Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer

Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13

Essentie

Het standpunt van het bevoegd gezag dat geen MER voor de winning van oppervlaktedelfstoffen (als bedoeld in onderdeel C, categorie 16.1 van de bijlage bij het Besluit mer) behoefde te worden gemaakt, omdat de ontgronding natuurontwikkeling tot doel heeft, volgt de Afdeling niet. Uit categorie 16.1 noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat voor het antwoord op de vraag of een MER moet worden gemaakt het doel van de activiteit van belang is.

Samenvatting

In onderdeel C, categorie 16.1, van de bijlage bij het Besluit mer is onder meer als activiteit aangewezen de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem in het geval de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer. In kolom 4 is als m.e.r.-plichtig besluit aangewezen een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet.

In het bestreden besluit is een ontgronding van 53,4 hectare vergund. Binnen deze oppervlakte zal het maaiveld maximaal 40 cm worden afgegraven. Hierbij komt ongeveer 100.000 m3 grond vrij die zal worden afgevoerd. Vast staat dat hoewel de drempelwaarde van onderdeel C, categorie 16.1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is overschreden, er geen MER is gemaakt.

In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant zich op het standpunt gesteld dat ondanks de overschrijding van de drempelwaarde geen MER behoefde te worden gemaakt, omdat de ontgronding natuurontwikkeling tot doel heeft. De Afdeling volgt dit standpunt niet. Daartoe overweegt de Afdeling dat uit voormeld onderdeel van de bijlage bij het Besluit m.e.r. noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat voor het antwoord op de vraag of een MER moet worden gemaakt het doel van de activiteit van belang is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de strekking van het Besluit m.e.r., namelijk het in kaart brengen van eventuele aanzienlijke milieugevolgen van een activiteit, zich niet verdraagt met het door het college bepleite standpunt dat het oogmerk van de activiteit van doorslaggevend belang zou zijn.

De conclusie is dat voorafgaand aan de aanvraag een MER had moeten worden gemaakt. Nu deze niet is gemaakt en evenmin een afschrift is overgelegd van een ontheffing om een MER te maken, had het college de aanvraag buiten behandeling moeten laten. Door een inhoudelijke beslissing te nemen op de aanvraag, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 7.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Uitspraak

ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van voormalige landbouwpercelen in eigendom van Staatsbosbeheer ten behoeve van herstel van natuurwaarden, GS Noord-Brabant

Annotatie J. Gundelach

1. In deze uitspraak staat de vraag centraal of een ontgronding met als doel natuurontwikkeling onder de winning van oppervlaktedelfstoffen als bedoeld in categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer moet worden begrepen. Het antwoord op deze vraag is volgens de Afdeling een duidelijk ja. Het antwoord is voor haar zo evident dat zij op de voet van artikel 8:67 Awb heeft gekozen voor een onmiddellijke mondelinge uitspraak na de zitting. Zij motiveert haar oordeel door te stellen dat uit categorie 16.1 noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat voor het antwoord op de vraag of een MER moet worden gemaakt het doel van de activiteit van belang is.

2. Zo evident als de Afdeling het doet voorkomen, is dit vraagstuk mijns inziens niet. In zowel de totstandkomingsgeschiedenis van categorie 16.1 als in eerdere jurisprudentie van de Afdeling zijn aanknopingspunten te vinden voor een andere benadering, te weten de benadering dat alleen een primaire ontgronding en niet een secundaire ontgronding onder deze categorie wordt begrepen. In kolom 1 van categorie 16.1 wordt immers niet gesproken van “ontgronding” of “ontgronden”, waardoor zonneklaar zou zijn dat iedere ontgronding onder deze categorie zou zijn begrepen, maar van “winning van oppervlaktedelfstoffen”. De hamvraag is dan ook wat onder de “winning van oppervlaktedelfstoffen” moet worden begrepen. Met een primaire ontgronding doel ik overigens op een ontgronding die is gericht op de winning van oppervlaktedelfstoffen. Met een secundaire ontgronding doel ik op een ontgronding die niet is gericht op de winning van oppervlaktedelfstoffen, maar waarbij wel oppervlaktedelfstoffen vrijkomen.

3. Het begrip “winning van oppervlaktedelfstoffen” maakt al enige tijd deel uit van het Besluit mer en de voorganger daarvan, het Besluit m.e.r. 1994. Onder “oppervlaktedelfstof” wordt in Onderdeel A van de bijlage bij het Besluit mer verstaan “een delfstof die voorkomt in de bodem en die kan worden gewonnen zonder ondergrondse mijnbouw.” In de nota’s van toelichting behorende bij het Besluit mer respectievelijk de voorganger het Besluit m.e.r. 1994 (Staatsblad 1994, 540 en Staatsblad 1999, 224, p. 55) wordt hierover opgemerkt: “Zand, klei, leem, grind, schelpen, mergel en kalksteen zijn oppervlaktedelfstoffen die met behulp van ontgrondingen, al dan niet onder het wateroppervlak worden gewonnen.” Anders dan “oppervlaktedelfstof” is “winning” niet in de begripsbepalingen van Onderdeel A gedefinieerd. In de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Besluit mer (Stb. 2011, 102, p. 53) per 1 april 2011, welk besluit heeft geleid tot de huidige categorie 16.1, is verder geen inhoudelijke toelichting op dit begrip gegeven. Overigens blijkt uit de aldaar gegeven toelichting niet dat opeens een andere invulling van het begrip “winning van oppervlaktedelfstoffen” is beoogd dan daarvoor. In een eerdere nota van toelichting (Stb. 1999, 244, p. 55) werd over de (toen nog bestaande) categorieën C 16.1 tot en met C 16.4 opgemerkt: “Het doel van de ontgronding dient oppervlaktedelfstoffenwinning te zijn. Alleen de grootschalige oppervlaktedelfstoffenwinning is m.e.r.-plichtig gemaakt door voor een drempel van 100 hectare te kiezen.” Uit deze nota kan worden afgeleid dat de regering destijds het oogmerk van de ontgronding nadrukkelijk wel van belang heeft geacht voor de bepaling of een ontgronding onder de categorieën C 16.1 tot en met 16.4 kon worden begrepen. Nu kan uit de m.e.r.-jurisprudentie van de Afdeling worden afgeleid dat de Afdeling de inhoud nota van toelichting bij het Besluit mer (of het Besluit m.e.r. 1994) niet altijd van belang acht bij de uitleg van een categorie. Desalniettemin wekt de Afdeling in eerdere jurisprudentie op zijn minst de suggestie dat een secundaire ontgronding niet (altijd) onder de “winning van oppervlaktedelfstoffen” wordt begrepen.

4. Zo kan worden gewezen op de uitspraak van de ABRvS 13 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR3805. Deze uitspraak zag op een ontgrondingsvergunning voor een terrein van 31,86 ha. Met de vergunning verleend aan Staatsbosbeheer werd het afplaggen van de aanwezige humuslaag ter dikte van 10 cm mogelijk gemaakt. Door een appellant was gesteld dat ten onrechte geen MER was opgesteld gelet op categorie 16.1 van Onderdeel C. De Afdeling overwoog dienaangaande: “De ontgronding ziet niet op de winning van oppervlaktedelfstoffen en de ontgronding ziet bovendien niet op een op een gebied van 100 ha of meer. Dat de ontgronding deel uitmaakt van de herinrichting van een gebied van 175 ha, zoals appellanten stellen, betekent niet dat wordt voldaan aan de voorwaarden die in het Besluit m.e.r. worden genoemd voor het verplicht zijn van een MER.” De uitspraak maakt niet duidelijk waarom de Afdeling tot de conclusie kwam dat geen sprake was van winning van oppervlaktedelfstoffen. Wellicht was dat omdat humus niet geschikt is om “hergebruikt” te kunnen worden en naar zijn aard dus niet kan hebben te gelden als oppervlaktedelfstof. Anderzijds is niet uit te sluiten dat de Afdeling gewicht toekende aan de intentie waarmee de humus zou worden verwijderd. In het betreffende bestemmingsplan was aan het ontgrondingsterrein de bestemming “bosgebied” toegekend. Met het verwijderen van de humuslaag werd beoogd het terrein deels te ontwikkelen tot heidegebied en deels tot bosgebied.

5. In de uitspraak van 13 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9264, over een ontgrondingsvergunning verleend aan de raad van het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost oordeelde de Afdeling dat ontgrondingswerkzaamheden, inhoudende het afgraven van een 3,5 meter hoog dreeflichaam geen activiteit is “waarvoor ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met Onderdeel C van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapport moet worden gemaakt.” Alhoewel een motivering hiervoor in de uitspraak ontbreekt, is het denkbaar dat de Afdeling kennelijk van oordeel is dat geen sprake is van “winning van oppervlaktedelfstoffen”.

6. Op 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8445, oordeelde de Afdeling over een vergunde ontgronding die onderdeel uitmaakte van de Integrale Gebiedsuitwerking Heukelomsebeek (IGU). Door de voorgenomen peilopzet van de Maas zouden stroken landbouwgrond vernatten waardoor de mogelijkheden voor agrarisch gebruik afnamen. Dit nadeel werd ondervangen door het aankopen en inrichten van een ongeveer 100 meter brede strook langs de Maas. Om ter plaatse spontane natuur te (laten) ontwikkelen was het noodzakelijk om de voedselrijke bouwvoor ervan te verwijderen. Door een appellant was betoogd dat ten onrechte geen MER was opgesteld. Zij meende dat de ontwikkeling en ontgronding van de gronden in het kader van de IGU was opgeknipt in deelprojecten en dat vanwege de duidelijke samenhang tussen de deelprojecten sprake was van een project als bedoeld in categorie 16.1 van Onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De Afdeling ziet zich vanwege de beroepsgrond genoodzaakt om te oordelen over zowel de vergunningplichtige als de vergunningvrije ontgrondingen in het kader van het project. Over deze vergunningvrije ontgrondingen oordeelde de Afdeling “In paragraaf 7.2 van de Wet milieubeheer zijn regels opgenomen met betrekking tot plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een MER verplicht is. De voorziene vergunningvrije ontgrondingen zien op de aanleg van vennen en niet op de winning van delfstoffen als bedoeld in categorie 16.1 van onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.”. Hiermee suggereert de Afdeling dat er vormen van ontgrondingen denkbaar zijn die niet zijn begrepen onder de “winning van oppervlaktedelfstoffen” uit categorie 16.1.

7. De ABRS-uitspraak van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1267, JM 2014, 78, ziet op een ontgrondingvergunning verleend aan de Dienst Landelijk Gebied voor het afgraven van een door agrarisch gebruik verrijkte bovengrond tussen 30 en 90 cm diep over een oppervlakte van 2,25 hectare. Het doel van deze ontgronding is natuurontwikkeling. Een appellante had betoogd dat een m.e.r.-procedure had moeten worden doorlopen, of althans tenminste een m.e.r.-beoordelingsprocedure dan wel een vormvrije m.e.r. had moeten worden uitgevoerd. De Afdeling oordeelde: “De bestreden ontgrondingsvergunning heeft niet ten doel de winning van oppervlaktedelfstoffen, maar natuurontwikkeling. Het terreinoppervlak blijft aanzienlijk onder de in het Besluit m.e.r. opgenomen criteria. Voorts is er geen aanleiding om te oordelen dat niettemin, gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b. van het Besluit m.e.r., een m.e.r.-beoordelingsprocedure had moeten worden doorlopen.” Deze uitspraak lijkt te hinken op twee gedachten. Enerzijds suggereert de Afdeling in haar uitspraak dat een ontgronding ten behoeve van natuurontwikkeling niet als de winning van delfstoffen moet worden gekwalificeerd en dat om die reden categorie C16.1 respectievelijk categorie D16.2 niet aan de orde is. Anderzijds wekt de Afdeling de suggestie door in te gaan op de vormvrije m.e.r.-beoordeling dat deze categorieën misschien wel aan de orde zouden kunnen zijn.

8. Bovenstaande jurisprudentie maakt één ding wel duidelijk. Zo helder als de Afdeling nu lijkt te zijn met haar mondelinge uitspraak van 15 november 2016, zo duidelijk was zij eerder niet. Overigens valt de Afdelingsuitspraak van 15 november 2016 goed te billijken gelet op de communautaire context, in het bijzonder vanwege het brede doel en de ruime strekking van de m.e.r.-richtlijn. Voor de beoordeling van de milieueffecten van de ontgronding maakt de intentie van de ontgronder immers niet uit; de milieueffecten van een primaire ontgronding kunnen dezelfde zijn als de milieueffecten van een secundaire ontgronding. Categorie 16.1 is bedoeld ter implementatie van de in bijlage I van de m.e.r.-richtlijn opgenomen activiteit “steengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare”. Voorheen was in de m.e.r.-richtlijn de activiteit “winning van niet-metallische en niet-energetische delfstoffen zoals marmer, zand, grint, schist, zout, fosfaten, kaliumcarbonaat” opgenomen. Het begrip “winning” was in de m.e.r.-richtlijn niet uitgelegd. In het arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2008 (C-215/06) zijn evenwel sterke indicaties te vinden voor de stelling dat deze activiteit ook aan de orde kan zijn, als er sprake is van een secundaire ontgronding. In dit arrest was aan de orde of Ierland zijn verplichtingen uit de m.e.r.-richtlijn niet was nagekomen met betrekking tot de door Ierland voorgenomen aanleg van een windturbinepark. Daarbij was ook de vraag aan de orde of voor bepaalde bijkomende activiteiten een milieueffectbeoordeling noodzakelijk was. Het Hof van Justitie oordeelde (onder de punt 102 en 103) dat de geplande winning van turf en delfstoffen en wegenaanleg wat hun omvang betreft in vergelijking met de totale oppervlakte van het project van het windturbinepark dat 200 ha veengebied besloeg en het grootste project van dit type in Ierland was, niet onbelangrijk waren en voorts onmisbaar waren voor zowel de installatie van de turbines als het verloop van alle bouwwerkzaamheden. Eveneens is van belang dat deze werkzaamheden werden uitgevoerd op de helling van de berg Cashlaundrumlahan, waar turf tot op 5,5 meter diepte te vinden en die hoofdzakelijk is bedekt met bos. De locatie en de omvang van de geplande winning van turf en delfstoffen en wegenaanleg alsmede de nabijheid van een rivier bij de locatie concrete kenmerken vormen, tonen aan dat deze projecten, die niet kunnen worden gescheiden van de installatie van 23 windturbines, moesten worden geacht aanzienlijke milieueffecten te kunnen hebben. Deze projecten moesten dus volgens het Hof van Justitie op hun milieueffecten worden beoordeeld.

9. Tot slot merk ik nog op dat ik het eens ben met de stelling van de Afdeling dat er geen wettelijke bepaling is waaruit volgt dat voor het antwoord op de vraag of een MER moet worden gemaakt het doel van de activiteit van belang is. Niettemin blijkt uit eerdere Afdelingsjurisprudentie over andere m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten dat de Afdeling soms weldegelijk betekenis toekent aan het doel van de activiteit en hetgeen over dat doel in een nota van toelichting bij het Besluit mer of het Besluit m.e.r. 1994 is vermeld. Zo was in het oude Besluit m.e.r. 1994 in kolom 1 van categorie C15.3 de activiteit “de aanleg van een waterbekken of een stuwdam” opgenomen. Over de activiteit was in een nota van toelichting (Stb. 1994, 540, p. 66) vermeld dat ten behoeve van de drink- en industriewatervoorziening waterbekkens voor voorraadvorming worden aangelegd, welke activiteit onder bepaalde voorwaarden m.e.r.-plichtig is. In de uitspraak van 7 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1090, Gst. 2008, 97, JM 2008, 75, ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of waterberging ter voorkoming van overstromingen bij hoogwaterstanden onder de aanleg van een “waterbekken” kon worden begrepen. De Afdeling oordeelde dat nu de waterberging niet ziet op voorraadvorming ten behoeve van drink- en industriewater categorie C15.3 niet aan de orde was. In de uitspraak van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013, 116, JAF 2013, 307, oordeelde de Afdeling over de vraag of in plastic zakjes en bakjes verpakte garnalen en schaaldieren onder “het vervaardigen van conserven van dierlijke en plantaardige producten” als bedoeld in categorie D35 onder c kon worden begrepen. Volgens de nota van toelichting wordt onder “conservenindustrie” in de zin van deze categorie “het produceren van dierlijke en plantaardige producten in glas en blik” verstaan. De Afdeling overweegt dat de producten niet in glas of blik, maar in uit kunststof folie bestaande zakjes, bakjes en bakken worden verpakt. Het conserveren van producten vindt plaats door toevoeging van conserveermiddel. De producten worden niet verhit. Het productieproces is niet gericht op een langdurige houdbaarheid maar op consumptie binnen 15 tot 40 dagen. Dit alles maakt dat categorie D 35 niet aan de orde is. De Afdeling lijkt waarde te hechten aan het doel van de producten en het bijbehorende productieproces om tot de conclusie te komen dat van “conserven van dierlijke en plantaardige producten” geen sprake is. De aspecten die de Afdeling betrekt, liggen overigens niet zonder meer voor de hand, nu het voor de te verwachten milieueffecten bijvoorbeeld weinig uitmaakt hoe lang de houdbaarheid van een product is. Vorenstaande jurisprudentie illustreert in ieder geval dat het oogmerk van de activiteit van belang kan zijn voor de bepaling of een besluit-m.e.r.-(beoordelingplichtige) activiteit uit kolom 1 van de onderdelen C of D van de bijlage bij het Besluit mer aan de orde is.


Gerelateerd

Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie MA.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9