ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 06-08-2020

Finaliteit in het normaal maatschappelijk risico

In een eerder blogbericht stond ik meer in algemene zin stil bij het leerstuk van het normaal maatschappelijk risico. Kort samengevat is het in beginsel aan het bestuursorgaan om het forfait van het normaal maatschappelijk risico te bepalen; het heeft daarbij beoordelingsruimte, maar moet de vaststelling wel naar behoren motiveren. Wanneer het bestuursorgaan een hoger forfait hanteert dan het minimum forfait van twee procent, wordt de motiveringsplicht voor het bevoegd gezag zwaarder. Gelet op de beoordelingsruimte stelt een bestuursrechter niet zelfstandig de omvang van het normaal maatschappelijk risico vast; in plaats daarvan toetst de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden of de gegeven motivering voor de hoogte van het normaal maatschappelijk risico volstaat.

Een bestuursrechter kan, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

Dit was recent nog aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1535. Deze zaak ging over een planschadeverzoek naar aanleiding van een bestemmingsplan dat een nieuwbouwwoning en bedrijfsruimte mogelijk maakte. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij woningbouw op inbreidingslocaties in beginsel een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak tot het normaal maatschappelijke risico van de aanvrager behoort. Het bevoegd gezag hanteerde echter een normaal maatschappelijk risico van vier procent. Volgens het bevoegd gezag paste de ontwikkeling namelijk niet expliciet in langjarig door de gemeente vastgesteld ruimtelijk beleid. De partij die de planschade moest betalen op grond van een planschadeverhaalsovereenkomst, betoogde dat deze drempel vijf procent zou moeten zijn, omdat uit de relevante beleidsdocumenten wél zou blijken dat inbreiding  gewenst is. De Afdeling ging hier in mee; de omstandigheid dat uit relevante beleidsdocumenten niet expliciet blijkt van een concreet beleidsvoornemen tot woningbouw in een plangebied, brengt niet met zich dat de ontwikkeling niet past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijk beleid (zie ook ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:281, ro. 7.4.). De Afdeling deed deze kwestie meteen finaal af door een normaal maatschappelijk risico van vijf procent te hanteren.

Dat de Afdeling de bovengenoemde zaak meteen finaal beslechtte, is goed te plaatsen, gelet op de bestendige jurisprudentielijn van de Afdeling dat voor een woningbouwplan op een inbreidingslocatie in principe een normaal maatschappelijk risico geldt van vijf procent. Echter, óók in situaties waarin de hoogte van het normaal maatschappelijk risico meer casuïstisch is, schuwt de Afdeling niet om een kwestie finaal af te doen, door zelf de hoogte van het normaal maatschappelijk risico vast te stellen.

Dit was aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3735 (windpark Hartelbrug II). Het betrokken bestemmingsplan voorzag onder andere in de mogelijkheid van oprichting van acht windturbines met een maximale tiphoogte van 150 meter langs het Hartelkanaal. Het bevoegd gezag hanteerde, onder tamelijk uitgebreide motivering, een normaal maatschappelijk risico van vijf procent. Kort samengevat was het bevoegd gezag van oordeel dat het windpark past in relevant beleid en in de structuur van de omgeving. De appellanten in deze zaak waren het hiermee niet eens. Volgens hen lag het windpark niet in lijn der verwachtingen, omdat het plangebied niet als zoekgebied was aangewezen in een beleidsstuk en omdat de locatie waar de windturbines zijn gerealiseerd gelegen is nabij een zogeheten TOP-gebied. In of nabij deze gebieden is de plaatsing van windturbines volgens een beleidsdocument ongewenst. Bovendien stelden appellanten dat de windturbines ter plaatse naar hun aard en omvang niet binnen de structuur van de omgeving passen. Volgens appellanten zijn de bestaande bouwwerken namelijk minder hoog en veroorzaken ze, in tegenstelling tot de windturbines, geen hinder. De andere windparken in het gebied liggen op grotere afstand van de woningen van appellanten. Appellanten vonden een normaal maatschappelijk risico van twee procent op zijn plaats.

De Afdeling overwoog dat zowel voor het standpunt van de aanvragers als voor dat van het college met betrekking tot de vraag of de realisatie van het windturbinepark in de lijn der verwachtingen lag goede argumenten zijn aangevoerd. Daarmee zag Afdeling aanleiding het normaal maatschappelijke risico voor alle aanvragers te middelen tussen 2 en 5 procent en een drempel van 3,5 procent te hanteren. De zaak werd hiermee finaal afgedaan.

Deze uitspraak zet de beoordelingsruimte van het bevoegd gezag voor wat betreft het vaststellen van de hoogte van het normaal maatschappelijk risico in perspectief; wanneer beroepsgronden worden gericht tegen de hoogte van het normaal maatschappelijk risico, wordt het debat daarover bij de bestuursrechter volop opengezet en is van een terughoudende toetsing van de Afdeling weinig te merken. Zelfs in de situatie waarin op zichzelf goede argumenten zijn aangevoerd om te komen tot een bepaald percentage, kan de bestuursrechter ingrijpen, wanneer voor een andere hoogte van het normaal maatschappelijk risico ook goede argumenten zijn aangevoerd. In het kader van de rechtsbescherming juichen we deze lijn toe.

Loopt u in de praktijk tegen planschadevragen aan? Voor vragen over planschaderecht, kunt u contact opnemen met Derek Sietses.