Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan

Annotatie ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43

Essentie

Verzuimd om een m.e.r.-beoordeling te verrichten voor de vaststelling van een wijzigingsplan. Dit leidt tot vernietiging van het wijzigingsplan. Voor toepassing van de bestuurlijke lus is geen ruimte gelet op de aard van het gebrek en de feitelijke ontwikkelingen inzake de verplaatsing van de aan de orde zijnde Maatschap.

Samenvatting

Het wijzigingsplan biedt de planologische mogelijkheid om agrarisch bedrijf te laten groeien met meer dan 200 koeien of om het bedrijf om te schakelen naar andere diersoorten. Ingevolge categorie 14, kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, dat ziet op activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de Wet milieubeheer van toepassing is, is als mer-beoordelingsplichtige activiteit aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan de in kolom 2 aangegeven aantallen. Voor melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar geeft kolom 2 een aantal van 200 aan. In kolom 3 zijn als plannen onder meer aangewezen de plannen bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wro. In artikel 8 van de planvoorschriften, dat betrekking heeft op de bestemming “Agrarisch Bedrijf”, wordt geen beperking gesteld aan het te bebouwen oppervlak. Dit betekent dat in dit geval het gehele plangebied, dat volgens het deskundigenbericht ongeveer 2,5 hectare groot is, mag worden bebouwd. Blijkens het Strategisch bedrijfsontwikkelingsplan van 29 juni 2010, dat is opgesteld door LTO Noord Advies vestiging Drachten, heeft de Maatschap de wens om het agrarisch bedrijf te laten uitgroeien tot een bedrijf met ongeveer 200 melkkoeien. Volgens het deskundigenbericht is het houden van een groter aantal melkkoeien of een omschakeling naar andere diersoorten gelet op artikel 8 van de planvoorschriften evenwel ook mogelijk. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geen mer-beoordeling verricht. De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (bestuurlijke lus), ziet de Afdeling geen aanleiding gelet op de aard van het gebrek en de feitelijke ontwikkelingen inzake de verplaatsing van de Maatschap.

Uitspraak

ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, wijzigingsplan Wijziging bestemming i.v.m. verplaatsing agrarisch bedrijf naar een perceel aan de Dwêrsfeart in Gorredijk, gemeente Opsterland

Annotatie M.A.A. Soppe

1. In het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan-(herziening) dient vanwege artikel 19j lid 1 Nbw 1998 te worden bezien of dat plan (significante) effecten kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Als significante effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan zal een passende beoordeling noodzakelijk zijn. Aldus volgt uit artikel 19j lid 2 Nbw 1998. In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van een zogeheten voortoets waarin wordt bezien of een bestemmingsplan negatieve effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied en zo ja, of deze significant kunnen zijn. Als de uitkomst is dat significante effecten zijn uitgesloten, dan wordt vervolgens afgezien van het verrichten van een passende beoordeling. In het verleden was de scheidslijn tussen een voortoets en een passende beoordeling niet scherp te trekken. Dat is niet vreemd aangezien het instrument voortoets in het geheel niet in de Nbw 1998 wordt genoemd. Artikel 19j lid 2 Nbw 1998 meldt omtrent de passende beoordeling voorts uitsluitend dat daarin de ecologische gevolgen van het plan moeten worden beoordeeld waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen. Twee ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het onderscheid tussen de passende beoordeling en de voortoets thans wel vrij duidelijk is geworden èn dat het in juridisch opzicht essentieel is om dat onderscheid goed op de radar te hebben. De bedoelde ontwikkelingen betreffen achtereenvolgens de Zuiderklipjurisprudentie en de in 2006 in artikel 7.2a lid 1 Wm opgenomen verplichting om voor plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt een plan-MER op te stellen. Daarop wordt hierna nader ingegaan.

2. In de uitspraak over het bestemmingsplan ‘De Zuiderklip’ heeft de Afdeling uitgemaakt dat mitigerende maatregelen niet in de voortoets bij de beoordeling of er sprake kan zijn van significante effecten mogen worden betrokken, maar dat deze maatregelen pas in aanmerking mogen worden genomen in de passende beoordeling (zie ABRvS 7 mei 2008, Gst. 2008/97, m.nt. S.D.P. Kole). Of, om het anders te zeggen, als mitigerende maatregelen nodig zijn om te kunnen concluderen dat significante effecten van bijvoorbeeld een bestemmingsplan zijn uitgesloten, dan is per definitie een passende beoordeling nodig als bedoeld in artikel 19j lid 2 Nbw 1998. De Zuiderklipuitspraak is inmiddels bestendige jurisprudentie (zie onder meer ook ABRvS 11 april 2012, nr. 201010477/1/R1, r.o. 2.8.6). Overigens zij er volledigheidshalve op gewezen dat mitigerende maatregelen niet moeten worden verward met compenserende maatregelen. Laatstgenoemde maatregelen mogen überhaupt niet worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of een plan significante effecten voor een Natura 2000-gebied kan hebben.

3. Het feit dat de Zuiderklipjurisprudentie duidelijk maakt wanneer een habitattoets in de vorm van een passende boordeling moet worden gegoten, lijkt op het eerste gezicht in juridisch opzicht niet schokkend. Dat de naam op de kaft van een ecologisch onderzoek vermeldt dat het handelt om een voortoets maar de inhoud uitwijst dat het om een passende beoordeling gaat, is gelet op de Nbw 1998 sec niet bezwaarlijk. Waar het immers om gaat is dat met de desbetreffende rapportage wordt voldaan aan de vereiste ecologische toetsing als bedoeld in artikel 19j lid 2 Nbw 1998. Aldus volgt bijvoorbeeld uit AbRvS 29 december 2004, nr. 200403311/1 (r.o. 2.2.8), waarin ter zitting desgevraagd door verweerder werd bevestigd dat het verrichte ecologische onderzoek kon worden opgevat als een passende beoordeling (in weerwil van de aanduiding ‘op de kaft’ van dat onderzoek). Sinds de introductie van artikel 7.2a Wm in de Wet milieubeheer medio 2006 (vanwege het niet tijdig implementeren van de smb-richtlijn eigenlijk al eerder op grond van artikel 3 lid 2 sub b van die richtlijn, maar dat terzijde), kan het echter fataal zijn om in het kader van een bestemmingsplan te volstaan met een voortoets die in rechte – vanwege de daarin opgenomen mitigerende maatregelen – eigenlijk heeft te gelden als een passende beoordeling. Artikel 7.2a lid 1 Wm verplicht er namelijk toe dat wanneer voor bijvoorbeeld een bestemmingsplan een passende beoordeling moet worden verricht, er een plan-MER moet worden gemaakt. Dat impliceert dat een onjuiste kwalificatie van het ten behoeve van een bestemmingsplan verrichte ecologisch onderzoek kan leiden tot het miskennen van de plan-m.e.r.-plicht ex artikel 7.2a lid 1 Wm. Wordt een ecologisch onderzoek als voortoets aangemerkt en ten onrechte niet als passende beoordeling en wordt om die reden nagelaten een plan-m.e.r.-procedure te doorlopen, dan is dat een per definitie fataal gebrek in de bestemmingsplanprocedure mocht dit in een beroepsprocedure aan de orde worden gesteld. Fataal, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat een plan-m.e.r.-gebrek niet kan worden hersteld met de toepassing van de bestuurlijke lus en dat gebrek voorts niet kan worden gepasseerd vanwege het feit er in de desbetreffende casus een m.e.r.-beoordelingsprocedure is doorlopen (zie ABRvS 29 februari 2012, JM 2012/52, m.nt. Hoevenaars; zie hierover punt 6 van mijn annotatie bij ABRvS 30 mei 2012, TBR 2012/129).

4. In de onderhavige uitspraak was ten behoeve van het bestemmingsplan een voortoets (onder de naam ‘natuurtoets’) verricht waarin was ingegaan op de mogelijke negatieve ecologische effecten van het bestemmingsplan voor het Natura 2000-gebied Dwingelderveld. In die natuurtoets waren mitigerende maatregelen betrokken bij de daarin geformuleerde conclusie dat het bestemmingsplan geen significante effecten zou kunnen hebben voor het Dwingelderveld. In lijn met hetgeen hiervoor is uiteengezet oordeelt de Afdeling dat niet valt uit te sluiten dat de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen significante effecten voor dit Natura 2000-gebied kunnen hebben als de mitigerende maatregelen buiten beschouwing worden gelaten en dat er om die reden een plicht bestond om een passende beoordeling te verrichten. Dat impliceert tevens een plan-m.e.r.-plicht vanwege artikel 7.2a lid 1 Wm. Aangezien er geen plan-m.e.r.-procedure was doorlopen en dit gebrek niet kan worden gepasseerd vanwege de (wel verrichte) m.e.r.-beoordeling en evenmin kan worden gerepareerd middels toepassing van de bestuurlijke lus, is het niet erg verwonderlijk dat de Afdeling niet onderzoekt of de voortoets in casu inhoudelijk gezien wellicht als passende beoordeling kon worden gekwalificeerd maar aanstonds overgaat tot de vernietiging van het (besluit tot vaststelling van het) bestemmingsplan.

5. Deze uitspraak onderstreept (nog eens) het belang om bij het beoordelen van de vraag of een bestemmingsplan significante effecten kan hebben nauwgezet te werk te gaan. Als een passende beoordeling en de daaraan noodzakelijkerwijs gekoppelde plan-m.e.r.-procedure achterwege worden gelaten, dan is immers sprake van een fataal gebrek. Aangezien het onderscheid tussen een passende beoordeling en de voortoets (waaruit volgt dat een passende beoordeling niet nodig is) in materiële zin is te herleiden tot de issue of er al dan niet mitigerende maatregelen in de beoordeling worden betrokken, is scherp inzicht nodig in de afbakening van het begrip ‘mitigerende maatregelen’. Maar dat inzicht is nog niet in alle opzichten te geven. Zo is er (nog steeds) discussie over de exacte afgrenzing tussen enerzijds mitigerende maatregelen en anderzijds compenserende maatregelen, is niet in algemene zin aan te geven of bepaalde reeds aangekondigde en soms al uitgevoerde maatregelen nog wel als mitigerende maatregel mogen worden bestempeld of dienen te worden beschouwd als autonome ontwikkeling en is bijvoorbeeld arbitrair of in een bestemmingsplan te voorziene ontwikkelingen die gunstig zijn voor een Natura 2000-gebied al dan niet per definitie als mitigerende maatregel moeten worden aangemerkt (zie in dit kader bijvoorbeeld punt 5 van de annotatie van Backes bij ABRvS 22 oktober 2008, AB 2008, 363). Bij twijfel omtrent de kwalificatie van een in de ecologische toetsing genoemd element (al dan niet mitigerende maatregel?) zal bezien moeten worden of dit element van belang is om tot de conclusie te kunnen komen dat significante effecten zijn uit te sluiten. Bij een bevestigend oordeel is het raadzaam om de ecologische toetsing als passende beoordeling uit te voeren en een plan-MER op te stellen. Zeker voor relatief kleinschalige ontwikkelingen die worden voorzien in een postzegelbestemmingsplan zal met name de plan-m.e.r.-plicht wellicht als een enorme extra (onderzoeks)last worden beschouwd. Er zij echter op gewezen dat een dergelijk plan-MER niet perse alternatieven behoeft te bevatten (als er gelet op de aard van de ontwikkeling geen milieuefffectonderscheidende alternatieven voorhanden zijn) en de milieueffectbeschrijving zich hoofdzakelijk lijkt te mogen richten op de passende beoordeling die verplicht onderdeel van het plan-MER uitmaakt. Gewezen zij in dit verband op ABRvS 13 juni 2012, nr. 201104625/1/R1 en het aan die uitspraak ten grondslag liggende dossier.

6. Het gegeven dat de Afdeling het voor mogelijk houdt dat een bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn gewijzigd wordt vastgesteld, is de moeite van het vermelden waard. In casu was het bestemmingsplan een jaar na de vaststelling ervan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat de aanvankelijk op de verbeelding ontbrekende bestemming ‘Natuur’ aan de verbeelding is toegevoegd. De Afdeling merkt op dat het gewijzigde vaststellingsbesluit heeft te gelden als een besluit in de zin van artikel 6:18 Awb. Gelet op artikel 6:19 lid 1 Awb dienen de beroepen van de desbetreffende appellanten volgens de Afdeling dan ook mede te worden geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

7. Dat de Afdeling het voor mogelijk houdt dat het bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn gewijzigd wordt vastgesteld zonder dat daarbij afdeling 3.4 Awb wordt doorlopen is ten principale uitgemaakt in ABRvS 22 februari 2012, Gst. 2012, 52, m.nt. P.C.M. Heinen. De Afdeling refereert daarbij aan haar bevoegdheid om in het kader van de toepassing van de bestuurlijke lus ook te bepalen dat afdeling 3.4 Awb niet van toepassing is. De Afdeling kent aldus schaduwwerking toe aan het bestuurlijke lus-instrument. Overigens stelt de Afdeling aan het zonder doorlopen van enige procedure opnieuw en gewijzigd vaststellen van een bestemmingsplan wel de restrictie dat de door te voeren wijzigingen, die bijvoorbeeld (maar niet noodzakelijkerwijs) het gevolg zijn van een ingediende zienswijze die aanvankelijk niet is gehonoreerd, naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Getuige de onderhavige uitspraak hoeft daarvan bijvoorbeeld geen sprake te zijn als er aan de digitale verbeelding de bestemming ‘Natuur’ wordt toegevoegd. Het zal afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden van het geval of zo’n wijziging al dan niet leidt tot een wezenlijk ander plan. Als het gaat om herstel van een evidente omissie, dan zal daarvan in de regel geen sprake zijn.

8. Als in het kader van een voorlopige-voorzieningprocedure een (vaststellingsbesluit ter zake van een) bestemmingsplan wordt geschorst vanwege onvolkomenheden in dat plan dan wel wanneer in een beroepschrift op overtuigende wijze op dergelijke onvolkomenheden wordt gewezen, dan lijkt het raadzaam om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Uit de uitspraken Vz. ABRvS 13 mei 2011, nr. 201101507/2/R2 en Vz. ABRvS 11 augustus 2011, nr. 201101507/3/R2, blijkt dat een eerder uitgesproken schorsing vanwege een onvolkomenheid in het bestemmingsplan in een nieuwe voorlopige-voorzieningprocedure kan worden opgeheven, als het bestemmingsplan naar aanleiding van de schorsing gewijzigd is vastgesteld waarmee de onvolkomenheid teniet is gedaan.


Gerelateerd

Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie MA.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9