ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 17-10-2020

Titel 8.4 Awb en schadevergoedingsverzoeken boven de EUR 25.000,-

Sinds de inwerkingtreding van titel 8.4 Awb, nu al zo’n zeven jaar geleden, kan een (rechts)persoon via de bestuursrechter een verzoek doen tot schadevergoeding als gevolg van (onder meer) een onrechtmatig besluit. Dat kon voor die tijd op zich ook al, maar met artikel 8.4 Awb is de competentieverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter op de schop gegaan, met als doel het voor de burger eenvoudiger te maken bij welke rechter een claim moet worden voorgelegd. In beginsel geldt nu dat óf de civiele rechter óf de bestuursrechter exclusief bevoegd is om een oordeel te vellen over een schadeclaim. Dit geldt niet voor gevraagde vergoedingen tot € 25.000,00; bij een verzoek tot ten hoogste dit bedrag kan een belanghebbende kiezen om zijn claim voor te leggen aan de bestuursrechter of de civiele rechter. Het is, anders dan vóór inwerkingtreding van titel 8.4 Awb, niet mogelijk om zowel de bestuursrechtelijke als civiele procedure tegelijk te voeren. Hiermee wordt voorkomen dat voor twee verschillende rechters een procedure over dezelfde schade aanhangig is. Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2081, Interbest) weten we bovendien dat het hierbij gaat om de gevraagde vergoeding. Met andere woorden: als de daadwerkelijke schade hoger ligt, maar de gelaedeerde minder dan € 25.000,00 aan schadevergoeding vraagt, dan is de bestuursrechter altijd bevoegd.

Recent, op  23 september jl., heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over titel 8.4 Awb (ECLI:NL:RVS:2020:2279). Appellant heeft de Afdeling verzocht om schadevergoeding. Daartoe voert hij aan dat zijn eer en goede naam zijn geschaad door een door de burgemeester opgelegd huisverbod. De aangevoerde beroepsgrond tegen het huisverbod is door de Afdeling gegrond verklaard, waarmee de onrechtmatigheid van dit besluit is gegeven. Dit betekent dat de bestuursrechter op zichzelf bevoegd is een oordeel te vellen over de claim, zij het tot een gevraagde vergoeding van € 25.000,00. Appellant heeft, blijkens de uitspraak, echter verzocht om een schadevergoeding van € 45.926,00, inclusief BTW. Dit bedrag bevat onder meer vergoeding van medische kosten, advocaatkosten en immateriële schade. Omdat de verzochte schadevergoeding het maximumbedrag van € 25.000,00 overschrijdt, is de bestuursrechter niet bevoegd over het verzoek te oordelen.

Game over voor wat betreft een schadeclaim bij de bestuursrechter, zou men denken. Dat was echter niet het geval, want ter zitting heeft appellant – naar ik aanneem nadat de bestuursrechter op de bovenstaande competentieregels heeft gewezen – alsnog gesteld dat de door hem gewenste schadevergoeding in totaal ten hoogste € 25.000,00 bedraagt. Hij is aldus hangende de procedure tot een eisvermindering gekomen, waarmee de bestuursrechter alsnog bevoegd werd om een oordeel te vellen over de claim. Dit is interessant, omdat bij de eerder genoemde Interbest­­-uitspraak sprake was van een nadrukkelijk gevraagde vergoeding tot € 25.000,00. Uit een uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3826) blijkt bovendien dat de Afdeling niet schuwt zich onbevoegd te verklaren bij schadeverzoeken boven de € 25.000,00. Dit roept de vraag op of in die zaak van 21 november 2018 ook aan appellant is verzocht het schadeverzoek te reduceren tot € 25.000,00. Ik meen dat de Afdeling, zoals ook hier waarschijnlijk is gebeurd, dat wel had moeten doen (vgl. ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, ro. 8). De vraag of de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van het schadevergoedingsverzoek is een kwestie die ambtshalve aan de orde komt. Het past bij de actieve rol van een bestuursrechter om vervolgens de mogelijkheid voor te leggen het schadevergoedingsverzoek te verlagen vanwege de competentieregels. In het civiele recht gebeurt dit immers ook: de (meer lijdelijke) civiele rechter geeft een geleadeerde de mogelijkheid om te komen tot een eisvermindering, wanneer de rechter constateert dat de vordering de in artikel 93 sub a Rv opgenomen bevoegdheidsgrens van de kantonrechter van € 25.000,00 overstijgt (zie bijvoorbeeld Rb Rotterdam 24 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3857).

De bevoegdheid van de bestuursrechter om kennis te nemen van het geschil, heeft de appellant in deze uitspraak overigens niet mogen baten. Volgens de Afdeling stond het causaal verband tussen de vermeende schade en de (onrechtmatig) opgelegde huisverbod onvoldoende vast. Het verzoek om vergoeding van immateriële schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Dit betekent eveneens dat – ondanks dat maar één instantie het schadevergoedingsverzoek heeft beoordeeld – hiermee de mogelijkheid op een schadevergoeding, als gevolg van het onrechtmatig opgelegde huisverbod, voor de gelaedeerde is verkeken. Dat is een gevolg van de keuze van de gelaedeerde om hangende de procedure tegen het schadeveroorzakende besluit het schadevergoedingsverzoek in te dienen. Zeker voor de ingewikkelde, hogere schadeclaims, waar dikwijls uitvoerige debatten gevoerd kunnen worden over causaliteit en de hoogte van de opgevoerde schadeposten, verdient het mede daarom niet mijn voorkeur om schadevergoedingsverzoeken (voor zover de schade het bedrag van € 25.000,00 overstijgt) op te knippen en voor te leggen aan de bestuursrechter. Het is verstandiger voor dit soort kwesties, voor zover die mogelijkheid bestaat (vgl. artikel 8:89, eerste en tweede lid, van de Awb) de civiele rechter te adiëren .

Voor vragen over titel 8.4 Awb of over overheidsaansprakelijkheidsrecht kunt u contact opnemen met Derek Sietses.

Volg ENVIR Advocaten op Twitter via @enviradvocaten.