Amsterdam: +31 20 737 20 66
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

image_pdf

Datum: 29-11-2020

Wettelijk pesticidenverbod (voorlopig) van de baan

Deze week heeft het gerechtshof in Den Haag een interessant arrest gewezen. Het Hof zet namelijk een streep door het verbod op het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw dat sinds 1 april 2016 van kracht was (hierna: het “pesticidenverbod”). Het Hof oordeelde – anders dan de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 16 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:115 – dat het pesticidenverbod geen wettelijke grondslag heeft.

Medio 2016 besloot de regering tot het pesticidenverbod. De regering ging over tot dit verbod ter bescherming van de menselijke gezondheid en om de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen tegen vermijdbaar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Het pesticidenverbod kreeg vorm via een wijziging op het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (“Bgb”). Het Bgb was een besluit van de regering – dat zonder medewerking van de Staten-Generaal kan worden genomen – ter uitwerking van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (“Wgb”). De Wgb is een wet in formele zin. Bij Koninklijk Besluit van 9 maart 2015 (Staatsblad 2016/112) (hierna: Besluit) was de Bgb gewijzigd, in die zin dat het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw niet langer was toegestaan vanaf 1 april 2016 op verharde oppervlakken en vanaf 1 november 2017 op alle oppervlakken.

Stichting Nefyto en vereniging Artemis – twee partijen waar bedrijven zijn aangesloten die onder meer in Nederland gewasbeschermingsmiddelen op de markt brengen (hierna: Nefyto c.s.) – konden zich met het pesticidenverbod niet verenigen. Nefyto c.s. beriep zich erop dat de regering weliswaar het gebruik van bepaalde middelen op bepaalde plaatsen kan verbieden, maar geen bevoegdheid heeft om een algeheel verbod uit te vaardigen. Volgens Nefyto c.s. biedt artikel 70 en 80a Wgb geen grondslag voor een algeheel verbod.

Artikel 70 en 80a Wgb – de artikelen die uiteindelijk zijn uitgewerkt in het Bgb – verwijzen naar een Europese richtlijn (artikel 12 en 14 van richtlijn 2009/128/EG (“Richtlijn”)). Aldus moest het Hof beoordelen of de artikelen 78 en 80a Wgb een grondslag bieden voor het pesticidenverbod. Omdat die artikelen verwijzen naar de artikelen 12 en 14 van de Richtlijn moeten ook die bepalingen uit de Richtlijn in de beoordeling worden betrokken.

Allereerst keek het Hof naar artikelen 192 en 193 VWEU – de artikelen die ten grondslag liggen aan de Richtlijn. Uit artikel 193 VWEU volgt dat het lidstaten is toegestaan verdergaande maatregelen te nemen dan de uit hoofde van artikel 192 VWEU vastgestelde maatregelen. Het is een lidstaat dus in begínsel toegestaan om maatregelen te treffen die verder strekken dan de door de Richtlijn voorgeschreven maatregelen. Maar, zo oordeelde het Hof, artikel 193 VWEU is gericht tot de lidstaten en bepaalt in wezen slechts dat het Unierecht hen niet verbiedt verdergaande maatregelen te nemen via een nationale wettelijke grondslag. Het antwoord op de vraag of de regering bevoegd is een algemeen verbindend voorschrift zoals het Besluit vast te stellen hangt daarom af van de vraag of daarvoor in de nationale wetgeving een grondslag is te vinden. Artikel 193 VWEU biedt die grondslag niet – anders dan de rechtbank eerder overwoog – rechtstreeks, zo oordeelde het Hof.

Vervolgens overwoog het Hof dat artikel 12 (via artikel 80a Wgb) van de Richtlijn ook geen grondslag biedt voor het Besluit. Artikel 80a Wgb en artikel 12 Richtlijn bieden slechts een grondslag voor het nemen van risicobeheersmaatregelen in specifieke, nader omschreven gebieden. Het Besluit heeft een veel bredere strekking en is dus van een andere orde dan de maatregelen waarvoor artikel 80a Wgb een grondslag biedt, aldus het Hof. Ook artikel 14 (via artikel 78 Wgb) van de Richtlijn biedt geen grondslag voor een algeheel verbod; het artikel legt volgens het Hof de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming vast, maar voorziet niet in een verbod zoals in het Besluit is neergelegd. Daarmee kwam het Hof tot de slotsom dat noch in artikel 78, noch in artikel 80a Wgb een grondslag is te vinden voor het Besluit waarin het pesticidenverbod is vastgelegd. De conclusie is dan ook dat een deugdelijke wettelijke grondslag voor het Besluit ontbreekt. Het Hof ging daarom over tot onverbindendverklaring van het Besluit. Als gevolg hiervan is het pesticidenverbod voorlopig niet meer van kracht.

Al met al biedt dit arrest een mooi inzicht hoe het Hof beoordeelt of er een wettelijke grondslag bestaat voor een verbod. Het Hof doet dit heel precies; een “bevoegdheid tussen de regels door” is voor een verstrekkende maatregel zoals het pesticidenverbod – hoe legitiem dit verbod wellicht ook moge zijn – volgens het Hof niet voldoende. Kortom, werk aan de winkel voor onze wetgever!

Voor vragen over dit bericht kunt u contact opnemen met Derek Sietses.

Volg ENVIR Advocaten op Twitter via @enviradvocaten.