Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)

In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2020/48 over de ontwikkelingen in het soortenbeschermingsrecht. 

1. Inleiding

Dit betreft het eerste deel van de jaarlijkse kroniek Natuurbeschermingsrecht. In dit deel van deze kroniek staat het soortenbeschermingsrecht centraal. De tweede kroniek verschijnt in het septembernummer en zal zich focussen op het gebiedsbeschermingsrecht.

Wij behandelen de ontwikkelingen van het afgelopen jaar voor wat betreft soortenbescherming in de periode 1 augustus 2019 tot en met 20 mei 2020. Kort worden eerst de relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving behandeld, waarna de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder ook: ABRvS) en rechtbanken aan de hand van deelonderwerpen wordt besproken.  

2. Toekomstige wet- en regelgeving

In deze kroniekperiode zijn belangrijke stappen gezet in het Omgevingswetdossier voor het onderdeel natuur. Het voorstel Aanvullingswet natuur Omgevingswet is op 4 juli 2019 aangenomen door de Tweede Kamer. Daarbij is als volgt gestemd:1https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019D32281&did=2019D32281  Voor: PvdA, DENK, 50PLUS, D66, VVD, SGP, CDA, ChristenUnie, PVV en FvD, Tegen: Groenlinks, PvdD en SP. De Eerste Kamercommissies voor EZK/LNV en voor IWO hebben op 9 april 2020 de nota naar aanleiding van het verslag ontvangen. De plenaire behandeling is voorzien voor 30 juni 2020. Bij de plenaire behandeling wordt ook de brief van de minister van LNV van 6 september 2019 ter aanbieding van het ontwerp-Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet betrokken. Van belang is ook dat op 1 april 2020 beide Kamers geïnformeerd zijn over uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op 20 mei 2020 zijn beide Kamers vervolgens geïnformeerd over een nieuwe mogelijke datum voor inwerkingtreding, te weten 1 januari 2022. Het ontwerp van het Koninklijk Besluit met de nieuwe inwerkingtredingsdatum wordt na deze zomer voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Als het parlement akkoord is, wordt de datum van 1 januari 2022 definitief vastgesteld. In de vorige kroniek wezen wij reeds op een groot nadeel van de Omgevingswet voor het onderdeel natuur, te weten dat het overzicht dat juist onder de Wnb zo mooi is bereikt weer verloren zal gaan. Immers de nieuwe Omgevingswet kent veel doorverwijzingen en de regels zijn versnipperd over de verschillende AMvB’s. Inhoudelijk blijft voor het onderdeel soortenbescherming het meest opvallend verschil dat de ontheffing wordt vervangen door een omgevingsvergunning. De eisen aan de ontheffing (straks vergunning) zijn echter niet gewijzigd. 2In het Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht wordt in het artikel F. Onrust, ‘Soortenbescherming in de Omgevingswet voor de (uitvoeringspraktijk)’, NBR 2020/3 aan de hand van een casus het nieuwe stelsel toegelicht. Dat betekent dat de in deze kroniek aan de orde zijnde jurisprudentie onder de Omgevingswet van belang zal blijven.

3. Recente ontwikkelingen op het gebied van soortenbescherming

In het hiernavolgende worden recente uitspraken van de Afdeling en rechtbanken besproken van de periode 1 augustus 2019 tot en met 20 mei 2020 voor het onderdeel soortenbescherming. De jurisprudentie wordt aan de hand van deelonderwerpen behandeld.

3.1 Belanghebbende-begrip

Voor de beantwoording van de vraag of een natuurlijk persoon als belanghebbende kan worden aangemerkt in een bestuursrechtelijke procedure tegen een ontheffing soortenbescherming op grond van de Wnb, is bepalend of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de omwonende. Voor stichtingen geldt dat de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden bepalend zijn voor de vraag of zij een belang hebben bij een beroep op de bepalingen voor soortenbescherming. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant3Vz. Rb. Oost-Brabant 1 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1940 (Coronatijd, zonder zitting). gaat in op de belanghebbendheid van een stichting (?)4Uit de uitspraak volgt niet welke rechtsvorm verzoekster heeft. bij een verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen een kapvergunning. Eerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster niet wil dat de bomen worden gekapt om verstoring van de beschermde gewone dwergvleermuis en de laatvlieger te voorkomen. Uit de uitspraak volgt dat verzoekster zich volgens haar statutaire doelstelling richt ‘op het behartigen van de belangen van alle bedreigde dieren en plantensoorten in de meest ruime zin’. Daarover staat in de statuten van verzoekster dat zij dit doel tracht te verwezenlijken door (kort samengevat) ‘toe te zien op naleving van CITES’.5Het CITES-verdrag ziet o.a. op de handel in beschermde soorten. Echter, dat neemt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet weg dat verzoekster haar statutaire doelstelling ook zou kunnen bereiken door toe te zien op naleving van andere bepalingen in de Wnb. Kortom, verzoekster wordt als belanghebbende aangemerkt. In een andere procedure was een stichting niet als belanghebbende aangemerkt en daarmee was het verzoek om handhaving afgewezen. De Afdeling6ABRvS 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1082.  komt in deze uitspraak echter tot de conclusie dat het doel van Stichting Leefbaar Buitengebied gericht is op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, Awb. De belangen betrokken bij een verzoek om handhaving op grond van de Wnb behoren naar het oordeel van de Afdeling tot de belangen die Stichting Leefbaar Buitengebied blijkens haar statutaire doelstelling behartigt. Daarbij verwijst de Afdeling naar een eerdere uitspraak7ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2327. over de belanghebbendheid van dezelfde stichting en wijst zij op de feitelijke werkzaamheden van de stichting. Voor de feitelijke werkzaamheden acht de Afdeling niet van belang of die werkzaamheden specifiek betrekking hebben op het belang van soortenbescherming als bedoeld in de Wnb.

In de vorige kroniekperiode (BR 2019/45) wezen wij reeds op de jurisprudentie over windparken waarbij wordt gerekend met de tiphoogte van de windturbines in relatie tot de afstand tot de woningen. In een uitspraak van de rechtbank Limburg8Rb. Limburg 5 maart 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1828.  woonde een van de eisers op een afstand van ongeveer 1900 meter van de dichtstbijzijnde windturbine in het windpark. De rechtbank wijst erop dat het gebruikmaken van de verleende ontheffingen voor deze bewoners op een afstand van 1900 meter, gelet op deze jurisprudentie,9De rechtbank verwijst naar: ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616. geen ruimtelijke uitstraling (met gevolgen van enige betekenis) en daarmee geen zodanige invloed op de woon- en leefomgeving van eisers heeft, dat zij als belanghebbende aangemerkt kunnen worden. Eisers in deze procedure hadden daarnaast nog aangevoerd dat zij zich inzetten voor behoud van de vogelstand in het algemeen en de blauwe kiekendief in het bijzonder. Hierover merkt de rechtbank op dat een bewoner niet kan opkomen voor algemene en publieke belangen. De omstandigheid dat eiser vreest dat hij zijn hobby, het fotograferen van met name de blauwe kiekendief, niet langer in zijn directe woon- en leefomgeving kan blijven beoefenen is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks bij de verleende ontheffingen betrokken belang dat hem dermate onderscheidt van andere vogelliefhebbers dat hij op grond daarvan als belanghebbende aangemerkt kan worden.

In de Afdelingsuitspraak10ABRvS 8 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2722. over windpark N33 werden de omwonenden eveneens niet als belanghebbende aangemerkt. De percelen van deze omwonenden liggen op ten minste 900 meter van de activiteiten waarvoor de ontheffing is verleend. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat zij feitelijke gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de activiteiten waarvoor ontheffing is verleend. Dat de boerenzwaluw en de gewone dwergvleermuis in de omgeving van hun woningen kunnen voorkomen, omdat zij daar vliegen of foerageren, is daarvoor onvoldoende. In deze procedure was eveneens door een stichting beroep ingesteld. Voor de stichting geldt dat zij op grond van haar statuten – kort gezegd – de belangen behartigt van (rechts)personen die tegen realisatie van windmolens langs de N33 zijn. De Stichting bewerkstelligt daarmee een bundeling van belangen van natuurlijke personen en rechtspersonen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Stichting geen rechtstreeks betrokken belang bij de bestreden besluiten heeft, omdat de vergunde activiteiten voor haar geen feitelijke gevolgen van enige betekenis hebben. Een behartiger van collectieve belangen, zoals de Stichting, kan naar vaste rechtspraak11Verwezen wordt naar: ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2171. niet opkomen voor een individueel belang nu slechts één omwonende wel op korte afstand van de windturbines woonachtig is.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 december 201912ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4442. geoordeeld dat een stichting niet als belanghebbende was aan te merken nu de ontheffing is verleend voor het doden van vogels en vleermuizen door aanvaringen met de windturbines in het windpark. De statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden van de stichting zijn niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. Dit betekent dat de stichting alleen belanghebbende is voor zover het windpark ruimtelijke uitstraling op deze bewoners zal hebben en invloed zal hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Aangezien de dichtstbijzijnde woning van de appellanten op een afstand van ongeveer 500 meter van de voorziene windturbines ligt neemt de Afdeling aan dat van enige ruimtelijke uitstraling van de windturbines op de woon- en leefomgeving van de omwonenden geen sprake is. Ten slotte in een andere procedure over een windpark overweegt de Afdeling,13ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160. dat de door een drietal verenigingen behartigde belangen van inwoners van genoemde dorpen eveneens niet rechtstreeks getroffen worden door de soortenbeschermingsontheffing, omdat deze dorpen op minstens 1,2 km afstand zijn gelegen. De omwonenden in deze procedure wonen daarvoor te ver weg, met afstanden van 590 meter tot enkele kilometers van de windturbines. Daarbij sluit de Afdeling (standaard) af met de opmerking (voor zowel de verenigingen als de omwonenden) dat “de enkele omstandigheid dat soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de voorziene windturbines, in de omgeving van omwonenden voorkomen, omdat zij daar vliegen of foerageren” onvoldoende is.

3.2 Relativiteitsvereiste

Voor de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste ex artikel 8:69a Awb kan worden ingeroepen is voor soortenbescherming een inhoudelijk soortgelijke toets met die van artikel 1:2 Awb (belanghebbende) aan de orde.

Voor appellanten die woonachtig zijn op een afstand van 20 meter van het agrarische perceel waar de omgevingsvergunning voor fruitteelt met gebruik van bestrijdingsmiddelen is verleend, gaat het voor appellanten goed op het onderdeel relativiteit. De rechtbank14Rb. Gelderland 13 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:965. overweegt dat het agrarisch perceel deel uitmaakt van de directe leefomgeving van eiser. Gelet hierop zijn de belangen van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving in dit geval zo verweven met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen uit de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. In een andere procedure bij de Afdeling15ABRvS 3 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3655. over een bestemmingsplan buitengebied werd de beroepsgrond van een omwonende – tevens agrariër – die zag op soortenbescherming, niet inhoudelijk behandeld omdat het relativiteitsvereiste in de weg stond aan een mogelijke vernietiging op grond van deze beroepsgrond. De Afdeling was van oordeel dat de afstand van meer dan 900 m tussen de woning en het plangebied, alsmede de ligging van de woning aan de overkant van de oever, maakt dat het niet aannemelijk is dat het plan in zoverre de kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant zal aantasten. Dat de bedrijfsgronden van appellant zijn gelegen binnen het plangebied, maakt dat niet anders omdat daarvoor geldt dat er enkel een bedrijfsbelang bestaat dat is gelegen in het kunnen voortzetten van die bedrijfsactiviteiten. Ter zitting heeft appellant nog aangegeven dat het bedrijfsbelang wordt geraakt, nu het voor zijn bedrijf van belang is dat sprake is van een goede werkomgeving in de natuur, waarbij appellant tevens heeft gewezen op de omstandigheid dat hem subsidie is verleend om zijn activiteiten op een natuurvriendelijke manier uit te oefenen. Dat is echter voor de Afdeling onvoldoende om te kunnen oordelen dat de ingeroepen normen uit de Wnb strekken tot de bescherming van zijn (bedrijfs)belang. In een andere bestemmingsplanprocedure16ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283. (Overigens een interessante uitspraak voor meer onderwerpen in relatie tot artikel 8:69a Awb). waarbij de vestiging van een bouwmarkt mogelijk gemaakt werd, oordeelde de Afdeling dat het bedrijf (een groepsmaatschappij waartoe een tweetal andere bouwmarkten behoren) zich niet op de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb kon beroepen. Met de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied worden de ontplooide bedrijfsactiviteiten niet beïnvloed. In een andere procedure17ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:952. gericht tegen een provinciaal inpassingsplan (PIP) voor de herinrichting van een provinciale weg, wordt over het relativiteitsvereiste met betrekking tot soortenbescherming opgemerkt dat ook hier de bedrijfsbelangen van een van de appellanten, gezien de aard van het bedrijf, niet gemoeid zijn met het belang van soortenbescherming. De Afdeling overweegt dat het belang waarin deze appellant bescherming zoekt zijn bedrijfsbelang is, en zijn belang daarmee is gelegen in het onverkort kunnen voortzetten van zijn bedrijfsactiviteiten. Artikel 8:69a Awb staat om die reden in de weg aan een beroep op de soortenbeschermingsbepalingen.

Net als onder het kopje ‘belanghebbende-begrip’ (paragraaf 3.1 van deze kroniek) behandelen wij voor het relativiteitsvereiste een aantal uitspraken die zien op windparken. In de Afdelingsprocedure18ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210. over het inpassingsplan Windpark Greenport Venlo, worden beroepsgronden over soortenbescherming van omwonenden buiten beschouwing gelaten op grond van artikel 8:69a Awb. De omwonenden zijn woonachtig op een te grote afstand van de windturbines. Eén appellant woont op een afstand van ongeveer 350 meter van de dichtstbijzijnde windturbine en minimaal meer dan een kilometer van de overige windturbines. Bij deze overige windturbines is het effect op de soortenbescherming naar het oordeel van appellant te verwachten. Gezien de afstand van de woning van deze appellant tot deze windturbines is niet aannemelijk dat de effecten van de voorziene windturbines voor de natuurwaarden en/of cultuurhistorische waarden ter plaatse en/of in de directe omgeving van deze windturbines effect zullen hebben op de woon- en leefomgeving van appellant. In de uitspraak van de Afdeling19ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322. van 2 oktober 2019 inzake bestemmingsplan windpark Weert wordt opgemerkt, dat een omwonende op een afstand van 780 meter tot de percelen waarop de dichtstbijzijnde windturbine komt te staan (en met een afstand van ruim 700 meter tot de gronden waarboven de rotorbladen van deze windturbine zullen draaien, welke gronden de aanduiding ‘windturbine’ hebben gekregen), zich niet op deze belangen kan beroepen. De Afdeling overweegt daartoe dat de ingeroepen normen (onder meer artikel 3.1, eerste lid) van de Wnb, strekken tot het tegengaan van vogelsterfte en dat deze appellant niet in rechte op kan komen voor dit algemeen belang. Eventuele aanvaringen van vogels met de windturbine zullen zich voordoen op geruime afstand. Ook eventuele verstoring zal zich voordoen in de nabijheid van de windturbines. De Afdeling is van oordeel dat de eventuele sterfte en verstoring van vogels op een afstand van meer dan 700 meter tot de woning geen gevolgen heeft voor de kwaliteit van haar directe leefomgeving, waardoor het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de beoordeling van deze beroepsgrond.

3.3 Beheer en schadebestrijding

Onder beheer en schadebestrijding zoals geregeld in de Wnb, wordt begrepen: het doden, bestrijden of weren van (beschermde) soorten die schade of overlast kunnen veroorzaken. Wij wijzen u op een interessante uitspraak20CBb 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:580. van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarbij de bepalingen over beheer en schadebestrijding uit de Wnb en de regels inzake voedselveiligheid samenkomen. Appellanten hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen belanghebbende, die met ontheffing van verschillende provinciebesturen, in het wild levende ganzen doodt en vangt. De aan de orde zijnde ontheffingen zijn verleend om in het wild levende ganzen te vangen en te doden, met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. Het vangen en doden van de ganzen moet uitgevoerd worden door het bijeendrijven van de ganzen in een fuik, waarna ze door toediening van koolstofdioxide (CO2) met behulp van een in het veld aanwezige gesloten container worden gedood. De op deze wijze gedode ganzen worden door belanghebbende geleverd aan een wildbewerkingsinrichting. Appellanten stellen dat belanghebbende een mobiel slachthuis exploiteert zonder dat zij beschikt over de daarvoor noodzakelijke erkenning en dat zij de hygiënevoorschriften die op een dergelijke inrichting van toepassing zijn niet naleeft. Voor zover appellanten in dit verband hebben betoogd dat het standpunt van verweerder strijdig is met de definitie van ‘jacht’ in de Vogelrichtlijn en de Wnb, gaan zij eraan voorbij dat deze richtlijn en Wnb een geheel andere doelstelling hebben dan de hier aan de orde zijnde levensmiddelenhygiëneregelgeving waarvan appellanten om handhaving verzoeken. Kortom, de definities uit het ene wettelijk kader kunnen niet zonder meer worden gebruikt in een ander wettelijk kader.

3.3.1 Middelen

De discussie over middelen gaat bij beheer en schadebestrijding over het algemeen over de vraag of een middel gebruikt en voorgeschreven mag worden in een ontheffing van de provincie en/of het middel voor de betreffende diersoort is toegestaan op grond van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. In een procedure bij het Gerechtshof Leeuwarden21Gerechtshof Leeuwarden 25 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2542 en tevens ECLI:NL:GHARL:2020:2543. was aan de orde dat gebruik was gemaakt van een jachtgeweer op gronden die daarvoor niet geschikt waren, omdat de gronden te klein waren om het gebruik van een jachtgeweer toe te kunnen staan. Daarbij acht het hof niet van belang of het geweer werd gebruikt voor jacht, dan wel voor schadebestrijding.

3.3.2 Voorwaarden ontheffing beheer en schadebestrijding

Bij de rechtbank Noord-Nederland22Rb. Noord-Nederland 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:4141. stond de vraag centraal of de bevoegdheid bestaat om de begrenzing van ganzenfoerageergebieden in de provincie bij besluit vast te stellen. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het wijzigen van die begrenzing voortvloeit uit de wet- en regelgeving. De rechtbank stelt vast dat de begrenzingsbesluiten concretiserende besluiten van algemene strekking zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de bevoegdheid om vrijstelling op grond van de Wnb te verlenen primair schadebestrijding tot doel heeft. Uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017 volgt tevens dat aanwijzing en begrenzing van ganzenfoerageergebieden tot doel heeft om bij te dragen aan ganzenbescherming. De bestrijdings- en beschermingsdoelen staan ook voorop in de door de provincie vastgestelde uitgangspunten en criteria voor het vaststellen van de begrenzing van ganzenfoerageergebieden. Hoewel verweerder in dit kader een behoorlijke mate van beleidsvrijheid heeft, strekt zijn motiveringsruimte zich vooral uit tot feiten, omstandigheden en belangen gemoeid met die twee doelen. Anders dan verweerder stelt, kunnen financiële doelen daarom geen doorslaggevende rol spelen bij (de beperking van) de begrenzing van ganzenfoerageergebieden, zo overweegt de rechtbank.

3.3.3 Faunabeheereenheid en faunabeheerplan

In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag23Vz. Rb. Den Haag 10 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10754. staat het aangepaste Faunabeheerplan ten behoeve van de knobbelzwaan centraal. De voorzieningenrechter stelt vast dat het aangepaste faunabeheerplan alleen beheermaatregelen bevat ten aanzien van de knobbelzwaan en niet ten aanzien van de kleine zwaan. In beginsel kan aan gevolgen voor andere diersoorten (zoals de kleine zwaan) dan ook niet worden toegekomen. Dit wordt evenwel anders, indien de wijze waarop beide zwaansoorten voorkomen zou maken dat de beheermaatregelen jegens de knobbelzwaan eveneens de kleine zwaan zullen treffen. Daarvan kan sprake zijn, indien zij leven in gemengde groepen. In dat kader is van belang dat de kleine zwaan een strikt te beschermen diersoort is, die voorkomt op bijlage II bij het Verdrag van Bern. De voorzieningenrechter overweegt:

“Op grond van artikel 3.5 van de Wnb is in een dergelijk geval het opzettelijk doden, vangen of verstoren van de diersoort verboden. De voorzieningenrechter overweegt dat naar voorlopig oordeel opzettelijke verstoring of zelfs bejaging van de kleine zwaan niet met voldoende zekerheid uitgesloten is.” (Let op, de verwijzing naar artikel 3.5 Wnb komt rechtstreeks uit de uitspraak).

3.4 Opdracht ex artikel 3.18 Wnb

In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland24Rb. Midden-Nederland 12 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5338. van 12 november 2019 wordt de verleende opdracht ex artikel 3.18 Wnb voor afschot van edelherten in de Oostvaardersplassen vernietigd. De rechtbank overweegt dat de provincie niet goed heeft kunnen motiveren waarom het afschieten van edelherten tot een doelstand van 490 nodig is. Die doelstand is – zo overweegt de rechtbank –niet ecologisch onderbouwd, maar is voor een belangrijk deel gebaseerd op het rapport van de commissie Van Geel, hetgeen een beleidsmatig stuk en geen ecologische onderbouwing is.

3.5 Ontheffingen verboden soortenbescherming

Bij overtreding van een verbod uit hoofdstuk 3 Wnb (soortenbescherming) mag in beginsel de activiteit, de handeling of het project dat de overtreding van de verbodsbepalingen tot gevolg heeft niet uitgevoerd worden. Er kan echter ontheffing van de verboden worden verleend, indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

i

Er is geen sprake van een andere bevredigende oplossing;

ii

er kan een wettelijke ontheffingsgrond worden ingeroepen; en

iii

de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort komt niet in gevaar.25Wij wijzen op het subtiele verschil in formulering bij vogels en habitatrichtlijnsoorten.

Indien aan deze vereisten kan worden voldaan, dan kan de ontheffing verleend worden. Met name de eis dat er een wettelijke ontheffingsgrond aan de orde moet zijn, maakt dat ontheffingen lang niet voor alle activiteiten, handelingen of projecten verleend kunnen worden. Door het treffen van mitigerende maatregelen is het soms mogelijk om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, zodat geen ontheffing (meer) vereist is.

In beroep tegen een ontheffing wordt de omvang van het geding bepaald door de aanvraag en de ontheffing. Zo overweegt de Afdeling26ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125. dat het betoog dat ten onrechte geen ontheffing op grond van de Wnb is verleend voor bepaalde soorten buiten beschouwing moet blijven, omdat het college van gedeputeerde staten dient te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals door de aanvrager ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Nu in die procedure voor de wulp, rugstreeppad, meervleermuis en vogelsoorten geen ontheffing is aangevraagd, moeten de door Stichting en anderen ten aanzien van deze soorten aangevoerde gronden in de procedure van de verleende Wnb-ontheffing buiten beschouwing blijven.27De ABRvS verwijst in deze uitspraak naar: ABRvS 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5108.

3.5.1 Ontheffingsvoorwaarden en voorschriften

In de uitspraak van de Afdeling28ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160. over een windpark is in de voorschriften van de ontheffing een stilstandvoorziening verbonden. In de passende beoordeling en het cumulatierapport is vermeld dat de gevolgen van bestaande en vergunde en nog niet gerealiseerde activiteiten op de populaties van de gewone en ruige dwergvleermuis al zodanig groot zijn dat de beperkte effecten van de voorziene 16 windturbines er voor zorgen dat het 1% mortaliteit-criterium wordt overschreden. Om de gevolgen vanwege de voorziene 16 windturbines te beperken is de stilstandvoorziening voorgeschreven. Deze voorziening, zo blijkt uit het cumulatierapport en is onderschreven in het deskundigenbericht, vermindert de sterfte onder deze vleermuissoorten met 90%. In de enkele, niet nader geconcretiseerde, twijfel van de stichtingen aan de effectiviteit van deze voorziening ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van deze vermindering van sterfte uit kon gaan.

3.5.2 Mitigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen in het kader van de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb zijn die maatregelen waardoor (volledig) wordt voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden. Let op, het begrip mitigerende maatregelen binnen het gebiedsbeschermingsrecht wordt anders uitgelegd. In een bestemmingsplanuitspraak van de Afdeling29ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:221. waarmee een noodoverloopgebied in het kader van de Waterwet planologisch wordt vastgelegd, worden de getroffen maatregelen niet als mitigerende maatregelen aangemerkt. Uit de plantoelichting blijkt dat er rekening zal worden gehouden met het broedseizoen en daarnaast is de verwachting dat inzet van de waterberging eens in de 100 jaar nodig zal zijn, en dan waarschijnlijk in het najaar als het broedseizoen van de weidevogels reeds is afgelopen. Zoals de Afdeling echter overweegt, neemt dit niet weg dat verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden wanneer het noodoverloopgebied gebruikt wordt. Daarmee zijn de maatregelen geen mitigerende maatregelen. Omdat bij gebruik van het noodoverloopgebied er geen tijd is om een ontheffing aan te vragen zal deze op voorhand verleend moeten worden, zo overweegt de Afdeling.

In de uitspraak van de Afdeling van 24 december 201930ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4435. inzake een bestemmingsplan, lijken mitigerende maatregelen aan de orde, zonder dat dit expliciet zo wordt benoemd. Uit een andere bestemmingsplanuitspraak van de Afdeling31ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:135. Zie de bestemmingsplanuitspraak van de ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:270, waarbij maatregelen tegen lichtverstoring van vleermuizen aan de orde zijn. blijkt de volgende mitigerende maatregel in het kader van de Wnb te worden getroffen: het woonperceel (en het bouwvlak voor het hoofdgebouw) dient zo veel mogelijk westelijk op het perceel geplaatst te worden om de lichtuitstraling naar de vliegroute aan de oostelijke zijde te minimaliseren en daarmee hinder voor de vleermuizen uit te sluiten.

In de uitspraak van de Afdeling32ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3406. Zie ook: Vz. Rb. Noord-Holland 16 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7791, waarbij de status van de maatregelen niet worden benoemd, maar de voorzieningenrechter onder verwijzing naar rapporten overweegt dat voldoende is toegelicht dat de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop de ontheffing ziet “met de te treffen tijdelijke en permanente compenserende en mitigerende maatregelen niet in het geding komt”. Ook hier geldt weer dat de toets of sprake is van mitigerende maatregelen in beginsel niet bij de toets aan de staat van instandhouding thuishoort. van 9 oktober 2019 inzake het rijksinpassingsplan voor de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding, worden in het kader van de uitvoerbaarheid maatregelen besproken voor soortenbescherming. Deze maatregelen worden in de uitspraak aangeduid als mitigerende maatregelen, maar een nauwkeurige lezing van de uitspraak lijkt erop te duiden dat hooguit voor de maatregelen in de aanlegfase sprake is van mitigerende maatregelen en voor de exploitatiefase in ieder geval niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling zijn immers slechts maatregelen die voorkomen dat een verbodsbepaling wordt overtreden als mitigerende maatregelen aan te merken. In de uitspraak wordt opgemerkt dat er tijdens de aanlegfase maatregelen kunnen worden getroffen ‘om de mogelijke nadelige effecten op beschermde soorten te voorkomen’. Of ‘nadelige effecten’ gelijk staat aan het niet overtreden van enige verbodsbepaling is uit deze uitspraak overigens niet duidelijk. Over de exploitatiefase wordt opgemerkt dat de hoogspanningsverbinding kan leiden tot additionele draadslachtoffers. Opgemerkt wordt dat:

“Met inachtneming van het voornemen om mitigerende maatregelen te treffen in de vorm van het aanbrengen van draadmarkeringen in zowel de bliksemdraden als de retourstroomdraden in de vogelrijke delen van het tracé, kan worden verzekerd dat de staat van instandhouding van de vogelsoorten niet wordt aangetast.” (onderstreping auteurs).

Dit is echter gelet op de vaste jurisprudentie niet het criterium waaraan getoetst moet worden om maatregelen als mitigerende maatregelen aan te kunnen merken. Dat zou slecht het geval kunnen zijn indien met de maatregelen overtreding op het verbod op verstoring van vogels voorkomen wordt, waarbij met de maatregelen wordt voorkomen dat de verstoring van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding is. Vervolgens wordt over deze maatregelen opgemerkt dat deze draadmarkeringen worden voorgesteld voor de delen van het tracé waar veel vogels voorkomen en dat de draadmarkeringen alleen in de vogelrijke delen worden aangebracht vanwege de nadelen daarvan voor de bedrading. Al met al lijken deze maatregelen ons niet als mitigerende maatregelen aan te merken, nu duidelijk is dat de maatregelen slechts de negatieve effecten beperken, maar overtreding van de verbodsbepalingen niet volledig lijken te voorkomen. Dat laat echter onverlet dat een ontheffing mogelijk wel verleend kan worden en de uitvoerbaarheidstoets van dit rijksinpassingsplan dus ook zonder de maatregelen als mitigerende maatregelen aan te merken, met goed gevolg kon worden doorlopen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant33Vz. Rb. Oost-Brabant 13 januari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:127. treft een interessante ordemaatregel naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorziening tegen de watervergunningen voor de aanleg van de beekdalbrug, gelet op mogelijke risico’s voor de beekprik stroomafwaarts van dit project. Voor het project waarvoor de watervergunning is verleend, is tevens een ontheffing soortenbescherming verleend, die ook onherroepelijk is. De voorzieningenrechter vraagt zich echter af of de voorwaarden bij de ontheffing wel zijn nageleefd, nu is gebleken dat er beekprikken zijn afgevangen die, niet conform de ontheffing stroomopwaarts, maar stroomafwaarts zijn uitgezet. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder tijdens de heiwerkzaamheden moet controleren of stroomafwaarts door de heiwerkzaamheden een vertroebeling van het water optreedt. En daarbij moet verweerder tevens ecologisch advies inwinnen over de vraag of deze vertroebeling kan leiden tot verstoring van de beekprik. Als sprake is van een dergelijke verstoring, dient verweerder de heiwerkzaamheden stil te leggen in afwachting van een herbeoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. In het kader van een verzoek om voorlopige voorzieningen gericht tegen een watervergunning wordt dus een ordemaatregel getroffen die ziet op een mogelijke overtreding van de voorwaarden uit een verleende ontheffing soortenbescherming. Wellicht een pragmatisch insteek, maar waarbij het wel de vraag is of deze maatregel niet slechts in het kader van een handhavingsverzoek getroffen had kunnen worden.

3.5.3 Soorten

De verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 Wnb en de mogelijkheden om ontheffing te verkrijgen van die verbodsbepalingen, zijn gerangschikt voor drie categorieën soorten (vogels, strikt beschermde soorten en overige soorten). Daarnaast kent de Wnb nog bejaagbare soorten, (invasieve) exoten en zogenaamde CITES-soorten.34De CITES-overeenkomst is een internationale overeenkomst waar de Europese Unie (EU) en ook nog 182 andere landen aan mee doen. De CITES-regels zijn neergelegd in de Wnb en zien op het verhandelen of vervoeren van bepaalde beschermde soorten. Niet elke dier- en/of plantensoort is overigens beschermd op grond van de Wnb, wij wijzen op een uitspraak waaruit volgt dat de rietorchis niet beschermd is onder de Wnb.35ABRvS 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:811.

De verbodsbepalingen uit de artikelen 3.1 e.v., 3.5 e.v. en 3.10 Wnb gelden voor ‘in het wild levende soorten’. Dat wil zeggen dat zogenaamde gedomesticeerde soorten niet binnen de aangewezen beschermde soortencategorieën vallen. In een strafrechtelijke procedure bij de rechtbank Rotterdam36Rb. Rotterdam 29 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6627 (publicatiedatum: 20 augustus 2019). werd aan verdachte verweten dat hij wilde eenden had gedood, in strijd met de (destijds nog geldende) Flora en faunawet. De rechtbank overweegt terecht dat alle van nature op het Europese grondgebied van de Lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels zoals eenden als beschermde inheemse diersoort zijn aangemerkt. Dat is onder de Wnb nog altijd het geval. In het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (AMvB onder de Ffw) werden gedomesticeerde dieren uitdrukkelijk uitgesloten van het verbod. Onder de Wnb bestaat een dergelijke uitzondering niet meer. Hoewel niet uitdrukkelijk meer in de Wnb (of Bnb) opgenomen, lijkt deze uitzondering voor gedomesticeerde soorten nog altijd te gelden nu artikel 3.1 Wnb uitdrukkelijk gericht is tot ‘in het wild levende’ soorten, hetgeen gedomesticeerde soorten uitsluit, naar onze mening. De rechtbank overweegt dat ‘gedomesticeerde dieren’, die zich ten gevolge van selectie door de mens onderscheiden van de wilde exemplaren van die soort, zowel gefokte exemplaren kunnen zijn als exemplaren die zich in het wild kunnen handhaven.37Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij de Ffw en de uitspraak van de ABRvS 28 januari 2009, ECLI:RVS:2009:BH1137. Het moet daarbij gaan om soorten die in gedomesticeerde vorm door de mens als huisdier of in verband met de productie worden gehouden. De aangetroffen eenden (dood en levend) waren niet voorzien van een gesloten pootring en hiervan werd geen administratie bijgehouden, zo overweegt de rechtbank. Daarnaast konden de verdachten de legale herkomst (het zelf fokken) niet aantonen. Ook anderszins zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de aangetroffen eenden zich onderscheiden van hun ‘wilde’ beschermde soortgenoten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de eenden niet gedomesticeerd waren. In de conclusie van A-G J. Kokott van 13 februari 2020 (ECLI:EU:C:2020:93) wordt over een wolf die in Finland in een dorp met honden speelt, overwogen dat het ruimtelijk toepassingsbereik van art. 12 Hrl zodanig moet worden uitgelegd dat de verwijzing ‘in het wild’ in art. 12 lid 1 Hrl niet slechts op bepaalde plaatsen geldt, maar zich uitstrekt tot alle specimen van de beschermde soort die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen.

Ten slotte wijzen wij in deze paragraaf op de verschillende nieuwsberichten (Volkskrant, NOS, NRC Handelsblad, Trouw, AD) over een artikel38https://academic.oup.com/jel/article/doi/10.1093/jel/eqz035/5640440#186166994 Journal of Environmental Law, ‘Domestic Cats (Felis catus) and European Nature Conservation Law—Applying the EU Birds and Habitats Directives to a Significant but Neglected Threat to Wildlife’, Arie Trouwborst, Han Somsen, 27 November 2019. uit de Journal of Environmental Law van Arie Trouwborst en Han Somsen over de huiskat in relatie tot de Vogel- en Habitatrichtlijn. In dit artikel wordt door de auteurs betoogd dat katteneigenaren, door hun huiskat naar buiten te laten, welbewust het risico nemen dat de kat een dier (vogels over het algemeen) zal doden. Dat is in strijd met de Wnb stellen Trouwborst en Somsen. De overheid zou hiertegen handhavend op moeten treden zo betogen deze auteurs. De auteurs concluderen:

“Regarding pet and farm cats, the Nature Directives require EU Member States to ensure that letting them roam free is forbidden and effectively prevented.”

Wij hebben nog geen handhavingsprocedure gezien over dit onderwerp. Eerlijk gezegd hopen wij ook dat deze discussie niet tot (handhavings)procedures zal leiden, maar dat de Wnb op dit punt pragmatisch uitgelegd blijft worden.

3.5.4 Verboden

Indien er een verbodsbepaling uit hoofdstuk 3 Wnb wordt overtreden, is er een ontheffing of vrijstelling vereist om de handeling of activiteit waarmee de verbodsbepaling wordt overtreden alsnog te mogen uitvoeren. Per soortgroep (vogels, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten) zijn verboden opgenomen in de Wnb. Wij wijzen op de Verzamelbrief natuur aan de kamer d.d. 17 april 2020, waarin over soortenbescherming door de minister wordt gewezen op onlangs met de Europese Commissie gevoerde gesprekken over het opzetcriterium. Gevraagd is aan de Commissie of als de initiatiefnemer van een windpark voldoende ‘mitigerende maatregelen’ neemt en monitoring uitvoert, geen sprake is van overtreding van het verbod op opzettelijk doden van vogels en vleermuizen. Wij houden deze belangrijke ontwikkeling scherp in de gaten, nu uit de Verzamelbrief lijkt te volgen dat de Commissie deze interpretatie lijkt te delen.

3.5.4.1 Verboden – Verstoren

Het verbod op het verstoren van dieren geldt voor alle beschermde diersoorten. Let wel, voor vogels geldt dat het storen niet verboden is, indien de gunstige staat van instandhouding niet wordt aangetast. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam39Vz. Rb. Rotterdam 18 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2306. is van oordeel dat de vraag of de kap van een groot aantal bomen en de aan de orde zijnde oeverreconstructie zal leiden tot een zodanig schadelijke verstoring van verblijfplaatsen of functionele leefomgeving, dan wel tot het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de rivierrombout, de rivierdonderpad, de bever en/of de vleermuizen, waardoor in dit geval tevens in het kader van artikel 3.5 Wnb, een toestemming “Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten” benodigd zou zijn, niet eenvoudig te beantwoorden is en zich daarom niet leent voor de beoordeling in een voorlopige voorziening procedure. Twee opmerkingen willen wij hierover plaatsten, ten eerste is het maar de vraag of het verstoren van en verblijfplaats wel verboden is en daarnaast dient naar ons oordeel het toetsingskader te zijn of er een verbodsbepaling wordt overtreden. Bij strikt beschermde soorten is immers, in beginsel anders dan bij vogels, elke verstoring van de soort verboden.

In een andere procedure overweegt de Afdeling40ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125. dat het nemen van de maatregelen, overtreding van de verbodsbepaling gericht op het doden van individuen voorkomt, omdat de delen waar gewerkt wordt, gecontroleerd ongeschikt gemaakt worden. Bij het nemen van deze maatregelen is er echter nog steeds sprake van een afname van leefgebieden, en het overtreden van deze verbodsbepaling wordt derhalve niet voorkomen met deze maatregelen. Het is echter niet noodzakelijk om compenserende maatregelen te nemen voor het verlies, omdat de effecten tijdelijk zijn en de aanwezige populaties niet aangetast worden door de werkzaamheden, zo volgt uit de Soortenbeschermingstoets. Om die reden mocht de ontheffing verleend worden. In diezelfde procedure voeren appellanten aan dat het verstoren en wegvluchten van niet-broedende vogels ten onrechte niet wordt aangemerkt als opzettelijke storing waarbij zij erop wijzen dat de kuifeend en de tafeleend als niet- broedende vogels in een matig, respectievelijk zeer ongunstige staat van instandhouding verkeren. In een memo is echter overwogen dat deze soorten niet alleen op deze plaats voorkomen en dat gezien de ligging van de broedgebieden, de werkzaamheden de populaties niet in gevaar brengen. Daarbij staat in de Soortenbeschermingstoets dat voor vogels een onderscheid dient te worden gemaakt tussen broedende en niet-broedende vogels. Vogels die niet broeden, ontvluchten het werkgebied bij aanvang van de werkzaamheden naar een rustiger plek in de directe omgeving, tenzij gewenning optreedt. Gezien hun mobiliteit is het doden of verwonden van vogels die zich niet op een nest bevinden op voorhand uitgesloten. Ook is er geen sprake van mogelijke verstoring van niet-broedende vogels, omdat het tijdelijk wegvluchten van vogels naar een rustigere plek in de directe omgeving niet kan worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting. Na afronding van de werkzaamheden vormt de dijk weer een leefgebied dat vergelijkbaar is met de huidige situatie. Er is dus geen sprake van wezenlijke effecten op niet-broedende vogels. De Afdeling overweegt41Onder verwijzing naar: ABRvS 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836. dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1 vierde lid Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.

In een bestemmingsplanprocedure overweegt de Afdeling42ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1158. met betrekking tot het onderzoek naar ‘verstoring’ dat in de Natuurtoets staat, dat de extra recreanten zich zullen voegen in de bestaande stroom van wandelaars over het bestaande padennet en dat de hier aanwezige fauna daardoor al gewend is aan enige mate van verstoring. Volgens de Natuurtoets vormen de recreanten in het bos hier in beginsel een voorspelbare, veelal rustige, continue, en ongevaarlijk gebleken verstoringsbron waaraan de aanwezige vogels reeds lang gewend zijn. Op piekdagen is de recreatiedruk weliswaar hoog, maar zelfs op dergelijke piekdagen is het grootste deel van de dag rustig, zodat de vogels ongestoord kunnen foerageren. Hetzelfde geldt volgens de Natuurtoets voor verstoring van andere soorten, waarbij in beginsel dezelfde aspecten als voorspelbaarheid, gedrag, duur en frequentie van de verstoring een rol spelen. Volgens de Natuurtoets hoeft daarom niet te worden verwacht dat de extra recreatiedruk in het bos zal leiden tot verstoring en afname van vogelsoorten of andere populaties, hetgeen de Afdeling niet onredelijk acht.

3.5.4.2 Verboden – Nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen/foerageergebieden en vliegroutes

In ecologische rapporten zien wij nogal eens dat de verbodsbepalingen uit de Wnb vrij geïnterpreteerd worden. Een zinsnede uit de Afdelingsuitspraak van 6 november 201943ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3702. over een verleende omgevingsvergunning deed ons daar aan denken. De Afdeling overweegt over een uitgevoerd onderzoek dat geconcludeerd is dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit niet tot een negatief effect op een mogelijke nestplaats leidt in die zin dat deze verstoord of verlaten wordt.” (onderstreping auteurs). De verboden uit de Wnb sluiten echter niet (naadloos) aan op deze uitleg. Op grond van artikel 3.1 eerste lid Wnb is het verboden “opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. En op grond van artikel 3.1 vierde lid Wnb is “het verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen”. Een veel gehoorde vraag is in hoeverre het verboden is om nesten te verstoren. Naar ons oordeel is het (ver)storen van een nest op zich niet verboden, voor zover het verstoren niet leidt tot het beschadigen of vernielen van die nesten.

3.5.5 Andere bevredigende oplossing

Als onderdeel van de vraag of een ontheffing verleend kan worden van de verbodsbepalingen voor soortenbescherming (hoofdstuk 3 Wnb) moet de vraag beantwoordt worden of er een andere bevredigende oplossing bestaat voor de voorgenomen handeling of activiteit.

In de voorlopige voorzieningenprocedure44Vz. Rb. Noord-Holland 29 oktober 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:8925. omtrent de ontheffing soortenbescherming verleend voor de Dutch Grand prix (Formule 1) in Zandvoort wordt getoetst aan het begrip ‘andere bevredigende oplossing’. De ontheffing is verleend voor de aanpassing van een bocht in het circuit. Door verzoekers is gesteld dat deze aangepaste bocht echter niet nodig is om de Dutch Grand Prix te kunnen laten plaatsvinden. Het enkele doel van deze aanpassing zou zijn gelegen in het vergroten van het aantal bezoekers van dit evenement. Het beperken van het aantal toeschouwers, zodat uitbreidingen ten aanzien van tribunes en toegangswegen niet noodzakelijk zijn, of in ieder geval in mindere mate, heeft naar het oordeel van verzoekers dan ook te gelden als ‘andere bevredigende oplossing’. Daarnaast wordt als andere bevredigende oplossing door verzoekers voorgesteld om de toegangspaden naar tribunes op palen te bouwen, zodat het leefgebied van daar aanwezige soorten met rust wordt gelaten. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij beantwoording van de vraag of er een ‘andere bevredigende oplossing’ bestaat als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder a, Wnb. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat in overleg met de gemeente een capaciteit is bepaald van 125.000 aanwezigen per dag op het circuitpark tijdens de Dutch Grand Prix per dag, en daarnaast is gesteld dat het beperken van het aantal bezoekers, ook gelet op de financiële haalbaarheid van het beoogde evenement, niet heeft te gelden als een ‘andere bevredigende oplossing’. Voor de te realiseren toegangsweg en de toe- en uitgangspaden geldt dat deze logischerwijs moeten aansluiten op de buiten het circuit reeds bestaande infrastructuur. Daarnaast moeten deze met zo min mogelijk ruimtebeslag en onder voorkoming van een aantasting van het Natura 2000-gebied worden gerealiseerd, reden waarom er in de loop van de procedure voor gekozen is de nieuwe ontsluitingsweg op deze plaats te realiseren. Het door verzoeksters voorgestelde alternatief van toegangspaden op palen is niet reëel omdat het ingraven van de palen ter plaatse naar verwachting juist meer ecologisch nadeel oplevert. Gelet op deze motivering, heeft verweerder op het standpunt mogen stellen dat er geen ‘andere bevredigende oplossing’ bestaat als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder a, Wnb.

In de uitspraak van de Afdeling45ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3976. inzake een aan een FBE verleende ontheffing voor het beperken van de populatieomvang van de ree, wordt eveneens ingegaan op de alternatieventoets. Naar het oordeel van de Afdeling is het Faunabeheerplan afdoende aangetoond dat er voor de reeënpopulaties (omvang en verspreiding) geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het reguleren van de populatieomvang. Andere ingrepen in de populatie dan afschot (bijvoorbeeld middelen om onvruchtbaarheid te creëren) zijn niet haalbaar. Naar het oordeel van de Afdeling hoefden niet eerst alle minder ingrijpende maatregelen uit een bepaalde leidraad te zijn getroffen, alvorens afschot van reeën middels het verlenen van de ontheffing toe te staan, zoals de stichtingen stellen.

3.5.6 Gunstige staat van instandhouding

Als sprake is van een overtreding van één of meer verbodsbepalingen van hoofdstuk 3 Wnb kan alleen een ontheffing worden verleend (of vrijstelling) indien ook de staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Voor vogels mogen de handelingen waarvoor de ontheffing of vrijstelling wordt verleend niet leiden “tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort” (artikel 3.3, vierde lid, onder c, Wnb) en voor de strikt beschermde soorten en de overige soorten mag “er geen afbreuk gedaan worden aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan” (artikel 3.8, vijfde lid, onder c, Wnb).

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding van de soort, is bekend dat nogal eens wordt aangesloten bij het zogenaamde 1%-criterium. In het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2020 (ECLI:EU:C:2020:291) staat de vergunning voor de voorjaarsjacht op mannetjes eidereenden in Finland centraal. Het Hof overweegt dat het voorzorgsbeginsel “vereist dan ook dat een overschatting van de voor gebruik beschikbare vogels wordt vermeden en dat er berekeningsmethoden worden gehanteerd die het zeker mogelijk maken om onder een grens van 1% te blijven”. In dit geval had de Republiek Finland daarom haar berekeningen op de lokale populatie moeten baseren.

In de uitspraak van de Afdeling van 29 april 202046ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160. wordt uitgebreid ingegaan op de toets aan de staat van instandhouding en de vraag of cumulatie daarbij moet worden betrokken. Appellanten in die procedure (stichtingen) stellen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gunstige staat van instandhouding voor vogels en vleermuissoorten niet in gevaar komt. De stichtingen betogen daartoe dat de uitgevoerde onderzoeken een onvoldoende duidelijk beeld geven van de totale cumulatieve effecten op de verschillende vogel- en vleermuissoorten, omdat volgens hen alle mogelijke effecten van activiteiten in het hele land moeten worden betrokken. Gelet op de begripsbepaling van artikel 1.1 Wnb (staat van instandhouding) heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat mogelijke cumulatieve effecten deel uitmaken van de staat van instandhouding en in die zin bij het verlenen van een ontheffing worden betrokken, zo concludeert de Afdeling. Het college heeft, om het effect van bovengenoemde som van invloeden op de betrokken vogel- en vleermuissoorten vast te stellen, de effecten van al bestaande en van reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde windparken in en rond de Eemshaven en Delfzijl en elders in de nabijheid van de Waddenzee, en van al bestaande en van reeds vergunde maar nog niet gerealiseerde 380 kV hoogspanningsleidingen in de Eemshaven, betrokken. De Afdeling stelt vast dat het college daarmee heeft bezien welke activiteiten op lokaal niveau dezelfde soort effecten kunnen hebben op dezelfde, lokale, populatie vogel- en vleermuissoorten waarop de soortenbeschermingsontheffing ziet. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de staat van instandhouding voor de populaties van de betrokken vogel- en vleermuissoorten onjuist heeft bepaald. Cumulatie speelt ook een belangrijke rol in de uitspraak van de Afdeling47ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301 (Let wel, M.M. Kaajan was als advocaat van initiatiefnemer in deze procedure betrokken). gericht tegen een ander windpark. Er wordt onder meer aangevoerd in deze procedure dat voor de beoordeling van de staat van instandhouding niet van de (juiste) ecologische relevante populatie is uitgegaan. Bij de toepassing van de 1%-mortaliteitsnorm moet een vergelijking met de lokale of regionale populatie van de soort worden gemaakt, naar het oordeel van appellanten. Er is echter gerekend met de landelijke of Noordwest-Europese populatie. Door een ecoloog is in deze procedure naar voren gebracht dat voor deze populatie sprake is van zo’n intensieve uitwisseling van individuen tussen leefgebieden, dat een lokale of regionale populatie voor deze soorten niet is te bepalen. Er is onderbouwd dat het aantal aanvaringsslachtoffers ook onder de 1%-mortaliteitsnorm blijft als wordt uitgegaan van het geschatte deel van de Nederlandse populatie van de desbetreffende soort dat regionaal voorkomt. Daarnaast wordt in deze procedure betoogd dat geen gebruikgemaakt kan worden van het zogenaamde 1% criterium bij zeer kleine populaties. Betoogd wordt dat als uitgegaan wordt van de landelijke staat van instandhouding van de vogelsoorten, ook alle landelijke sterfte door andere projecten, in het bijzonder windparken, in de beoordeling moet worden betrokken. Dat is volgens hen niet gebeurd. Als voorbeeld noemen zij de bruine kiekendief, waarvan de landelijke populatie zo klein is dat toepassing van de 1%-mortaliteitsnorm landelijk neerkomt op sterfte van ongeveer twee exemplaren. In combinatie met de sterfte door andere windparken kan de gunstige staat van instandhouding landelijk niet bereikt worden. Er is dan ook ten onrechte een ontheffing voor de bruine kiekendief verleend, aldus de Waddenvereniging en de IJsselmeervereniging. In een worstcasescenario voor de bruine kiekendief waarbij voor de populatiegrootte wordt uitgegaan van de Nederlandse broedpopulatie ligt de 1%-mortaliteitsnorm op 7 exemplaren, terwijl de verwachte jaarlijkse sterfte door het windpark 2 exemplaren is. Hier is niet uitgesloten dat de sterfte in combinatie met de sterfte door andere windparken hoger is dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de populatie. Uit het deskundigenbericht blijkt echter ook dat ervan kan worden uitgegaan dat het aantal aanvaringsslachtoffers onder de bruine kiekendief als gevolg van het plan per saldo niet toeneemt, rekening houdende met de sanering van de bestaande windturbines in het plangebied. Daardoor zal als gevolg van het plan geen sprake zijn van verslechtering van de staat van instandhouding van de bruine kiekendief, ongeacht eventuele cumulatie. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

In een rechtbankprocedure48Rb. Den Haag 3 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12865 (Let wel, F. Onrust was als advocaat van verweerder in deze procedure betrokken). waarin het goedkeuringsbesluit van een faunabeheerplan centraal stond was een belangrijke vraag of de op basis van het faunabeheerplan verleende vrijstelling gebruikt kon worden gelet op de staat van instandhouding van de soort. De rechtbank stelt dat aangezien de staat van instandhouding van de smient als ‘matig ongunstig’ is beoordeeld en gelet op het beoordelingskader voor een vrijstelling en de omschrijving van het begrip ‘staat van instandhouding’ in de Wnb, er met een zekere mate van waarschijnlijkheid vast moet staan dat de voorziene maatregelen, waaronder afschot (ook al is dit gelimiteerd) niet zullen leiden tot een verdere achteruitgang van de populatie. In het faunabeheerplan is geconcludeerd dat de gunstige staat van instandhouding van de smient niet in het geding is, maar met deze benadering is naar het oordeel van de rechtbank miskend dat de in het faunabeheerplan vervatte maatregelen niet mogen leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van een soort die als ‘matig ongunstig’ is beoordeeld. (…) Na de behandeling ter zitting zijn door de rechtbank aan Sovon nog een paar aanvullende vragen gesteld. De rechtbank leidt uit de beantwoording door Sovon af dat niet valt uit te sluiten dat afschotmortaliteit niet volledig wordt gecompenseerd, en dat afschot dus kan bijdragen aan een verdere afname van de aantallen smienten. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de staat van instandhouding van de smient niet verder zal verslechteren door uitvoering van het faunabeheerplan, dat voorziet in afschot van maximaal 6.500 smienten.

In de Afdelingsuitspraak49ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3406. van 9 oktober 2019 staat een rijksinpassingsplan centraal dat de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding mogelijk maakt. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit rijksinpassingsplan komt de vraag naar de staat van instandhouding van verschillende vogels aan de orde. De Afdeling overweegt dat de hoogspanningsverbinding in de exploitatiefase kan leiden tot additionele draadslachtoffers ten opzichte van de huidige situatie. Met inachtneming van het voornemen om mitigerende maatregelen te treffen kan worden verzekerd dat de staat van instandhouding van de vogelsoorten niet wordt aangetast. Voor het bepalen of de gunstige staat van instandhouding wordt aangetast, is uitgegaan van landelijke trends en populaties.

3.5.7 Ontheffingsgronden

Een ontheffing kan alleen verleend worden indien:

i

er geen andere bevredigende oplossing is;

ii

de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is; en

iii

de ontheffing verleend kan worden op grond van een van de voor de soortgroep in te roepen wettelijke belangen.

Zoals wellicht bekend, is het aantal wettelijke belangen dat voor een ontheffing voor vogels kan worden ingeroepen het meest beperkt en kan voor de ‘overige soorten’ (artikel 3.10 Wnb), niet zijnde de habitatrichtlijnsoorten van artikel 3.5 Wnb, een beroep worden gedaan op de meeste wettelijke belangen. Let dus altijd op welke belangen voor welke soorten ingeroepen kunnen worden. Hierna behandelen wij verschillen uitspraken waarbij de verschillende belangen – al dan niet succesvol – worden ingeroepen.

Aan de eerder besproken ontheffing soortenbescherming verleend voor – kort gezegd – de werkzaamheden op het circuit Zandvoort ten behoeve van de Formule 1 was het belang ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ ten grondslag gelegd. In de voorlopige voorzieningenprocedure bij de rechtbank50Vz. Rb. Noord-Holland 29 oktober 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:8925. komt de (voorlopige) rechtmatigheid van dit belang voor deze ontheffing aan de orde. Verweerder is van mening dat de aanpassing van het circuit is gelegen in onder meer het belang van ‘de sport, de veiligheid en sociaaleconomische belangen’. De voorzieningenrechter overweegt dat:

“gelet op de statuur van de Dutch Grand Prix (de internationale top van de autosportwereld) en de grote maatschappelijke belangstelling daarvoor, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, die verlening van de ontheffing rechtvaardigt en dat verweerder dit ook afdoende heeft gemotiveerd.”

De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat:

“de verstoring van beschermde soorten en de aantasting van de vaste rust- en verblijfplaatsen van die soorten, (…) in dit geval beperkt en grotendeels tijdelijk is.”

Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland51Vz. Rb. Midden-Nederland 11 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5858. valt anders uit. Aan de ontheffing voor de herinrichting van het recreatiepark aan de orde in die uitspraak was het belang ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat het belang dat aan een ontheffing soortenbescherming voor de gewone dwergvleermuis, de das en de ringslang voor de herinrichting van een recreatiepark onvoldoende is onderbouwd.

Ten slotte een voorlopige voorziening uitspraak52Vz. Rb. Noord-Holland 23 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:438. waarin een ontheffing soortenbescherming centraal stond, verleend voor de nieuwbouw van het Noordwest ziekenhuis in Alkmaar. Voor de kapwerkzaamheden waarbij vleermuizen verstoord werden is een ontheffing verleend in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Aangezien dit belang door verzoeker niet is betwist, toetst de voorzieningenrechter dit belang ook niet. Overigens gaan wij ervan uit dat het betwisten van dit belang bij dit project (wel afhankelijk van de onderbouwing) ook niet kansrijk was geweest.

In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland53Vz. Rb. Noord-Holland 23 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:438. stond het besluit tot opdrachtverlening voor afschot van edelherten in de Oostvaarderplassen centraal. Aan de opdracht verleend voor een populatieverkleining was het belang ‘bescherming van de wilde flora en fauna en de instandhouding van de natuurlijke habitats’ ten grondslag gelegd, aangezien werd beoogd om onnodig lijden te voorkomen en het afschot nodig was voor de draagkracht van het gebied. In de voorlopige voorzieningenprocedure54Vz. Rb. Midden-Nederland 3 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:306. waarbij ontheffing (let op: betreft niet de opdracht) was verleend voor afschot van edelherten in de Oostvaardersplassen, wordt opgemerkt dat in het besluit op bezwaar mogelijk het algemeen belang (artikel 3.17, eerste lid, onder c en onder 4o Wnb) aan de ontheffing ten grondslag gelegd zal worden door de provincie. Het is volgens het college namelijk in het ‘algemeen belang’ dat een einde komt aan de enorme maatschappelijke onrust van de afgelopen jaren. De voorzieningenrechter gaat hier echter niet nader op in en merkt op dat wanneer het college de grondslag voor de ontheffing wil wijzigen of aanvullen, zij dit in het besluit op bezwaar deugdelijk dient te motiveren en dat de voorzieningenrechter daarop niet vooruit kan lopen. Ook aan de ontheffing voor het opzettelijk vangen en doden van de kauw en zwarte kraai met gebruikmaking van een vangkooi, lokvogels en het (luchtdruk)geweer was het belang van de ‘bescherming van flora en fauna’ ten grondslag gelegd. De rechtbank55Rb. Noord-Holland 24 december 2019, ECLI:N:RBNHO:2019:10835. vernietigt de ontheffing vanwege het ontbreken van concrete, actuele, objectiveerbare en op de locatie betrekking hebbende informatie ter onderbouwing van het belang ‘bescherming van de flora en fauna’.

In een uitspraak van de Afdeling56ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3976. waarin ontheffing was verleend voor aan de FBE voor het beperken van de populatieomvang van de ree werd het belang van de verkeersveiligheid ten grondslag gelegd. De Afdeling overweegt dat het college er redelijkerwijs van uitgaan kon dat de verkeersveiligheid in geding komt als het (gemiddelde) valwildpercentage van 5% wordt overschreden. Het college wijst op de literatuur waaruit volgt dat aannemelijk is dat indien het aantal reeën afneemt, het aantal aanrijdingen ook zal afnemen. Het college heeft de verkeersveiligheid van belang mogen achten, nu het gemiddelde valwildpercentage in de genoemde geografische eenheden over de afgelopen drie jaar varieert van 10% tot 20% en daarmee het valwildpercentage van 5% ruimschoots overschrijdt.

3.6 Gedragscode

In een voorlopige voorzieningenprocedure bij de rechtbank Gelderland57Vz. Rb. Gelderland 23 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6051. over een verleende omgevingsvergunning voor een persleiding werd ten onrechte aangevoerd dat er geen ontheffing soortenbescherming was verleend. Het Waterschap werkt echter op grond van een gedragscode als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, Wnb. Uit deze gedragscode volgt dat het waterschap voorafgaande aan de realisatie van ruimtelijke inrichtingsprojecten zorgt voor een voldoende dekkend en actueel overzicht van de verspreiding van de juridisch zwaarder beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en de directe omgeving. Voor juridisch zwaarder beschermde dier- en plantensoorten worden specifieke behoudmaatregelen in het plan opgenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een werkprotocol. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op locatiekeuze en op de werkwijze. Voor dit project is zo’n werkprotocol opgesteld en in de vergunningvoorschriften is het werken volgens het werkprotocol verplicht gesteld. Een ontheffing is dan niet vereist.

3.7 Aanhaken of niet aanhaken bij de omgevingsvergunning

Wanneer moet een natuurtoestemming nu wel en wanneer niet aanhaken bij een omgevingsvergunning. Het antwoord op deze vraag, blijkt niet altijd duidelijk. Zo was in een procedure bij de rechtbank58Rb. Gelderland 13 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:965. over een omgevingsvergunning voor onder meer fruitteelt door het college met een quickscan afdoende gemotiveerd dat een ontheffing op grond van de Wnb in verband met soortenbescherming niet nodig was. De rechtbank concludeert daarom dat van aanhaken geen sprake is.

Anderszins geldt zoals de rechtbank59Rb. Noord-Holland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2124. terecht overweegt dat geen sprake meer kan zijn van aanhaken bij een omgevingsvergunning als reeds een onherroepelijke ontheffing is verleend. Ecologisch onderzoek ter plaatse heeft geen aanwijzingen opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van beschermde fauna, anders dan de aanwezigheid van de dwergvleermuis. Voor de verstoring van die vleermuis is een ontheffing verleend. Nu die ontheffing is verleend, kunnen de gevolgen van de aanwezigheid van die diersoort geen rol meer spelen bij de beoordeling van de kapvergunning.

In een voorlopige voorzieningenprocedure60Rb. Rotterdam 18 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2306. bij de rechtbank Rotterdam over een kapvergunning overweegt de voorzieningenrechter dat ten onrechte geen voorschrift aan de kapvergunning zijn verbonden die ziet op soortenbescherming. De voorzieningenrechter overweegt dat om te bereiken dat het onderzoek naar de rivierrombout en de rivierdonderpad door middel van een ecologisch protocol worden uitgevoerd, dit wel met een voorschrift moet worden geborgd. Verweerder heeft echter volstaan met een enkele verwijzing naar het ecologisch werkprotocol. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gegarandeerd dat de werkzaamheden conform een vooraf vastgesteld en handhaafbaar protocol plaatsvinden. De voorzieningenrechter meent dat daarom van een rechtmatig besluit geen sprake is. Wij begrijpen de wens voor een afdwingbaar voorschrift goed, maar vragen ons nog altijd af of een voorschrift in een omgevingsvergunning zonder aangehaakte natuurtoestemming wel kan zien op natuurbelangen.

In een uitspraak van de Afdeling61ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:74. waarin een aanlegvergunning centraal staat komt de vraag aan de orde of er een natuurtoestemming aan had moeten haken, en wie voor dat oordeel verantwoordelijk is. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om te beoordelen of een natuur-vvgb nodig is en als het college tot de conclusie komt dat geen vvgb nodig is, hoeft de aanvraag omgevingsvergunning niet te worden voorgelegd aan GS. Zijn GS het daar niet mee eens, dan kunnen zij rechtsmiddelen aanwenden tegen de omgevingsvergunning die vervolgens zonder natuur-vvgb wordt verleend. Daarnaast is interessant in deze uitspraak dat sprake was van een situatie waarin het onderzoek naar aanwezige soorten in feite te laat was gestart. De Afdeling overweegt hierover:

“Hoewel het wenselijker was om een onderzoek te starten voordat de werkzaamheden, die zijn stilgelegd, waren aangevangen, bleek het na aanvang van die werkzaamheden nog steeds mogelijk om te onderzoeken welke weidevogels voor de werkzaamheden op het perceel aanwezig zouden kunnen zijn geweest en wat voor gevolgen de werkzaamheden zullen hebben voor die vogels, hetgeen hier ook is gebeurd.”

In een andere uitspraak van de Afdeling62ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:176. over een omgevingsvergunning was ten tijde van de verlening van die omgevingsvergunning onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten en de mogelijke overtreding van verbodsbepalingen. Volgens het college worden geen verbodsbepalingen overtreden. Maar de Afdeling gaat niet in op de vraag of dit oordeel juist is. De Afdeling overweegt dat het college met de informatie uit de ruimtelijke onderbouwing en de ter zitting van de Afdeling daarop gegeven toelichting, ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de soortenbeschermingsregels aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond.63Overigens volgt uit de uitspraak dat inmiddels ontheffing is verleend.

3.8 Bestemmingsplannen en soortenbescherming

In het kader van een bestemmingsplan kan de Wnb voor soortenbescherming een rol spelen met het oog op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.64ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100 en ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3488 (inzake een wijzigingsplan). De Afdeling neemt de ene keer uitdrukkelijker dan de andere keer de vraag mee of een ontheffing soortenbescherming vereist is en al dan niet verleend zou kunnen worden.65ABRvS 29 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2020:221 waarbij de Afdeling iets nadrukkelijker op deze mogelijkheid van verlening van een ontheffing ingaat. Deze zelfde toets geldt voor een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, zo overweegt de Afdeling.66ABRvS 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720 (de ontheffing was in deze procedure overigens reeds verleend). Uiteraard staat bij een reeds onherroepelijke ontheffing voor soortenbescherming de uitvoerbaarheid van het plan op dat punt niet meer ter discussie,67ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4262. omdat de vraag of een inmiddels verleende ontheffing in stand kan blijven niet thuishoort in een bestemmingsplanprocedure.68ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:176. Bij onvoldoende weerlegging van het tegendeel (en ontbreken van een contra-expertise) is ook de stelling ter zitting door het college en de projectontwikkelaar dat de ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb naar verwachting zal worden verleend, voldoende om aan te nemen dat het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar is.69ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100. Het voor handen hebben van een werkprotocol waarin duidelijk de maatregelen en voorwaarden zijn beschreven om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren zonder daarbij de Wnb te overtreden kan – naast uitgevoerd onderzoek – positief bijdragen aan het oordeel dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.70ABRvS ECLI:NL:RVS:2019:4435.

3.9 Zorgplicht

De rechtbank Noord-Nederland71Rb. Noord-Nederland 16 april 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1680. gaat in een preventieve handhavingsprocedure onder meer in op de zorgplicht uit de Wnb. Verzoekster ziet haar verzoek zo, dat door GS aan de gemeente een last onder dwangsom opgelegd zou moeten worden, waarbij de gemeente wordt verplicht om gebods- en verbodsborden in het natuurgebied waar de gemeente grondeigenaar is te plaatsen. De grondslag voor een dergelijke last onder dwangsom zou in de visie van verzoekster zijn gelegen in de op verweerder rustende zorgplicht, als bedoeld in artikel 1.11 Wnb. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiseres ingeroepen zorgplichtbepaling van de Wnb niet als grondslag dienen voor de door eiseres voorgestane last onder dwangsom, aangezien er sprake is van een te ver verwijderd verband. De in onderhavige situatie vermeend toekomstige overtreding lijkt ons geen geval van ‘kennelijk onzorgvuldig handelen’ door de gemeente, nu de gemeente geen gebods- en verbodsborden heeft geplaatst in het natuurgebied om onder meer het betreden van het natuurgebied buiten paden te voorkomen (daargelaten op welke wijze GS het plaatsen van verbodsborden had kunnen afdwingen).

3.10 Onderzoeken rapporten en deskundigen

Zowel in het kader van een ontheffing soortenbescherming op grond van de Wnb, alsmede bij bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en overige vergunningen worden de uitgevoerde onderzoeken, rapporten en deskundigen in procedures veelvuldig ter discussie gesteld. Evenals in de vorige kroniek zullen we een groot aantal uitspraken rubriceren aan de hand van de verschillende gebreken, die aan een onderzoek, rapport of deskundige (vermeend) kunnen kleven.

a.

Geen (nader) onderzoek verricht;

Het aantal uitspraken waarin wordt geconcludeerd dat geen enkel onderzoek naar de voorkomende beschermde soorten is verricht, was enkele jaren geleden nog erg hoog, maar zien wij inmiddels nog maar zelden. De voorlopige voorzieningenuitspraak van de rechtbank Noord-Nederland72Vz. Rb. Noord-Nederland 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3398. van 2 augustus 2019 laat nog wel een geval zien waarin het vereiste vervolgonderzoek niet was verricht.

b.

Kwaliteit onderzoek/deskundigen;

In de uitspraak van de Afdeling van 24 december 201973ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4432. is een zeer uitgebreide contra-expertise ingebracht door appellanten. De kwaliteit van het onderzoek wordt op verschillende punten inhoudelijk aangevallen. Zo wordt onder meer gesteld dat het bereik van de gebruikte batdectors te klein was en de afstand naar de aanwezige vogels te groot om het onderzoek op een goede manier uit te voeren. De Afdeling acht aannemelijk dat de ecoloog die het eerste onderzoek heeft uitgevoerd, het plangebied voldoende kon inspecteren op de aanwezigheid van vleermuizen met behulp van vleermuisdetectoren in combinatie met zicht op het plangebied en kennis over het gedrag van vleermuizen. De contra-expertise haalt daarmee het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd niet onderuit. In de uitspraak van de Afdeling d.d. 24 april 201974ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1272 (gepubliceerd: 27 augustus 2019). wordt de deskundigheid van de opsteller van het natuuronderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt, in twijfel getrokken door de opsteller van een contra-expertise. De opsteller van het vleermuizenrapport zou de streek niet kennen en te weinig kennis over vleermuizen hebben. De voorzieningenrechter overweegt dat de opsteller van het vleermuizenrapport landelijk werkt als ecologisch onderzoeker en zeer ruime ervaring heeft met betrekking tot onderzoek naar vleermuizen in gelijksoortige landschappen als het onderhavige, blijkens het rapport. De voorzieningenrechter ziet daarmee geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de opsteller van het vleermuizenrapport. In een bestemmingsplanprocedure75ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:847. wordt aangevoerd dat het veldonderzoek waarop het onderzoek berust, niet representatief is omdat dit op één dag in december is uitgevoerd. In de uitspraak wordt hierop niet ingegaan, maar wordt de conclusie getrokken dat de raad zich op basis van de Quickscan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Zoals bekend uit vorige kronieken besproken jurisprudentie is het enkele feit dat bijvoorbeeld het vleermuisprotocol niet doorlopen is nog niet voldoende om aan te tonen dat het uitgevoerde onderzoek daarmee gebrekkig is.76Zie: ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4432 en ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3119.

De vergewisplicht van artikel 3:9 Awb wordt zelden in discussies over het onderzoek naar natuurwaarden genoemd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland77Vz. Rb. Noord-Nederland 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3398. meent echter dat gelet op de uiteenlopende bevindingen en de daarop gebaseerde conclusies, verweerder niet voldaan heeft aan de op hem rustende vergewisplicht, als bedoeld in artikel 3:9 Awb. Verweerder kon daarom niet zonder meer het samenstel aan onderzoeken aan het bestreden besluit ten grondslag leggen, aangezien verweerder in strijd met het op hem rustende zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 Awb, onvoldoende heeft onderzocht of voormelde rapportages op de juiste uitgangspunten zijn gebaseerd en de bevindingen in de diverse rapportages consistent kunnen worden geacht.

c.

Geen of geen goede contra-expertise uitgevoerd;

In de uitspraak van de voorzieningenrechter78Vz. Rb. Midden-Nederland 1 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5053. van de rechtbank Midden-Nederland inzake een omgevingsvergunning voor de bouw van 22 zorgwoningen en 4 reguliere woningen werd door eisers een contra-expertise ingebracht voor het onderdeel soortenbescherming. Uit de uitspraak volgt dat er een grote hoeveelheid onderzoek is ingebracht. Vergunninghouder heeft zich gebaseerd op een quickscan van adviesbureau 2 die in de bezwaarfase in reactie op de standpunten van eisers is aangevuld met twee memo’s. Eisers hebben in beroep de contra-expertise van adviesbureau 1 naar de rechtbank gestuurd. Vergunninghouder heeft daar weer op gereageerd met een nieuwe notitie van adviesbureau 2. De voorzieningenrechter toetst vervolgens uitgebreid onder meer aan de hand van een worstcasescenario op basis van de contra-expertise waar de beschermde soorten zich bevinden in relatie tot de bouwplannen en komt tot de conclusie dat voor bouw de aanwezige soorten geen probleem vormen. Voor de sloopwerkzaamheden is dit mogelijk anders. De voorzieningenrechter overweegt dat het bestaan van een eventuele noodzaak tot ontheffing niet aan de uitvoering van dit bouwplan in de weg staat en dat ook niet vast staat dat voor de sloop een ontheffing is vereist.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland79Vz. Rb. Noord-Holland 16 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7791. ziet geen aanleiding om de voorgestelde maatregelen ter compensatie niet geschikt te achten, zeker niet omdat verzoekster haar stelling niet heeft ondersteund met bijvoorbeeld een tegenrapport van een deskundige op dit gebied. Zonder deskundig tegenrapport valt over het algemeen weinig in te brengen tegen een goed verricht natuuronderzoek.80Zie o.a. Rb. Noord-Nederland 23 januari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:262, ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4449.

Maar ook als er een contra-expertise wordt ingebracht is het uiteraard van belang dat de deskundige in dat onderzoek uitgaat van de relevante werkzaamheden en indien wordt aangevoerd dat het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt, zal ook betoogd moeten worden waarom dat onderzoek niet meer gebruikt kan worden.81Rb. Zeeland-West-Brabant 20 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:254.

De eisen aan een contra-expertise in geval van een bestemmingsplanprocedure zijn in feite nog zwaarder aangezien hiermee de uitvoerbaarheid van het plan ter discussie gesteld moet worden. Zoals de Afdeling82ABRvS 27 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3292. overweegt bieden:

“geen van deze rapporten, dus ook niet het overgelegde tegenrapport, (…) echter aanknopingspunten voor het oordeel dat het college op voorhand had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb, aan de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan in de weg staat.”

Daarbij is niet van belang dat op onderdelen mogelijk nog een nader onderzoek of een ontheffing nodig is.

d.

Niet gemotiveerd welk gebrek er kleeft aan het onderzoek;

Uit de uitspraak van de Afdeling83ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3488. van 16 oktober 2019 volgt dat appellanten enkel geklaagd hebben dat er onvoldoende onderzoek zou zijn verricht naar de gevolgen van de ontwikkeling op voorkomende flora en fauna. Het lijkt er echter op dat door appellanten niet nader gemotiveerd is welk gebrek er dan aan het verrichtte onderzoek kleeft. De enkele ‘blote’ stelling dat onvoldoende onderzoek naar natuur is verricht, is in ieder geval onvoldoende.84Rb. Noord-Holland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2124; zie ook: ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:270; Rb. Overijssel 13 augustus 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2889. Zo is het bijvoorbeeld onvoldoende om niet aan te duiden om welke natuurwaarden of beschermde soorten het gaat en waarom de werkzaamheden daar negatieve gevolgen voor hebben.85ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4011. Maar ook het niet bestrijden van de bevindingen in het verrichte natuuronderzoek maar wel overwegen dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, is niet succesvol.86ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1272; ABRvS 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:527 en ABRvS 30 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:317.

e.

Eigen waarnemingen van diersoorten;

In verschillende procedures waarin geen contra-expertise wordt in gebracht trachten burgers de bevindingen en natuuronderzoeken van deskundigen die aan de besluitvorming ten grondslag gelegd zijn in twijfel te trekken op grond van eigen waarnemingen van beschermde soorten. Dergelijke eigen waarnemingen zijn echter zelden tot nooit succesvol. Dat lijkt onder meer te maken te hebben met het feit dat de enkele aanwezigheid van beschermde soorten ook niet voldoende is, omdat daaruit niet noodzakelijkerwijs volgt dat de genoemde soorten ook vaste rust- en verblijfplaatsen hebben in het gebied, waarvoor een ontheffing ingevolge de Wet natuurbescherming is vereist.87ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 en ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4039. Een ander voorbeeld betreft de uitspraak van de Afdeling van 11 september 201988ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3095. waarin de bevindingen in een natuuronderzoek voor wat betreft aanwezige rugstreeppadden onsuccesvol werd aangevochten onder verwijzing naar de in het gebied gehoorde koren van meerdere rugstreeppadden door appellanten. Ook met het incidenteel waarnemen van een eekhoorn is niet gezegd dat het plangebied deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van eekhoorns en bestaat er geen grond voor het oordeel dat de soortenbeschermingsbepalingen aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.89ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3471.

Met de stelling dat overburen meerdere keren een wezel hebben gezien, is de gestelde aanwezigheid van een wezel op het perceel eveneens niet aannemelijk gemaakt, zo oordeelt de Afdeling.90ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3702.

Gelet op het feit dat de Afdeling nauwelijks waarde lijkt te hechten aan eigen waarnemingen van burgers van aanwezige beschermde soorten is het opmerkelijk dat de Afdeling in de bestemmingsplanuitspraak van 30 oktober 201991ABRvS 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3658. opmerkt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt:

“bijvoorbeeld door documentatie of beeldmateriaal van de voorkomende diersoorten over te leggen, dat de conclusies in de onderzoeken die aan het besluit ten grondslag liggen, onjuist zijn.”

Wij vragen ons af hoeveel gewicht dergelijk beeldmateriaal of documentatie in dezen gewicht in de schaal had kunnen leggen, zeker nu uit de uitspraak volgt dat uitgebreid natuuronderzoek was verricht. Al moet gezegd worden dat de Afdeling in haar uitspraak van 18 december 201992ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4260. over eigen waarnemingen en overgelegde foto’s opmerkt dat:

“uit het door appellant overgelegde fotomateriaal niet duidelijk blijkt dat in die periode en op deze locatie alpenwatersalamanders zijn aangetroffen.”

Deze foto’s waren ingebracht om aan te tonen dat de observaties in het natuurrapport dat de alpenwatersalamander niet aanwezig is, onjuist waren. De Afdeling betrekt de foto’s dus wel degelijk in haar afweging, maar de waarnemingen tasten het bestreden besluit niet aan.

f.

Onderzoek is gedateerd;

Een bekend bezwaar is dat het onderzoek te gedateerd zou zijn om aan de besluitvorming ten grondslag te mogen leggen. In een uitspraak van de rechtbank Den Haag93Rb. Den Haag 25 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14616. wordt mede op basis van het advies van de StAB geoordeeld dat voor algemeen (wetenschappelijk) onderzoek een termijn van 5 tot 7 jaar geen afbreuk hoeft te doen aan de waarde of bruikbaarheid van dat onderzoek, tenzij er nieuw onderzoek beschikbaar is gekomen met gewijzigde inzichten of duidelijke aanwijzingen dat gegevens verouderd zijn. Volgens de StAB hebben in het gebied in kwestie niet of nauwelijks ontwikkelingen plaatsgevonden. Daarbij neemt de StAB in aanmerking dat ten tijde van de daadwerkelijke oprichting (aanleg) van de mijnbouwlocatie sprake is geweest van de meest belastende milieueffecten op de omgeving. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat geen aanvullend veldonderzoek behoefde plaats te vinden naar aanwezige beschermde natuurwaarden, bij de besluitvorming omtrent de verhoging van de maximum dagproductie voor de gaswinning. Overigens indien wordt aangevoerd dat de verrichte onderzoeken te gedateerd zijn, dient deze grond wel (nader) gemotiveerd te worden.94ABRvS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:682. In de uitspraak van de Afdeling95ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:951. inzake een bestemmingplan werd eveneens aangevoerd dat de uitgevoerde natuuronderzoeken verouderd zouden zijn en daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd hadden mogen worden. Het natuurrapport uit 2012 was ten tijde van de planvaststelling ongeveer 6 jaar oud. Het natuurrapport uit 2016 was ten tijde van de planvaststelling ongeveer 2 jaar oud. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar artikel 3.1.1a Bro, dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan 2 jaar, maar dat dit artikel er niet aan in de weg staat dat onderzoeksgegevens die ouder zijn dan 2 jaar, aan het besluit tot vaststelling van een plan ten grondslag worden gelegd. In deze procedure is van belang dat in 2016 de gegevens van het natuurwaardenonderzoek zijn geactualiseerd en mede aan het besluit ten grondslag zijn gelegd.

Geconcludeerd kan worden dat er meer contra-expertises uitgevoerd lijken te worden, maar dat deze meestal nog niet tot een succesvol weerleggen van het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt, leidt. Eigen waarneming van beschermde soorten door omwonenden en andere burgers lijken eigenlijk nooit tot succesvolle weerlegging van deskundig uitgevoerd onderzoek te kunnen leiden, al valt op dat de Afdeling deze waarnemingen soms wel in haar overwegingen betrekt.

3.11 Handhaving

Het Polderhoofdkanaal en Berend Botje zijn inmiddels oude bekenden in het soortenbeschermingsrecht. In deze uitspraak van de Afdeling96ABRvS 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3636. hadden twee omwonenden (hoger) beroep ingesteld tegen de uitvoering van ditzelfde project, nadat niet handhavend was opgetreden na het indienen van een verzoek daartoe. Het ontbreekt verzoekers echter aan procesbelang. Appellant wil met het handhavingsverzoek bereiken dat de bypass alsnog wordt uitgevoerd volgens het rapport uit 2009, waarin compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven. Echter het verzoek om handhaving heeft alleen betrekking op het perceel van beide appellanten, zodat de volledige inwilliging van het handhavingsverzoek er alleen toe kan leiden dat de bypass voor zover die op het perceel van appellanten is gegraven, wordt gedempt, maar niet dat deze alsnog volgens de oorspronkelijke plannen wordt uitgevoerd. Met de rechtbank concludeert de Afdeling dat een procesbelang daarom ontbreekt.

3.12 Samenloop met andere wetten

In een uitspraak van de rechtbank Gelderland97Rb. Gelderland 19 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5941. inzake een verleende evenementenvergunning op grond van de APV voor het carbidschieten op oudejaarsdag werd aangevoerd dat de evenementenvergunning geweigerd had moeten worden wegens strijd met de Wnb. De rechtbank overweegt dat het in de APV opgenomen belang van de bescherming van het milieu, op grond waarvan de evenementenvergunning geweigerd kan worden, niet ziet op de dier- en vogelsoorten en natuurgebieden die de Wnb uitputtend beoogt te beschermen. Voor de bescherming van die soorten en gebieden geldt de Wnb exclusief, zo meent de rechtbank. De evenementenvergunning had dus ook niet geweigerd kunnen worden wegens strijd met de Wnb.

Bij de rechtbank Den Haag98Rb. Den Haag 29 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:695. stond in een civiele procedure de schade centraal die zou zijn geleden als gevolg van intrekking van het besluit waarbij ontheffing was verleend voor de ringplicht van gehouden zwanen. Aan deze ontheffing waren voorwaarden verbonden, welke niet zijn nagekomen. De ontheffing is ten slotte ingetrokken. Dat deze ontheffing was verleend is bijzonder te noemen. Er geldt immers inmiddels een verbod op zwanendriften. Het besluit tot intrekking van de ontheffing is vernietigd door de bestuursrechter. Naar vaste jurisprudentie staat met de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter de onrechtmatigheid van dat besluit vast. Dat staat tussen partijen in deze civiele procedure ook niet ter discussie. Nu de Staat niet heeft bestreden dat het onrechtmatige besluit aan hem kan worden toegerekend, staat ook dit in rechte vast. Tussen partijen is wel in geschil of er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluitvorming leidend tot het intrekkingsbesluit en de gestelde schade. Vaststaat dat in deze zaak het causaal verband tussen het intrekkingsbesluit en schade niet afhankelijk is van een nieuw besluit. In deze situatie dient het bestaan van causaal verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat de ontheffing in die hypothetische situatie ook feitelijk zou zijn doorgelopen tot de datum van intrekking. De schade wordt vervolgens begroot en de rechtbank veroordeelt de Staat ten slotte tot voldoening aan eisers van een bedrag aan schadevergoeding van € 190.990 te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.13 Procedureel

In een bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de aanleg van een windpark werd bij de Afdeling99ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322. door appellanten naar voren gebracht dat in de voorprocedure van het bestemmingsplan een fout zou zijn gemaakt. Naar het oordeel van appellanten was ten onrechte de aanvraag om vergunning op grond van de Wnb niet samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Het beroep op schending van artikel 3:11 Awb wordt echter gelet op het relativiteitsvereiste niet besproken. Het valt ons op dat de Afdeling over het betoog van deze appellant dat de aanvraag om vergunning krachtens de Wnb ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen met het ontwerp van het bestemmingsplan, verwijst naar de specifieke paragraaf over soortenbescherming en het relativiteitsvereiste. De Afdeling overweegt dat:

“de gestelde schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in het kader van de toepassing van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van het beschermingsbereik van de normen waarover [appellant sub 3] (aanvullende) bezwaren heeft willen aanvoeren, in dit geval de bepalingen van de Wnb over de soortenbescherming. (…) Gelet hierop wordt ook een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond dat de aanvraag om vergunning krachtens de Wnb ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd, achterwege gelaten. Bij dit oordeel laat de Afdeling in het midden of deze aanvraag moet worden gekwalificeerd als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling daarvan, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.”

De vergunning op grond van de Wnb zal echter niet zien op soortenbescherming maar op gebiedsbescherming, de verwijzing lijkt dus niet helemaal sluitend. Echter, ook voor gebiedsbescherming zal het relativiteitsvereiste aan de behandeling van deze beroepsgrond in de weg staan, maar let wel deze toets kan soms net iets anders uitvallen. Een andere appellant in deze procedure klaagde tevens over mogelijke overtreding van de Wnb (soortenbescherming en gebiedsbescherming), maar deze appellant doet dat echter te laat. De Crisis- en herstelwet is op deze procedure van toepassing en deze appellant voert zijn argumenten met betrekking tot soortenbescherming niet direct in zijn initiële beroepschrift aan, maar vult dit later aan. Gelet op artikel 1.6a Crisis- en herstelwet behoren deze beroepsgronden buiten beschouwing te worden gelaten.

3.14 Afronding

Deze kroniek bevat weer een groot aantal uitspraken op het gebied van soortenbescherming. Dat soortenbescherming volop in de belangstelling staat en altijd actueel is, laat niet alleen het grote aantal uitspraken in deze kroniek periode zien, maar ook in het nieuws waren in deze kroniekperiode een aantal uitspraken prominent aanwezig. Wij wijzen natuurlijk op de voorlopige voorzieningenprocedure over de ontheffing voor de aanpassing van het circuit Zandvoort ten behoeve van de F1, de uitspraak over afschot van edelherten in de Oostvaardersplassen en de discussie over het los laten lopen van (huis)katten gevoed door de publicatie van Arie Trouwborst en Han Somsen. Wij hopen voor de volgende kroniekperiode weer op veel mooie uitspraken op het gebied van soortenbescherming. Wij wachten met name vol spanning op de reactie over het opzetcriterium in relatie tot getroffen maatregelen door initiatiefnemers van windparken van de Europese Commissie zoals voorgelegd door de minister.

 

 


Gerelateerd

Voortoets mogelijk ondanks dat de stikstofdepositie de KDW overstijgt
Derek Sietses schreef een annotatie bij ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 in JM 2020/154. Tot voor…
Beantwoording van prejudiciële vragen inzake de verlenging van een toestemmingsbesluit voor een hervergassingsterminal
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij HvJ EU 9 september 2020, ECLI:EU:C:2020:680 in M en…
De toepassing van externe saldering ten behoeve van het inpassingsplan Logistiek Park Moerdijk
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318 in M en R…
Ontheffing soortenbescherming voor het bevaarbaar maken en heropenen van het Hoofdpolderkanaal
Fleur Onrust schreef een annotatie bij ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091 in M en R 2020/92….
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Toetsing van het bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 aan de Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2170 in OGR 2020/207. 1….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In het tweede deel van de jaarlijkse terugkerende Kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Marieke Kaajan en Fleur…
Relativiteit bij het MER: deelaspecten van het milieuonderzoek
Erwin schreef een noot onder ABRvS 18 maar 2020, ECLI:NL:RVS:2020:801 in M en R 2020/49….
De Habitatrichtlijn en de grote boze wolf
Fleur Onrust schreef een annotatie bij HvJ EU 11 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:458 in OGR 2020/149….
Actualiteiten bescherming Natura 2000-gebieden 2019/2020
Marieke Kaajan schreef een artikel in M en R 2020/41 over de ontwikkelingen in de rechtspraak, het…
Bestuursdwang en kostenverhaal in geval van faillissement
Fleur Onrust schreef een annotatie bij ABRvS 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1063 in OGR 2020/117. In…
Bestemmingsplannen Maastricht, Meierijstad en Winkeldiversiteit Amsterdam doorstaan de toets van de Dienstenrichtlijn
Iris Kieft schreef in OGR 2020/124 een annotatie bij drie uitspraken waarin de Dienstenrichtlijn een…
Het dubbele toetsingsmoment van de Wnb; bij vaststelling plan én uitvoering concrete activiteit.
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij Rb. Noord-Holland 25 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2186 in M en…
Ontwikkelingen rondom de aanpak van de stikstofproblematiek
Derek Sietses schreef samen met L. Boerema een artikel over de ontwikkelingen rondom de aanpak…
Aanleg rieteilanden en rietkraag is een beschermingsmaatregel waarmee in de passende beoordeling rekening mag worden gehouden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360 in M en R 2020/10…
De effecten van ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan op Natura-2000 gebieden.
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij ABRvS 22 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2020:212 in OGR 2020/9. 1….
Onzekerheid over rechtszekerheid
Daan Korsse schreef een bijdrage in de vriendenbundel ‘Verwant met verband: Ruimte, Recht en Wetenschap’…
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Onzelfstandige bewoning Enschede
Annotatie Daan Korsse, ABRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:217, TvAR 2020/5
Fiets weg? Ook dat is bestuursrechtelijke handhaving
Fleur schreef een noot onder ABRvS 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4152 in OGR-updates. 1. In de…
Grote kamer en staatsraad advocaat-generaal kunnen Rechtbank Gelderland onvoldoende overtuigen?
Fleur schreef een noot onder Rb. Gelderland 7 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5015 in OGR-updates.  1. Op…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Vervallen aanhaakverplichting natuurtoestemming bij omgevingsvergunning door intrekking onderdeel natuur.
Marieke schreef een noot onder ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803 in M en R 2019/57…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in…
Prejudiciële vragen Habitatrichtlijn; hoe om te gaan met natuurwaarden waarvoor een gebied niet is aangewezen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:883 in 1. Dit arrest,…
Het PAS-arrest; en nu?
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/18 over de gevolgen van het PAS-arrest….
Beperkingen AERIUS Calculator
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:619 in OGR 2019/108. 1….
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Quick scan juridische uitvoerbaarheid inkrimping veestapel
Onderzoek in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving, Utrecht: Universiteit Utrecht, Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law 2017 (31 pp.).
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
De provinciale ruimtelijke verordening in het licht van de Dienstenrichtlijn: twee nieuwe inzichten
Iris Kieft schreef een annotatie bij ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:965 in OGR 2019/69. 1….
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Besluitbegrip. Besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan. Vaststelling faunabeheerplan.
M. Bauman, D. Sietses & J.V. van Ophen schreven een noot onder ABRvS 20 maart…
Lucht boven Natura 2000-gebied onderdeel van het gebied?
Marieke scheef een noot bij Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2665 in M en…
Heldere contouren – vereisten aan onderzoek Dienstenrichtlijn worden duidelijk
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 19 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4195 en ECLI:NL:RVS:2018:4196 in Annotaties…
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Bestemmingsplanregeling; verzekeren dat een passende beoordeling niet is vereist
Marieke scheef een noot bij ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530 in M en R 2018/42. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Amsterdams vestigingsverbod toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar Amsterdam Cheese Company mag toch open blijven
Het Amsterdamse vestigingsverbod voor toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar de Amsterdam Cheese Company mag van…
Randvoorwaarden voor verkleining van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (Vereniging Hoekschewaards Landschap) in…
Afdeling laat zich weer uit over Dienstenrichtlijn in relatie tot bestemmingsplan
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3471 in Annotaties OGR 2018-0228….
Prejudiciële vragen over de juridische houdbaarheid van het Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 in OGR 2018/238….
Effectiviteit van luchtwassers voor geurreductie
Annotatie Kevelam ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3885, M en R 2019/13
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Omgevingsrechtelijke besluitvorming voor zonneparken: een overzicht
In Bouwrecht 2018/77 gingen Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed in op de omgevingsrechtelijke besluitvorming voor…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Artikel 5.16 Wm niet buiten toepassing vanwege WHO-advieswaarden luchtkwaliteit
Annotatie ABRvS 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061, M en R 2018/127
Geen wettelijk kader endotoxinen. Bevoegd gezag dient te bepalen welke maatregelen bij endotoxinen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn. Bij die bepaling heeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte.
Annotatie Kevelam ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395, M en R 2018/103
Weigering verklaring van geen bedenkingen geitenhouderij vanwege volksgezondheidsrisico’s
Annotatie Kevelam ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2189, M en R 2018/102
Proceskostenveroordeling wegens het niet verschijnen op zitting door overheden
Annotatie VzABRvS 18 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1988, M en R 2018/91
Gebruik van een eerder verrichte passende beoordeling bij een nieuw bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een annotatie bij ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185 in OGR 2018/109. 1….
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Ook bij één besluit verplichte Wro-coördinatie ingeval van toepasselijkheid artikel 9f Elektriciteitswet 1998
Annotatie Kevelam ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:766, M en R 2018/74
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Schadevergoeding. Gevraagde schadevergoeding doorslaggevend voor bevoegdheid bestuursrechter. Rechtsmachtverdeling.
D. Sietses, K.J. de Graaf & A.T. Marseille schreven een noot bij ABRvS 2 augustus…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Stront aan de knikker? Het fosfaatrechtenstelsel in het licht van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM
Milieu & Recht 2017/5 (61), p. 388-400
Geen vergunningvoorschriften gebruik of milieuaspecten aan omgevingsvergunning bouwen
Annotatie Soppe ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3331, M en R 2017/39
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
De reikwijdte en rechtsgrondslag van nadeelcompensatie in het omgevingsrecht.
Derek Sietses schreef in TBR 2016/34, afl. 3 het verslag van de jaarvergadering van Vereniging…
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor een tekortschieten in hun inspanningen
Erwin Noordover en Laurens Westendorp schreven ‘Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor…
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging omgevingsvergunning beperkte milieutoets
Annotatie Soppe Rb Oost-Brabant 2 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:3318, M en R 2015/121
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…
De reikwijdte van de bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure
K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in O&A 2015/3, afl….
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
De curator als overtreder
Erwin Noordover schreef ‘De curator als overtreder’ in Tijdschrift voor Insolventierecht, 2015/12. Een failliet bedrijf…
Commentaar op Afdeling 7.2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
De reikwijdte van art. 8:69, tweede lid, van de Awb in het omgevingsrecht
Naar een ruimhartige en meer consistente toepassing van de verplichting tot ambtshalve aanvulling van rechtsgronden door de Afdeling bestuursrechtspraak in het omgevingsrecht?’
Commentaar op artikel 7:2 Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Commentaar op artikel 7:1a Awb
In de Module bestuursrecht van Kluwer staat artikelgewijs commentaar op de Algemene wet bestuursrecht (Awb)….
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Titel 8.4 Awb: verdwenen, gebleven en nieuwe problemen
Deze bijdrage van K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses maakt deel uit van…
Geen omgevingsvergunningplichte beperkte milieutoets melkrundveehouderij onder drempel categorie D-14 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3841, M en R 2015/37
Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Tailormade regelgeving voor windturbineparken op de Noordzee’, TO oktober…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz….
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
De finaliseringsslag in het bestuursrecht
B. Marseille & D. Sietses schreven een artikel in NJB 2013/497, afl. 10. Aandacht voor…
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van complicerende factoren
Erwin Noordover schreef ‘Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van…
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
SVIR en Barro: beleid en regel voor de nationale ruimte
In Bouwrecht 2012/49 ging Erwin Noordover in op het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…