Amsterdam: +31 20 737 20 66
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

image_pdf

Datum: 01-05-2021

Litis finiri oportet: verjaring, sluitingshandelingen en procederende ontbonden vennootschappen.

Sinds de inwerkingtreding van titel 8.4 Awb op 1 juli 2013 is het figuur van het appellabele zelfstandig schadebesluit – een besluit op een verzoek om schadevergoeding, nadat de bestuursrechter het schadeveroorzakende besluit had vernietigd – komen te vervallen. Toch kom je af en toe nog een uitspraak tegen gebaseerd op het wettelijke regime van vóór de inwerkingtreding van titel 8.4 Awb. Dit is bijvoorbeeld het geval in de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:905. De uitspraak geeft, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie van de Afdeling en de Hoge Raad, een mooi en uitvoerig gemotiveerd overzicht over stuitingshandelingen, verjaringstermijnen en procederende ontbonden vennootschappen; onderwerpen die ook onder het regime van titel 8.4 Awb onverminderd relevant zijn.

Wat was er aan de hand? Een groot aantal rechtspersonen, waarvan sommigen inmiddels in liquidatie (hierna: de gelaedeerden), claimen een schadevergoeding. Zij meenden schade te hebben geleden, die het gevolg is van onrechtmatige besluiten van het college van Hendrik-Ido-Ambacht van 9 november 1993 en 6 september 1994 (hierna ook: de besluiten voor de golfbaan). Hier ging het volgende aan vooraf.

De gelaedeerden sloten begin jaren ’90 overeenkomsten over de ontwikkeling en realisatie van een golfterrein op gronden in Hendrik-Ido-Ambacht, die zij inmiddels in eigendom hadden verworven.  Eind ‘93 stelde de gemeenteraad van Hendrik-Ido-Ambacht het bestemmingsplan voor de golfbaan vast. Vervolgens verleende het college bij besluit van 9 november 1993 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en inwerking hebben van een golfbaan en clubhuis. Op 6 september 1994 verleende het college een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het uitbreiden en wijzigen van de golfbaan. Medio 1993 namen de gelaedeerden de golfbaan reeds in gebruik. Door een uitspraak van de Afdeling in 1995 werden de besluiten voor de golfbaan echter vernietigd en alsnog geweigerd. Door een uitspraak in 1996 werd het bestemmingsplan vernietigd. Dit betekende het einde voor de golfbaan.

In december 1999 gingen de gelaedeerden over tot het dagvaarden van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en vorderden vergoeding van schade als gevolg van de vernietigde besluiten. Uiteindelijk werd deze procedure beëindigd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tussen de gemeente en de gelaedeerden. De strijd was hiermee echter niet einde, aangezien de gelaedeerden in 2007 de gemeente wederom dagvaarden, maar nu wegens een vordering uit hoofde van wanprestatie wegens het niet-nakomen van de vaststellingovereenkomst. Deze procedure eindigde uiteindelijk – zonder succes – bij de Hoge Raad in een arrest van 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9961.

De gelaedeerden konden hun strijdbijl nog niet begraven; op 26 juni 2015 verzochten zij het college tot het nemen van een zuiver schadebesluit. Zij stelden ruim zesentwintig miljoen euro schade te hebben geleden als gevolg van de vernietigde besluiten voor de golfbaan. Het college weigerde echter tot vergoeding over te gaan. Volgens het college kunnen de gelaedeerden niet als belanghebbende worden aangemerkt en was de aanvrager van de vergunningen opgehouden te bestaan (in liquidatie), waardoor de aanvrager geen rechtshandelingen meer kan verrichten, zoals het doen van een schadevergoedingsverzoek. Het college stelde zich verder onder meer op het standpunt dat de aanspraak op schadevergoeding is verjaard.

Na ten onrechte de rechtbank te hebben geadieerd – de Afdeling is in eerste en enige aanleg bevoegd een oordeel te vellen over deze kwestie nu zij ook in eerste en enige aanleg bevoegd was kennis te nemen van het beroep tegen de schadeveroorzakende besluiten voor de golfbaan (vgl. ABRVS 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762) – buigt de Afdeling zich over de zaak.

In tegenstelling tot het college is de Afdeling van oordeel dat de gelaedeerden als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Anders dan onder het regime van titel 8.4 Awb, waarin een schadeverzoekschriftprocedure slechts kan worden gestart door een belanghebbende bij het schadeveroorzakende besluit, is het bij oude stelsel van het zuiver schadebesluit in beginsel voldoende om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt in het geval gemotiveerd is gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de betrokken besluiten.

Daarnaast doen ook, anders dan het college betoogt, de gelaedeerden “in liquidatie” nog mee in deze procedure. Onder verwijzing naar artikel 2:19, vierde en vijfde lid, van het BW oordeelde de Afdeling dat zolang er baten zijn, een ontbonden vennootschap blijft bestaan. Aangezien de gelaedeerden stellen aanspraak te hebben op een schadevergoeding en over deze “bate” niet is beslist, duurt de vereffening van hun vermogen voort en bestaan zij in zoverre nog, ook al hebben deze vennootschappen zich laten uitschrijven (zie Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4096, ro. 3.5).

Tot zover de successen van de gelaedeerden. Bij de behandeling van de verjaringsgrond, gaat het (voor de gelaedeerden) alsnog mis. Uit artikel 3:310, eerste lid, BW volgt, voor zover nu relevant, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op de dag waarop de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit is onder het regime van titel 8.4 Awb overigens niet anders (zie artikel 8:93 Awb). Met de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 1995 zijn de gelaedeerden bekend geworden met schade en de verantwoordelijke rechtspersoon. Dit betekent, zo overweegt de Afdeling, dat de gelaedeerden uiterlijk op 30 juni 2000 een verzoek tot schadevergoeding konden indienen, tenzij tijdig een stuitingshandeling is verricht.

De gelaedeerden stellen zich op het standpunt dat de dagvaarding van december 1999 als stuitingshandeling moet worden gezien. Hier gaat de Afdeling echter niet in mee; in 2011 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarmee de civiele procedure werd beëindigd. Van stuiting is vervolgens geen sprake nu niet aan de eis van artikel 3:316, tweede lid, BW is voldaan dat binnen een half jaar na de beëindiging van de met die dagvaarding begonnen procedure een nieuwe procedure is begonnen. De dagvaarding uit 2007 is niet binnen die termijn uitgebracht en ziet bovendien op een andere grondslag. Diverse brieven waar de gelaedeerden naar verwijzen, kunnen de gelaedeerden ook niet baten. Volgens de Afdeling blijkt uit de relevante brieven onvoldoende dat sprake was van een stuitingshandeling. De Afdeling voorziet vervolgens zelf in de zaak door het de uitspraak in de plaats te treden van het vernietigde besluit.

Daarmee is de kwestie voor de gelaedeerden, na jaren van procederen, ten einde gekomen. De uitspraak biedt voor de rechtspraktijk een mooi inzicht in de beoordelingswijze van de Afdeling over civiele vraagstukken zoals verjaring, procederende ontbonden vennootschappen en stuitingshandelingen; onderwerpen die ook onder het regime van titel 8.4 Awb onverminderd relevant zijn.

Voor vragen over titel 8.4 Awb of over overheidsaansprakelijkheidsrecht in algemene zin kunt u contact opnemen met Derek Sietses.

Volg ENVIR Advocaten op Twitter via @enviradvocaten.