Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer

Annotatie Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42

Essentie

Twee nieuwe windturbines vormen samen met twee bestaande windturbines een windturbinepark in de zin van Besluit milieueffectrapportage. Vooralsnog geen reden te twijfelen dat B&W bevoegd gezag is.

Samenvatting

Aan de orde is een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee windturbines aan de rand van de Nauernasche polder, langs het Noordzeekanaal. Op deze locatie staat al twee windturbines. De rechtbank oordeelt dat door de plaatsing van nog eens twee windturbines gesproken dient te worden van een windturbinepark in de zin van het Besluit m.e.r. Ten onrechte is niet onderzocht of er een m.e.r. had moeten worden verricht.

De rechtbank heeft vooralsnog geen aanleiding aan te nemen dat niet het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, maar het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bevoegd gezag zouden zijn om te beslissen op de aanvraag om omgevingsvergunning.

Uitspraak

Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, omgevingsvergunning windturbines Nauernasche Polder, gemeente Zaanstad

Annotatie M.A.A. Soppe

1. In onderdeel D, onder 22.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt in kolom 1 de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark genoemd. Onder het begrip “windturbinepark” moet blijkens onderdeel A, onder 1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. worden begrepen: een “park bestaande uit ten minste drie windturbines”. Twee met elkaar samenhangende windturbines kunnen dus niet een windturbinepark in de zin van het Besluit m.e.r. vormen en vallen daarom per definitie buiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Daarbij zij erop gewezen dat wanneer een activiteit niet is begrepen onder kolom 1, er niet wordt toegekomen aan een toetsing aan de ingevolge art. 2 lid 5 Besluit m.e.r. vrijwel allemaal indicatieve drempelwaarden in kolom 2 van onderdeel D. Derhalve ook niet aan de vraag of bij het niet overschrijden van de drempelwaarde toch niet een MER zou moeten worden opgesteld vanwege de factoren als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn.

2. In casu is er sprake van een omgevingsvergunning voor de plaatsing van twee windturbines. De vergunning ziet niet mede op de activiteit oprichten/wijzigen van een inrichting (art. 2 lid 1 onder e of i Wabo). Aangezien twee windturbines geen windturbinepark in de zin van het Besluit m.e.r. kunnen vormen, was er in de besluitvorming geen m.e.r.-beoordeling verricht respectievelijk was er geen aanleiding gezien om voor wat betreft het onderdeel oprichten/wijzigen van een inrichtring vanwege art. 2.2a lid 1 Bor (tevens) een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aan te vragen. Dit artikellid verwijst immers naar de activiteit als bedoeld in onderdeel D, onder 22.2, van de bijlage van het Besluit m.e.r. waarin in kolom 1 wordt gesproken over een windmolenpark.

3. De vraag lijkt gerechtvaardigd of het op voorhand uitsluiten van de m.e.r.-(beoordelings)plicht van niet meer dan twee met elkaar samenhangende windturbines zich verdraagt met de m.e.r.-richtlijn. Bijlage II, onder 3i, bij de m.e.r.-richtlijn spreekt over installaties voor de winning van windenergie met daarbij de tussen haakjes geplaatste aanduiding “windturbineparken”. Dat solitaire windturbines hier niet onder worden begrepen, lijkt mij evident. Maar waarom kunnen twee windturbines geen windturbinepark in de zin van de m.e.r.-richtlijn vormen? Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage), Stb. 2011, 102, pp. 32 en 47, onderkent de wetgever dat het opnemen van een definitie van windturbinepark een absolute ondergrens introduceert (waar beneden nooit een m.e.r.-(beoordeling) behoeft te worden verricht). Maar problematisch wordt dat niet geacht. De wetgever vindt dat uit het in de richtlijn gehanteerde begrip “windturbinepark” een bepaalde ondergrens voortvloeit, in die zin dat bij een of twee windturbines bezwaarlijk van een park kan worden gesproken. Met de ondergrens van drie windturbines is bovendien aangesloten bij de omschrijving die men hanteert in Duitsland. Hiervoor is Duitsland niet door de Europese Commissie in gebreke gesteld, aldus de wetgever. De door de wetgever gebruikte argumentatie overtuigt mij niet. Zeker gezien het gegeven dat bij twijfel over de interpretatie van een in de m.e.r.-richtlijn gebezigd begrip in beginsel voor een ruime uitleg moet worden gekozen vanwege het brede doel en de zeer ruime werkingssfeer van de m.e.r.-richtlijn (zie o.a. HvJ EG 25 juli 2008, C-142/07). Het in 2008 door de Europese Commissie opgestelde document “Directive 85/337/EEC on the assessment of the effects of certain public and private projects on the environment (EIA Directive); Interpretation of definitions of certain categories of annex I and II of the EIA Directive” geeft overigens geen nadere uitleg over het begrip “windturbinepark”. Daarin kan dus geen expliciet argument worden ontleend hoe het begrip “windturbinepark” moet worden geduid.

4. De rechtbank verrast door niet met verweerder mee te gaan in de stelling dat er geen sprake is van een windturbinepark. Daartoe wordt beslissende betekenis toegekend aan de samenhang tussen de twee op te richten windturbines met twee reeds geplaatste windturbines. Dat de turbines gezamenlijk niet één inrichting in de zin van de Wm vormen, doet daar niet aan af. Van belang is in dezen dat de twee nieuwe windturbines zo worden geplaatst dat zij tezamen met de twee bestaande windturbines een eenheid vormen. De samenhang tussen de turbines uit zich volgens de rechtbank in de onderlinge gelijkmatige afstand alsmede in het type, de hoogte en het vermogen. Door toestemming te verlenen aan het plaatsen van de twee nieuwe turbines wordt er volgende rechtbank een windturbinepark als bedoeld in onderdeel D, onder 22.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., opgericht.

5. Het oordeel van de rechtbank roept vragen op. Het is bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak dat bij het bepalen van de m.e.r.-(beoordelings)plicht geen rekening behoeft te worden gehouden met (legale) bestaande activiteiten. Zie bijvoorbeeld ABRS 18 juli 2012, nr. 201011201/1/R4, ABRS 18 januari 2012, nr. 201008612/1/R3 en ABRS 29 juni 2011, nr. 201011165/1/M2. Wel moet bij het bepalen van de m.e.r.-(beoordelings)plicht acht worden geslagen op de vraag of de voorliggende activiteit wellicht een (eerste) fase is van een groter project respectievelijk of voorzienbaar is dat de activiteit binnen afzienbare termijn wordt uitgebreid. Als de activiteit zelf niet, maar met de voorzienbare uitbreiding ervan wel de drempelwaarde in kolom 2 van onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschrijdt, bestaat er een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor de in kolom 4 bedoelde besluiten en een plan-m.e.r.-plicht voor de kaderstellende plannen in kolom 3. Zie bijvoorbeeld ABRS 17 maart 2010, nr. 200806507/1/R1 en ABRS 29 februari 2012, nr. 201003801/1/R2. In deze zaken oordeelt de Afdeling dat er sprake is van samenhang tussen op te richten windturbines en dat er daarom voor de betreffende bestemmingsplannen waarin een planologische basis werd geboden voor een aantal van die turbines een plan-m.e.r.-plicht bestond. De uitspraak van de rechtbank valt niet te rijmen met vorenbedoelde jurisprudentie, nu zij de bestaande turbines nadrukkelijk betrekt in haar conclusie dat er sprake is van de oprichting van het windturbinepark. Mijns inziens vormen de twee aan de orde zijnde windturbines geen windturbinepark en zou er ten aanzien daarvan op basis van art. 2.2a lid 1 Bor geen omgevingsvergunning beperkte milieutoets-procedure (OBM-procedure) ex art. 2 lid 1 onder i Wabo behoeven te worden doorlopen (zie over art. 2.2a lid 1 Bor en de OBM-procedure punt 6 van de annotatie bij de eveneens in deze aflevering geplaatste uitspraak ABRS 14 november 2012, 201202480/1/A1, 201202482/1/A1 en 201202484/1/A1). Voor een tegenovergesteld oordeel zou naar mijn mening alleen plaats zijn indien ten tijde van de besluitvorming over de twee reeds geplaatste windturbines voorzienbaar was dat die deel zouden gaan uitmaken van een windturbinepark van vier windturbines. In dat geval is destijds verzuimd om te onderzoeken of er sprake is van factoren als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn die maken dat een project-MER zou moeten worden gemaakt. Als er op grond van die factoren had moeten worden besloten tot het opstellen van een project-MER, dan vereist de nuttige werking van de m.e.r.-richtlijn dat er ten behoeve van de publieke besluitvorming over aan de orde zijnde twee windturbines alsnog een dergelijk MER wordt opgesteld. Zie daartoe onder meer HvJ EU 17 maart 2011, zaaknr. C-275/09.

6. Ten slotte vestig ik in deze noot de aandacht op de vraag welk bestuursorgaan bevoegd gezag is ter zake van de omgevingsvergunningverlening. Een van de eisers betoogt dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bevoegd waren om te beslissen op de aanvraag om deze vergunning. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan dat er vooralsnog geen aanleiding is aan te nemen dat deze eiser gelijk heeft. Het is niet duidelijk waar het woord “vooralsnog” op slaat, maar het zou kunnen dat de rechtbank daarmee heeft willen aangeven dat er op dit punt onzekerheid bestaat waaromtrent de Afdeling bestuursrechtspraak nog geen oordeel heeft geveld. De bedoelde onzekerheid betreft de reikwijdte van art. 9f lid 2 Elektriciteitswet 1998 (hierna: Ew). In deze bepaling wordt aangegeven dat het college van gedeputeerde staten de in art. 9f lid 1 Ew bedoelde besluiten neemt met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij dit een bestuursorgaan van de rijksoverheid is. Het eerste lid van art. 9f Ew heeft betrekking op de besluiten aangewezen op grond van art. 9d lid 1 Ew ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in art. 9e lid 1 Ew. Tot de aangewezen besluiten behoort onder meer de omgevingsvergunning ter zake van de activiteiten als bedoeld in art. 2 lid 1 sub a tot en met c Wabo (daarop ziet de i.c. verleende omgevingsvergunning), aldus volgt uit art. 19d lid 1 Ew jo. art. 1 Uitvoeringsbesluit rijkcoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. Vraag is hoe de verwijzing in art. 9f lid 1 Ew naar art. 9e lid 1 Ew moet worden geduid. In laatstgenoemd artikellid wordt aangegeven dat het college van provinciale staten bevoegd zijn voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW gronden aan te wijzen en daarvoor een provinciaal inpassingsplan vast te stellen. Is er op grond van art. 9f lid 2 Ew reeds sprake van een verschuiving van de besluitvormingsbevoegdheid naar het college van gedeputeerde staten indien er sprake is van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW of is daarvoor tevens vereist dat er voor die productie-installatie ook een provinciaal inpassingsplan  is vastgesteld? De parlementaire geschiedenis bij de ingevolge de Crisis- en herstelwet in de Ew opgenomen bepalingen geeft hierop geen duidelijk antwoord. Maar het lijkt mij verdedigbaar dat het college van gedeputeerde staten het in beginsel bevoegde gezag is ten aanzien van een omgevingsvergunning voor een productie-installatie (die kan bestaan uit meerdere windturbines) met een capaciteit tussen de 5 en de 100 MW.  Daartoe zij onder meer gewezen op de wijze waarop de Afdeling categorie 1.1 van bijlage I Chw uitlegt. Deze bepaling luidt als volgt: “de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in art. 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en art. 9e van de Elektriciteitswet 1998.”

De Afdeling heeft aangegeven dat de verwijzing naar art. 9e Chw betrekking heeft op een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw. De verwijzing impliceert niet dat er ook een provinciaal inpassingsplan voor die installatie moet zijn vastgesteld. Zie onder meer ABRS 14 december 2011, nr. 201107137/1/H1 en ABRS 26 oktober 2011, nr. 201105225/1/H1. Onder referte naar deze laatste uitspraak concludeert de rechtbank dat nu de twee aan de orde zijnde windturbines een gezamenlijk vermogen van 6 Mw hebben, er sprake is van een productie-installatie als bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I Chw. De Chw is volgens de rechtbank dan ook van toepassing. Vanwege de redactioneel gelijke opzet van categorie 1.1 van bijlage 1 Chw en art. 19 f lid 1 Ew, lijkt het mij voor de hand te liggen dat beide bepalingen gelijk door de Afdeling worden uitgelegd en dat in de onderhavige casus niet het college van burgemeester en wethouders, maar het college van gedeputeerde staten bevoegd waren om op de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen. Twijfel dienaangaande bestaat echter wel, aangezien de Afdeling in voorkomende zaken waarin zij heeft geoordeeld dat de Chw van toepassing is nu de besluitvorming ziet op een productie-installatie voor de winning van windenergie met een capaciteit tussen de 5 en de 100 MW, niet tevens ambtshalve oordeelde dat in die zaken niet het college van burgemeester en wethouders, maar het college van gedeputeerde staten het bevoegde gezag waren. Een ambtshalve toetsing zou in de reden liggen aangezien het een bevoegdheidsaspect betreft.


Gerelateerd

Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie MA.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Subsidies voor duurzame initiatieven
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Subsidies voor duurzame initiatieven’, Bb 2018/33.
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9