ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 18-11-2018

Prejudiciële vragen PAS: conclusie van de A-G

Marieke schreef een noot bij HvJ EU (A-G) 22 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 in M en R 2018/114.

1.
Daar is ‘ie dan eindelijk, de conclusie van de A-G inzake de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof
(“PAS”) die de ABRvS met de uitspraken van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259 en ECLI:NL:RVS:2017:1260) stelde.
De prejudiciële vragen betreffen, samengevat, de vraag (i) of de systematiek van het PAS verenigbaar is met de
Habitatrichtlijn; (ii) of het PAS ten grondslag kan worden gelegd aan de uitzondering voor de vergunningplicht voor alle
activiteiten met een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die kleiner is dan 0,05 mol/ha/jr en voor het weiden van vee
en het bemesten van gronden (zonder een maximaal toegestane toename van stikstofdepositie); en (iii) de vraag of een
generieke passende beoordeling kan worden benut ter onderbouwing van (afzonderlijke) projecten met significant negatieve
effecten op Natura 2000-gebieden. Ook komt de kwalificatie van de PAS-maatregelen in de vragen aan de orde, alsmede
de vraag naar de timing van de positieve effecten van de PAS-maatregelen in relatie tot de verlening van vergunningen. Ten
slotte betreft één van de gestelde prejudiciële vragen materieel de uitleg van het projectbegrip in de Habitatrichtlijn.

2.
In de verwijzingsuitspraken laat de ABRvS doorschemeren het waarschijnlijk te achten dat een systeem als het PAS
verenigbaar is met de Habitatrichtlijn, maar dat de ABRvS zekerheid op dat punt wenst te krijgen. De conclusie van de A-G
laat zien dat ook de A-G meent dat de Habitatrichtlijn het niet verbiedt c.q. onmogelijk maakt om een programma als het
PAS op te stellen en om een dergelijk programma ten grondslag te leggen aan het verlenen van toestemming voor
individuele projecten. De A-G maakt echter duidelijk dat de lat voor een dergelijk programma erg hoog ligt en dat het PAS
nog op de nodige punten verbeterd moet worden. De uitgangspunten die de A-G daarbij hanteert zijn mogelijk ook relevant
voor het verlenen van een individueel project in een situatie dat een Natura 2000-gebied al een te hoge stikstofbelasting
kent. Ik kom hier later in de noot nog op terug. Het is verder de vraag of het in de praktijk mogelijk zal zijn om de door de AG
noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren.

3.
Het voert te ver om in deze noot alle relevante aspecten van de conclusie van de A-G te bespreken (zie voor een meer
uitgebreide bespreking van het arrest R.H.W. Frins, ‘De ADC-toets als reddingsvest voor het PAS? Enkele opmerkingen
naar aanleiding van de Conclusie van Advocaat-Generaal Kokott’, TBR 2018/119), nog los van het feit dat uiteindelijk het op
de conclusie volgende arrest van het HvJ bepalend zal zijn voor de toekomst van het PAS. In deze noot bespreek ik een
aantal opvallende aspecten van de conclusie.

Mogelijkheid programmatische aanpak, of noodzaak?

4.
De inleiding van de conclusie bevatte al de ‘spoiler’ dat een programmatische aanpak als het PAS op zichzelf verenigbaar te
achten is met art. 6, lid 3 en lid 4, Habitatrichtlijn. Weliswaar overweegt de A-G (r.o. 40) eerst dat art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn
“idealiter” een individuele beoordeling van plannen en projecten beoogt om vervolgens te stellen dat het “in beginsel [moet]
worden toegejuicht” dat de passende beoordeling van potentiële stikstofdeposities wordt gecoördineerd met behulp van een
“centraal planningsinstrument waarin is vastgelegd welke hoeveelheid stikstof per beschermingszone kan worden
gedeponeerd”. Dit laatste baseert de A-G op de vaststelling dat de aantasting van Natura 2000-gebieden door
stikstofdepositie het gevolg is van de uitstoot vanuit een groot aantal verschillende bronnen, die bij de (cumulatieve)
beoordeling van de mogelijke gevolgen van een plan of project voor een Natura 2000-gebied moeten worden betrokken.
Zonder een integrale beoordeling zou deze beoordeling van cumulatieve gevolgen, aldus de A-G, zeer foutgevoelig zijn,
omdat het risico zich voor zou doen dat bij ieder afzonderlijk nieuw project niet alle relevante bronnen zouden worden
betrokken. Dit laatste risico doet zich, aldus de A-G, met name voor bij individuele beoordelingen die gelijktijdig
plaatsvinden. Juist hierdoor, zo stelt de A-G, is een integrale beoordeling van alle deposities van stikstof in de betrokken
Natura 2000-gebieden niet alleen een geschikt, “maar ook een noodzakelijk instrument” om te toetsen of bepaalde
stikstofbronnen verenigbaar zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

5.
Op zichzelf kan ik de A-G volgen in de redenering dat de effecten vanwege stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in
de regel worden veroorzaakt door diverse verschillende bronnen gezamenlijk en dat juist daardoor een goed inzicht in deze
diverse bronnen noodzakelijk is om een goede effectbeoordeling voor een individueel project te kunnen verrichten. Ik zie
echter niet waarom hiervoor een integrale beoordeling nodig is. Aan deze door de A-G opgeworpen randvoorwaarden zou
immers ook eenvoudigweg tegemoet kunnen worden gekomen door het hanteren van een goed rekenmodel – zoals
AERIUS Calculator bijvoorbeeld – waarmee een actueel overzicht bestaat van alle stikstofdepositie op een Natura 2000-
gebied en kunnen de effecten van een voorgenomen individueel plan of project worden beoordeeld. Het één is niet
noodzakelijkerwijs verbonden met het ander. Ook zonder een programmatische aanpak wordt m.i. aan deze uitgangspunten
voldaan. Aan de andere kant: deze redenering van de A-G kan beter worden gevolgd als aandacht wordt geschonken aan
de randvoorwaarden die de A-G vervolgens formuleert voor een programmatische aanpak, waarbij met name de relevantie
van het hanteren van grenswaarden (al dan niet gebaseerd op de zogeheten kritische depositiewaarden die voor
afzonderlijke habitattypes zijn geformuleerd) het hanteren van een integrale beoordeling noodzakelijk maakt. Ik kom hier
nog op terug.

Randvoorwaarden programmatische aanpak

6.
De conclusie van de A-G biedt geen nieuwe inzichten in de algemene randvoorwaarden waaraan een programmatische
aanpak moet voldoen. Kort gezegd komt het erop neer dat, net als bij een individueel project of plan, bij een
‘programmatische totaalbeoordeling’ elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de uitkomst moet worden uitgesloten. In
dat kader somt de A-G eerst een aantal algemene aspecten op die in deze totaalbeoordeling meegenomen moeten worden
(de hoeveelheid stikstof die door de individuele projecten vrijkomt, en het percentage van deze stikstof dat de
stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden bereikt). Ook wordt duidelijk dat voor ‘elk oppervlakte’ in een Natura
2000-gebied waar zich stikstofgevoelige habitats bevinden, moet worden bepaald hoeveel stikstof door het individuele
project maximaal wordt afgezet. Wat de omvang van dit ‘oppervlakte’ moet zijn, hangt – aldus de A-G – af van de mate
waarin deposities van oppervlakte tot oppervlakte kunnen verschillen. Hierin zou kunnen worden gelezen dat de
systematiek van AERIUS, waarbij per hexagoon wordt beoordeeld welke toename van stikstofdepositie als gevolg van een
voorgenomen initiatief plaatsvindt, aanvaardbaar is, mits dit hexagoon maar de depositie van dit initiatief binnen een
hexagoon maar hetzelfde is. In de totaalbeoordeling moet verder de totale stikstofbelasting door bestaande activiteiten
worden bepaald. Daarbij moeten alle stikstofbronnen worden betrokken. Dat klinkt allemaal op zich heel logisch; de voor de
praktijk relevante vraag is of dit ook mogelijk is. Een aanzienlijk deel van de stikstofdepositie op Nederlandse Natura 2000-
gebieden is immers het gevolg van buitenlandse bronnen. Wellicht biedt voor deze bronnen een uitkomst dat de A-G
aangeeft dat uitgegaan mag worden van geschatte waarden, mits deze – samengevat – voldoende reëel zijn en niet te
positief zijn?

7.
Maar dan komt een randvoorwaarde die ook los van de houdbaarheid van het PAS relevant kan zijn: de vaststelling van de
totale toegestane hoeveelheid stikstofdepositie voor de voor stikstofgevoelige habitats (r.o. 56 e.v.) in een al overbelaste
situatie. Via de eis dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied optreedt (en dus via art.
6, lid 3, Habitatrichtlijn toestemming kan worden verleend voor een nieuw project of plan) indien dat gebied in een gunstige
staat van instandhouding wordt behouden, stelt de A-G dat het niet de bedoeling kan zijn om het bestaande (hoge) niveau
van stikstofbelasting te handhaven of daar (iets) onder te komen. Integendeel, de stikstofbelasting dient zo ver te worden
verminderd dat op lange termijn een gunstige staat van instandhouding kan worden bereikt. Dit kan, zo volgt uit de
conclusie, door het vaststellen van grenswaarden – zoals de kritische depositiewaarden (‘kdw’s’) die in de praktijk al worden
gebruikt of andere wetenschappelijk onderbouwde grenswaarden – en deze grenswaarden te hanteren als maximum van de
toegestane totale belasting van een gebied. Uit de conclusie van de A-G lijkt te volgen dat zolang het programma er niet op
gericht is om de stikstofbelasting tot onder de kdw’s (of welke wetenschappelijk gefundeerde grenswaarde dan ook) terug te
brengen, het PAS niet ten grondslag kan worden gelegd aan een vergunning die met toepassing van art. 6, lid 3,
Habitatrichtlijn wordt verleend. Het huidige PAS is hier echter niet op gericht, omdat, zoals ook de A-G fijntjes vaststelt, men
het bij de vaststelling van het PAS “kennelijk niet realistisch en politiek niet haalbaar” achtte om de kdw’s in acht te nemen.
Dat betekent dat volgens de A-G het PAS alleen via een toetsing aan art. 6, lid 4, Habitatrichtlijn (de zogeheten ‘ADC-toets’)
overeind kan blijven.

8.
E.e.a. leidt mij tot de vraag of het volgens de A-G ook noodzakelijk is dat eerst de stikstofbelasting moet worden
teruggebracht tot het niveau van de kdw’s – of wellicht zelfs lager, want in overweging 63 merkt de A-G op dat het ook nodig
kan zijn om zelfs nog minder nieuwe stikstofdepositie toe te staan dan in de kdw’s is bepaald totdat de aanwezige
stikstofvoorraden zijn weggewerkt, voordat per afzonderlijk project, ook buiten het PAS om, een toename van
stikstofdepositie kan worden toegestaan zonder een ADC-toets. Ik leid uit de conclusie af dat de A-G dit inderdaad
noodzakelijk vindt. Zie hiervoor overweging 80, waar de A-G stelt:
“het volstaat niet de stikstofdepositie met een bepaalde hoeveelheid, bijvoorbeeld 1 kg N/ha/jr, te verminderen om extra
depositie in dezelfde omvang toe te staan, indien de beschermde habitat als geheel nog steeds te zwaar met stikstof wordt
belast. Extra depositie kan alleen worden toegestaan wanneer de totale belasting, met inbegrip van de nieuwe depositie, zo
gering is dat zij de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantast” (onderstreping toegevoegd).
Hier hanteert de A-G een heel strenge toetsingsmaatstaf aan de hand waarvan de effecten van nieuwe initiatieven getoetst
moeten worden. Dit zou betekenen dat in iedere overbelaste situatie geen toestemming kan worden verleend voor een
nieuw initiatief als dit initiatief leidt tot een iets grotere (over)belasting van het Natura 2000-gebied, ook als vaststaat dat het
initiatief als zodanig het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebieden niet vertraagt en in
zoverre dus als zodanig geen effect heeft.

9.
Als dit inderdaad is wat de A-G bedoeld heeft te zeggen, en als dit door het HvJ zou worden overgenomen, dan kan dit als
gevolg hebben dat zolang Natura 2000-gebieden niet in een goede staat van instandhouding verkeren en deze situatie
(mede) het gevolg is van een te hoge belasting van het Natura 2000-gebied (door welk soort effect ook maar), toestemming
voor een nieuw initiatief niet zonder de zware ADC-toets kan verleend. Het behoeft weinig toelichting dat dit de
vergunningspraktijk aanzienlijk zal compliceren. De vraag of deze strikte uitleg zich verdraagt met art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn
kan binnen het bestek van deze noot niet eenvoudig worden beantwoord. Ik neig er op het eerste gezicht naar om deze
vraag overigens ontkennend te beantwoorden. Zie ik het goed, dan is de redenering van het HvJ dat via art. 6, lid 3,
Habitatrichtlijn toestemming voor een plan of project kan worden verleend als het project of plan de natuurlijke kenmerken
van een gebied niet aantast en indien er wetenschappelijk bezien geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn
voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied. Bij deze beoordeling stelt het HvJ m.i. de effecten van een plan of
project centraal. De redenering van de A-G komt er echter op neer dat alleen toestemming voor een of project kan worden
verleend indien het Natura 2000-gebied in een gunstige staat van instandhouding verkeert – hier staan de effecten van het
plan of project dus minder centraal, maar gaat het veeleer om de reeds bestaande staat van instandhouding van een
gebied. Ik hoop dat het HvJ in het arrest in gaat op dit deel van de conclusie van de A-G en e.e.a. verduidelijkt.
Kwalificatie van de maatregelen die met het PAS zijn voorzien.

10.
Een ander relevant onderdeel van de conclusie betreft de vraag hoe in de passende beoordeling die aan het PAS ten
grondslag is gelegd, rekening kan worden gehouden met de diverse natuur- en bronmaatregelen waarin het PAS voorziet.
Het betreft o.a. bronmaatregelen die de stikstofemissies uit stallen van bedrijven verminderen, herstelmaatregelen in Natura
2000-gebieden en andere generieke maatregelen waarmee de stikstofbelasting over all in Nederland, en daarmee dus ook
in Natura 2000-gebieden, wordt verminderd. Gezien de jurisprudentie van het HvJ op dit punt (met de arresten Briels,
Orleans, Kolencentrale Moorburg en onlangs nog Sweetman is het van belang om te weten op welke wijze het positieve
effect van deze maatregelen in de passende beoordeling van het PAS kan worden meegenomen.

11.
Bij de kwalificatie van de diverse maatregelen die met het PAS zijn voorzien – en waarmee ontwikkelingsruimte wordt
gecreëerd voor nieuwe initiatieven – is de A-G wederom streng in de leer. De met het PAS voorziene bronmaatregelen
verminderen de emissie uit stallen van andere bedrijven en voorkomen noch reduceren daarmee de depositie die door een
nieuwe ontwikkeling wordt veroorzaakt. Dit geldt ook voor de met het PAS voorziene herstelmaatregelen. Deze
herstelmaatregelen hebben immers evenmin invloed op de bron van de stikstofdepositie van een nieuw initiatief, maar
alleen op de plaats waar de depositie zich voordoet en kunnen de depositie van een nieuw initiatief niet voorkomen maar in
het gunstige geval achteraf wegwerken. De emissievermindering als gevolg van de voorziene bronmaatregelen, maar ook
het positieve effect van herstelmaatregelen, kunnen dan ook niet op de voet van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn in de passende
beoordeling worden meegenomen, tenzij – en hier komt ook weer de koppeling met de kdw’s of een andere
wetenschappelijk gefundeerde grenswaarde aan de orde – met deze maatregelen de stikstofdepositie in de Natura 2000-
gebieden zo ver onder de voor de betrokken habitats vastgestelde kdw’s zakt dat voldoende ruimte voor extra
stikstofdepositie ontstaat. Aldus de A-G.

12.
Als deze systematiek wordt toegepast op een ‘gewone’ vergunning voor een los project of plan, dan betekent dit dat de A-G
meent dat bijvoorbeeld ook externe saldering, of een andere vorm van mitigatie, slechts zeer beperkt kan worden
toegestaan. Immers, externe saldering leidt in de regel ook niet tot vermindering van stikstofdepositie aan de bron – in casu
het nieuwe initiatief – en leidt ook vrijwel nooit tot een situatie dat de stikstofbelasting in het Natura 2000-gebied onder de
kdw’s of een andere relevante grenswaarde komt. Dat geldt ook voor andere maatregelen die in het verleden als
maatregelen ter mitigatie van stikstofdepositie zijn gekwalificeerd. De vraag is verder of beschermingsmaatregelen die
daadwerkelijk leiden tot een vermindering van een effect van een voorgenomen project, nog wel bij de toets van art. 6, lid 3,
Habitatrichtlijn meegenomen kunnen worden volgens de A-G, zolang de stikstofbelasting van het Natura 2000-gebied niet
onder de kdw’s is gebracht. Ik vrees dat de A-G bedoelt dat ook in dat geval deze maatregelen geen soelaas bieden.
13.
Zowel bij de bron- als bij de herstelmaatregelen is verder van belang dat deze maatregelen voor een aanzienlijk deel nog
moeten worden uitgevoerd, maar dat het PAS het tegelijkertijd mogelijk maakt om al nieuwe initiatieven die stikstofdepositie
in Natura 2000-gebieden veroorzaken, toe te staan. De vraag die hierdoor ook bij het HvJ voorligt, is of deze toekomstige,
positieve, ontwikkelingen in het PAS al meegenomen kunnen worden wanneer het effect van de voorgenomen maatregelen
wordt gemonitord en de maatregelen eventueel worden bijgestuurd. Ook dit acht de A-G niet mogelijk. Op het moment dat
toestemming wordt verleend voor een project, wetenschappelijk gezien geen twijfel mag bestaan dat er geen schadelijke
gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken voor een Natura 2000-gebied. Het zal, aldus de A-G, ‘zeer moeilijk zijn om in
het geval van toekomstige maatregelen en ontwikkelingen aan dit criterium te voldoen, zowel wat betreft de doeltreffendheid
van de maatregelen als ter zake van de zekerheid dat de maatregelen en ontwikkelingen überhaupt plaatsvinden’.

14.
Los van de koppeling met de kdw’s, valt de redenering van de A-G ten aanzien van de kwalificatie van de maatregelen te
volgen. Maar een nuancering is m.i. wel op zijn plaats. Art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn en de uitleg die het HvJ aan deze
bepaling geeft maken het m.i., ten minste in theorie, mogelijk om toekomstige maatregelen bij de beoordeling van art. 6, lid
3, Habitatrichtlijn mee te kunnen nemen, mits maar wetenschappelijk gezien geen twijfel bestaat over de effectiviteit van
deze maatregelen. Wellicht dat in de praktijk voor diverse maatregelen deze (hoge) lat niet wordt gehaald, maar uit
jurisprudentie van het HvJ kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat toekomstige maatregelen waarin het PAS voorziet
nimmer als beschermings- c.q. mitigerende maatregelen in een passende beoordeling meegenomen kunnen worden. Zie in
dit verband ook mijn noot onder het arrest van het HvJ d.d. 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:593). Dat de A-G in dit verband
verwijst naar eerdere jurisprudentie van het HvJ (Briels (HvJ EU 15 mei 2014, C-521/12, ECLI:EU:C:2014:330), Orleans
(HvJ EU 21 juli 2016, C-387/15 en C-388/15, ECLI:EU:C:2016:583) en Kolencentrale Moorburg (HvJ EU 26 april 2017,
C-142/16, ECLI:EU:C:2017:301) waaruit volgt dat het HvJ stelt dat de positieve gevolgen van nieuwe habitats die nog
moesten worden ontwikkeld, vanwege onzekerheid over het positieve resultaat hiervan niet bij de beoordeling van art. 6, lid
3 Habitatrichtlijn mogen worden betrokken, vind ik op dit punt niet overtuigend. Kenmerkend element van die eerdere
jurisprudentie is immers met name dat het nieuwe habitat op andere locaties werd ontwikkeld dan op de locatie waar de
aantasting vanwege een nieuw initiatief zou plaatsvinden, of dat onzekerheid bestond over de effectiviteit van de
voorgenomen mitigerende maatregel. Reeds om die reden concludeerde het HvJ – en in navolging van het HvJ vervolgens
ook de ABRVS – dat maatregelen, bestaande uit de ontwikkeling van nieuw habitats op een andere locatie in het Natura
2000-gebied, niet zouden kunnen leiden tot een vermindering of het voorkomen van de aantasting van bestaand habitat.

15.
Uit deze jurisprudentie leid ik af dat het positieve effect van de herstelmaatregelen en de bronmaatregelen, in theorie
althans, in de passende beoordeling meegenomen kan worden mits (i) hiermee de aantasting van het habitat als gevolg van
een nieuw initiatief, waarvoor met gebruikmaking van het PAS toestemming wordt verleend, op de locatie in het Natura
2000-gebied waar deze aantasting wordt veroorzaakt, wordt verminderd of voorkomen; en (ii) wetenschappelijk bezien geen
twijfel bestaat over de effectiviteit van deze herstel- en bronmaatregelen. De A-G voegt daar met deze conclusie nog als
derde, nieuwe voorwaarde, aan toe dat ook moet worden voldaan aan de eis dat de stikstofbelasting van een Natura 2000-
gebied wordt verlaagd tot de kdw (of een andere grenswaarde), want alleen op het moment dat de stikstofbelasting tot dat
niveau is gebracht, is ruimte voor nieuwe initiatieven. Ik realiseer me dat het in de praktijk weliswaar niet eenvoudig zal zijn
om deze toets al met goed gevolg af te leggen – maar de praktische uitvoeringsaspecten zijn sowieso weinig van belang in
een procedure voor het HvJ – maar m.i. hanteert de A-G hier dus op twee punten (koppeling met kdw’s en kwalificatie van
de maatregelen) een te strenge maatstaf.

Afronding

16.
In de inleiding gaf ik al aan dat de conclusie van de A-G veel interessante aspecten bevat die niet allemaal in een noot aan
de orde kunnen komen. Ik wijs hier volledigheidshalve nog op de overwegingen van de A-G met betrekking tot de vraag of
het weiden van vee en het bemesten van gronden als een project moet worden beschouwd. De A-G concludeert in beide
gevallen dat sprake is van een project, gelet op de omschrijving van het project-begrip in de MER-Richtlijn maar stelt
daarnaast dat als geen sprake zou zijn van een project in de zin van de MER-Richtlijn, in ieder geval kan zijn van een
‘activiteit die in de ruimere definitie van het begrip “project” in de habitatrichtlijn significante gevolgen kan hebben’ voor een
Natura 2000-gebied. Hier breekt de A-G dus een lans voor een ruim projectbegrip, waarbij niet de feitelijke kenmerken van
een nieuw initiatief bepalend zijn voor de vraag of sprake is van een project, maar de effecten van dit initiatief op een Natura
2000-gebied. Als het HvJ deze redenering van de A-G volgt zal dit m.i. als consequentie hebben dat het Nederlandse
onderscheid tussen projecten en andere handelingen komt te vervallen.

17.
Een ander relevant aspect waar de A-G zich over uit spreekt heeft betrekking op (i) de vraag of projecten mogen worden
uitgesloten van de vergunningplicht indien de stikstofbelasting onder een bepaalde grens- of drempelwaarde blijft; en (ii) de
vraag of de generieke uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en bemesten van gronden
aanvaardbaar is als gemiddeld genomen geen stijging van de stikstofdepositie door deze activiteiten zou plaatsvinden Het
antwoord op de deze twee punten laat zich raden: de A-G concludeert, samengevat, dat een uitzondering op de
vergunningplicht – hetzij in de vorm van grens- of drempelwaarde, hetzij voor bepaalde activiteiten – alleen is toegestaan
indien op grond van objectieve gegevens vanuit wetenschappelijk oogpunt geen redelijke twijfel bestaat dat stikstofdepositie
vanwege deze activiteiten geen significante gevolgen zal hebben voor een betrokken Natura 2000-gebied. Logisch gevolg
daarvan is dus ook dat aan deze strenge norm niet wordt voldaan bij het hanteren van het uitgangspunt in het PAS dat de
stikstofdepositie vanwege het beweiden en bemesten ‘gemiddeld genomen’ niet toeneemt.

18.
Hoe nu verder met het PAS? Belangrijke aspecten waar het HvJ in het bijzonder een antwoord op zal moeten geven naar
aanleiding van deze conclusie zijn wat mij betreft ten eerste de door de A-G aangenomen onmogelijkheid om in een
overbelaste situatie toestemming te verlenen voor een nieuw project of plan zolang niet ook, of beter gezegd, eerst, deze
overbelaste situatie is beëindigd. Vragen die in dat verband leven zijn (i) of deze redeneerlijn in zijn algemeen houdbaar is;
en (ii) of deze redeneerlijn ook geldt als voor een individueel project of plan toestemming wordt verleend. Ten tweede zal
het HvJ, in het licht van zijn eigen jurisprudentie, duidelijkheid moeten verschaffen over de mate waarin met beschermingsen
bronmaatregelen rekening kan worden gehouden in het PAS. Een ander belangrijk nieuw element waarover het HvJ zich
hopelijk duidelijk uitspreekt, betreft de uitleg van het projectbegrip.


Gerelateerd

Programma Aanpak Stikstof; Uitzondering vergunningplicht weiden van vee/bemesten van gronden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 in M en R 2019/83…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Eisen passende beoordeling voor een programma (PAS).
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in M en R 2019/68…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Verschillende wijzen van rechterlijke omgang met het PAS-arrest
Marieke schreef een noot bij Rb. Midden-Nederland 29 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5823 in M en R…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in…
Het PAS-arrest; en nu?
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/18 over de gevolgen van het PAS-arrest….
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Randvoorwaarden PAS – arrest HvJ
Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (over de Programmatische…
Randvoorwaarden voor verkleining van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (Vereniging Hoekschewaards Landschap) in…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/62…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/49…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…