ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 16-06-2017

Samenvatting PAS-uitspraak weiden en bemesten

Lukt het maar niet om de tijd te vinden om de PAS-uitspraken van 17 mei 2017 te lezen? Lees hieronder de samenvatting van de uitspraak inzake het weiden en bemesten.

PAS Prejudiciële vragen weiden en bemesten

Samenvatting ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260[i]

Relevante feiten

  • Beroepen MOB tegen besluit van Gelderland en drie besluiten van Limburg waarbij verzoeken om handhavend optreden tegen het weiden van vee en het bemesten van gronden door agrarische bedrijven
  • Vraag die centraal staat (r.o. 2.5) of de uitzondering op de N2000-vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, die in de Omgevingsverordeningen van Gelderland en Limburg is opgenomen, verenigbaar is met art. 6 HRL;
  • o. 2.5 en 2.6 geven wat feitelijke informatie over de relevantie van deze vraag (omvang etc.)
  • Uitspraak heeft alleen betrekking (zie r.o. 7.3) op het weiden van vee door een melkveehouderij en het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen. En dus niet op andere vormen van het weiden van vee en andere vormen van bemesten.

Project of andere handeling (onderdeel F van de uitspraak)

  • In de rechtspraak van de ABRvS is de vraag of het weiden van vee een project is nog niet aan de orde geweest. Het bemesten van gronden is volgens de rechtspraak van de ABRvS in ieder geval te duiden als het verrichten van een andere handeling, als bedoeld in art. 2.7, lid 2, Wnb. De vraag of het op of in de bodem brengen van meststoffen als project kan worden geduid, heeft de ABRvS in haar rechtspraak uitdrukkelijk in het midden gelaten (b.v. ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1477);
  • Uit de verleende N2000-vergunningen voor de betrokken bedrijven blijkt dat bij alle bedrijven uitsluitend de gevolgen van de stalemissies voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld. De emissies van het weiden bij de bedrijven waar het vee een deel van de tijd wordt geweid, zijn niet betrokken bij de vergunningverlening. Het weiden van vee werd door de bevoegde instanties niet beschouwd als een vergunningplichtige activiteit;
  • Het weiden van vee door een melkveehouderij hangt volgens de ABRvS onlosmakelijk samen met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van die melkveehouderij. Deze onlosmakelijke samenhang komt tot uitdrukking in de Regeling ammoniak en veehouderij
  • De onlosmakelijke samenhang tussen de oprichting, uitbreiding of exploitatie van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden en het weiden van dat melkvee, betekent dat voor de vraag of het weiden als project of andere handeling moet worden beoordeeld relevant is hoe de oprichting, uitbreiding of exploitatie van de stallen waar het vee wordt gehouden, moet worden geduid.
  • Exploitatie van een melkveehouderij waarvoor toestemming is verleend voor de relevante Europeesrechtelijke referentiedata is een andere handeling. De ABRvS is van oordeel dat het weiden van vee dat door de exploitatie van die melkveehouderij plaatsvindt – evenals de exploitatie van deze melkveehouderij zelf – beoordeeld dient te worden als andere handeling (r.ov. 8.9);
  • De oprichting, uitbreiding en exploitatie van een melkveehouderij die heeft plaatsgevonden nadat art. 6, lid 3, HRL van toepassing van toepassing werd is een project (r.o. 8.9);
  • Dat betekent dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee die in de beide Omgevingsverordeningen is opgenomen kan betrekking hebben op situaties die zowel onder het tweede als het derde lid van art. 6 HRL vallen.

Bemesten een project?

  • Onder verwijzing naar bestaande jurisprudentie op dit punt stelt de ABRvS dat niet uit te sluiten valt dat bij de uitleg van het begrip project ook de gevolgen van de activiteit van belang zijn. ABRvS acht het mogelijk dat activiteiten die niet vallen onder het begrip project van de MER-richtlijn, wel een project kunnen zijn als bedoeld in art. 6, lid 3, HRL, omdat de activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied: daarom een prejudiciële vraag over de uitleg van het begrip project in art 6, lid 3, HRL;
  • Maar: ABRvS stelt ten eerste vast dat, anders dan MOB betoogt, het bemesten van gronden niet onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie, oprichting en uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het uitrijden van mest is niet noodzakelijk voor de afvoer van mest van een agrarisch bedrijf, omdat er alternatieven zijn zoals de verwerking ervan op een andere locatie dan de gronden van het bedrijf. Het uitrijden van mest is op zich zelf een vergunningplichtige activiteit. Voor de vraag of de uitzondering op de vergunningplicht verenigbaar is met art. 6 HRL dient eerst te worden bezien of het op of in de bodem brengen van meststoffen op zich zelf een project of andere handeling is;
  • Verwijzing naar HvJ-jurisprudentie:
    • Definitie van het begrip ‘project’ in de MER-richtlijn is relevant;
    • Er moet aan dit begrip een ruime uitleg worden gegeven;
    • Deze ruime uitleg bestaat eruit dat onder een project niet alleen een constructie van stoffelijke aard dient te worden verstaan, maar ook andere ingrepen;
    • Er moet echter wel sprake zijn van werken of ingrepen die de materiële toestand van een plaats veranderen, wil sprake kunnen zijn van een project;
  • Verwijzing naar eigen, ABRvS jurisprudentie:
    • Tot op heden wordt door de ABRvS geen betekenis toegekend aan de gevolgen die de activiteit kan hebben voor de duiding van een activiteit als project;
    • De vraag of het uitrijden van mest is te duiden als een project is door de ABRvS tot op heden uitdrukkelijk in haar midden gelaten;
  • Het emissiearm aanbrengen van drijfmest op bouwland geschiedt door de mest direct in sleufjes in de grond te brengen of door de drijfmest in één werkgang met één machine op de grond aan te brengen en onder te werken of intensief met de grond te mengen, zodanig dat de mest niet meer zichtbaar is op het grondoppervlak. Vaste mest wordt in bouwland in maximaal twee opeenvolgende werkgangen aangebracht en ondergewerkt. De mest wordt intensief met de grond gemengd en is dan niet meer zichtbaar op het grondoppervlak. Het emissiearm aanbrengen van drijfmest op grasland op zand- en lössgrond mag alleen door het direct in de grond brengen van de mest. Voor grasland op klei- en veengrond geldt dat de drijfmest direct op of in de grond mag worden gebracht. ‘Op de grond’ betekent in strookjes tussen het gras, waarbij het gras van tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. Mest ‘in de grond’ betekent in sleufjes met een maximale breedte van 5 cm in de grond brengen.
  • Gezien de wijze waarop het in de bodem brengen van meststoffen plaatsvindt, acht de ABRvS aannemelijk dat dit als een ingreep in het natuurlijk milieu als bedoeld in art. 1, lid 2, MER-richtlijn kan worden geduid. De aard van de activiteit kan enigszins worden vergeleken met de infiltratie van water in de bodem of onttrekking of irrigatieprojecten die in het Besluit MER ter implementatie van de MER-richtlijn als project zijn geduid. Dat het gebruik van het gras- en bouwland door het bemesten niet wijzigt lijkt de ABRvS niet van belang voor de vraag of de ingreep de materiële toestand van de plaats wijzigt. Door het in de bodem brengen van meststoffen wordt de grond bewerkt en worden voedingsstoffen in de bodem gebracht. Dat kan worden geduid als een wijziging van de materiële toestand van de plaats. (r.o. 8.16);
  • De omschrijving van het project-begrip in de MER-richtlijn biedt naar het oordeel van de ABRvS onvoldoende houvast om het op de bodem brengen van meststoffen als een project te duiden. Bij deze wijze van bemesting vindt geen grondbewerking plaats, zodat betwijfeld kan worden dat deze wijze van bemesting als een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu kan worden geduid. Maar vaststaat dat zowel het in als het op de bodem brengen van meststoffen kan significante gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden;
  • Prejudiciële vragen want:
    • Ruime uitleg project-begrip;
    • Mogelijk significante gevolgen;
    • Mogelijkheid die ABRvS ziet is dat activiteiten die niet vallen onder het project-begrip, wel een project kunnen zijn omdat de activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als de gevolgen van een activiteit relevant zijn voor de uitleg van het project-begrip in de HRL dan bestaat geen twijfel dat het op of in de bodem brengen van meststoffen als project kan worden geduid;
    • Leidt tot prejudiciële vraag 1.

Bemesten: één en hetzelfde project?

  • Als sprake is van een project, dan doet zich de vraag voor of het bemesten van gronden dat reeds rechtmatig plaatsvond voordat art. 6 HRL van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied en dat ook thans nog plaatsvindt, kan worden geduid als één enkele verrichting en mitsdien als één en hetzelfde project (verg. Stadt Papenburg-arrest HvJ): in dat geval zou het bemesten onder art. 6, lid 2, HRL vallen;
  • Bemesten valt onder art. 6, lid 2, HRL als het reeds rechtmatig plaatsvond voordat art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd en de huidige bemestingsactiviteiten kunnen worden beschouwd als één en hetzelfde project;
  • Er moet dan sprake zijn van een periodiek terugkerende activiteit die sinds jaar en dag plaatsvindt: dan is sprake van één en hetzelfde project (Kokkelvisserij en Stadt Papenburg);
  • Jurisprudentie HvJ EU maakt onvoldoende duidelijk of het bemesten dat plaatsvond voor art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd en dat ook thans nog plaatsvindt, als één enkele verrichting en daarmee als één en het zelfde project kan worden aangemerkt. Het bemesten van agrarische gronden door een agrarisch bedrijf was in NL voordat art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd, binnen de kaders van de mestregelgeving zonder meer toegestaan. Het bemesten van agrarische gronden door agrarische bedrijven vond ook feitelijk periodiek, op wisselende percelen en in wisselende hoeveelheden plaats. Wijzigingen van de mestregelgeving in de afgelopen jaren hebben ertoe geleid dat de normen voor de hoeveelheid uit te rijden mest zijn aangescherpt, dat voorwaarden zijn gesteld aan de periode waarin en de omstandigheden waaronder mest mag worden aangewend, en dat de toepassing van emissiearme technieken voor het aanwenden van de mest verplicht is voorgeschreven. Verdere aanpassingen van de mestregelgeving zijn voorzien.
  • De vraag of het bemesten als één enkele verrichting en mitsdien als één en hetzelfde project kan worden geduid is gerezen omdat het bemesten periodiek in wisselende hoeveelheden, op wisselende percelen en in de loop der jaren met wisselende technieken heeft plaatsgevonden. Voorts is de vraag gerezen of bij de beoordeling sprake is van één en hetzelfde project relevant is dat de emissie door het bemesten door de verlaging van de normen voor de hoeveelheid uit te rijden mest en de toepassing van emissiearme technieken mogelijk niet is toegenomen.
  • leidt tot prejudiciële vraag 2

Verhouding tot art. 6, lid 3, HRL (onderdeel G)

Uitzondering op de vergunningplicht

  • Als sprake is van een project dan ziet de ABRvS zich voor de vraag gesteld of art. 6, lid 3, HRL ruimte biedt voor het maken van een categorale uitzondering op de vergunningplicht van bepaalde projecten, waardoor deze zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat aan de regeling een passende beoordeling ten grondslag is gelegd;
  • Als ervan uitgegaan wordt dat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, uitbreiding en exploitatie van een veehouderij en daardoor als project moet worden beoordeeld en dat het op of in de bodem brengen van meststoffen een project is, dan strekt de uitzondering op de vergunningplicht ertoe dat projecten die significante gevolgen kunnen hebben zonder individuele toestemming zijn toegestaan.
    • Vraag ABRvS of art. 6, lid 3, HRL ruimte biedt voor een regeling die ertoe strekt dat voor een activiteit die onlosmakelijk samenhangt met een project geen individuele toestemming is vereist, ervan uitgaande dat voor de regeling een passende boordeling is gemaakt;
    • Vraag ABRvS of art. 6, lid 3, HRL ruimte biedt voor een regeling die ertoe strekt dat voor een bepaalde categorie van projecten geen individuele toestemming is vereist, ervan uitgaande dat voor de wettelijke regeling een passende beoordeling is gemaakt.
  • 6, lid 3, HRL laat lidstaten vrij in de keuze voor de instrumenten ter implementatie van de verplichtingen, zolang die instrumenten geschikt zijn om de richtlijnverplichtingen na te komen.
  • 6 lid 3, HRL sluit niet uit dat projecten worden uitgezonderd van de vergunningplicht, waardoor deze zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat de wettelijke regeling waarin de uitzondering op de vergunningplicht is voorzien waarborgt dat aan de verplichtingen van art. 6, lid 3, HRL wordt voldaan;
  • Situatie niet vergelijkbaar met andere uitspraak van 17/5/17 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. De uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die een bepaalde drempel- of grenswaarde niet overschrijden verschilt van de categorale uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen (r.o. 9.6):
    • De uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die de grenswaarde niet overschrijden is beperkt tot een bepaalde hoeveelheid depositie per hectare van een stikstofgevoelige natuurwaarde in een Natura 2000-gebied. De depositieruimte voor activiteiten die de grenswaarde niet overschrijden maakt onderdeel uit van de totale depositieruimte waarvoor in het PAS een passende beoordeling is gemaakt;
    • De categorale uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen betekent dat deze activiteiten ongeacht waar deze plaatsvinden en ongeacht de depositie die daardoor wordt veroorzaakt, zijn toegestaan.
  • De ABRvS leidt uit de in r.o. 9.7 genoemde Europese jurisprudentie af dat een wettelijke regeling op grond waarvan bepaalde categorieën van plannen of projecten zijn toegestaan zonder dat daaraan een beoordeling van de gevolgen van die plannen en projecten voor Natura 2000-gebieden had plaatsgevonden of zou plaatsvinden, niet aanvaardbaar is;
  • Een belangrijk verschil tussen de gevallen die in deze arresten aan de orde waren en de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen is dat, voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsverordeningen waarin de uitzondering op de vergunningplicht is opgenomen, een passende beoordeling is gemaakt van de gevolgen van het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden;
  • ABRvS acht het aannemelijk dat art. 6, lid 3, HRL zich niet verzet tegen een wettelijke regeling die een bepaalde categorie van activiteiten, zoals in dit geval het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, uitzondert van de vergunningplicht, ervan uitgaande dat de gevolgen daarvan voor de stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden voor de vaststelling van de wettelijke regeling passend zijn beoordeeld.
    • Echter, aan HvJ-jurisprudentie kan geen zekerheid worden ontleend;
    • Daarom prejudiciële vragen 3 en 3a

De passende beoordeling

  • Als art. 6, lid 3, HRL niet in de weg staat aan de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, rijst de vraag of bij de beoordeling van de gevolgen van de regeling op een juiste wijze toepassing is gegeven aan de rechtspraak van HvJ EU;
    • Uit deze rechtspraak volgt dat een wettelijke regeling die bepaalde categorieën van projecten uitsluit van een individuele beoordeling ‘systematisch en in alle gevallen dient te garanderen dat de betrokken activiteiten geen gevolgen hebben die significant zouden kunnen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen’
  • o. 10.1 beschrijft allerhande ontwikkelingen en maatregelen waardoor Gelderland en Limburg niet verwachten dat een toename van stikstofdepositie door het weiden van vee en het bemesten van gronden in de toekomst zal plaatsvinden;
  • Vraag ABRvS: of de passende beoordeling waarin is uitgegaan van de feitelijke en verwachte omvang en intensiteit van het weiden en bemesten en waarvan de uitkomst is dat ‘gemiddeld genomen een stijging van stikstofdepositie als gevolg van beweiding en bemesting op bestaande agrarische bedrijven kan worden uitgesloten’ en ‘gemiddeld genomen een verdere daling valt te voorzien’ toereikend is in het licht van de rechtspraak van het HvJ EU;
    • ABRvS sluit in dit concrete geval niet uit dat deze conclusie volstaat, omdat de uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen samenhangt met het PAS, waarin een integrale beoordeling van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, waaronder ook de stikstofdepositie als gevolg van het weiden van vee en het bemesten van gronden, ten grondslag ligt;
    • Echter: HvJ EU-rechtspraak en EU-recht zelf geven op dit punt onvoldoende zeker;
  • Daarom prejudiciële vraag 4.

Prejudiciële vragen 5 – 7a

  • Stelling MOB: de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS voldoet niet aan de eisen die art. 6, lid 3, HRL daaraan stelt. In de passende beoordeling van het PAS zijn de gevolgen van maatregelen en ontwikkelingen betrokken die zich nog moeten gaan manifesteren.
  • Overwegingen 10 – 10.38 van ECLI:NL:RVS:2017:1259 worden geacht hier ingelast te zijn. De aldaar geformuleerde prejudiciële vragen worden ook ten behoeve van deze procedure gesteld.

Verhouding tot art. 6, lid 2, HRL (onderdeel H)

  • Dit deel is alleen van belang als het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen onder het beschermingsregime van art. 6, lid 2, HRL vallen;
    • Dan moeten deze activiteiten dus kunnen worden beschouwd als andere handeling;
    • Daarvoor kent art. 2.7, lid 2 Wnb een vergunningplicht;
    • Ook art. 2.4 Wnb kan in dit geval worden gezien als een implementatie van art. 6, lid 2, HRL;
    • Vraag ABRvS: of de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen, ervan uitgaande dat dit de enige passende maatregel is waarmee ingegrepen kan worden in bestaande en toekomstige handelingen die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben, volstaat om te voldoen aan art. 6, lid 2, HRL.
  • Het weiden van vee kan onder art. 6, lid 2, HRL vallen als het weiden van vee gebeurt in samenhang met de exploitatie van een melkveehouderij waarvoor toestemming is verleend voordat art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd;
  • In het geval het op of in de bodem brengen van meststoffen niet als project moet worden geduid, of als het bemesten van gronden dat plaatsvond voordat art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied en dat thans ook nog plaatsvindt als één en hetzelfde project moet worden geduid, is art. 6, lid 2, HRL eveneens van toepassing op het bemesten van gronden;
    • Als deze 2 situaties zich voordoen, dan strekt de uitzondering op de vergunningplicht ertoe dat activiteiten die verslechterende gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zonder voorafgaande toestemming zijn toegestaan;
    • 6, lid 2, HRL lijkt hieraan niet in de weg te staan omdat het anders dan art. 6, lid 3, HRL geen systematische voorafgaande beoordeling vereist;
  • Vraag ABRvS: of de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen, ervan uitgaande dat dit de enige passende maatregel is waarmee ingegrepen kan worden in bestaande en toekomstige handelingen die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben, volstaat om te voldoen aan art. 6, lid 2, HRL. Daarbij is, gelet op het preventieve karakter van deze richtlijnbepaling van belang dat gewaarborgd moet zijn dat de bevoegde instantie in staat is tijdig toepassing te geven aan het instrument van het opleggen van verplichtingen;
  • o. 12.6 beschrijft het karakter van art. 6, lid 2, HRL;
  • ABRvS acht de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen die in art. 2.4 Wnb is opgenomen op voorhand geen ongeschikt instrument om uitvoering te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit art. 6, lid 2, HRL
    • parallel met ABRvS 30 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656 voor de gevallen dat het beweiden van vee als bestaande situatie kan worden beschouwd. Daarnaast betreft dit de situatie als het bemesten van gronden dat plaatsvond voordat art. 6, lid 3, HRL van toepassing werd en dat ook thans nog plaatsvindt als één en hetzelfde project moet worden beschouwd;
  • Mocht het op of in de bodem brengen van meststoffen geen project zijn dan heeft de uitzondering op de vergunningplicht voor deze activiteit ook betrekking op nieuwe situaties. Ook in deze situatie acht de ABRvS de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen op voorhand geen ongeschikt instrument;
  • ABRvS acht daarbij van belang dat het weiden van vee en het bemesten van gronden voorspelbare, periodieke activiteiten zijn. De bevoegde instanties weten waar welke agrarische bedrijven gevestigd zijn, wanneer het beweidings- en bemestingsseizoen aanvangt en weten hoeveel mest op of in de gronden mag worden gebracht. De bevoegde instantie dient zowel ten aanzien van de voorgenomen als bestaande handelingen verplichtingen op te leggen, indien dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, nodig is voor het Natura 2000-gebied. De aard van de activiteiten waarvoor het instrument van het opleggen van verplichtingen van toepassing is en de gegevens waarover de bevoegde instanties beschikken brengen naar het oordeel van de ABRvS mee dat de bevoegde instanties in staat moeten worden geacht tijdig toepassing te geven aan het instrument;
  • Wanneer de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen als enig instrument volstaat als implementatie van art. 6, lid 2, HRL dan betekent dit dat de uitzondering op de vergunningplicht voor andere handelingen die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben verenigbaar is met art. 6, lid 2, HRL
  • ABRvS acht het aannemelijk dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen niet in strijd met art. 6, lid 2, HRL omdat in de Wnb met de bevoegdheid tot het opleggen van verplichtingen is voorzien in een ander instrument waarmee voldaan kan worden aan de verplichtingen die uit art. 6, lid 2, HRL voortvloeien. EU-recht en HvJ EU-rechtspraak biedt echter geen zekerheid.
  • Aanleiding prejudiciële vraag 8

Verzoek om voorrang bij HvJ (deel I)

  • Zie voor redenen uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1259

Noodzaak tot vovo? (deel J)

  • Geen automatisme bij het stellen van prejudiciële vragen;
  • Geen aanleiding bij voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de behandeling van de verwijzingsuitspraak bij het HvJ, bij afweging van de betrokken belangen;
    • De deposities van het weiden van vee en het bemesten van gronden zijn in de uitgangssituatie (2014) van de passende beoordeling van het PAS opgenomen;
    • De ABRvS acht niet aannemelijk dat de stikstofdeposities als gevolg van het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, in de omvang, op de plaats en op de wijze waarmee in de uitgangssituatie van het PAS rekening is gehouden, uitgaande van de uitvoering van de bron- en herstelmaatregelen zoals in het PAS voorzien, onomkeerbare gevolgen zal hebben;
    • Als door een intensivering van het weiden en bemesten of door het weiden of door het weiden op en het bemesten van gronden waar dat eerder niet plaatsvond lokaal een verslechtering dreigt van de stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden, dient het bevoegd gezag op grond van art. 2.4 Wnb een verplichting op te leggen. Belanghebbenden kunnen het bevoegd gezag verzoeken toepassing te geven aan art. 2.4 Wnb;
    • Onder deze omstandigheden bestaat bij de ABRvS niet de verwachting dat het niet treffen van een voorlopige voorziening zal leiden tot onomkeerbare gevolgen.

[i] NB: Deze samenvatting moet beschouwd worden als een hulpmiddel bij het lezen van de uitspraak van de ABRvS. Inherent aan een samenvatting is dat hiermee een interpretatie wordt gegeven van de belangrijke onderdelen van de uitspraak. ENVIR Advocaten is niet aansprakelijk voor schade welke kan ontstaan als gevolg van onjuiste of incomplete informatie in deze samenvatting.


Gerelateerd

Het PAS-arrest gaat niet alleen over stikstof!
Op 7 november jl. beantwoordde het Hof van Justitie (HvJ) de vragen die door de…
PAS-uitspraak – interview Marieke Kaajan door NOS
Vandaag heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (ECLI:EU:C:2018:882). De…
Interview Marieke Kaajan over de PAS bij NPO 1
Op 7 november a.s. zal het Hof van Justitie zich uitspreken over de houdbaarheid van…
Beperking belanghebbendheid bij Wnb-ontheffing (soorten)
In de uitspraak van 24 januari 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van…
Effectbeoordeling stikstof op Vlaamse Natura 2000-gebieden via Vlaamse systematiek
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRVS”) d.d. 16 april…
ENVIR succesvol voor Windpark Wieringermeer bij beroep tegen Wnb-ontheffing
In de aan Windpark Wieringermeer verleende Wnb-ontheffing voor trekvogels was een omvangrijke monitoringsverplichting ten aanzien…
Voortzetten procedures ondanks prejudiciële vragen PAS
Op 17 mei jl. stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’) prejudiciële…
Natuurbeschermingsrecht – editie 2017
Recent verschenen: het boek Natuurbeschermingsrecht. Marieke Kaajan schreef het boek samen met prof. dr. Ch.W….
Samenvatting PAS-uitspraak vergunningen
Lukt het maar niet om de tijd te vinden om de PAS-uitspraken van 17 mei…
Presentaties van Praktijkcongres Natuur in de gemeente beschikbaar
Donderdag 18 mei jl. was ENVIR Advocaten aanwezig op het Praktijkcongres natuur in de gemeente. Een…
Marieke Kaajan spreker op twee VMR-bijeenkomsten
Alles weten over de actualiteiten op het gebied van het natuurbeschermingsrecht? Kom dan naar de VMR…
Aan de slag met de natuurwet!
Het is bijna zover: op 1 januari a.s. treedt de Wet natuurbescherming in werking. ENVIR…
Aanvullingswet Natuur in de Omgevingswet
Tot 21 januari a.s. kan gereageerd worden op de Aanvullingswet Natuur in de Omgevingswet. In…
Daar zijn ze: Besluit natuurbescherming en Regeling natuurbescherming
Vandaag verscheen in het Staatsblad het Besluit natuurbescherming en in de Staatscourant de Regeling natuurbescherming. En de…
Voorwaardelijk ontheffing Ffw is mogelijk
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overweegt in een uitspraak van 5…
Informatiemiddag Wet natuurbescherming: 3 november 2016
Op 3 november a.s. organiseert ENVIR Advocaten met Bureau Waardenburg een informatiemiddag over de Wet…
Het arrest Orleans; bom onder de PAS?
Op 21 juli 2016 heeft het HvJ EU het begrip “compenserende maatregelen” verruimd – met…
Onderzoek naar maatregelen tegen meeuwenoverlast door ABRvS toegestaan
Fleur Onrust van ENVIR Advocaten trad op voor de gemeenten Alkmaar, Haarlem en Leiden in…
Wind op zee en land: wat staat er op korte termijn op de agenda?
Het realiseren van wind op land en op zee leidt van oudsher al tot een…
Natuur op NWEA Winddagen
Kom naar de bijeenkomst op 15 juni a.s. op de NWEA Winddagen over natuurwetgeving, en…
Nbw-vergunning voor 182 strandhuisjes blijft in stand
Bij uitspraak van 18 mei 2016 heeft de ABRvS de Nbw-vergunning voor 182 strandhuisjes aan…
Geen aanhaakverplichting bij Wet natuurbescherming
Goed nieuws: in afwijking van de Wet natuurbescherming wordt nu voorgesteld om de aanhaakverplichting niet…
Windpark Wieringermeer mag worden aangelegd
Met twee uitspraken op 4 mei 2016 concludeerde de ABRvS dat Windpark Wieringermeer magen kan…
Natuurbeschermingsrecht: Fitness check en Guidance Documents – Kamerbrief over de Vogel- en Habitatrichtlijn
Bij brief van 21 maart 2015 bericht de staatssecretaris van EZ de kamer over een…
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van de PAS?
10 maart jl. sprak Marieke Kaajan op het eerste VBR-seminar over de rol van de…
Salderen bij Flora en faunawet-ontheffing toegestaan?!
Op 24 februari 2016 heeft de ABRvS een belangrijke uitspraak gedaan over de mogelijkheid om…
Ook voor dieren op de landelijke vrijstellingslijst moet worden voldaan aan artikel 65 Ffw
Dieren die op de landelijke vrijstellingslijst staan mogen niet zonder meer worden afgeschoten. Bij het verlenen van…
De Wet natuurbescherming komt er (eindelijk) aan: wees op de hoogte!
Eind 2015 is de Wet natuurbescherming definitief aangenomen. Bent u nog niet (helemaal) op de…
Alles weten over de PAS?
Lees dan hier het digitaal magazine, met een bijdrage van Marieke Kaajan.
Praktische handvatten voor gemeenten bij Wet natuurbescherming
ENVIR schreef mee aan het magazine “Natuur in de Gemeente”. Klik hier voor het magazine.
Bevestiging PAS-melding geen besluit: dan maar een handhavingsverzoek?!
Op 6 november jl. concludeerde de ABRvS dat de bevestiging van een PAS-melding geen besluit…
Bij wie moet sinds 1 juli 2015 een Nbw-vergunning worden aangevraagd?
Art. 19d Nbw bepaalt dat een Nbw-vergunning wordt verleend door GS, tenzij op grond van…
Nbw-vergunning centrale Eemshaven: mitigatie van stikstof-effecten is toch mogelijk
De uitspraak van 9 september jl. voegt weer een hoofdstuk toe aan de discussie over…
Stikstof en bestemmingsplannen; one down more to come?!
In de uitspraak van 19 augustus 2015 vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van…
Tracébesluit Eemshaven: stikstofjurisprudentie samengevat
De uitspraak van 5 augustus jl. biedt een mooie samenvatting van de stikstofjurisprudentie van de…
Recente ontwikkelingen Natuurbeschermingswet
Er zijn veel ontwikkelingen gaande op het gebied van de Nbw. Kijk hier voor een…
Marieke Kaajan spreker op NWEA Winddag
Op 12 juni a.s. spreekt Marieke Kaajan op de NWEA Winddag 2015 over “Natuuwetgeving en…
De PAS nieuwe risico’s voor agrarische activiteiten
In het tijdschrift ” Vee en gewas” verscheen een artikel van Marieke Kaajan over de…
Marieke Kaajan spreker op de VMR Actualiteitendag 2015
Marieke Kaajan was wederom als spreker uitgenodigd op de VMR Actualiteitendag donderdag 19 maart jl….
Artikel Volkskrant over procedure bij de Raad van State
Marieke Kaajan wordt als natuurbeschermingswet deskundige geciteerd in de Volkskrant. Uit de Volkskrant 24 februari…
Baanbrekende uitspraak voor Nbw- en Ffw-zaken
Het 1%- of ORNIS-criterium kan nu ook bij diersoorten worden toegepast. Het verkrijgen van toestemming…
Programma Aanpak Stikstof is rem op de economische ontwikkeling
Uiterlijk 20 februari kan iedereen een zienswijze indienen tegen het PAS. Er is alle reden…
Bestemmingsplan, EHS en Flora en faunawet
Zorg dat de aanwijzingen uit een onderzoeksrapport (Ffw) dat aan een bestemmingsplan ten grondslag wordt…
Tracébesluit A2 blijft in stand – interessante Nbw uitspraak
Er gingen vele jaren van procederen en zelf prejudiciële vragen aan vooraf, maar de Afdeling…
Bestemmingsplan en stikstof; gaat het ooit nog goed?
Bestemmingsplannen met activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken leveren de praktijk veel hoofdbrekens op. In de uitspraak…
Advies Raad van State wetsvoorstel Windenergie op zee
Op 20 oktober jl. heeft de Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel over…
Grenswaarden met de PAS: oplossing of nieuwe problemen?
Op 7 oktober jl. heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel PAS tot wijziging…
Recht.nl
Op recht.nl verscheen vandaag een notificatie van het artikel van Fleur Onrust en A. Drahmann over…
Interessante uitspraak over dwingende redenen – natuurbeschermingswet
Op 13 augustus 2014 heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van…