Amsterdam: +31 20 737 20 66
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5

Annotatie ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50

Essentie

Uitsluitend informele m.e.r.-beoordelingsplicht voor tijdelijke omgevingsvergunning voor gebruik licht asbesthoudend staalschroot in staalsmelterij nu drempels C-21.5 en D-21-5 niet worden overschreden; andere categorieën uit Besluit m.e.r. niet van toepassing; geen ambtshalve toetsing m.e.r.-richtlijn; Mogelijk minder milieubelastende locaties behoeven niet in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden onderzocht.

Samenvatting

In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 21.5 onder meer aangewezen de wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten, in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de bewerking of verwerking daarvan met een verbruik van meer dan 200 ton asbest per jaar, onderscheidenlijk 100 ton asbest per jaar of meer. In onderdeel C is in categorie 18.2 aangewezen de oprichting van een installatie bestemd voor de verbranding, de chemische behandeling, het storten of het in de diepe ondergrond brengen van gevaarlijke afvalstoffen. In onderdeel D is in categorie 46 aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het smelten van minerale stoffen.  Nu de proeven plaatsvinden in de bestaande smeltoven van de inrichting, is het uitvoeren van de proeven niet aan te merken als het feitelijk oprichten van een installatie. Daarnaast wordt het asbesthoudend staalschroot bij de proeven niet verbrand, chemisch behandeld, gestort of in de diepe ondergrond gebracht. Gelet daarop vallen de proeven niet onder categorie 18.2 van onderdeel C. Hoewel het asbesthoudend staalschroot wordt toegevoegd aan een smelt van gesmolten staal, smelt het asbest zelf niet, aangezien het asbest niet overgaat van vaste in vloeibare vorm maar ontleedt in onschadelijke bestanddelen. Ter zitting hebben gedeputeerde staten toegelicht dat het staalschroot wel smelt, maar dat de asbestdeeltjes door de hoge temperaturen al eerder zijn ontleed. Gelet hierop vallen de proeven niet onder het smelten van minerale stoffen zoals vermeld in categorie 46 van onderdeel D.

De drempelwaarden van categorie 21.5 van onderdeel C en D zijn gesteld op een verbruik van meer dan 200 ton asbest per jaar, onderscheidenlijk 100 ton asbest per jaar of meer. Die drempelwaarden zien op de hoeveelheid asbest, zodat de hoeveelheid staalblokken die binnen de inrichting wordt geproduceerd niet relevant is. Aangezien de drempelwaarde betrekking heeft op het verbruik van een bepaalde hoeveelheid asbest en niet op een bepaalde capaciteit, is ook de definitie van de term ‘capaciteit’ niet relevant. De verleende vergunning ziet op het verwerken van maximaal 100 ton asbesthoudend staalschroot. Gelet op de hoeveelheid asbest die het staalschroot op grond van de vergunning maximaal mag bevatten, zal bij de proeven maximaal 104,4 kg asbest worden verwerkt

Gedeputeerde staten hebben een vormvrije m.e.r.-beoordeling verricht ter beoordeling van de vraag of op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. een verplichting bestond tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer, teneinde te beoordelen of een MER moest worden opgesteld, hoewel de drempelwaarden zoals vermeld in de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. In die beoordeling hebben gedeputeerde staten de locatiekeuze betrokken. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling staat dat de locatie van de inrichting al geruime tijd wordt gebruikt voor het smelten van staal en dat de proeven naar verwachting geen grotere nadelige gevolgen voor de omgeving zullen hebben dan de gevolgen die voortvloeien uit hetgeen reeds is vergund. De locatie van het project geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat gedeputeerde staten op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet hadden mogen concluderen dat geen MER hoefde te worden opgesteld. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat gedeputeerde staten zich niet op het standpunt konden stellen dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk was.

Uitspraak

ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, omgevingsvergunning verwerken licht asbesthoudend staalschroot, GS Zuid-Holland

Annotatie M.A.A. Soppe

1          De Afdeling oordeelt in deze zaak over het door het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam (hierna: het college) ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag d.d. 14 april 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:4548. Het rechtsgeding heeft betrekking op een door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende tijdelijke omgevingsvergunning (ex art. 2 lid 1 sub e Wabo) voor het veranderen van een staalsmelterij-inrichting (hierna aangeduid als de veranderingsvergunning). De verandering ziet op het nemen van proeven waarbij licht asbesthoudend staalschroot wordt gemengd met smelten van gesmolten staal bij een temperatuur tussen de 1500 en 1700 graden Celsius. Het uitgangspunt van de proeven is dat het asbest op die temperatuur ontleedt in onschadelijke bestanddelen, zodat het asbest wordt weggenomen en het staal geschikt wordt gemaakt voor hergebruik.

2          Het college heeft zich in rechte tegen de veranderingsvergunning gekeerd. Daarbij is onder meer aangevoerd dat er ten behoeve van de vergunningverlening is verzuimd een MER op te stellen. Volgens het bevoegd gezag, GS van Zuid-Holland, ziet de veranderingsvergunning op een activiteit die wordt begrepen onder (kolom 1 van) de categorieën C-21.5 en D-21.5 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Beide categorieën hebben betrekking op onder meer op de wijziging van een installatie bestemd voor de bewerking of verwerking van asbesthoudende producten. Gelijk de rechtbank, is de Afdeling met het bevoegd gezag van oordeel dat in casu inderdaad sprake is van een dergelijke activiteit. De desbetreffende drempelwaarden in (kolom 2 van) C-21.5 en D-21.5 zien op de bewerking of verwerking van asbesthoudende producten met een verbruik van meer dan 200 ton asbest per jaar respectievelijk van minimaal 100 ton per jaar. Die drempelwaarden worden niet overschreden, nu uit de vergunning volgt dat bij de proeven maximaal 104,4 kg asbest kan worden verwerkt. Anders dat het college betoogde, doet de totale productiecapaciteit van de staalsmelterij er in dat opzicht niet toe. De drempelwaarde ziet immers enkel op de hoeveelheid te verbruiken asbest. Het college acht voorzienbaar dat de thans tijdelijk vergunde activiteit na de proeffase in uitgebreide vorm zal worden voortgezet. Die voorzienbare ontwikkeling had zijns inziens moet worden betrokken bij de vraag of de drempelwaarden worden overschreden. Daartoe wordt gewezen op de definitie van de term “capaciteit” in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.  Een redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit wordt ingevolge die definitie ook tot de capaciteit gerekend. De Afdeling verwerpt het beroep vanwege de reden dat in de drempelwaarden van C-21.5 en D-21.5 geen gewag wordt gemaakt van de term “capaciteit”. De aangehaalde definitiebepaling is volgens de Afdeling uitsluitend relevant voor zover die term wordt gehanteerd in de omschrijving van de desbetreffende drempelwaarde. In lijn met de wijze waarop de Afdeling heden ten dage toetst (in beginsel strikt beperkt tot door appellanten aangevoerde argumenten, waarbij rechtsgronden niet ambtshalve worden aangevuld), gaat de Afdeling niet in op de vraag of het in vorenbedoelde definitie tot uitdrukking gebrachte voorzienbaarheidscriterium geen algehele gelding dient te hebben. Zoals ik in mijn dissertatie heb betoogd, meen ik dat die vraag reeds vanwege de artt. 3:2 en 3:4 lid 1 Awb evenwel bevestigend moet worden beantwoord. Zie M.A.A. Soppe, Milieueffectrapportage en ruimtelijke ordening, Deventer 2005, p. 330. Zou het college zijn beroep op het voorzienbaarheidscriterium hebben onderbouwd aan de hand van de artt. 3:2 en 3:4 lid 1 Awb, dan vind ik overigens  niet dat dat beroep wel had moeten worden gehonoreerd. Naar zijn aard zullen eerst de resultaten van de proef moeten worden afgewacht, alvorens met name ook voor het bevoegd gezag duidelijk zal zijn of het milieubelang zich al dan niet verzet tegen een permanente vergunningverlening voor de aan de orde zijnde vorm van de verwerking van licht asbesthoudend staalschroot. Daarmee is uitgesloten dat ten tijde van de bestreden vergunningverlening voorzienbaar was dat de proef uiteindelijk een definitief karakter zou krijgen.

3.         Volgens het college valt de vergunde activiteit niet onder de begripsomschrijving van de categorieën C-21.5 en D-21.5, maar onder die van C-18.2 (waarvoor geen drempelwaarde geldt) dan wel D-46. Uit de opbouw van de beroepsgrond lijkt te volgen dat het college het niet voor mogelijk houdt dat deze categorieën gelijkelijk van toepassing zijn. Dat valt waarschijnlijk te verklaren door de uitspraak van de rechtbank. In r.o. 7.5 van die uitspraak overweegt de rechtbank dat nu voor de bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten afzonderlijke categorieën in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen, te weten C-21.5 en D-21.5, daaruit moet worden afgeleid dat de – algemene – categorie C-18.2 daarop niet van toepassing is. Dit niet nader onderbouwde oordeel, is onjuist. Hoewel de Afdeling in een ver verleden op dit punt hetzelfde oordeelde als de rechtbank, is zij daar expliciet op teruggekomen. Zie ABRvS 8 september 2000, nr. E01.98.0089 (BR 2001, p. 417). Voor een nadere uiteenzetting (en de relevante jurisprudentie) zij verwezen naar p. 307 van mijn eerder aangehaalde dissertatie. Gezien de eerdere jurisprudentie van de Afdeling is het conform verwachting dat zij niet meegaat in de oordeelsvorming van de rechtbank. De Afdeling beziet immers nadrukkelijk of de aan de orde zijnde activiteit onder de verschillende categorieën kan worden begrepen en sluit de toepasselijkheid van C-18.2 niet op voorhand uit.

4.         De Afdeling acht categorie C-18.2 niet van toepassing, nu deze categorie enkel ziet op de oprichting van een installatie en niet ook op de verandering van een installatie. In casu wordt er feitelijk geen installatie opgericht. De Afdeling overweegt daarnaast dat ook overigens niet aan de categorieomschrijving van C-18.2 wordt voldaan. De asbesthoudende staalschroot wordt immers niet verbrand, chemisch behandeld of gestort dan wel in de diepe ondergrond gebracht. Ook categorie D-46, dat onder meer ziet op het smelten van minerale stoffen, mist volgens de Afdeling toepassing nu het asbest zelf niet smelt (zie r.o. 4.2).

5.         Op zichzelf is er niets tegen een strikte interpretatie van de onderdelen C-18.2 en D-46. Dat kan anders zijn indien dit gaat knellen met de m.e.r.-richtlijn. Bijlage I, onder 5, bij de m.e.r.-richtlijn spreekt onder meer over installaties voor de behandeling en verwerking van asbesthoudende producten. Voor toepassingsmogelijkheden anders dan asbestcement en remvoeringen, geldt als drempel “met een gebruik van 200 t per jaar”. Ik acht niet boven iedere twijfel verheven dat die drempel ziet op asbest sec en niet op het asbesthoudende product. Het in 2008 door de Europese Commissie opgestelde document Directive 85/337/EEC on the assessment of the effects of certain public and private projects on the environment (EIA Directive); Interpretation of definitions of certain categories of annex I and II of the EIA Directive, geeft daarover geen duidelijkheid. Als nader onderzoek evenmin tot meer duidelijkheid leidt, is niet uit te sluiten dat ervan moet worden uitgegaan dat de drempelwaarde ziet op asbesthoudende producten. Het Hof van Justitie heeft immers geoordeeld dat bij twijfel over de interpretatie van een in de m.e.r.-richtlijn gebezigd begrip in beginsel voor een ruime uitleg moet worden gekozen vanwege het brede doel en de zeer ruime werkingssfeer van de m.e.r.-richtlijn (zie o.a. HvJ EG 25 juli 2008, C-142/07). Zou de Afdeling in casu zijn ingegaan op de m.e.r.-richtlijn, dan had zij zich overigens op een praktische manier kunnen onthouden van een oordeel over de interpretatie van (onder meer) bijlage I, onder 5. Bijlage II, onder 13b, bij de m.e.r.-richtlijn brengt namelijk met zich dat projecten die zijn opgenomen in bijlage I en die worden ondernomen uitsluitend of hoofdzakelijk voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt, hebben te gelden als een bijlage II-project. Voorafgaande aan de vergunningverlening voor een dergelijk project geldt in dat geval een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aan die verplichting is in casu voldaan, zodat reeds om die reden sowieso geen strijd met de m.e.r.-richtlijn aanwezig is.

6.         De Afdeling gaat expliciet voorbij aan de grief van het college dat het Besluit m.e.r. in strijd is met de m.e.r.-richtlijn (naar ik aanneem zal die grief onder meer gericht zijn op de vraag of de drempelwaarde in bijlage i, onder 5, bij de m.e.r.-richtlijn correct is geïmplementeerd in C-21.5). De reden daarvoor is dat die grief niet reeds bij de rechtbank is aangevoerd en er geen reden is waarom dat niet had gekund (zie voor de nadere onderbouwing r.o. 3, die overeenstemt met de bestendige jurisprudentiële lijn dienaangaande). Het oordeel van de Afdeling maakt overigens duidelijk dat er geen verplichting voor de nationale rechter is om  ambtshalve aan de m.e.r.-richtlijn te toetsen. Zie hieromtrent punt 4 van mijn annotatie bij de uitspraak ABRvS 19 februari 2014, nr. 201303313/1/A4, M en R 2014/80.

7.         Hoewel de drempelwaarde in D-21.5 niet wordt overschreden, is er ten behoeve van de vergunningverlening in overeenstemming met art. 2 lid 5 Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordeling verricht. De uitkomst daarvan was dat er gelet op de selectiecriteria in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn te verwachten waardoor het opstellen van een MER niet nodig werd geoordeeld. Het college is het daarmee oneens. Volgens hem is miskend dat er een MER had moeten worden opgesteld, omdat daarin de locatiekeuze voor de proeven aan de orde had kunnen komen. Het college meent dat onderzoek had moeten worden gedaan naar het nemen van de proeven op een minder kwetsbare locatie. De Afdeling constateert dat in de vormvrije m.e.r.-beoordeling is ingegaan op de locatiekeuze. Concreet is daarin vermeld dat de locatie van de inrichting al geruime tijd wordt gebruikt voor het smelten van staal en dat de proeven naar verwachting geen grotere nadelige milieugevolgen zullen hebben dan de gevolgen die voortvloeien uit hetgeen reeds is vergund. De Afdeling oordeelt daarom dat de locatie van de vergunde activiteit geen aanleiding behoefde te vormen voor het laten opstellen van een MER.

Dat de Afdeling niet heeft geoordeeld dat in het kader van de m.e.r.-beoordeling ook had moeten worden bezien of er vanuit milieuoogpunt betere locaties zijn (dan wel dat vanwege de wenselijkheid van onderzoek daarnaar in de m.e.r.-beoordeling tot een MER had moeten worden besloten), is niet verrassend. Ingevolge art. 7.17 lid 3 Wm juncto bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn moet in een m.e.r.-beoordeling onder meer rekening worden gehouden met de locatie van de voorgenomen activiteit. De specifieke kenmerken van de locatie sec kan reden zijn om te concluderen dat een MER is vereist. Het bestaan van eventuele alternatieve locaties die minder milieubelastend zijn, kan die reden niet geven. In een m.e.r.-beoordeling behoeft daarom niet te worden ingegaan op die eventuele locatiealternatieven. Zie expliciet r.o. 2.10.7 van ABRvS 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7874.


Gerelateerd

Passende beoordeling bestemmingsplan voor kleine gebieden hoeft niet perse tot plan-mer-plicht te leiden
Annotatie M.A.A. Soppe bij ABRvS 19 mei 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:1054
Niet elk bedrijventerrein is een industrieterrein in de zin van categorie D 11.3 Besluit mer
Annotatie T. Rötscheid ABRvS 10 maart 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:516, M en R 2021/57
Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie M.A.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9