Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven

Annotatie ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35

Essentie

Het door appellante geopperde alternatief maakt meer mogelijk dan de doelstelling van het project, bevat onzekerheden en brengt extra kosten met zich. Vanwege die redenen is geen sprake van een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief in het kader van het (project-)MER. Dat het bevoegd gezag aan appellante een termijn van zes maanden heeft gegeven om het door haar gewenste alternatief te onderzoeken, maakt niet dat het alternatievenonderzoek van het MER onvolledig dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Samenvatting

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4039, is de vraag welke alternatieven in een concrete situatie redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en moet deze mede worden beantwoord in het licht van artikel 7.23, eerste lid, onder e, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Ingevolge die bepaling moet een milieueffectrapportage (hierna: MER) onder meer een beschrijving bevatten van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben. Uit de genoemde bepaling volgt dat in een MER uitsluitend alternatieven hoeven te worden beschreven die, wat betreft de gevolgen voor het milieu die daarvan redelijkerwijs zijn te verwachten, mogelijk tot relevante verschillen kunnen leiden. De Afdeling toetst in het hiernavolgende of de betrokken bestuursorganen het door het NIOZ gewenste alternatief redelijkerwijs buiten beschouwing hebben gelaten op 16 december 2015 onderscheidenlijk 3 februari 2016. De Afdeling toetst niet of het alternatieve plan haalbaar is. Ook het ontwerpbesluit waarbij het verzoek van het NIOZ om herziening van het projectplan wordt afgewezen, is in deze procedure niet aan de orde.

De Afdeling constateert dat er een verschil van mening is over de vroegere situatie rondom polder ’t Horntje. Vast staat dat de gronden van het NIOZ thans buiten de primaire waterkering liggen. De veiligheidsnorm in artikel 2.2 van de Waterwet heeft betrekking op gronden die binnen de primaire waterkering liggen en heeft daarmee niet de strekking om de gronden van het NIOZ te beschermen. Voor het beschermingsbereik van artikel 2.2 is het niet relevant of in het verleden de gronden van het NIOZ binnendijks hebben gelegen. Daarom maakt het in het kader van deze procedure niet uit of de gronden van het NIOZ in het verleden wel of niet binnen- of buitendijks lagen.

In de Startnotitie is reeds opgemerkt dat het door het NIOZ gewenste alternatief geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief is. Hiertoe is terecht gesteld dat het doel van het NIOZ-alternatief meer omvat dan uitsluitend er voor zorgen dat de primaire waterkering voldoet aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet. Het projectplan heeft uitsluitend tot doel dat de primaire waterkering aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet voldoet. Weliswaar wordt het gebied binnen de primaire waterkering ook beschermd als gekozen wordt voor het NIOZ-alternatief, maar het doel van het NIOZ-alternatief is met name om de buitendijks gelegen gronden van het NIOZ binnendijks te brengen. De veiligheidsnorm uit de Waterwet strekt hiertoe niet. Deze veiligheidsnorm strekt er toe dat het gebied binnen de primaire waterkering wordt beschermd. In dit kader speelt geen rol dat het NIOZ een grote maatschappelijke waarde heeft en dat de overschrijdingskans ter plaatse van de gronden van het NIOZ niet gering is. Voor zover het NIOZ verwijst naar de doelstelling van de Waterwet om overstromingen te voorkomen en te beperken, is de Afdeling van oordeel dat het niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem in de toekomst zodanig overstromingsgevaar dreigt dat het college (van gedeputeerde staten van Noord-Holland) in redelijkheid goedkeuring aan het projectplan had moet onthouden op de grond dat het niet voorziet in een verlegging van de primaire waterkering. Als gevolg van dit projectplan neemt het overstromingsgevaar voor de gronden van het NIOZ immers niet toe.

Ook is in de Startnotitie reeds opgemerkt dat een diepe geul voor de voorlanddijk de stabiliteit van de voorlanddijk kan aantasten en dat dit zorgt voor een onzekere factor. Ook in de stukken die daarna naar voren zijn gebracht is het onduidelijk welke gevolgen de diepe geul, gelegen voor de voorlanddijk, voor de stabiliteit van de voorlanddijk heeft. Destijds is er in de Startnotitie derhalve terecht van uitgegaan dat dit een onzekere factor is.

Tot slot is reeds in de Startnotitie naar voren gebracht dat het door het NIOZ gewenste alternatief in verhouding tot andere alternatieven kostbaar is. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de geulwand voldoende stabiel is, is ook niet aannemelijk geworden dat de kosten die daarmee samenhangen niet hoeven te worden opgevoerd. Ook heeft het college aangevoerd dat de voorlandkering die in het door het NIOZ gewenste alternatief wordt versterkt ongeveer 800 m langer is dan de primaire waterkering die in het projectplan wordt versterkt. Het college heeft gesteld dat het versterken en het onderhouden van een langer dijkvak hogere kosten met zich brengt. Dit is door het NIOZ niet bestreden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat bij de voorbereiding van dit besluit er ten onrechte van is uitgegaan dat het door het NIOZ gewenste alternatief kostbaarder is dan andere alternatieven.

Gelet op het doel van het projectplan, de onzekerheden die de geulwand met zich brengt en de extra kosten van het door het NIOZ gewenste alternatief, geeft hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit alternatief een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief in het kader van de MER is. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het alternatievenonderzoek van de MER onvolledig dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Om die reden bestaat in zoverre evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid goedkeuring had moeten onthouden aan het projectplan.

Het college van gedeputeerde staten heeft aangegeven dat hoewel hij het NIOZ-alternatief geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief acht, het NIOZ op 18 november 2015 toch de mogelijkheid is geboden om binnen zes maanden het door het NIOZ gewenste alternatief nader te onderzoeken vanwege de belangen van het NIOZ. Het Hoogheemraadschap heeft het NIOZ toen te kennen gegeven dat de besluitvorming wordt voortgezet en het projectplan zal worden vastgesteld, maar dat dit kan worden gewijzigd indien zou blijken dat het alternatief haalbaar is en voldoet aan de door het Rijk gestelde criteria. De Afdeling overweegt dat uit voornoemde gang van zaken niet kan worden afgeleid dat het college heeft erkend dat het alternatievenonderzoek van het MER onvolledig dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Voorts voert het NIOZ aan dat het ten onrechte slechts zes maanden heeft gekregen om aan te tonen dat het alternatief financieel en technisch haalbaar is. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk was om het NIOZ in november 2015 langer dan zes maanden de tijd te geven om zijn alternatief uit te werken. De uiterste datum voor de realisering van de volledige dijkversterking is eind 2019. Dit brengt mee dat er direct na afloop van de gegeven termijn duidelijkheid moet zijn over de haalbaarheid van het alternatief, omdat het op een later moment niet meer mogelijk is om het projectplan te wijzigen zonder dat de einddatum in gevaar komt. De Afdeling overweegt dat ook als moet worden geoordeeld dat de gegeven termijn onredelijk kort is, wat daar ook van zij, dit geen gebrek oplevert dat aan het bestreden besluit kleeft.

Uitspraak

ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, projectplan “Versterking Waddenzeedijk Texel secties 1 tot en met 8 en sectie 10”, GS Noord-Holland

Annotatie M.A.A. Soppe

1.         Deze uitspraak draait om de vraag of in het project-MER op toereikende wijze invulling is gegeven aan de verplichting om daarin de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven te beschrijven (zie art. 7.23 lid 1 sub b Wm). Het MER is in casu opgesteld voor het op de Waterwet gebaseerde projectplan ten behoeve van de versterking van een deel van de Waddenzeedijk op Texel. De aan deze dijk gevestigde stichting Koninklijk Nederlands Instituut voor onderzoek der Zee (NIOZ) kan zich niet met het projectplan verenigen aangezien haar gronden door de voorziene dijkversterking niet extra worden beschermd ten opzichte van de huidige situatie. In de beroepsprocedure voert zij aan dat in het MER een alternatief plan (ter plaatste van haar gronden) in beschouwing had moeten worden genomen. Dat alternatieve plan voorziet erin dat de zogeheten voorlanddijk de functie van waterkering krijgt waardoor ook de gronden van NIOZ tegen overstroming worden beschermd.

2.         In beroep betoogt NIOZ dat de (door gedeputeerde staten onderschreven) keuze van het Hoogheemraadschap om het geopperde alternatief niet in het alternatievenonderzoek in de Projectnota/MER te betrekken, is gebaseerd op onjuiste en onvolledige gegevens. De Afdeling toetst de door het NIOZ aangevoerde grieven dienaangaande inhoudelijk. Dat zou anders zijn geweest indien het NIOZ het alternatief pas in het stadium van het ontwerp van het projectplan zou hebben ingebracht. In zo’n situatie oordeelt de Afdeling dat het bevoegd gezag niet kan worden verweten het desbetreffende alternatief niet in het MER te hebben beschreven, tenzij er sprake is van ernstige bezwaren tegen het m.e.r.-plichtige besluit (daarvan lijkt niet snel sprake te zijn). Zie ABRvS 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE2733 en ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9692, JM 2011/107. Een eerst in de beroepsprocedure aangevoerd m.e.r.-alternatief kan sowieso niet leiden tot het oordeel dat het bevoegd gezag daarmee ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Verwezen zij naar ABRvS 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8820. Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat het NIOZ haar alternatief reeds naar voren heeft gebracht in de inspraakfase betreffende het voornemen om een MER op te stellen.

3.         De redenen om het NIOZ-alternatief niet in het MER te beschrijven, zijn gelegen in het gegeven dat dit alternatief meer omvat dan de doelstelling van de dijkversterking (voldoen aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet), dit alternatief een onzekere factor omvat en dat de uitvoering ervan kostbaarder is dan de in het MER beschouwde alternatieven. De Afdeling acht deze redenen in onderlinge samenhang bezien valide. Het is vaste jurisprudentie dat er niet gesproken kan worden van een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief, als dat alternatief niet op afdoende wijze aan de doelstelling van de initiatiefnemer tegemoet treedt. Zie bijvoorbeeld ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1470. Daarin accordeert de Afdeling dat in een MER voor een bestemmingsplan ter zake van een windturbinepark, als alternatief geen windturbines van 80 meter zijn beschreven omdat deze niet voldoen aan het beoogde financiële rendement. Zie voor andere voorbeelden ABRvS 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2794, JM 2014/106, en ABRvS 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4561, JM 2012/74. Het NIOZ-alternatief beantwoordt wel aan de doelstelling van gedeputeerde staten. Het maakt evenwel meer mogelijk doordat het ook bescherming tegen overstroming biedt voor de thans buitendijks gelegen gebieden van NIOZ. Dat is op zich geen reden om het alternatief buiten het MER te (mogen) houden. Aan de uitvoering van het alternatief zijn echter hogere kosten verbonden waarvoor volgens het bevoegd gezag geen projectbudget beschikbaar is.

De Afdeling heeft meer dan eens onderschreven dat de beschikbare financiële kaders bepalend mogen zijn voor de keuze om een geopperd alternatief niet in het MER te beschrijven. Zie onder andere ABRvS 29 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR8378, JM 2005/17, ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3039, JM 2008/32 en ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1342, M en R 2011/93). Het gegeven dat aan de uitvoering van het NIOZ-alternatief een onzekere factor is verbonden doordat een diepe geul voor de voorlanddijk de stabiliteit van deze dijk kan aantasten, is in de oordeelsvorming van de Afdeling eveneens een factor van belang. Wanneer deze onzekerheid er (vooralsnog) toe leidt dat er sprake is van een technisch niet of nauwelijks haalbaar alternatief, is ook dit in lijn met eerdere uitspraken. Zie ABRvS 15 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7312, JM 2011/23, ABRvS 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, M en R 2011/92 en ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9663, JM 2011/101.

4.         Het gegeven dat het NIOZ door het Hoogheemraadschap in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn van zes maanden alsnog aan te tonen dat haar alternatief haalbaar is en voldoet aan de door het rijk gestelde criteria, maakt volgens de Afdeling niet dat daarmee is erkend dat het alternatievenonderzoek van het MER onvolledig dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat lijkt mij terecht. De aan het NIOZ geboden mogelijkheid was enkel bedoeld om het NIOZ in de gelegenheid te stellen om toch nog een uiterste poging te wagen om te onderbouwen dat haar alternatief wel haal- en betaalbaar is. Het Hoogheemraadschap heeft bij het bieden van die mogelijkheid duidelijk aangegeven dat er op basis van de bij haar bekende feiten geen sprake was van een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief (en dat het alternatief derhalve met recht niet in het MER is beschreven). Er bestond geen enkele juridische grondslag om het NIOZ überhaupt een nadere termijn te gunnen om vorenbedoelde onderbouwing aan het Hoogheemraadschap te leveren. Het is naar ik aanneem om die reden dat de Afdeling in r.o. 7.2 stellig oordeelt dat zelfs wanneer de geboden termijn als onredelijk kort zou moeten worden bestempeld, dit geen gebrek oplevert dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan aantasten.

5.         Deze uitspraak maakt wederom duidelijk dat de vraag welke alternatieven in een concrete situatie redelijkerwijs in een project-MER beschouwing dienen te worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval (hetgeen de Afdeling in r.o. 4.6 expliciet overweegt). Voor een meer uitgebreid overzicht van de blijkens de jurisprudentie in dat verband relevante factoren, zij verwezen naar mijn commentaar bij artikel 7.23 Wm in R. Uylenburg (red.), Tekst & Commentaar Milieurecht, Deventer 2015.


Gerelateerd

Niet elk bedrijventerrein is een industrieterrein in de zin van categorie D 11.3 Besluit mer
Annotatie T. Rötscheid ABRvS 10 maart 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:516
Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie M.A.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9