ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 10-08-2017

Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017

In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het volgende artikel van Marieke Kaajan gepubliceerd.

  1. Inleiding

Het natuurbeschermingsrecht is een rechtsgebied waar zich vele ontwikkelingen voordoen. Dat bleek ook dit jaar weer tijdens de Actualiteitendag van de Vereniging voor Milieurecht in maart. Niet alleen de Programmatische Aanpak Stikstof (“PAS”), maar ook de meer algemene vraagstukken die vaak aan de orde zijn in kwesties aangaande de gebiedsbescherming (toetsing van bestemmingsplannen, het verschil tussen mitigatie en compensatie, recente en toekomstige wetswijzigingen) hebben het afgelopen jaar gezorgd voor nieuwe vragen – en gelukkig ook deels voor oplossingen. In dit artikel komen deze aspecten aan de orde, waarbij ik dankbaar gebruikmaak van de presentatie die Annelies Freriks tijdens de Actualiteitendag gaf over de PAS, alsmede van mijn eigen presentatie over het natuurbeschermingsrecht in het algemeen.[2]  Dit artikel is geschreven voordat bekend is geworden dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) heeft besloten prejudiciële vragen te stellen over de PAS.[3]

  1. Ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving

2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari jl. is (eindelijk) de Wet natuurbescherming (“Wnb”) in werking getreden. In mijn artikel naar aanleiding van de Actualiteitendag 2016 gaf ik reeds een beschrijving van de belangrijkste onderdelen van deze wet.[4]  Die beschrijving was gebaseerd op de publicatie van de wettekst in het Staatsblad.[5]  Bij de inwerkingtreding van de Wnb[6]  is echter nog een aantal wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Wnb zoals deze door de Eerste en Tweede Kamer was aangenomen. Twee wijzigingen licht ik hierna toe.

2.1.1 Geen verplichte koppeling tussen omgevingsvergunning en natuurvergunning

De meest belangrijke wijziging betreft het niet in werking laten treden van de artikelen waarmee de verplichte koppeling tussen de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) en de toestemming op grond van de Wnb was geregeld. In de oorspronkelijke versie van de Wnb was bepaald dat als een natuurtoestemming[7]  vereist was voor een voorgenomen activiteit waarvoor ook een omgevingsvergunning op grond van de Wabo benodigd was, de natuurtoestemming zou aanhaken bij deze omgevingsvergunning. De keuzevrijheid die voorheen, onder de Natuurbeschermingswet 1998 (“Nbw”) en de Flora- en faunawet (“Ffw”), bestond om hetzij eerst de vereiste natuurvergunning en vervolgens de omgevingsvergunning aan te vragen, hetzij eerst de omgevingsvergunning waarna de natuurtoestemming automatisch aanhaakte en een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag op grond van de Nbw en/of de Ffw vereist was, werd daarmee verlaten.

Dat uiteindelijk, bij de inwerkingtreding van de Wnb, besloten werd om deze verplichte koppeling niet in werking te laten treden, is met name het gevolg van de Omgevingswet. Als deze wet in werking is getreden, heeft de initiatiefnemer de keuze om een zogeheten ‘enkelvoudige’ of een ‘meervoudige’ omgevingsvergunning aan te vragen, zonder dat in de wet wordt geregeld welke verschillende omgevingsvergunningen (bouwen, milieu, natuur, afwijken van het bestemmingsplan, etc.) tegelijkertijd moeten worden aangevraagd. Ook zal dan geen sprake meer zijn van activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – zodat ook in zoverre geen verplichting bestaat om voor een voorgenomen activiteit meerdere vereiste omgevingsvergunningen tegelijkertijd aan te vragen. Het is het voornemen van het Ministerie van I en M om de Omgevingswet medio 2019 in werking te laten treden. Gelet hierop ligt het niet erg voor de hand om voor een relatief korte periode een systematiek te hanteren die, ten eerste, niet overeenkomt met het systeem dat gold vóór inwerkingtreding van de Wnb en die, ten tweede, niet overeenkomt met het systeem zoals de wetgever dat voor ogen heeft bij de Omgevingswet.

Gelet hierop is bij inwerkingtreding van de Wnb besloten om het systeem zoals dat gold onder de Nbw en de Ffw, te continueren. Dat betekent dus, concreet gezegd, dat een initiatiefnemer die voor een bepaalde activiteit zowel een omgevingsvergunning nodig heeft als een toestemming op grond van de Wnb, een keuze heeft tussen twee varianten. Ten eerste kan er voor gekozen worden om de natuurtoestemming(en), voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning, los aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wnb, om vervolgens de omgevingsvergunning (eveneens los) aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo. De andere variant is dat eerst de omgevingsvergunning (bewust of onbewust) wordt aangevraagd bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo, terwijl ook een toestemming op grond van de Wnb vereist is. In deze tweede variant kan de natuurtoestemming niet meer los worden aangevraagd, maar haakt deze toestemming aan bij de omgevingsvergunning. Er wordt dan dus geen losse natuurvergunning meer verleend, maar via een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag op grond van de Wnb wordt alsnog de vereiste (natuur)toestemming aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Deze systematiek is opgenomen in de artikelen 2.2aa, 5.6 en 6.10a van het Besluit omgevingsrecht.

2.1.2 Aanvullende verordenende bevoegdheid ter bescherming van houtopstanden

Een tweede belangrijke aanpassing in de Wnb zoals deze in werking is getreden ten opzichte van de tekst van de wet zoals deze in het Staatsblad is gepubliceerd, betreft het niet in werking laten treden van art. 4.6 Wnb. In dit artikel was opgenomen een beperking in de bevoegdheid voor PS en de gemeenteraad om, bij verordening, aanvullende regels te stellen ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom. Op deze wijze zou er geen verordenende bevoegdheid voor gemeenten en provincies bestaan ter bescherming van buiten de bebouwde kom gelegen houtopstanden, met uitzondering van (i) houtopstanden op erven of in tuinen; en (ii) houtopstanden bestaande uit hoogstamfruitbomen. Art. 4.6 Wnb zoals voorgesteld had daarmee geen betrekking op houtopstanden binnen de bebouwde kom of bomen buiten de bebouwde kom die niet als ‘houtopstand’ kunnen worden aangemerkt. Verder bleek uit de wetsgeschiedenis bij art. 4.6 Wnb[8]  dat het gemeenten en provincies ook was toegestaan om regels met een ander doel dan de bescherming van houtopstanden vast te stellen. Met art. 4.6 Wnb werd het voorheen geldende art. 15, lid 3, Boswet materieel gecontinueerd. Deze bepaling bleek in de praktijk evenwel onduidelijkheid te geven over de regels die provincies en gemeenten nog mogen stellen ter bescherming in het landelijk gebied, terwijl in het licht van de decentralisatie van het gebiedsgerichte beleid en de filosofie over de bevoegdheidsverdeling zoals deze ook in de Omgevingswet vorm heeft gekregen, provincies en gemeenten juist de ruimte hebben om met het oog op de bescherming van biodiversiteit en landschappen regels ten aanzien van houtopstanden te stellen. Om te benadrukken dat provincies en gemeenten dus juist wél de bevoegdheid zouden (moeten) hebben om bij verordening nadere regels te stellen met het oog op de bescherming van deze belangen, is bij inwerkingtreding van de Wnb uiteindelijk besloten om art. 4.6 Wnb niet in werking te laten treden.

Het is echter de vraag of hiermee de kennelijk noodzakelijk geachte duidelijkheid wordt bereikt. Uit jurisprudentie op grond van de Boswet bleek al dat er een aanvullende verordende bevoegdheid voor provincies en gemeenten bestond voor zover met de betreffende regels een ander doel zou worden bereikt dan het doel van de Boswet, te weten bescherming van houtopstanden.[9]  Bijvoorbeeld ter bescherming van de brandveiligheid of de publieke veiligheid of regels die gesteld worden met het oog op de bescherming van de goede ruimtelijke ordening. In zoverre bestond er dus al enige duidelijkheid over de reikwijdte van de aanvullende bevoegdheid.

Verder is van belang te realiseren dat ook zonder een expliciet verbod of expliciete regeling ten aanzien van de aanvullende verordenende bevoegdheid van lagere overheden, altijd aan de hand van de motieftheorie moet worden nagegaan of deze lagere regelgeving acceptabel is. In zoverre is het de vraag of het niet in werking laten treden van art. 4.6 Wnb bijdraagt aan (voldoende) duidelijkheid op dit punt, zeker gelet op de beperkte toelichting die is gegeven op het besluit om dit te doen. De bepaling waarin ten minste expliciet aangegeven was wat provincies en gemeentes niet zelf mochten regelen is nu immers vervangen door een wettelijke regeling ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom, waarbij aan de hand van de motieftheorie moet worden vastgesteld of er nog een aanvullende regelgevende bevoegdheid voor lagere overheden bestaat – waarbij de redenen waarom (en tot welke omvang) deze regelgevende bevoegdheid nog bestaat niet duidelijk blijken uit de toelichting op het besluit om art. 4.6 Wnb niet in werking te laten treden. Moet het niet in werking laten treden van art. 4.6 Wnb worden beschouwd als een reden om aan te nemen dat gemeenten en provincies ook ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom regels mogen stellen – of moet nog steeds uit het doel en de strekking van de Wnb (en dan met name hfdst. 4) worden afgeleid dat de Wnb uitputtend regels bevat ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom? Deze vragen leiden bij mij tot de conclusie dat het niet in werking laten treden van art. 4.6 Wnb in de praktijk waarschijnlijk niet het effect heeft dat werd beoogd door de Regering, namelijk meer ruimte creëren voor aanvullende regels van provincies en gemeentes met betrekking tot houtopstanden.

2.2 Natuur in de omgevingswet

Een andere belangrijke ontwikkeling op het gebied van wet- en regelgeving betreft – uiteraard – de inpassing van het natuurbeschermingsrecht in de Omgevingswet. De Regering heeft het voornemen om de Wnb geheel te integreren in de Omgevingswet, vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking zal treden. Daarmee is onduidelijkheid ten aanzien van de vraag of er, gedeeltelijk, nog een Wnb zou blijven bestaan, weggenomen.[10]  Ook staat daarmee het moment waarop de Wnb in de Omgevingswet zal opgaan vast en is duidelijk dat maar een relatief beperkte tijd de Wnb als losse, zelfstandige wet zal gelden. Het is het voornemen van de Regering om de Wnb beleidsneutraal te laten overgaan in de Omgevingswet. Dat houdt in dat er materieel bezien geen wijzigingen zijn voorzien op het terrein van de natuurbescherming (waartoe zowel de bescherming van soorten als van Natura 2000-gebieden behoort). Formeel vinden er echter wel wijzigingen plaats, omdat de Wnb moet worden ingepast in het stramien en systeem van de Omgevingswet. Zo zal er bijvoorbeeld niet langer sprake zijn van een natuurvisie maar wordt natuur een onderdeel van de omgevingsvisie. Ook zullen GS niet langer een aanschrijvingsbevoegdheid hebben (nu art. 2.4 Wnb) om handelingen die kunnen leiden tot een significant negatief effect op een Natura 2000-gebied te voorkomen of (geheel of gedeeltelijk) te staken, maar wordt deze bevoegdheid omgezet in de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften of zogeheten instructieregels vast te stellen.

Op dit moment zijn evenwel slechts nog de contouren van de wijze waarop de natuurbescherming in de Omgevingswet zal zijn geregeld, bekend. In de periode 21 november 2016 tot en met 21 januari 2017 heeft de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in de Omgevingswet ter inzage gelegen.[11]  Met deze Aanvullingswet wordt voorzien in de (formele) instrumenten die nodig zijn ter integratie van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Of, anders gezegd, deze wet regelt dat de Omgevingswet straks voldoende handvatten biedt om bij lagere regelgeving (in een van de vier AMvB’s die hun wettelijke basis vinden in de Omgevingswet[12] ) de natuurbescherming materieel te regelen. Op een later moment dit jaar zal de consultatieversie van het Aanvullingsbesluit Natuur bekend worden en pas dan zal duidelijk zijn hoe de natuurbescherming inhoudelijk vormgegeven zal worden onder de Omgevingswet. Bespreking van de formele kant van de natuurbescherming, zoals deze nu bekend is geworden met de Aanvullingswet Natuur, gaat het bestek van dit overzichtsartikel te buiten. Voor een bespreking van de inhoud van de Aanvullingswet Natuur, voor zowel de bescherming van gebieden en soorten zij hier, volledigheidshalve, dan ook verwezen naar andere publicaties.[13]

  1. Actualiteiten jurisprudentie

Jurisprudentie op het terrein van de gebiedsbescherming gaat, naast een inhoudelijke beoordeling van de ecologische effecten van een voorgenomen activiteit op een Natura 2000-gebied, vaak over de vraag of sprake is van bestaande rechten, of een bepaalde maatregel als mitigatie dan wel als compensatie kan worden aangemerkt en bijvoorbeeld welke uitgangspunten in acht moeten worden genomen bij de toetsing van bestemmingsplannen. Ook afspraken ten aanzien van externe saldering van effecten – inhoudende dat een toename van, veelal, stikstofdepositie vanwege een voorgenomen activiteit wordt gesaldeerd met een (ten minste) even grote afname van stikstofdepositie bij een bestaand activiteit – worden vaak bij de ABRvS ter toetsing voorgelegd. Nu de beoordeling van ecologische effecten veelal erg casuïstisch is en externe saldering in de praktijk minder dan voorheen voor zal komen – omdat externe saldering verboden is voor zover het betreft de vergunningverlening vanwege effecten op gebieden die zijn opgenomen in het PAS[14]  – komen deze twee punten in het hiernavolgende niet aan de orde. Ten aanzien van de overige punten bespreek ik hierna een aantal actuele uitspraken.

3.1 Cumulatie van effecten met andere plannen en projecten

Op grond van art. 2.7, lid 3, Wnb jo. art. 2.8, lid 1-8, Wnb moeten effecten van een voorgenomen project of vast te stellen plan in cumulatie met effecten van andere plannen en projecten passend worden beoordeeld. De hoofdlijn in de jurisprudentie is al enige jaren dat de verplichting om deze cumulatieve beoordeling te verrichten alleen geldt voor projecten waarvoor een Nbw-vergunning is verleend, maar die nog niet zijn uitgevoerd.[15]  Projecten waarvoor nog geen Nbw-vergunning is verleend worden, in beginsel, beschouwd als een toekomstige onzekere gebeurtenis en hoeven om die reden niet in deze beoordeling te worden betrokken. Effecten van projecten waarvoor een Nbw-vergunning is verleend en die reeds zijn uitgevoerd, worden geacht deel uit te maken van de autonome situatie, ten opzichte waarin in een passende beoordeling de effecten van het voorgenomen plan of project worden beoordeeld. Ook deze effecten hoeven dus niet apart in de cumulatieve beoordeling te worden meegenomen. Hoewel de wet daarnaast vereist dat ook de effecten van plannen in deze cumulatieve beoordeling moeten worden meegenomen, is vooralsnog onduidelijk hoe deze verplichting feitelijk wordt ingevuld. Ten aanzien van ontwikkelingsmogelijkheden in bestemmingsplannen heeft de ABRvS geoordeeld dat met deze mogelijkheden geen rekening hoeft te worden gehouden in het kader van de cumulatieve beoordeling, ook weer vanuit de gedachte dat ontwikkelingsmogelijkheden in een bestemmingsplan in beginsel moeten worden beschouwd als een toekomstige onzekere gebeurtenis.

Deze duidelijke lijn in de jurisprudentie – ten aanzien waarvan overigens wel de vraag gesteld kan worden of de strikte en beperkte uitleg van de verplichting tot het verrichten van een cumulatieve beoordeling in lijn is met het doel en de strekking van de Habitatrichtlijn – leek even te worden verlaten in een voorlopige voorzieningsuitspraak d.d. 12 november 2015.[16]  In deze uitspraak werd aangenomen dat bij de vaststelling van een uitwerkings(bestemmings)plan, ook de effecten van een ander uitwerkingsplan in de (cumulatieve) beoordeling moesten worden meegenomen. Aannemende dat een uitwerkingsplan een vergelijkbaar (onzeker) plan is als een bestemmingsplan, zou dit betekenen dat de lijn uit eerdergenoemde uitspraak zou zijn verlaten. Het was echter wachten op de uitspraak in de hoofdzaak om te bezien in hoeverre er sprake was van wijziging in de jurisprudentie. Deze uitspraak[17]  biedt deze duidelijkheid echter niet en hoefde dat ook niet te doen. Nadere bestudering van de feiten wees immers uit dat het tweede uitwerkingsplan – ten aanzien waarvan de voorzieningenrechter op voorhand had aangenomen dat deze in de cumulatieve beoordeling had moeten worden meegenomen – nog niet was vastgesteld op het moment dat het bestreden uitwerkingsplan werd vastgesteld. Daarmee blijft de vraag of de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter moet worden beschouwd als een wijziging van de jurisprudentie dus openstaan.

3.2 Mitigatie vs. compensatie

Het Briels-arrest[18]  heeft geleid tot een stroom aan nationale jurisprudentie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Het verschil is belangrijk voor de praktijk. Het positieve effect van mitigerende maatregelen mag immers in een passende beoordeling meegenomen worden, waardoor mogelijk de conclusie kan worden getrokken dat een project niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied en aldus vergunbaar is. Het positieve effect van compenserende maatregelen kan niet meegenomen worden in een passende beoordeling. In dat geval zal – zonder de compenserende maatregelen – waarschijnlijk in de passende beoordeling worden geconcludeerd dat niet verzekerd is dat het Natura 2000-gebied door het voorgenomen initiatief niet zal worden aangetast. Toestemmingverlening is dan alleen mogelijk als kan worden vastgesteld dat er geen alternatieven zijn voor het voorgenomen initiatief en er dwingende redenen zijn die de aantasting van het Natura 2000-gebied rechtvaardigen. Kortom: het maakt voor de wijze waarop toestemmingverlening voor een voorgenomen initiatief kan worden verkregen behoorlijk wat uit of sprake is van mitigerende of van compenserende maatregelen. Het Briels-arrest leerde ons al dat als een initiatief een aantasting van een Natura 2000-gebied veroorzaakt, maatregelen die worden getroffen om deze aantasting te verminderen of te verkleinen, alleen als mitigatie kunnen worden aangemerkt als deze maatregelen getroffen worden op de locatie waar de aantasting van het Natura 2000-gebied optreedt. Maatregelen die elders worden getroffen – ook al worden deze in hetzelfde Natura 2000-gebied gerealiseerd – moeten worden beschouwd als compensatie. Deze lijn is door het Hof van Justitie van de EU (“HvJ”) doorgezet met het Orleans-arrest.[19]  In dit arrest overwoog het HvJ:

“Maatregelen die zijn opgenomen in een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied van communautair belang, en die erin voorzien dat, voordat zich negatieve gevolgen voordoen van een aldaar voorkomend type natuurlijke habitat, er een toekomstig areaal van dat type wordt ontwikkeld, waarvan de ontwikkeling evenwel zal worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit gebied, [kunnen] niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling op grond van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn.”

Belangrijk verschil met het Briels-arrest was dat het HvJ in het Briels-arrest moest oordelen over de situatie dat maatregelen werden getroffen ter verbetering van het Natura 2000-gebied nadat de aantasting van dit Natura 2000-gebied had plaatsgevonden, terwijl in de casus waarover het HvJ zich in het Orleans-arrest moest buiten, de situatie betrof dat voordat de beoogde aantasting van het Natura 2000-gebied zou plaatsvinden, natuur-/herstelmaatregelen zouden worden getroffen en zou worden beoordeeld of er voldoende maatregelen (van voldoende omvang en kwaliteit) waren getroffen. Desalniettemin zou in beide gevallen een aantasting van habitattypes in een Natura 2000-gebied veroorzaakt worden en zouden, vanwege deze aantasting, elders – en niet op de locatie waar de aantasting zou optreden – maatregelen worden getroffen. En dat was reeds voor het HvJ voldoende om te concluderen dat sprake was van mitigerende maatregelen.[20]

3.3 Toetsing van bestemmingsplannen[21]

De effecten van een bestemmingsplan op een Natura 2000-gebied komen ook veelvuldig in uitspraken van de ABRvS aan de orde. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of de referentiesituatie – ten opzichte waarvan de effecten van een nieuw bestemmingsplan moeten worden onderzocht – juist is bepaald, of om de vraag of kon worden volstaan met een voortoets of dat toch een passende beoordeling (en dan ook een plan-MER, zie art. 7.2a Wet milieubeheer) is vereist. Belangrijk aandachtspunt bij bestemmingsplannen is verder de wijze waarop in de planvoorschriften nadere (bouw- of gebruiks)regels kunnen worden gesteld om te verzekeren dat significante effecten vanwege de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn uitgesloten. In dat verband wijs ik op de volgende nieuwe ontwikkelingen c.q. verduidelijkingen in de jurisprudentie.

De uitspraak van de ABRvS d.d. 1 juni 2016[22]  maakt, ten eerste, duidelijk dat de referentiesituatie wordt bepaald door de feitelijke en planologisch legale situatie. Lange tijd was de lijn van de ABRvS dat de effecten van een nieuw bestemmingsplan moesten worden vastgesteld op basis van de “feitelijke en legale” situatie ten tijde van de vaststelling van dit nieuwe bestemmingsplan.[23]  Daarmee was onduidelijk of onder ‘legaal’ ook moest worden verstaan een situatie die weliswaar in overeenstemming met het voorheen geldende bestemmingsplan was gerealiseerd, maar bijvoorbeeld zonder de vereiste milieu- of bouw-(omgevings)vergunning. Ervan uitgaande dat de ABRvS met de uitspraak van 1 juni 2016 een bestendige lijn heeft ingezet, bestaat de referentiesituatie, ten opzichte waarvan de effecten van een nieuw bestemmingsplan moeten worden bepaald, dus uit de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van dit nieuwe bestemmingsplan, voor zover deze feitelijke situatie op grond van het dan geldende planologisch regime is toegestaan. Of voor deze situatie verder nog een andere vergunning of toestemming van overheidswege is vereist, is dus niet relevant.

Wat betreft de vraag of een voortoets voldoende is of toch een passende beoordeling noodzakelijk is, wijs ik op het verschil tussen de uitspraken van 23 maart 2016[24]  en 30 maart 2016.[25]  In de uitspraak van 23 maart was door het bevoegd gezag de stelling ingenomen dat een passende beoordeling van het bestemmingsplan niet nodig was omdat de ontwikkelingsmogelijkheden van dit plan slechts een zeer geringe toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (te weten minder dan 0,05 mol/ha/jaar) tot gevolg zouden hebben. Deze stelling – waarbij dus uitgegaan werd van een getalsmatige benadering van de mogelijke effecten van een bestemmingsplan – werd door de ABRvS onvoldoende geacht om hierop de conclusie te kunnen baseren dat het plan niet zou kunnen leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Deze conclusie kan echter wel getrokken worden aan de hand van een voortoets, waarin de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante Natura 2000-gebieden, de ligging van de stikstofgevoelige habitattypen en een berekening van de (maximale) stikstofdepositie zijn opgenomen, gevolgd door een ecologische beoordeling. Dit blijkt uit de uitspraak van 30 maart 2016. Het verschil laat zien dat een passende beoordeling zeker niet altijd vereist is indien een bestemmingsplan leidt tot een toename van stikstofdepositie, maar dat die conclusie dan wel moet worden getrokken op basis van een inhoudelijke beoordeling van effecten en niet alleen kan worden gebaseerd op de stelling dat de toename van stikstofdepositie zeer beperkt is, of bijvoorbeeld wegvalt in de (fouten)marges van de modellen die worden gehanteerd om een toename van stikstofdepositie te berekenen. Onduidelijk is daarmee overigens waar de concrete grens ligt tussen een document die nog als voortoets kan worden aangemerkt of dat heeft te gelden als een passende beoordeling.

Een stelling die, voor zover mij bekend, tot op heden nog niet door de ABRvS inhoudelijk is beoordeeld is dat voor een bestemmingsplan dat maximaal tot een toename van 0,05 mol/ha/jaar stikstofdepositie op Natura 2000-gebied leidt, geen passende beoordeling is vereist omdat het bestemmingsplan alleen ontwikkelingen mogelijk maakt die op grond van de Wnb vergunningvrij zijn[26]  – waarmee ook verzekerd is dat het bestemmingsplan geen significant negatieve effecten kan hebben. Dit lijkt mij geen stelling die bij voorbaat kansloos is – los van de vraag overigens naar de houdbaarheid en onderbouwing van deze wettelijke uitzondering op de vergunningplicht.

In dit verband wijs ik er ten slotte op dat het ‘doorschuiven’ van de toets van een bepaalde activiteit in de planregels naar het moment waarop de omgevingsvergunning wordt verleend, door de ABRvS in strijd wordt geacht met de verplichting om ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan de mogelijk significant negatieve effecten van dit plan te beoordelen.[27]  Het is wel mogelijk om – bijvoorbeeld in de vorm van een gebruiksregel, waarin een verbod is neergelegd om nieuwe ontwikkelingen te realiseren die leiden tot een toename van stikstofemissie of – depositie – te bepalen dat het gebruiksverbod niet geldt voor ontwikkelingen waarvoor ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan reeds een vergunning op grond van de Wnb (of uiteraard de Nbw) is verleend. Het verdient dan wel de voorkeur om zo concreet mogelijk naar een verleende vergunning te verwijzen. Er is evenwel ook sprake van het doorschuiven van de vereiste toetsing als een dergelijk gebruiksverbod ook niet van toepassing is voor situaties waarvoor na vaststelling van een bestemmingsplan een vergunning op grond van de Wnb wordt verleend.[28]

Dat leidt in de praktijk tot de veel gehoorde klacht dat met een vergaand gebruiksverbod weliswaar kan worden verzekerd dat een bestemmingsplan geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied kan hebben, maar dat vervolgens het bestemmingsplan moet worden herzien[29]  op het moment dat, bij de vergunningverlening voor een specifieke activiteit, op basis van een (passende) beoordeling is vastgesteld dat een aantasting van het Natura 2000-gebied toch niet zal kunnen optreden. Het is begrijpelijk dat de praktijk een dergelijke gang van zaken – die een direct gevolg is van de jurisprudentie van de ABRvS – toch wat onpraktisch vindt. Oplossingen zouden nu gevonden kunnen worden in het opnemen van zo concreet mogelijke (rand)voorwaarden in de planvoorschriften, aan de hand waarvan op basis van de feitelijke situatie (en dus niet een beoordeling van effecten) kan worden vastgesteld of een bepaalde activiteit toch toelaatbaar. Dat vereist dat in de passende beoordeling ten behoeve van een bestemmingsplan nagegaan wordt onder welke (feitelijke) omstandigheden verzekerd is dat een bepaalde activiteit niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Deze omstandigheden kunnen vervolgens vertaald worden in de planvoorschriften. Wellicht dat de ABRvS verder het omgevingsplan – en de mogelijkheid om hier met een stelsel van getrapte toetsing van mogelijke gevolgen van een activiteit – kan aangrijpen om de strikte jurisprudentie op dit punt te wijzigen op een wijze dat nog steeds de bescherming van Natura 2000-gebieden is verzekerd maar de uitvoeringspraktijk niet onnodig wordt belemmerd.

  1. Programmatische Aanpak Stikstof

4.1 Regeling in Wet natuurbescherming

De inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming heeft materieel niet geleid tot veel wijzigingen ten aanzien van de Programmatische Aanpak Stikstof.[30]  Verschil is wel dat, anders dan voorheen, de wet zelf slechts de basis kent voor een programmatische aanpak (in art. 1.13 Wet natuurbescherming) en dat de PAS nader uitgewerkt is in het Besluit en de Regeling natuurbescherming. Hoewel de Wet natuurbescherming daarmee de mogelijkheid biedt voor een programmatische aanpak op een andere factor dan stikstof, gaat de Regering er vooralsnog van uit dat op dit moment een programmatische aanpak op landelijk niveau niet nodig is.[31]

Twee wijzigingen ten opzichte van de wettelijke regeling in de Nbw 1998 zijn hier het vermelden waard. Onder de Nbw 1998 kon het, ten eerste, voorkomen dat, bij een toename van stikstofdepositie op meerdere Natura 2000-gebieden vanwege een project of andere handeling, ter zake van een deel van deze gebieden geen vergunningplicht bestond. Dat was het geval indien de toename op het betreffende Natura 2000-gebied de vastgestelde grenswaarde (1,0 mol/ha/jaar of 0.05 mol/ha/jaar) niet zou overschrijden. Consequentie daarvan was dat in dat geval voor sommige Natura 2000-gebieden nog wel een vergunningplicht gold (namelijk voor die gebieden waar deze grenswaarde wel zou worden overschreden) en voor sommige Natura 2000-gebieden niet. Deze systematiek is bij vaststelling van de Wet natuurbescherming verlaten. Nu is in art. 2.12 lid 1, sub a, onder 1, van het Besluit natuurbescherming bepaald dat er een vergunningplicht bestaat zodra voor een Natura 2000-gebied de grenswaarde wordt overschreden. De te verlenen vergunning (en de in dat kader toe te kennen ontwikkelingsruimte) dient dan betrekking te hebben op alle Natura 2000-gebieden waar, vanwege een voorgenomen project of andere handeling, een toename van stikstofdepositie optreedt – en dus ook op die gebieden waar de toename onder de geldende grenswaarde blijft. Een tweede wijziging betreft de aanpassing van de grenswaarde. Uit art. 2.12, lid 2, Bnb volgt dat de grenswaarde – die in beginsel 1,0 mol/ha/jaar is en die bepaalt wanneer een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming vanwege een toename van stikstofdepositie – van rechtswege wordt verlaagd naar 0,05 mol/ha/jaar indien 95% van de beschikbare depositieruimte voor grenswaarden is uitgegeven. Het is mogelijk dat vervolgens nieuwe depositieruimte beschikbaar komt, bijvoorbeeld door het treffen van aanvullende maatregelen of door een actualisatie van de gegevens die bij de PAS worden gebruikt. Onder de Nbw 1998 zou in een dergelijke situatie de grenswaarde weer automatisch worden verhoogd. Dat systeem is bij de Wet natuurbescherming verlaten. Pas na een daartoe strekkend besluit van de Minister van EZ en I en M zal de grenswaarde weer 1,0 mol/ha/jaar bedragen. Dit volgt uit art. 2.12, lid 4 en 5, Besluit natuurbescherming.

4.2 Actualiteiten jurisprudentie

Begin maart 2017 werd bekend dat de ABRvS overweegt om prejudiciële vragen te stellen waarmee, onder andere, de aanvaardbaarheid van de PAS, in het licht van art. 6, lid 3 en 4, Habitatrichtlijn aan de orde zou worden gesteld. Bij afronding van dit artikel was net bekend geworden dat de ABRvS besloten heeft deze vragen te stellen.[32]  Het moge duidelijk zijn dat met een dergelijke prejudiciële procedure – of de beslissing van de ABRvS om dergelijke vragen toch niet te stellen – een eerste start zal worden gemaakt met een inhoudelijke beoordeling van de PAS en het vastgestelde programma, zodat dan, eindelijk, iets meer helderheid (en zekerheid) kan worden gegeven over houdbaarheid en de aanvaardbaarheid van de gekozen aanpak.

Vooralsnog is echter slechts beperkt jurisprudentie over de PAS, en bijbehorende regelgeving, beschikbaar. Deze jurisprudentie heeft daarbij hoofdzakelijk betrekking op formele kwesties. Zo is bij de ABRvS ten eerste de vraag aan de orde gekomen of de reactie op een melding, gedaan in het AERIUS-systeem en vereist voor nader in art. 2.7 Regeling natuurbescherming omschreven activiteiten onder de grenswaarde, een besluit is. Reeds in 2016 overwoog de voorzieningenrechter van de ABRvS dat dit – naar zijn voorlopig oordeel – niet het geval was.[33]  Krap een jaar later werd deze conclusie bevestigd in de hoofdzaak.[34]  Daarbij overwoog de ABRvS dat de meldingsplicht als doel heeft het gebruik van de depositieruimte voor activiteiten onder de grenswaarde te monitoren. De uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten onder de grenswaarde volgt evenwel rechtstreeks uit, voorheen, de Nbw 1998 en nu de Wet natuurbescherming.[35]  Noch de melding, noch de bevestiging van de ontvangst van deze melding, zijn als voorwaarde gesteld voor het van toepassing zijn van de uitzondering op de vergunningplicht. Aldus is de reactie op de melding niet op rechtsgevolg gericht en is geen sprake van een (appellabel) besluit.

Andere relevante, recente, jurisprudentie over de PAS heeft betrekking op de toepassing van het overgangsrecht. Het betreft in het bijzonder de toepassing van art. 5.13 Besluit natuurbescherming, waarmee de overgangsbepalingen die voor 1 januari 2017 waren opgenomen in art. 19km, lid 4, Nbw 1998 en art. 67a Nbw 1998 zijn gecontinueerd. Art. 5.13, lid 1, Besluit natuurbescherming (en art. 19km, lid 4, Nbw 1998) heeft betrekking op het verbod op externe saldering, voor wat betreft de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen. Hier wordt geregeld dat het verbod op externe saldering niet van toepassing is op een besluit om een aanvraag om een Nbw-vergunning of een omgevingsvergunning waarbij de Nbw-toestemming aanhaakt, indien deze aanvraag voor 1 juli 2015 – de datum waarop de PAS in werking is getreden – is ingediend. ABRvS 28 december 2016 laat zien dat een voor 1 juli 2015 ingediende aanvraag, na 1 juli 2015 kan worden aangevuld met gegevens en bescheiden die nodig zijn om de vergunning te kunnen verlenen met externe saldering.[36]  Dat bekent dat een uitzondering op het verbod op externe saldering ook aan de orde kan zijn indien weliswaar voor 1 juli 2015 een aanvraag is ingediend, maar deze aanvraag nadien wordt aangevuld.

Art. 5.13, lid 2, Besluit natuurbescherming (en art. 67a Nbw 1998) regelt verder dat de regels over toedeling van benodigde ontwikkelingsruimte, de wijze waarop de omvang van deze ontwikkelingsruimte moet worden bepaald en de registratie van deze ontwikkelingsruimte niet van toepassing zijn, als voldaan is aan de voorwaarden uit dit artikel. Deze houden dat: (i) vóór 1 juli 2015 een besluit tot verlenen van een vergunning in voorbereiding moet zijn; (ii) de gegevens bij de aanvraag volledig zijn voor de beoordeling van de aanvraag – indien een passende beoordeling noodzakelijk is moet deze volledig zijn –; en (iii) dat een tijdige uitvoering van maatregelen is verzekerd. Het betreft maatregelen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat, als sprake is van een project, de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast, resp., indien sprake is van een andere handeling, verslechtering of significante verstoring wordt voorkomen. Ook bij toepassing van art. 5.13, lid 2, Besluit natuurbescherming leidt aanvulling van een voor 1 juli 2015 ingediende aanvraag ná 1 juli 2015 niet meteen tot een situatie waarin het overgangsrecht niet meer van toepassing is. Wijziging van gegevens en bescheiden, als onderdeel van de aanvraag, kan ook na 1 juli 2015 plaatsvinden. Deze wijzigingen mogen echter niet zo ver strekken dat een andere activiteit wordt aangevraagd.[37]

  1. Afronding

Als de ABRvS besluit om prejudiciële vragen te stellen over de PAS, zal die procedure de komende periode, terecht, die procedure door de praktijk aandachtig gevolgd worden. Hoewel het dan uiteraard nog enige tijd – zo’n 1 tot 2 jaar – kan duren voordat het HvJ deze vragen beantwoord heeft, is voor de kortere termijn relevant wat de status en toepasbaarheid van het vastgestelde programma is gedurende de procedure en in hoeverre de regelgeving met betrekking tot de PAS buiten toepassing moet (of kan) worden gelaten, in afwachting op de uitkomst van de prejudiciële procedure.

Andere punten van aandacht de komende tijd betreffen m.i. ten eerste de vraag of de ABRvS de uitzondering op de vergunningplicht voor andere handelingen, in art. 2.9, lid 2, Wnb anders zal invullen dan de voorheen in art. 19d, lid 3, Nbw opgenomen uitzondering voor bestaand gebruik, waardoor ook projecten op de referentiedatum (31 maart 2010) uitgezonderd waren de vergunningplicht – doch waarbij de ABRvS vervolgens, na vaststelling of aan de wettelijke uitzondering op de vergunningplicht was voldaan, toetste of voor de betreffende activiteit toestemming was verleend voorafgaand aan het moment waarop voor de (Natura 2000-)gebieden waarop deze activiteit het gebiedsbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn is gaan gelden. Nu de uitzondering op de vergunningplicht in de Wnb anders is geformuleerd dan voorheen in de Nbw, is het de vraag in hoeverre deze jurisprudentie nog relevant is.[38]  Een andere belangrijke ontwikkeling, ten slotte, voor de komende tijd is de wijze waarop de gebieds- en soortenbescherming wordt ingevuld in de Omgevingswet, en dan in het bijzonder in de AMvB’s die hun grondslag kennen in deze wet. Kortom: er zijn ook het komende jaar weer genoeg ontwikkelingen te verwachten.

 

Voetnoten

[1]

Marieke Kaajan is advocaat/partner bij ENVIR Advocaten. De tekst van dit artikel is afgerond op 1 mei 2017.

[2]

Presentatie van prof. mr. A.A. Freriks, Programmatische Aanpak Stikstof. Actualiteitendag VMR, 23 maart 2017, te vinden via www.milieurecht.nl, waar overigens ook mijn eigen presentatie (Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht. Vereniging voor Milieurecht) is te vinden.

[3]

Bij uitspraken van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 en ECLI:NL:RVS:2017:1259.

[4]

Zie M.M. Kaajan, Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; actualiteiten en vragen uit de praktijk, M en R 2016/73.

[5]

Stb. 2016, 34.

[6]

Kamerstukken II 2016/17, 33348, 192 en Stb. 2016, 384.

[7]

Omdat een voorgenomen activiteit zou kunnen leiden tot een mogelijk significant negatief effect op een Natura 2000-gebied en er dus op grond van hoofdstuk 2 Wnb een vergunningplicht geldt, dan wel omdat deze activiteit overtreding van de verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 van de Wnb tot gevolg zou hebben.

[8]

Kamerstukken II 2013/14, 33910, 3, p. 23 en 6, p. 19.

[9]

Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33910, 3, p. 23 en 6, p. 19 en HR 23 december 1980, AB 1981/237. Zie ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 augustus 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5220, waarin geconcludeerd werd dat het in de APV opgenomen kapverbod onverbindend is voor zover dit verbod ziet op houtopstanden die onder de Boswet vallen.

[10]

M.M. Kaajan, Natuurbescherming met de Omgevingswet, gaat er nu eindelijk echt iets veranderen?, M en R 2014/8.

[11]

Zie www.internetconsultatie.nl/aanvullingswetsvoorstelnatuur waar ook een integrale versie van de Omgevingswet met daarin de Aanvullingswet Natuur verwerkt is weergegeven. Zie www.internetconsultatie.nl/aanvullingswetsvoorstelnatuur/reacties voor de reacties op de consultatie.

[12]

Het Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Omgevingsbesluit en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

[13]

Zie M.M. Kaajan, Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?, nog te verschijnen, M en R 2017/45, en A.A. Freriks, Soortenbescherming in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2017/46.

[14]

Met de kanttekening dat externe saldering vanwege effecten op Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen nog wel is toegestaan in het kader van de vaststelling van (bestemmings)plannen. Zie art. 5.13, lid 1, Besluit natuurbescherming.

[15]

ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312.

[16]

ABRvS (vzr.) 12 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575.

[17]

ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1621.

[18]

HvJ EU 15 mei 2014, C-521/12, ECLI:EU:C:2014:330.

[19]

HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583.

[20]

Zie verder ook R.H.W. Frins, Het arrest Orleans e.a.: het PAS en natuurmaatregelen veroordeeld tot de brandstapel?, TBR 2016/147.

[21]

M.M. Kaajan, Stikstof en bestemmingsplannen; met het PAS extra ruimte voor ontwikkeling?, Gst. 2015/69 en H.E. Woldendorp, Opgepast! Bestemmingsplannen en de PAS(ssende beoordeling), BR 2016/10.

[22]

ECLI:NL:RVS:2016:1515.

[23]

Zie M.M. Kaajan, Stikstof en bestemmingsplannen; met het PAS extra ruimte voor ontwikkeling?, Gst. 2015/69 en de hierin genoemde jurisprudentie.

[24]

ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:784.

[25]

ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:866.

[26]

Art. 2.12, lid 2, Besluit natuurbescherming.

[27]

Dit is vaste jurisprudentie en blijkt onder andere uit ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515.

[28]

ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1362.

[29]

Of een buitenplanse afwijking moet worden toegestaan.

[30]

Zie H.E. Woldendorp, De Wet natuurbescherming; de kleinere matroesjka van de Natuurbeschermingswet 1998 (deel 2), BR 2017/18.

[31]

Bijlage 746907 bij Kamerstukken II 2015/16, 33348, 177 (Nota van toelichting Besluit natuurbescherming), p. 46.

[32]

ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, M en R 2017/84, m.nt. Kaajan en ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260, M en R 2017/85, m.nt. Kaajan.

[33]

ABRvS (vzr.) 6 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3491.

[34]

ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2893.

[35]

Art. 2.12, lid 1, onder a, Besluit natuurbescherming.

[36]

ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3489.

[37]

ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327.

[38]

Zie M.M. Kaajan, Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?, M en R 2017/45.


Gerelateerd

Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz. Effecten op buitenlandse…
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….