ENVIR ADVOCATEN
Romkeslaan 59
8933 AR Leeuwarden
T +31 20 236 10 24
F +31 20 796 92 22

ENVIR ADVOCATEN
Jan van Goyenkade 10 III
1075 HP Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 08-08-2019

Het PAS-arrest; en nu?

Marieke schreef een artikel in M en R 2019/18 over de gevolgen van het PAS-arrest.

 

1. Inleiding
Op 7 november 20181HvJ EU 7 november 2018, C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882, M en R 2019/23. beantwoordde het Hof van Justitie (HvJ) de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof (“PAS”) die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) in de (verwijzings)uitspraken van 17 mei 2017 zijn gesteld.2ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, AB 2017/313, m.nt. P. Mendelts; M en R 2017/84, m.nt. M.M. Kaajan en ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260, M en R 2017/85, m.nt. M.M. Kaajan. Vol verwachting werd naar dit arrest uitgekeken, in de hoop dat daarmee duidelijk zou worden of het PAS overeind zou blijven. Die duidelijkheid biedt het arrest niet. Dat is uiteraard voor een groot deel inherent aan het karakter van een prejudiciële procedure, waarin het HvJ slechts de voorliggende rechtsvragen beantwoordt en het uiteindelijk aan de nationale rechter is om te toetsen of de voorliggende casus feitelijk voldoet aan de interpretatie van de Europese regelgeving door het HvJ. Het arrest laat daarentegen wel zien dat een programmatische aanpak als zodanig past binnen de systematiek van de Habitatrichtlijn. Zou het HvJ hierover anders hebben geoordeeld, dan stond vast dat hetdoek van het PAS per definitie was gevallen. In dit artikel worden de prejudiciële vragen en antwoorden besproken en wordt aan de hand daarvan een (voorzichtige) voorspelling gedaan over de houdbaarheid van het PAS in de bij de ABRvS lopende procedures.

2. Prejudiciële vragen3Zie ook M.M. Kaajan, ‘Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018’, M en R 2018/50
Het verbaasde niet dat de ABRvS besloot om prejudiciële vragen te stellen, althans in ieder geval voor wat betreft de mate waarin een programma als zodanig past binnen het toetsingskader van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Dit artikel schrijft immers voor dat voordat toestemming kan worden verleend voor een plan of project met mogelijk significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden, individueel nagegaan moet worden of als gevolg van dat plan of project geen gevolgen optreden waardoor een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. In het PAS is evenwel geen sprake van een individuele toetsing van projecten, maar van een systeem waarbij depositie- en ontwikkelingsruimte aan individuele activiteiten (projecten en andere handelingen in de zin van de Wet natuurbescherming) kan worden toegekend en waarbij de passende beoordeling behorende bij het PAS onderbouwt waarom de uitgifte van deze totale depositie- en ontwikkelingsruimte niet leidt tot een aantasting van de betrokken Natura 2000-gebieden.

De prejudiciële vragen van de ABRvS hebben in de eerste plaats betrekking op de aanvaardbaarheid, de randvoorwaarden en de inhoud van een programmatische aanpak. In de kern komen deze vragen neer op hetvolgende: (1) Is de systematiek van een programmatische aanpak verenigbaar met de Habitatrichtlijn? (2) Kan een programma de basis vormen voor een generieke uitzondering op de verplichting om projecten voorafgaand aan het verlenen van toestemming, individueel te toetsen? (3) Kan, en zo ja, op welke wijze, in de passende beoordeling van het PAS rekening worden gehouden met de diverse PAS-maatregelen (bronmaatregelen, herstelmaatregelen) waarmee, onder andere, ruimte wordt gecreëerd voor nieuwe ontwikkelingen? (4) Is het daarbij relevant of deze maatregelen al zijn getroffen en of met deze maatregelen al een positief effect is gerealiseerd?
Verder heeft de ABRvS ook twee vragen van meer algemene aard gesteld, waarmee ten eerste beoogd wordt duidelijkheid te krijgen over de reikwijdte van het project-begrip in de Habitatrichtlijn en ten tweede aan de orde wordt gesteld wanneer nog sprake is van de voortzetting van hetzelfde project bij de activiteiten bemesten en weiden. Dit laatste aspect is van belang op het moment dat een activiteit is gestart voordat hetregime van de Habitatrichtlijn van kracht is geworden en nadien is voortgezet. In bepaalde gevallen hoeft dan voor zo’n activiteit niet meer aan de hand van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn te worden getoetst welke effecten deze activiteit kan hebben op een Natura 2000-gebied. De vragen, en de beantwoording hiervan door het HvJ, komen hierna aan de orde.

3. Systematiek PAS verenigbaar met Habitatrichtlijn 4R.o. 87 t/m 104 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018.
Een van de belangrijkste vragen die de ABRvS aan het HvJ stelde, betrof de vraag of een programmatische aanpak als zodanig verenigbaar is met art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Als gezegd schrijft dit artikel voor dat in de regel voor ieder plan of project een individuele beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied moet worden verricht voordat toestemming voor het plan of project kan worden verleend. Dat dit hetuitgangspunt is, wordt ook nu weer door het HvJ bevestigd.5In r.o. 94 zegt het HvJ hierover dat “plannen en projecten krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin van de habitatrichtlijn in de regel individueel” dienen te worden beoordeeld. Tegelijkertijd maakt het arrest duidelijk dat een programmatische aanpak ook mogelijk is – en in dit specifieke geval wellicht zelfs beter is om de (cumulatieve) gevolgen van stikstof op Natura 2000-gebieden te bepalen, net als eerder de A-G al had opgemerkt6Zie Conclusie A-G Kokott d.d. 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622, M en R 2018/114, m.nt. M.M. Kaajan; AB 2018/436, m.nt. C.H.W. Backes. De A-G gaat overigens zelfs nog verder dan het HvJ, door te overwegen dat een integrale beoordeling ‘niet alleen een geschikt, maar ook een noodzakelijk instrument’ is. – omdat, aldus het HvJ, er dan een ‘integrale effectbeoordeling’ kan worden verricht. Op zichzelf is dat een waardevolle vaststelling, ook voor andere toekomstige programma’s die beogen andere negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verminderen of weg te nemen. Van belang is wel dat het HvJ een belangrijke randvoorwaarde aan een programmatische aanpak stelt. Deze randvoorwaarde komt er, kort gezegd, op neer dat ook bij een programmatische aanpak aan de eisen van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn moet worden voldaan. Dat betekent, in de woorden van het arrest, dat ook als gekozen wordt voor de systematiek van een programma, gegarandeerd moet worden dat ‘wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat geen van de plannen of projecten schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken’ van het betrokken Natura 2000-gebied. Of dat het geval is, zal de nationale rechter, aldus het HvJ, aan de hand van een ‘grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van’ de passende beoordeling moeten nagaan.

Dat het HvJ hier uitgaat van het criterium ‘wetenschappelijk bezien redelijkerwijs geen twijfel’ verbaast mij niet. Dit criterium geldt al sinds het Kokkelvisserij-arrest als de toetsingsmaatstaf aan de hand waarvan voor individuele projecten en plannen moet worden vastgesteld of voldoende zekerheid bestaat over het niet optreden van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied.7HvJ EG 7 september 2004, C-127/02, NJ 2005/233; AB 2004/365. Het ligt voor de hand dat deze toetsingsmaatstaf hetzelfde blijft bij een programmatische aanpak. Dat het HvJ in dat kader spreekt van een ‘grondige en volledige’ toetsing van de passende beoordeling ligt m.i. ook voor de hand. Dit is immers inherent aan het criterium dat er wetenschappelijk bezien redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan dat een plan of programma geen aantasting van een Natura 2000-gebied mag veroorzaken. Deze overweging lijkt overigens in het bijzonder ingegeven te zijn door het veelvuldige gebruik van software – in de vorm van het AERIUS-model – ten behoeve van de passende beoordeling van het PAS Zo overweegt het HvJ8R.o. 101. dat deze grondige en volledige toetsing ook ‘het gebruik van software als die in het hoofdgeding, bedoeld om een rol te spelen in de toestemmingsprocedure’ dient te betreffen. Het is m.i. terecht dat het HvJ specifiek aandacht vraagt voor dit aspect van de passende beoordeling van het PAS. Het gebruik van ingewikkelde (computer)modellen zou er immers niet toe mogen leiden dat de inhoudelijke beoordeling van de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden minder grondig en minder gedetailleerd is vanwege het feit dat een model als zodanig lastig valt te doorgronden door niet-specialisten op dat vlak (zoals juristen die een oordeel moeten vormen over de aanvaardbaarheid van een model, of door belanghebbenden in een procedure). Hetis echter wel de vraag of dit – meer theoretische – uitgangspunt in de praktijk daadwerkelijk toepasbaar is. Het AERIUS-model is immers dusdanig ingewikkeld dat ik me afvraag of dit model ‘grondig en volledig’ kan worden doorgrond door een rechter – laat staan door derden die procederen tegen besluiten die gebaseerd zijn op het PAS.9Zie hierover ook B.J. van Ettekoven, ‘Big Data en bestuursrechtspraak in België?’, Tijdschrift voor Omgevingsrecht en -beleid 2018, nr. 3, p. 264-270 en H.E. Woldendorp, ‘Einde doodlopende weg. Over de PAS-Conclusie van A-G Kokott en het nuancerende Blankenburgverbinding-arrest van de Nederlandse Raad van State’, Tijdschrift voor Omgevingsrecht en -beleid 2018, nr. 3, p. 284-310. 11.

Al met al is de winst van de prejudiciële procedure dus dat de uitspraak van 7 november 2018 bevestigt dat een programmatische aanpak past binnen het regime van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Tegelijkertijd laat hetarrest zien dat de lat onveranderd hoog ligt, net als bij toetsing van individuele projecten en plannen hetgeval is.

4. PAS als onderbouwing voor een generieke uitzondering op de vergunningplicht
Het PAS vormt de basis voor een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht. Ten eerste gaat het in dit verband om de in art. 2.7 lid 2 Regeling natuurbescherming opgenomen uitzondering voor projecten en andere handelingen met een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onder 0,05 mol/ha/jaar.10En geen andere mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, want indien deze andere effecten zich wel voor kunnen doen ontstaat om die reden alsnog een vergunningplicht voor de beoogde activiteit. Zie art. 2.9, lid 5, Wnb. Voorts wijs ik in dit verband op de uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten onder de grenswaarde, welke waarde 1,0 mol/ha/jaar dan wel 0,05 mol/ha/jaar kan zijn – afhankelijk van de hoeveelheid depositieruimte voor grenswaarden die voor een specifiek Natura 2000-gebied op een gegeven moment is benut.11Art. 2.12, lid 1 en 2, Besluit natuurbescherming. De laatste generieke uitzondering op de vergunningplicht vloeit voort uit de twaalf provinciale verordeningen, en betreft het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen. De aanvaardbaarheid van deze uitzonderingen op de vergunningplicht wordt gebaseerd op de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt.

Het HvJ gaat in het arrest eerst in op de vraag of het met de Habitatrichtlijn verenigbaar is dat voor activiteiten die een bepaalde (drempel- of grens)waarde niet overschrijden, geen individuele toestemming is vereist omdat de gevolgen van deze activiteiten in de passende beoordeling van het PAS reeds zijn beoordeeld.12R.o. 105 t/m 112 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018. Het HvJ maakt duidelijk dat op zich een generieke uitzondering op de vergunningplicht, gebaseerd op een passende beoordeling, toelaatbaar is, mits ook dan op basis van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de van de vergunningplicht uitgezonderde activiteiten, in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Anders gezegd: een generieke uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die, individueel bezien, mogelijk significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, is alleen toelaatbaar als ook dan nog steeds wetenschappelijk bezien geen redelijke twijfel bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Dit komt er dus op neer dat de vorm waarin toestemming wordt verleend voor een concrete activiteit kan en mag verschillen (een apart toestemmingsbesluit, gebaseerd op een individuele passende beoordeling resp. een programma met een daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling). De toets naar de aanvaardbaarheid van de betreffende activiteit, in het licht van de eisen van de Habitatrichtlijn, is echter qua inhoud in beide gevallen gelijk. Daar is wat mij betreft weinig licht tussen te krijgen.

Het HvJ gaat, wat betreft de generieke uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten onder de drempel- en grenswaarde, niet inhoudelijk in op de vraag of deze uitzondering daadwerkelijk in overeenstemming is met art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Het HvJ laat zich daarentegen wel inhoudelijk uit over de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het bemesten van gronden. In dat kader wijst het HvJ er – m.i. terecht – op dat in de passende beoordeling van het PAS is geconcludeerd dat ‘gemiddeld genomen een stijging van stikstofdepositie’ als gevolg van het weiden van vee en bemesten van gronden is uitgesloten, terwijl het weiden van vee en bemesten van gronden ongeacht waar deze activiteiten plaatsvinden en ongeacht de deposities die daardoor veroorzaakt worden, zijn toegestaan. Dat is, ook in hetlicht van het criterium ‘wetenschappelijk gezien geen redelijke twijfel’, wat mij betreft vragen om problemen. Dat vindt het HvJ ook. Daarbij overweegt het HvJ volledigheidshalve (zie r.o. 118) nog wel dat het aan de ABRvS is om na te gaan of aan dit toetsingscriterium is voldaan, doch het HvJ doet vervolgens een flinke voorzet voor de richting waarin het antwoord van de ABRvS zou moeten gaan. Zo constateert het HvJ dat een gemiddelde stikstofdepositie in beginsel niet kan garanderen dat bemesting of beweiding voor geen enkel Natura 2000-gebied geen significant negatieve gevolgen kan hebben. Immers, de gevolgen hangen met name af van de omvang en intensiteit van het weiden van vee en bemesten van gronden, de locatie van deze activiteit (en de afstand tot een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van het specifieke Natura 2000-gebied (o.a.: Is het gebied stikstofgevoelig? Is al sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde? Zijn er andere ontwikkelingen te voorzien die ook leiden tot een toename van stikstofdepositie?).

Ik betwijfel of de ABRvS nog een andere conclusie kan trekken dan de vaststelling dat de huidige uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en bemesten van gronden zich niet verdraagt met de Habitatrichtlijn. Dit zal in het bijzonder consequenties hebben voor nieuwe activiteiten in de vorm van hetweiden en bemesten. Met het weiden en bemesten dat nu plaatsvindt kan wellicht, aan de hand van inzicht in de huidige feitelijke situatie, in een actualisatie van de passende beoordeling van het PAS mogelijk nog wel rekening worden gehouden. Wel zal dan een gedetailleerd overzicht moeten bestaan in de huidige bemesting en beweiding en de stikstofdepositie die hierdoor optreedt. Het is de vraag of dit praktisch bezien haalbaar is, omdat het bemesten en het beweiden nu al plaatsvindt op wisselende percelen en locaties.

Maar ook de uitzondering die in het PAS is gemaakt voor activiteiten onder de drempel- of grenswaarde is m.i. niet goed verdedigbaar zonder nadere onderbouwing. Deze activiteiten zijn weliswaar als zodanig begrensd in het PAS (door de maximale stikstofdepositie van 0,05 mol/ha/jaar die per activiteit veroorzaakt mag worden), maar het totaal aan activiteiten kent geen enkele begrenzing. Noch wat betreft de locatie, noch wat betreft de omvang van het totaal. Dat geldt in de eerste plaats per definitie voor de activiteiten met een maximale depositie van 0,05 mol/ha/jaar. Maar omdat activiteiten die een beroep doen op de depositieruimte voor grenswaarde ook niet allemaal geregistreerd worden –13De meldplicht uit art. 2.7, lid 1, Regeling natuurbescherming geldt immers niet voor alle activiteiten onder de grenswaarde. en dus de situatie kan ontstaan dat deze depositieruimte feitelijk op is, maar zonder dat dit in het AERIUS-systeem bekend is – kan m.i. ook voor deze activiteiten niet worden geconcludeerd dat zonder meer verzekerd is dat de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Ook hiervoor geldt dat in de te actualiseren passende beoordeling van het PAS mogelijkerwijs wel rekening kan worden gehouden met de nu bestaande activiteiten onder de drempel- of grenswaarde. Het onderbouwen van de generieke uitzondering op de vergunningplicht voor nieuwe activiteiten onder de drempel- of grenswaarde lijkt hierdoor eveneens een onbegaanbare weg, tenzij hiervoor ook een vorm van registratie wordt geïntroduceerd, gekoppeld aan de beschikbaarheid van depositieruimte voor deze activiteiten per Natura 2000-gebied.

5. PAS-maatregelen en de timing hiervan14R.o. 121 t/m 132 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018.
In de verwijzingsuitspraken heeft de ABRvS een onderscheid gemaakt tussen (i) (autonome) bronmaatregelen en instandhoudingsmaatregelen; (ii) autonome ontwikkelingen; en (iii) PAS-herstel- en bronmaatregelen. De eerste maatregelen beschouwt de ABRvS als instandhoudings- en passende maatregelen; de autonome ontwikkelingen, die leiden tot een autonome daling van stikstofdepositie, als feitelijke ontwikkelingen en de PAS-maatregelen, ten slotte, als mitigerende maatregelen. Per soort maatregelen bespreekt de ABRvS op welke wijze deze in de passende beoordeling kunnen worden meegenomen. Instandhoudings- en passende maatregelen kunnen, aldus de ABRvS, als feitelijke ontwikkeling worden betrokken in de passende beoordeling indien ‘met een voldoende mate van zekerheid vaststaat dat deze maatregelen zullen worden uitgevoerd’ en ook de negatieve effecten van deze maatregelen worden beoordeeld.15ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, r.o. 10.15 en 10.32. Mitigerende maatregelen (door het HvJ aangeduid als beschermingsmaatregelen) kunnen in de passende beoordeling worden meegenomen indien deze maatregelen gericht zijn op het voorkomen of verminderen van de gevolgen ter plaatse van voorkomens van habitattypen die negatieve gevolgen van een project of plan ondervinden als de maatregelen niet zouden worden getroffen.16ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, r.o. 10.16Ook van deze maatregelen dient de uitvoering voldoende verzekerd te zijn en moet de effectiviteit van de maatregel voldoende zeker zijn (maar de maatregel hoeft nog niet te zijn uitgevoerd op het moment dat toestemming voor de betreffende activiteit wordt verleend).17ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, r.o. 10.18 en 10.37. Met een autonome daling van stikstofdepositie, tenslotte, kan rekening worden gehouden mits voldoende zeker is dat deze afname optreedt en inzichtelijk is gemaakt in hoeverre de voorgenomen activiteit het behalen van verbeterdoelstellingen zal vertragen of aan het behalen daarvan in de weg zal staan.18ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, r.o. 10.17. Zekerheidshalve heeft de ABRvS op deze punten toch prejudiciële vragen gesteld.

De antwoorden van het HvJ laten zien dat het HvJ de ABRvS grotendeels volgt. Ten eerste stelt het HvJ dat hetin strijd zou zijn met de nuttige werking van art. 6, lid 1 en lid 2, Habitatrichtlijn (waarin de verplichting is opgenomen om instandhoudings- en passende maatregelen te treffen) om naar het effect van deze maatregelen te verwijzen voordat deze maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Verder overweegt hetHvJ dat naar het positieve effect van deze instandhoudings- en passende maatregelen ook niet kan worden verwezen om op grond van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn een vergunning te verlenen voor projecten die nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Naar het effect kan echter wel worden verwezen ‘indien de verwachte voordelen van die maatregelen” vaststaan ten tijde van de passende beoordeling’. Deze voordelen staan, zo blijkt uit r.o. 130, echter niet vast indien ‘nog niet is uitgewerkt hoe de voordelen tot stand zullen worden gebracht of omdat het niveau van wetenschappelijke kennis het niet mogelijk maakt dat zij met zekerheid in kaart worden gebracht of gekwantificeerd’.
Het arrest is niet geheel duidelijk op dit punt, met name door het gebruik van de term “verwijzen” in de beantwoording van de vraag. Betekent dit dat in de passende beoordeling überhaupt geen rekening kan worden gehouden met passende en instandhoudingsmaatregelen? In de Engelse versie van het arrest is voor de term ‘verwijzen naar’ het positieve effect van instandhoudings- en passende maatregelen evenwel de term ‘invoke’ gebruikt, dus “een beroep doen op” of “inroepen”.19De Franse versie hanteert ook de term “invoquer” (inroepen); de Duitse versie de term ‘herangezogen werden’ (gebruikt worden). Uitgaande van die term, is het arrest van hetHvJ beter navolgbaar; de overwegingen komen dan neer op het volgende: (i) het positieve effect van een passende of instandhoudingsmaatregelen kan niet worden ingeroepen voordat dit effect voldoende vaststaat; en (ii) op dit positieve effect kan in het kader van een beoordeling op grond van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn geen beroep worden gedaan om negatieve effecten van een project te rechtvaardigen. Anders gezegd: het negatieve projecteffect kan niet worden ‘weggestreept’ tegen een positief effect dat met instandhoudings- en passende maatregelen wordt gerealiseerd, maar als zodanig kan wel met de voor- en de nadelen van deze maatregelen in een passende beoordeling – als onderdeel van de autonome situatie c.q. ontwikkeling – rekening worden gehouden. Mits deze voor- en nadelen dan maar voldoende vaststaan. Een andere uitleg past m.i. niet in de beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag, opgenomen in r.o. 120 van het arrest. Een andere interpretatie van het arrest zou er ook toe leiden dat bij een passende beoordeling nooit rekening kan worden gehouden met maatregelen die los van het project worden getroffen en die ook een effect (negatief of positief) hebben op een Natura 2000-gebied, terwijl juist ook deze maatregelen het extra projecteffect zouden kunnen vergroten of verkleinen. Dat lijkt me onlogisch. De randvoorwaarden die het HvJ aldus stelt voor het kunnen meenemen van passende en instandhoudingsmaatregelen en autonome ontwikkelingen komen dus zo goed als overeen met de uitgangspunten die de ABRvS op dit punt formuleert. Anders dan Frins20R.H.W. Frins, ‘Het PAS-arrest van het Hof van Justitie EU. Toch niet alleen maar kommer en kwel?’, TBR 2018/186. kan m.i. uit het arrest dan ook niet worden afgeleid dat in het kader van een passende beoordeling geen rekening kan worden gehouden met positieve effecten van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen. Het HvJ stelt m.i. juist dat deze maatregelen wel in de passende beoordeling kunnen worden meegenomen mits de (positieve en negatieve) effecten van deze maatregelen vaststaan ten tijde van deze beoordeling.

Min of meer in de zijlijn van de discussie over de mate waarin en de wijze waarop met instandhoudings- en passende maatregelen rekening kan worden gehouden in een passende beoordeling, wijdt het HvJ ook nog een paar korte overwegingen aan beschermingsmaatregelen. Dat het arrest hier niet gedetailleerd op in gaat, ligt voor de hand; in de arresten Briels,21HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330.Orleans22HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583. respectievelijk Grace en Sweetman23HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593. is al gedetailleerd beschreven welke maatregelen als beschermingsmaatregelen kwalificeren. Dat is alleen hetgeval als de betreffende maatregel de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit het project of plan voortvloeien voorkomen of verminderen én, wederom, als de verwachte voordelen van deze maatregelen vaststaan. Die kaders waren al voor het arrest van 7 november 2018 helder en het HvJ voegt hier nu geen nieuwe aspecten of randvoorwaarden aan toe. Dat betekent overigens niet dat daarmee nu duidelijk is waartoe e.e.a. leidt in de lopende procedure bij de ABRvS. De ABRvS zal ten eerste moeten nagaan of de maatregelen, die blijkens de passende beoordeling bij het PAS als beschermingsmaatregel worden beschouwd, wel leiden tot het verminderen of voorkomen van de effecten van stikstofdepositie vanwege nieuwe activiteiten die met het PAS mogelijk worden gemaakt. De discussie bij de ABRvS zal verder in hetbijzonder gaan om de vraag wanneer een bepaald effect voldoende verzekerd is. Niet alleen om op die manier te kunnen bepalen welke passende en instandhoudingsmaatregelen in het kader van de passende beoordeling van het PAS kunnen worden ‘ingeroepen’, maar ook om vast te kunnen stellen op welke mitigerende c.q. beschermingsmaatregelen in dit kader een beroep kan worden gedaan. Daarbij meen ik niet dat een effect van een maatregel alleen in de passende beoordeling kan worden meegenomen op hetmoment dat deze maatregel is uitgevoerd.24Zie voor een andere interpretatie van deze passages uit het arrest R.H.W. Frins, ‘Het PAS-arrest van het Hof van Justitie EU. Toch niet alleen maar kommer en kwel?’, TBR 2018/186. Ook hier is m.i. de daadwerkelijke beantwoording van de gestelde vraag door het HvJ bepalend – en daar stelt het HvJ, zoals reeds opgemerkt, dat voor het kunnen meenemen van een bepaalde maatregel doorslaggevend is of de verwachte voordelen van de maatregel vaststaan ten tijde van de passende beoordeling. Er moet dan wetenschappelijke zekerheid bestaan over de effectiviteit van een bepaalde maatregel – zoals het HvJ reeds overwoog in het arrest Sweetman en Grace van 25 juli 2018. Het is nu aan de ABRvS om vast te stellen of alle PAS-maatregelen aan dit criterium voldoen. Ik kan niet overzien tot welke einduitkomst dit zal leiden. Dat daarbij, zoals Frins stelt,25R.H.W. Frins, ‘Het PAS-arrest van het Hof van Justitie EU. Toch niet alleen maar kommer en kwel?’, TBR 2018/186. aangenomen moet worden dat alleen voor maatregelen die ‘technisch bewezen’ zijn deze toets met succes kan worden doorlopen, en dat dit niet het geval is voor maatregelen die afhankelijk zijn van de ‘reactie van een diersoort en/of het natuurlijk systeem’, is m.i. te kort door de bocht. Als van wetenschappelijke onzekerheid al sprake is wanneer een bepaalde maatregel afhankelijk is van de reactie van een diersoort en/of het natuurlijk systeem, dan zouden ook de gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied als zodanig – voor zover deze gevolgen zich vertalen in een reactie van een diersoort en/of het natuurlijk systeem – nooit ‘wetenschappelijk gezien zonder redelijke twijfel’ kunnen worden vastgesteld. Een dergelijke interpretatie van ‘wetenschappelijke zekerheid’ zou m.i. behoorlijk afbreuk doen aan de ecologische wetenschap.26In die zin kan ik me dan ook vinden in de stelling van Woldendorp dat ook maatregelen die overeenkomstig wetenschappelijk onderschreven herstelstrategieën worden genomen, voldoende zekerheid bieden. Zie H.E. Woldendorp, ‘Einde doodlopende weg. Over de PAS-Conclusie van Advocaat-Generaal Kokott en het nuancerende Blankenburgverbinding-arrest van de Nederlandse Raad van State’, Tijdschrift voor Omgevingsrecht en -beleid 2018, nr. 3, p. 302. 28.

6. Reikwijdte projectbegrip in de Habitatrichtlijn 27R.o. 59 t/m 73 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018. Zie ook ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, r.o. 14.3 en 14.5 en ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454, r.o. 23 t/m 23.5.
Op grond van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn bestaat er een verplichting voor plannen en projecten met mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied om, voorafgaand aan het verlenen van toestemming, na te gaan of deze niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Dit artikel is de basis voor de vergunningplicht voor projecten, zoals opgenomen in art. 2.7, lid 2, Wnb. In de Wnb (en ook in de voorganger van de Wnb, de Natuurbeschermingswet 1998) is hieraan toegevoegd een vergunningplicht voor andere handelingen met mogelijk significant negatieve gevolgen (art. 2.7, lid 2 Wnb). De toets voor het kunnen verlenen van een vergunning voor een andere handeling is echter eenvoudiger dan in het geval sprake is van een project (zie art. 2.8, lid 9, Wnb). Het natuurbelang staat hierbij niet automatisch voorop, anders dan bij het verlenen van toestemming voor een project. Dit komt doordat de vergunningplicht voor andere handelingen in de wetgeving is geïntroduceerd als een van de manieren waarop Nederland invulling geeft aan de verplichting die in art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn (en dus niet art. 6, lid 3) is opgenomen om passende maatregelen te nemen. Hierbij kunnen ook andere belangen dan hetnatuurbelang worden afgewogen. Het toetsingskader voor projecten is veel strikter, en volgt, als gezegd, uit art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn. Hier staat het natuurbelang voorop en kan alleen toestemming worden verleend indien verzekerd is dat het project niet leidt tot een aantasting van een Natura 2000-gebied. Dat moet aan de hand van een passende beoordeling worden vastgesteld, waarbij effecten van het project in cumulatie met de effecten van andere plannen en projecten moeten worden bepaald. Indien niet verzekerd kan worden dat aantasting van een Natura 2000-gebied niet zal plaatsvinden, kan toestemming alleen worden verleend na het doorlopen van de ADC-toets.28Als bedoeld in art. 6, lid 4, HRL en art. 2.8, lid 4 e.v., Wnb.

Het verschil in toetsingskader voor projecten en andere handelingen kan bepalend zijn voor de mate waarin in het PAS een – sluitende – onderbouwing moet worden gegeven voor de aanvaardbaarheid van de diverse activiteiten die op grond van het PAS kunnen worden uitgevoerd. Indien bepaalde activiteiten ten onrechte zijn aangemerkt als andere handeling, dan moet de ABRvS immers in de lopende procedure vaststellen of met het PAS ook deze activiteiten passend zijn beoordeeld. Als de activiteiten zijn te beschouwen als andere handeling, bestaat er meer ruimte om deze activiteiten toe te staan. In dat geval is immers geen passende beoordeling van de gevolgen van deze activiteiten vereist.

Voorafgaand aan het arrest van het HvJ van 7 november 2018 heeft het HvJ zich al meerdere keren gebogen over de vraag of een bepaalde activiteit moest worden beschouwd als een project in de zin van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn.29Zie voor jurisprudentie r.o. 61 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018. Samengevat komt deze jurisprudentie erop neer dat, nu de Habitatrichtlijn geen definitie bevat van dit begrip, ‘in ieder geval’ aangesloten kan worden bij het projectbegrip uit de MER-Richtlijn. Fysieke ingrepen in het natuurlijk milieu werden hierdoor, zowel door het HvJ als door de ABRvS, beschouwd als een project in de zin van de Habitatrichtlijn; activiteiten zonder dergelijke ingrepen (zoals de verlenging van toestemming voor de exploitatie van een vliegveld, het gebruiken van gronden in een Natura 2000-gebied) werden niet beschouwd als project.30ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3380. Een helder onderscheid, waarbij echter niet de gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied bepalend zijn voor de wijze van toetsing. Een onderscheid waarbij dus het belang van de bescherming van Natura 2000-gebieden niet voorop stond. De formulering ‘in ieder geval’ bood daarnaast ruimte voor de vraag of het projectbegrip in de Habitatrichtlijn wellicht ruimer zou zijn dan de definitie hiervan in de MER-Richtlijn. Het arrest van 7 november 2018 laat zien dat deze ruimte er inderdaad is, en dat niet meer uitsluitend aan de hand van de MER-Richtlijn kan worden bepaald of een bepaalde activiteit als project in de zin van de Habitatrichtlijn moet worden aangemerkt. Het arrest maakt namelijk duidelijk dat iedere activiteit met mogelijk significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied moet worden beschouwd als een project in de zin van de Habitatrichtlijn.

De gevolgen van de Nederlandse praktijk zijn daarmee aanzienlijk. Ten eerste omdat voor de aanvaardbaarheid van nieuwe ‘andere handelingen’ niet langer de minder verstrekkende toets van art. 2.8, lid 9, Wnb volstaat. Het arrest opent daarnaast ook de discussie over de vraag of de uitzondering op de vergunningplicht voor andere handelingen die op 31 maart 2010 feitelijk aanwezig waren, en sindsdien niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd, houdbaar is.31Het betreft de uitzondering die is opgenomen in art. 2.9, lid 2, Wnb. Zie ook M.M. Kaajan, ‘Natuurbescherming onder de Omgevingswet; eenvoudig en beter?’, M en R 2017/45 waarin ik ook motiveer waarom deze bepaling in strijd is met de Habitatrichtlijn. Ik meen dat het arrest bevestigt dat deze uitzondering niet onverkort houdbaar is. Immers; voor zover deze andere handelingen niet anders kunnen worden behandeld dan de ‘ouderwetse’ projecten, geldt ook voor deze andere handeling, dat een uitzondering op de vergunningplicht alleen maar aan de orde is indien voor deze andere handelingen toestemming is verleend voorafgaand aan het moment waarop het Europeesrechtelijke beschermingsregime van de Habitatrichtlijn van toepassing werd en voor zover deze toestemming nadien niet is ingeperkt en/of veranderd.32Zie voor de systematiek op dit punt ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891. En, zoals hierna nog zal worden besproken, voor zover nog steeds sprake is van voortzetting van dezelfde activiteit.

Om iedere onduidelijkheid op dit punt te voorkomen, verdient het m.i. dan ook aanbeveling dat de Wnb op dit punt snel wordt aangepast, zodat het onderscheid tussen projecten en (nieuwe) andere handelingen komt te vervallen. Dit is in het bijzonder van belang voor: (i) de toetsingscriteria aan de hand waarvan de aanvaardbaarheid voor nieuwe projecten en andere handelingen moet worden beoordeeld; en (ii) de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaande andere handelingen. Ik zou me daarbij echter kunnen voorstellen dat het wel wenselijk is om nog steeds een systeem te hebben waarbij actief getoetst wordt of een bestaande activiteit ook aanvaardbaar is op het moment dat deze activiteit wordt gewijzigd en/of uitgebreid en deze wijziging of uitbreiding vergunningplichtig is onder de Wnb. Op dit moment volgt de toetsing van de bestaande situatie in zo’n geval uit jurisprudentie van de ABRvS, waarbij de bestaande situatie als ‘andere handeling’ wordt getoetst. Het lijkt me wenselijk die vorm van toetsing te continueren, maar dat kan alleen als er nog steeds een daartoe strekkende bepaling in de Wnb is opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld door het handhaven van de huidige vergunningplicht voor andere handelingen, aangevuld met een goede definitie van dit begrip zodat duidelijk is dat deze vergunningplicht alleen geldt voor activiteiten waarvoor reeds toestemming was verleend vóór de Europeesrechtelijke referentiedatum. Zou een dergelijke regeling niet in de Wnb worden opgenomen, dan kan tegen bestaande activiteiten van vóór de referentiedatum alleen worden opgetreden met toepassing van de aanschrijvingsbevoegdheid van art. 2.4, lid 1, Wnb. Het is de vraag of daarmee de bescherming van Natura 2000-gebieden afdoende is geborgd.

7. Voortzetting van hetzelfde project 33R.o. 74 t/m 86 van het arrest van het HvJ d.d. 7 november 2018.
De door de ABRvS gestelde vraag wanneer, tenslotte, sprake is van een en hetzelfde project in het geval van bemesten is ook voor andere activiteiten zonder gevolgen voor de stikstofdepositie, maar met andere gevolgen voor Natura 2000-gebieden van belang. De achtergrond van deze vraag is de volgende. In de jurisprudentie van het HvJ –34HvJ EU 14 januari 2010, ECLI:EU:C:2010:10. en in navolging daarvan, van de ABRvS –35ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891. is een systematiek ontwikkeld ter toetsing van activiteiten die reeds plaatsvonden op het moment dat het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht werd. Kern van deze jurisprudentie is, kort samengevat, dat een beoordeling aan art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn achterwege kan blijven indien de betreffende activiteit – waarvoor al toestemming was verleend voordat het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn van kracht – kan worden beschouwd als “één enkele verrichting”. Tegen deze activiteiten kan dan alleen op grond van art. 6, lid 2, Habitatrichtlijn, in Nederland met toepassing van art. 2.4 Wnb, worden opgetreden.

Aangezien de door de ABRvS gestelde vraag betrekking heeft op de activiteit ‘bemesten van gronden’, gaat het HvJ voor deze activiteit na in welke omstandigheden de activiteit kan worden beschouwd als één enkele verrichting. Criteria die het HvJ in dat verband van belang acht zijn (i) het doel van de activiteit; (ii) de locatie waar deze activiteit wordt verricht; en (iii) de voorwaarden waaronder deze activiteit wordt uitgevoerd. Voor het bemesten van gronden lijkt in ieder geval te worden voldaan aan de eerste voorwaarde – het doel van bemesting betreft het verbouwen van gewassen in het kader van een agrarisch bedrijf. De tweede en derde voorwaarde zijn lastiger te vervullen. Het bemesten vindt in de regel plaats op wisselende percelen, in wisselende hoeveelheden en met wisselende technieken die in de loop der jaren zijn gewijzigd vanwege technische en wettelijke veranderingen. Het arrest maakt duidelijk dat als ‘geen sprake [is] van continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder deze activiteit wordt uitgevoerd’, de activiteit niet kan worden aangemerkt als één en hetzelfde project. De consequentie daarvan is dat reeds bestaande activiteiten op het gebied van weiden en bemesten, die zijn gerealiseerd nadat de Habitatrichtlijn van kracht werd, aan de hand van art. 6, lid 3, Habitatrichtlijn (hadden) moeten worden beoordeeld en dat hiervoor, voor zover deze wijzigingen zouden kunnen leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, toestemming had moeten worden verleend op basis van een passende beoordeling waarmee geconcludeerd kon worden dat ‘wetenschappelijk bezien geen redelijke twijfel’ bestaat dat er geen significant negatieve effecten voor de betrokken Natura 2000-gebieden zouden optreden. Iedere toekomstige wijziging zal ook op deze wijze moeten worden getoetst. In een actualisatie van de passende beoordeling van het PAS zal hiermee rekening moeten worden gehouden. Voorstelbaar is dat dit de aanvaardbaarheid van deze activiteiten, in het licht van de bescherming van Natura 2000-gebieden, aanzienlijk zal beperken.

8. Hoe nu verder?
Het arrest van het HvJ laat zien dat de lat voor het toestaan van activiteiten op basis van een programmatische aanpak onverminderd hoog ligt. Dat kan geen verrassing zijn geweest. Dat er nog het nodige huiswerk bestaat voor, vooral, de Minister van LNV, om te komen tot een PAS dat ook voor de ABRvS aanvaardbaar is, is daarbij overigens m.i. niet zozeer het gevolg van dit arrest, maar is veeleer een uitvloeisel van de uitspraken van 17 mei 2017 van de ABRvS waarin een groot aantal nationale gebreken is geconstateerd. Dit geldt o.a. voor de vraag of men zich niet rijk heeft gerekend met de beschikbare ontwikkelingsruimte, omdat voor een aantal maatregelen onvoldoende verzekerd is dat deze het beoogde resultaat zullen hebben. Ik heb er geen zicht op hoever men al is met het herstellen van deze gebreken. Het arrest voegt aan deze gebreken nog wel een aantal actiepunten toe, met name voor wat betreft (i) de onderbouwing van nieuwe vergunningvrije activiteiten; en (ii) de toelaatbaarheid van bestaande activiteiten met mogelijk significant negatieve effecten, die eerder als ‘andere handeling’ in het PAS waren opgenomen maar nu als project worden beschouwd. Verder heb ik in dit artikel opgemerkt dat het raadzaam is dat de regeling in de Wnb ten aanzien van andere handelingen wordt gewijzigd.

Of al deze herstelacties ertoe zullen leiden dat er een werkbaar programma blijft bestaan, is lastig te overzien. Toch is het m.i. onvoorstelbaar dat het PAS in zijn geheel zal verdwijnen. Dat is ook niet wenselijk, omdat daarmee de aandacht voor het herstel van Natura 2000-gebieden, naar verwachting ook zal verminderen. Wel meen ik dat de kans aanzienlijk is dat er straks een PAS gaat gelden, met minder ontwikkelingsruimte voor nieuwe projecten. Een andere variant zou kunnen zijn dat de beschikbare ontwikkelingsruimte in meer, kortere fases beschikbaar komt (niet eens in de drie jaar een bepaalde hoeveelheid, maar bijvoorbeeld een keer per jaar), zodat wellicht de positieve effecten van de PAS-maatregelen en de negatieve effecten van nieuwe ontwikkelingen beter op elkaar afgestemd zullen worden. De belangrijkste vraag voor mij blijft echter de volgende. In de conclusie breekt de A-G een lans voor een systeem waarbij alleen dan weer ruimte komt voor nieuwe ontwikkelingen als de totale stikstofbelasting is teruggebracht tot een waarde zoals de kritische depositiewaarde. Dus tot een waarde waarvan zeker is dat als de stikstofbelasting niet hoger dan die waarde is, een significante aantasting van een Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten. Het HvJ volgt deze strikte benadering niet, maar overweegt wel dat (r.o. 103) de mogelijkheden om een vergunning te verlenen voor activiteiten die in een later stadium een nadelige invloed kunnen hebben op de ecologische situatie van de betrokken gebieden, ‘noodzakelijkerwijs gering’ zijn wanneer de staat van instandhouding van een natuurlijke habitat ongunstig is’. De wijze waarop in de praktijk met de huidige overbelaste situatie wordt omgegaan en hoe e.e.a. doorwerkt in de toetsing aan de hand van de criteria van de Wnb, is wat mij betreft doorslaggevend voor de vraag of er nog ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen zolang de totale stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden niet verlaagd wordt. Anders gezegd: wordt de benadering van de A-G, die ook enigszins doorklinkt in het arrest van het HvJ standard practice of niet? Zo ja, dan is vergunningverlening voor nieuwe activiteiten met stikstofdepositie alleen nog maar mogelijk via de ADC-toets; zo nee, dan zijn wellicht nieuwe activiteiten mogelijk, maar wordt het echte probleem niet op korte termijn opgelost.


Gerelateerd

Relativiteit bij het MER: deelaspecten van het milieuonderzoek
Erwin schreef een noot onder ABRvS 18 maar 2020, ECLI:NL:RVS:2020:801 in M en R 2020/49….
Aanleg rieteilanden en rietkraag is een beschermingsmaatregel waarmee in de passende beoordeling rekening mag worden gehouden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360 in M en R 2020/10…
Programma Aanpak Stikstof; Uitzondering vergunningplicht weiden van vee/bemesten van gronden
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 in M en R 2019/83…
De ADC-toets centraal
Derek schreef een noot bij ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2560 in JM 2019/156, afl. 11,…
Eisen passende beoordeling voor een programma (PAS).
Marieke schreef een noot onder ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in M en R 2019/68…
Vervallen aanhaakverplichting natuurtoestemming bij omgevingsvergunning door intrekking onderdeel natuur.
Marieke schreef een noot onder ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803 in M en R 2019/57…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018/2019
Marieke schreef een artikel in M en R 2019/88 over de actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Verschillende wijzen van rechterlijke omgang met het PAS-arrest
Marieke schreef een noot bij Rb. Midden-Nederland 29 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5823 in M en R…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Gebiedsbescherming (deel 1)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht in 2019 in…
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Gevolgen PAS-uitspraak voor passende beoordelingen: wanneer met welke maatregelen rekening te houden
Erwin Noordover schreef een noot bij ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 in OGR 2019.  1. De…
Welke gegevens moeten ter inzage worden gelegd? ADC-toets Wnb
Marieke schreef een noot bij ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 in M en R 2018/124. …
Besluitbegrip. Besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan. Vaststelling faunabeheerplan.
M. Bauman, D. Sietses & J.V. van Ophen schreven een noot onder ABRvS 20 maart…
Lucht boven Natura 2000-gebied onderdeel van het gebied?
Marieke scheef een noot bij Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2665 in M en…
Heldere contouren – vereisten aan onderzoek Dienstenrichtlijn worden duidelijk
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 19 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4195 en ECLI:NL:RVS:2018:4196 in Annotaties…
Schorsing vergunningen gebaseerd op het PAS
Marieke schreef een noot bij ABRvS 9 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:795 in M en R 2018/61. …
Bestemmingsplanregeling; verzekeren dat een passende beoordeling niet is vereist
Marieke scheef een noot bij ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530 in M en R 2018/42. …
Het verschil tussen ‘mitigerende’ en ‘compenserende’ maatregelen
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593 in M en R…
Amsterdams vestigingsverbod toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar Amsterdam Cheese Company mag toch open blijven
Het Amsterdamse vestigingsverbod voor toeristenwinkels overleeft hoger beroep, maar de Amsterdam Cheese Company mag van…
Randvoorwaarden PAS – arrest HvJ
Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (over de Programmatische…
Randvoorwaarden voor verkleining van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied
Marieke schreef een noot bij HvJ EU 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (Vereniging Hoekschewaards Landschap) in…
Afdeling laat zich weer uit over Dienstenrichtlijn in relatie tot bestemmingsplan
Iris Kieft schreef een noot onder ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3471 in Annotaties OGR 2018-0228….
Prejudiciële vragen PAS: conclusie van de A-G
Marieke schreef een noot bij HvJ EU (A-G) 22 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 in M en…
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Omgevingsrechtelijke besluitvorming voor zonneparken: een overzicht
In Bouwrecht 2018/77 gingen Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed in op de omgevingsrechtelijke besluitvorming voor…
Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht 2018
Marieke schreef een artikel over hetgeen zij besprak tijdens haar presentatie op de Actualiteitendag van…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/62…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/49…
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor een tekortschieten in hun inspanningen
Erwin Noordover en Laurens Westendorp schreven ‘Inspanningsverplichting in projectontwikkelingsovereenkomst: gemeenten zijn aansprakelijk te houden voor…
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
De programmatische aanpak stikstof: komt de PAS van pas?
D. Sietses & A. Drahmann schreven een artikel in BR 2015/48, afl. 6 over de…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Revisie- of veranderingsvergunning?
Marieke Kaajan beschreef wanneer een revisievergunning kan worden verlangd. In Niewsbrief StAB 2015-1 verscheen een…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz….
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Omgevingswet en belanghebbendheid
Fleur Onrust schreef de Doorgeefcolumn “Omgevingswet en belanghebbendheid; alles bij het oude?” De column is te…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van complicerende factoren
Erwin Noordover schreef ‘Een duiding van complexe besluitvorming en een voorstel voor de beoordeling van…
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
SVIR en Barro: beleid en regel voor de nationale ruimte
In Bouwrecht 2012/49 ging Erwin Noordover in op het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1
Fleur Onrust schreef het artikel “De Raamwet omgevingsrecht; van model 3.0 naar model 4.1“, BR 2011, p….
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Het Besluit milieueffectrapportage (Cat. 18.2 bijlage D)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3494 inz. het Besluit milieueffectrapportage (Cat….
De relatie tussen Wabo en Waterwet
Fleur Onrust schreef het artikel “De relatie tussen Wabo en Waterwet”, BR 2010/160 (p. 851). De relatie tussen Wabo en Waterwet 1. Inleiding…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….
Kansen op herstel met de Crisis- en herstelwet?!
Marieke Kaajan en A. ten Veen schreven samen de bijdrage “Kansen op herstel met de Crisis- en…
Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten
Marieke Kaajan schreef het artikel “Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten: een handige regeling maar wel met haken en ogen”…
Parlementaire geschiedenis Wet ruimtelijke ordening
N.S.J. Koeman, A. ten Veen, J.R. van Angeren, D.S.P. Fransen & Marieke Kaajan schreven het boek Parlementaire…
Revisievergunning Corus
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2643 inz. Revisievergunning, MenR 2008/73. 1…
Waterwet, in kort bestek
Fleur Onrust schreef het artikel “Waterwet, in kort bestek”, Bulletin RO Totaal 2007, nr. 4. p….
Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd
Fleur Onrust schreef de bijdrage “Minder regels, meer ruimte voor water; het voorontwerp Waterwet nader beschouwd”,…
Het belanghebbendebegrip in de Wabo
Fleur Onrust schreef het artikel “Het belanghebbendebegrip in de Wabo”, BR 2008, p. 401. Na het verschenen…