ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 15-08-2019

Tijdelijk zonnepark van 4,3 hectare is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij uitspraak van 14 augustus jl. (ECLI:NL:RVS:2019:2770) geoordeeld over een mogelijke plicht tot het verrichten van een milieueffectbeoordeling voor een zonnepark van 4,3 hectare. Voor dit zonnepark in de gemeente Staphorst is een omgevingsvergunning verleend voor een periode van tien jaar. Een naastgelegen bedrijf vecht deze omgevingsvergunning aan en voert onder andere aan dat voor dit besluit een milieueffectbeoordeling moet worden verricht. De Afdeling loopt de drie door appellant aangevoerde categorieën langs en oordeelt dat er geen m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat.

 

 

 

Landinrichtingsproject (D-9): volgens de Afdeling bestuursrechtspraak is niet elke ontwikkeling in het buitengebied een landinrichtingsproject. In ieder geval is de tijdelijke functiewijziging van 4,3 hectare zonnepark onvoldoende substantieel om aangemerkt te kunnen worden als een landinrichtingsproject. Door de rechtbank Overijssel is in eerste aanleg nog overwogen dat de categorie landinrichtingsproject is bedoeld voor grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied.

Stedelijk ontwikkelingsproject (D-11.2): de Afdeling overweegt met verwijzing naar de nota van toelichting dat het zonnepark niet is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. In de nota van toelichting wordt voor deze categorie onder meer van belang geacht of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Verder leidt de Afdeling eruit af dat bij deze categorie kan worden gedacht aan een verstening of urbanisering van het gebied. Met het zonnepark is daarvan volgens de Afdeling geen sprake. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van dit zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting.

Industriële installatie (D-22.1): de Afdeling wijst erop dat bij het bij deze categorie gaat om centrales waarbij een brandstof, bijvoorbeeld fossiele brandstoffen, wordt ingezet om elektriciteit op te wekken. Verder acht de Afdeling van belang dat  installaties voor de productie van hydro-elektrische energie en windenergie in Bijlage II, categorie 3, onder h en i, afzonderlijk zijn aangewezen als mer-beoordelingsplichtig. Een zonnepark is geen thermische (verbrandings)installatie. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie.

Afrondend: voor de toekomst zekerheid over geen m.e.r.-beoordelingsplicht?

In het artikel ‘Omgevingsrechtelijke besluitvorming voor zonneparken: een overzicht‘ is ook stilgestaan bij de mogelijkheid dat een zonnepark onder één van de m.e.r.-beoordelingsplichtige categorieën zou vallen. Daarin wordt gewezen op een uitspraak van 21 maart 2017 van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2017:1061), waarin een zonnepark is aangemerkt als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan en dus onder categorie D-9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt. De rechtbank motiveert dit oordeel echter niet en met de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus jl. is dit oordeel ook waarschijnlijk achterhaald. Ik zeg hier expres waarschijnlijk, omdat deze uitspraak van de Afdeling nog enig grijs gebied lijkt te geven voor een m.e.r.-beoordelingsplicht. Bij de categorie landinrichtingsproject lijkt de Afdeling namelijk te hechten aan het feit dat er sprake is van een tijdelijke functiewijziging van 4,3 hectare. Nu er voor subsidieverlening voor zonneparken niet langer met een tijdelijke omgevingsvergunning kan worden gewerkt (zie ook voornoemd artikel daarover), zullen zonneparken vaker langer worden toegestaan en kunnen ze ook groter zijn. Kan een zonnepark dan alsnog onder deze categorie vallen? Hetzelfde geldt voor het stedelijk ontwikkelingsproject: als een zonnepark alsnog meer milieugevolgen heeft, bijvoorbeeld vanwege ecologische effecten, is er dan alsnog sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject? Het lijkt niet logisch dat de Afdeling bestuursrechtspraak dan tot een ander oordeel komt, al was het maar ter voorkoming van rechtsonzekerheid bij overheid en initiatiefnemers. Op basis van deze uitspraak zouden partijen er namelijk op moeten kunnen vertrouwen dat een zonnepark niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, zonder risico dat aan het einde van de besluitvormingsprocedure een bestuursrechter alsnog tot een ander oordeel komt. Een dergelijk oordeel zou namelijk tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden en vervolgens een plicht om alsnog een besluit te nemen over een m.e.r.-beoordeling, met grote vertraging voor het project tot gevolg. Als het echter wenselijk is dit risico aan de voorkant van de besluitvorming te ondervangen, zou een vrijwillig en onverplicht m.e.r.-beoordelingsbesluit dan wel milieueffectrapport hier uitkomst kunnen bieden.