeeld om stedelijke ontwikkelingsprojecten (waaronder begrepen woningbouw) en de aanleg van grootschalige industrieterreinen.[4] In de praktijk komt het nogal eens voor dat de planologische besluitvorming over dit type projecten gefaseerd ter hand wordt genomen. Daarbij kan worden gedacht aan een bestemmingsplan met gedeeltelijk eindbestemmingen en gedeeltelijk uit te werken bestemmingen, aan de situatie waarin het project door meerdere in de loop der jaren vast te stellen bestemmingsplannen planologisch wordt mogelijk gemaakt en aan een combinatie daarvan. Als – al dan niet na het doorlopen van de m.e.r.-beoordelingsprocedure – wordt geconcludeerd dat een project-MER moet worden gemaakt, dan volgt uit het Besluit m.e.r. niet duidelijk hoe die verplichting moet worden geëffectueerd. Bestendige jurisprudentie wijst evenwel uit dat wanneer de planologische besluitvorming over een project in vorenbedoelde zin verloopt, het project-MER moet worden opgesteld voor het eerste vast te stellen bestemmingsplan. Dat MER dient zich te richten op het gehele project (ongeacht de tijdhorizon waarbinnen dat naar verwachting zal worden voltooid). Met het uitvoeren van de project-m.e.r. voor het ‘eerste’ bestemmingsplan is de project-m.e.r.-plicht uitgewerkt. Voor de later vast te stellen uitwerkingsplannen en/of bestemmingsplannen behoeft dan geen project-m.e.r. meer te worden verricht.[5]

Dat het project-MER zich dient te richten op het gehele project, impliceert niet dat er niet mag worden gedifferentieerd in detailniveau voor wat betreft de in het MER te beschrijven informatie. Verwezen zij naar de volgende passage uit ABRS 23 juni 2010: “De Afdeling stelt vast dat in het milieu-effectrapport zowel de gevolgen van het bestemmingsplan als de gevolgen van het Masterplan worden beschreven. Dat het detailniveau van deze beschrijving lager is voor zover het de gevolgen van het Masterplan betreft, is onvermijdelijk. Immers, ten behoeve van de voorgenomen activiteit waarop het Masterplangebied betrekking heeft, zijn nog geen bestemmingsplannen vastgesteld en zijn alleen de hoofdlijnen van het Masterplan van september 2005 bekend”.[6]

Als gezegd, is de project-m.e.r.-plicht uitgewerkt met het ‘be-m.e.r.-ren’ van het ‘eerste’ bestemmingsplan, maar dat betekent niet dat in het kader van de latere besluitvorming over (de volgende fase van) het desbetreffende project geen rekening meer behoeft te worden gehouden met het opgestelde project-MER. Daartoe zij onder meer gewezen op de uitspraak ABRS 30 juli 2008,[7] waarin de Afdeling weliswaar bevestigt dat de project-m.e.r.-plicht uitsluitend geldt voor het ruimtelijk plan waarin als eerste in (een deel van) het m.e.r.-plichtige project wordt voorzien, maar daarbij tevens aangeeft dat de inhoud van het MER bij de vervolgbesluitvorming ten behoeve van de activiteit een rol speelt.[8]

De door de Afdeling uiteengezette jurisprudentiële lijn is helder en de praktijk kan er (inmiddels) redelijk tot goed mee uit de voeten. Vanuit juridische optiek is er evenwel een kritische kanttekening te plaatsen. De Afdeling fixeert de project-m.e.r.-plicht op uitsluitend het eerste vast te stellen bestemmingsplan. De nadien over het project vast te stellen bestemmingsplannen (en/of uitwerkingsplannen) zijn derhalve niet project-m.e.r.-plichtig. Echter, tegelijkertijd dient het MER volgens de Afdeling toch nog wel bij die latere besluitvorming te worden betrokken. De juridische grondslag daarvoor is er mijns inziens niet, althans niet als ervan moet worden uitgegaan – zoals de Afdeling doet – dat de project-m.e.r.-plicht is “uitgewerkt” nadat het eerste bestemmingsplan is ‘be-m.e.r.-d’. Het is daarbij de vraag of het in het Besluit m.e.r. verankerde systeem zoals geïnterpreteerd door de Afdeling zich wel verdraagt met de m.e.r.-richtlijn. Daarop wordt in de volgende paragraaf ingegaan.

3          Gefaseerde besluitvorming in het licht van de m.e.r.-richtlijn

De in het Besluit m.e.r. voor project-m.e.r.-(beoordelings)plicht aangewezen projecten zijn bijna allemaal te herleiden tot de m.e.r.-richtlijn. Dat geldt ook voor stedelijke ontwikkelingsprojecten en de aanleg van industrieterreinen. Uit art. 2 lid 1 m.e.r.-richtlijn vloeit voort dat de ingevolge die richtlijn vereiste project-m.e.r.[9] moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Art. 1 lid 2 m.e.r.-richtlijn definieert het begrip ‘vergunning’ als “het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdracht­gever het recht verkrijgt om het project uit te voeren”. Jurisprudentie van het Hof van Justitie maakt duidelijk dat het Hof het niet strijdig met art. 2 lid 1 m.e.r.-richtlijn acht indien er ingevolge het nationale rechtsstelsel ter zake van een project meerdere als vergunning aan te merken besluiten nodig zijn. De diverse te nemen deelbesluiten (hierna spreek ik gemakshalve ook van deelvergunningen) worden door het Hof tezamen als de vergunning in de zin van art. 1 lid 2 m.e.r.-richtlijn beschouwd.[10] Over de vraag hoe in dat geval invulling aan de project-m.e.r.-plicht moet worden gegeven, heeft het Hof ook inzicht verschaft. Het eerste daarover handelend arrest is het Wellsarrest uit januari 2004.[11] Daarin heeft het Hof geoordeeld dat wanneer er voor een onder de m.e.r.-richtlijn begrepen project een project-m.e.r. is vereist en de besluitvorming over dat project zich uitstrekt over verschillende fasen, te weten door het treffen van een basisbesluit en voorts een uitvoeringsbesluit dat niet mag afwijken van de in het basisbesluit vastgelegde parameters, de project-m.e.r. moet worden verricht ten behoeve van het basisbesluit. Uitsluitend indien de milieueffecten pas in de procedure met betrekking tot het uitvoeringsbesluit kunnen worden onderscheiden, moet de beoordeling tijdens die procedure plaatsvinden. De oordeelsvorming van het Hof is zodanig verwoord dat het erop lijkt dat het Hof heeft willen aangeven dat de project-m.e.r. in het kader van uitsluitend één deelvergunning moet worden verricht. Uit latere jurisprudentie blijkt dat het Hof dat beeld nogal heeft bijgesteld. Zo volgt uit HvJ EG 4 mei 2006[12] dat het Hof het accordeert dat de project-m.e.r. in het concrete geval gefaseerd plaatsvindt. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie dat in het kader van de eerste deelvergunning over bepaalde milieuaspecten nog te weinig zicht bestaat hoe deze zich naar verwachting zullen manifesteren bij het uitvoeren van het project. Inmiddels heeft het Hof geoordeeld dat in het geval waarin voor het eerste deelvergunningbesluit een project-m.e.r. is verricht, in latere vergunningfases (derhalve in het kader van de totstandkoming van de overige deelvergunningen) door het bevoegde gezag (of de bevoegde gezagen) moet worden geverifieerd (op grondslag van art. 3 m.e.r.-richtlijn) of er redenen zijn om een reeds in een eerder stadium van de vergunningverlening verrichte project-m.e.r. al dan niet deels aan te vullen dan wel te actualiseren in verband met gewijzigde omstandigheden in het project of de projectomgeving.[13] Het Hof heeft in lijn daarmee geoordeeld dat het niet is toegestaan om in de nationale regelgeving uitsluitend te voorzien in een project-m.e.r.-plicht voor het eerste deelvergunningbesluit.[14] Het dient kennelijk in de nationale m.e.r.-regeling mogelijk te zijn dat de milieueffectbeoordelingsplicht ook aan de orde kan komen in het kader van de totstandkoming van de latere deelvergunning(en) dan wel dat ten minste in die nationale regelgeving is verzekerd dat voorafgaande aan de verlening van die vergunningen wordt geverifieerd of de verrichte milieueffectbeoordeling nog aanvulling behoeft, bijvoorbeeld vanwege veranderingen in de projectomgeving of vanwege het feit dat bepaalde milieuaspecten in een eerder stadium niet of onvoldoende in kaart konden worden gebracht. Verder dient dan in de nationale m.e.r.-regelgeving verzekerd te zijn dat die aanvulling kan doorwerken in de nog te verlenen (deel)vergunning(en). Dat vloeit voort uit artikel 8 m.e.r.-richtlijn.

Wanneer de uit de m.e.r.-richtlijn voortvloeiende (door het Hof van Justitie geconcretiseerde) eisen bij een gefaseerde vergunningverlening worden vergeleken met de in de vorige paragraaf beschreven jurisprudentie van de Afdeling inzake de effectuering van de project-m.e.r.-plicht bij projecten waarover de ruimtelijke ordeningsbesluitvorming gefaseerd verloopt, dan bestaan er de nodige overeenkomsten. Gelijk het Hof van Justitie is de Afdeling van oordeel dat het voor mogelijk moet worden gehouden om de project-m.e.r. bij een gefaseerde besluitvorming te effectueren in het kader van het eerste deelvergunningbesluit (dat is het eerste vast te stellen bestemmingsplan). Dat het opgestelde MER volgens de Afdeling ook moet worden betrokken bij volgende deelvergunningen, is eveneens in lijn met het oordeel van het Hof. Omtrent de doorwerking van een project-MER in de opvolgende deelvergunningen, heeft de Afdeling nog geen concrete jurisprudentie gewezen. De stelligheid waarmee het Hof eist dat het bevoegd gezag zich er in het kader van die deelvergunningen van vergewist dat het project-MER nog voldoende actueel en volledig is, wordt in de Afdelingsjurisprudentie niet aangetroffen. Dat is wel een gemis, omdat de Afdeling wel accepteert dat er wordt gedifferentieerd in detailniveau in het MER voor het eerste bestemmingsplan, waardoor het maar zeer de vraag is of het MER qua milieueffectbeschrijving wel voldoende concreet is voor de pas veel later vast te stellen bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplannen. Evenwel lijkt de op bepaalde punten niet indringende toetsingswijze van de Afdeling goed te kunnen worden verklaard doordat de Afdeling het Besluit m.e.r. zodanig uitlegt dat de project-m.e.r.-plicht bij projecten waarover de ruimtelijke ordeningsbesluitvorming gefaseerd verloopt uitsluitend bestaat voor het eerste vast te stellen bestemmingsplan. Daar zit het grote principiële verschil met de jurisprudentie van het Hof van Justitie. In lijn met die jurisprudentie vormen de verschillende over het project vast te stellen bestemmingsplannen en uitwerkingsplannen tezamen de vergunning als bedoeld in art. 2 lid 1 m.e.r.-richtlijn. Die samengestelde vergunning is project-m.e.r.-plichtig en niet slechts een deel ervan.

3.1       Conclusie en aanbeveling over het helen van het implementatiegebrek in de vigerende m.e.r.-regelgeving

Nu de Afdeling het Besluit m.e.r. zodanig interpreteert dat de project-m.e.r.-plicht bij een gefaseerde besluitvorming over de betreffende projecten alleen berust bij het eerste bestemmingsplan, kan de conclusie mijns inziens niet anders luiden dan dat het Besluit m.e.r. in strijd is met de m.e.r.-richtlijn. In het Besluit m.e.r. en/of in hoofdstuk 7 Wm zal alsnog verankerd moeten worden dat alle voor de uitvoering van een project benodigde deelvergunningen project-m.e.r.-plichtig zijn. In dat verband zou wel kunnen worden vastgelegd dat in beginsel kan worden volstaan met het doorlopen van project-m.e.r.-procedure voor uitsluitend het eerste vast te stellen bestemmingsplan, mits het op te stellen project-MER op het gehele project betrekking heeft. Verder zou dan moeten worden bepaald dat bij de overige nadien over het project vast te stellen bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplannen steeds wordt geverifieerd of het bestaande project-MER nog voldoende actueel en volledig is en dat het MER zo nodig moet worden aangevuld. Tenslotte zal moeten worden vastgelegd dat het project-MER op een gelijke wijze als voor het eerste vast te stellen bestemmingsplan moet kunnen doorwerken in de nadien over het project vast te stellen bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplannen.

4          Gefaseerde besluitvorming onder vigeur van de Omgevingswet; artikel 7.23 lid 2 Omgevingswet moet worden aangevuld

Het bestemmingsplan zal in de Omgevingswet worden vervangen door het gemeentelijk omgevingsplan. De gemeenteraad kan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot wijziging van het omgevingsplan delegeren. Afhankelijk van de formulering van de raad kan dit bijvoorbeeld neerkomen op een mogelijkheid voor het college om het omgevingsplan uit te werken.[15] Het is aannemelijk dat de project-m.e.r.-plicht voor projecten als stedelijke ontwikkelingsprojecten en de aanleg van industrieterreinen zal worden verbonden aan onder meer de uitwerking van het gemeentelijk omgevingsplan dan wel, bij het ontbreken van een uitwerkingsconstructie, aan het gemeentelijk omgevingsplan zelf. De situatie waarin over een dergelijk project de planologische besluitvorming gefaseerd zal plaatsvinden, zal ook onder vigeur van de Omgevingswet blijven bestaan. De opvolgende bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplannen vormen tezamen de vergunning in de zin van art. 2 lid 1 m.e.r.-richtlijn en zullen allemaal project-m.e.r.-plichtig moeten zijn ingevolge het te zijner tijd aan de Omgevingswet aan te passen Besluit m.e.r. Dan komt echter het nieuwe art. 7.23 lid 2 Omgevingswet in beeld. Daarin is namelijk bepaald dat wanneer voor een project meerdere besluiten moeten worden genomen waarvoor een project-MER moet worden gemaakt, volstaan kan worden met het opstellen van een project-MER voor het eerste besluit waarvoor die plicht geldt. Daarmee wordt beoogd een stapeling van MER’en te voorkomen. Op zich is dat een alleszins begrijpelijk streven. Echter, het artikellid is te absoluut geformuleerd, althans voor zover de project-m.e.r.-plicht voor een project mede is te herleiden tot de m.e.r.-richtlijn (hetgeen nagenoeg altijd het geval zal zijn). Art. 7.23 lid 2 Omgevingswet behoeft vanwege de m.e.r.-richtlijn een noodzakelijk aanpassing, in die zin dat daarin wordt vastgelegd dat het op te stellen project-MER op het gehele project betrekking zal hebben. Ook zal moeten worden verankerd dat voorafgaande aan de overige nadien over het project vast te stellen eveneens voor project-m.e.r.-plicht aangewezen besluiten steeds wordt geverifieerd of het bestaande project-MER nog voldoende actueel en volledig is en dat het zo nodig moet worden aangevuld. Tenslotte zal wettelijk moeten worden geborgd dat het project-MER moet kunnen doorwerken in alle voor project-m.e.r.-plicht aangewezen besluiten op eenzelfde wijze als dat gebeurt voor het eerste besluit waarvoor het MER primair wordt opgesteld.

Art. 7.23 lid 2 Omgevingswet zal overigens met name ook bedoeld zijn voor de situatie waarin de m.e.r.-(beoordelings)plicht is verbonden aan de verlening van een omgevingsvergunning. In de Omgevingswet wordt het criterium van de onlosmakelijke samenhang losgelaten en zullen voor een project vaak meerdere omgevingsvergunningen (voor de diverse activiteiten als bedoeld in art. 5.2 Omgevingswet) worden aangevraagd en verleend. In die situatie zou alleen voor de eerste vergunning (al dan niet na het doorlopen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure) een project-MER behoeven te worden opgesteld. De voorgestelde aanpassing van art. 7.23 lid 2 Omgevingswet is ook voor deze situatie van belang, aangezien de in deze bijdrage besproken eisen uit de m.e.r.-richtlijn bij een gefaseerde besluitvorming over een project, ook dan volledig in acht moeten worden genomen. Een laatste afsluitende opmerking is dat nog de vraag kan worden gesteld of vanwege het in de m.e.r.-richtlijn gehanteerde vergunningbegrip niet altijd alle voor de uitvoering van dat project benodigde publiekrechtelijke besluiten (onder de Omgevingswet bijvoorbeeld het omgevingsplan en de omgevingsvergunning(en)) voor project-m.e.r.-(beoordelings)plicht moeten worden aangewezen. Ik ga daar thans niet op in, maar merk wel op dat wanneer art. 7.23 lid 2 Omgevingswet in vorenbedoelde zin wordt aangepast er ook bij het aanwijzen van al die besluiten voor project-m.e.r-(beoordelings)plicht een efficiënte voorziening in het m.e.r.-systeem aanwezig is die dubbele werkzaamheden voorkomt en binnen de grenzen van de m.e.r.-richtlijn blijft.

[1] Marcel Soppe is werkzaam als advocaat bestuursrecht bij Soppe Gundelach Witbreuk advocaten te Almelo.

[2] Met m.e.r. wordt gedoeld op de procedure. Het eindproduct van de procedure, het milieueffectrapport, wordt aangeduid met de afkorting “MER”.

[3] Evenals in de huidige m.e.r.-regelgeving wordt er in de Omgevingswet een onderscheid gemaakt tussen de project-m.e.r. (thans ook aangeduid als de besluit-m.e.r.) en de plan-m.e.r. Zie over dit onderscheid op basis van het huidig recht o.a. M.A.A. Soppe, ‘Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage’, Vastgoedrecht 2013-1, pp. 8 e.v. (paragraaf 2).

[4] Zie onderdeel D, onder 11.2 en 11.3, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

[5] Zie onder meer ABRS 28 mei 2008 (bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder”, gemeente Hoorn), MenR 2009, 7, m.nt. Jesse, ABRS 21 januari 2009 (bestemmingsplan “Woongebied Kernhem”, gemeente Ede), JM 2009, 31, m.nt. Poortinga en Jong, ABRS 15 februari 2012, nr. 201102546/1/T1/R4 (bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Wiarda”, gemeente Leeuwarden) en ABRS 28 november 2012, nr. 200909832/1/R1 (bestemmingsplan “Binckhorst (Nieuw Binckhorst Zuid, gemeente Den Haag)”).

[6] ABRS 23 juni 2010 (bestemmingsplan “Meerstad-Midden”, gemeente Groningen), JM 2010, 96, m.nt. Poortinga.

[7] ABRS 30 juli 2008 (bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Techum (2006)”, gemeente Leeuwarden), JM 2008, 97, m.nt. Van Velsen.

[8] Uit ABRS 15 februari 2012, nr. 201102546/1/T1/R4 (bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Wiarda”, gemeente Leeuwarden) lijkt zelfs te kunnen worden afgeleid dat er onder omstandigheden aanleiding is om in dat verband te bezien of de in het project-MER opgenomen informatie nog voldoende actueel is.

[9] De m.e.r.-richtlijn spreekt over een milieueffectbeoordeling. De in de Nederlandse m.e.r.-regeling voorziene project-m.e.r. dient ter implementatie van deze milieueffectbeoordeling. Vandaar dat ik ook in het kader van de m.e.r.-richtlijn spreek over de project-m.e.r.

[10] Zie o.a. HvJ EG 7 januari 2004, AB 2004, 150, m.nt. De Moor-Van Vugt, HvJ EG 4 mei 2006, zaak C-290/03 en HvJ EU 17 maart 2011, JM 2011, 60, m.nt. Hoevenaars.

[11] HvJ EG 7 januari 2004, AB 2004, 150, m.nt. De Moor-Van Vugt.

[12] Zaak C-209/03.

[13] HvJ EU 3 maart 2011, JM 2011, 59, m.nt. Hoevenaars.

[14] HvJ EU 4 mei 2006, zaak C-508/03.

[15] Zie de bij de toetsversie van de Omgevingswet gevoegde toelichting (algemeen deel, p. 96). Gemakshalve spreek ik in dit verband van uitwerkingsplannen.


Gerelateerd

Passende beoordeling bestemmingsplan voor kleine gebieden hoeft niet perse tot plan-mer-plicht te leiden
Annotatie M.A.A. Soppe bij ABRvS 19 mei 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:1054
Niet elk bedrijventerrein is een industrieterrein in de zin van categorie D 11.3 Besluit mer
Annotatie T. Rötscheid ABRvS 10 maart 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:516, M en R 2021/57
Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie M.A.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9