Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad

Annotatie ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41

Essentie

Samenhangende installaties voor opwekken windenergie; werkingssfeer m.e.r.-regelgeving windturbines.

Samenvatting

Hoger beroep. Drie bouwvergunningen die ieder zien op het oprichten van een windturbine op Test Site Lelystad. Geen sprake van één inrichting in de zin van de Wm. Daarbij wordt overwogen dat tussen de windturbines op de Test Site onvoldoende technische en functionele binding bestaat en dat de oprichtingsvergunningen aan verschillende vergunninghouders zijn verleend, die geen organisatorische samenhang hebben en ieder eigen personeel, middelen en testprogramma’s hebben, alsmede dat iedere vergunninghouder zelf de aansluiting van de eigen windturbine op het elektriciteitsnet verzorgt. In de omstandigheid dat de Test Site bij Wageningen University and Research Centre in eigendom is en dat deze site als zodanig door adviesbureau Ecofys WTTS wordt gecoördineerd, wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Voorts brengt, anders dan appellanten hebben betoogd, de omstandigheid dat op de Test Site een verdeelstation is opgericht, niet met zich dat de windturbines niet rechtstreeks op het elektriciteitsnet zijn aangesloten.

Appellanten hebben weliswaar terecht aangevoerd dat de samenhang tussen de windturbines in de zin van het Besluit m.e.r. niet uitsluitend kan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de windturbines één inrichting in de zin van de Wm vormen, doch dit kan niet leiden tot het door hen daarmee beoogde doel. Anders dan appellanten betogen, bestaat tussen de windturbines, gelet op de onderlinge afstanden van 600 en 1180 meter, onvoldoende ruimtelijke samenhang om ze te kunnen beschouwen als met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie als bedoeld in categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit.

Gelet op het voorgaande zijn de bouwplannen niet aan te merken als een activiteit die is aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wm, zodat de bouwaanvragen niet behoefden te worden aangehouden. Hetgeen appellanten aanvoeren over de drempelwaarde en andere factoren die aanleiding kunnen geven om een milieueffectrapport op te stellen, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt overwogen dat de wettelijke voorschriften die bepalen wanneer voor inrichtingen en activiteiten een vergunning krachtens de Wm is vereist, verwijzen naar de in categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde activiteit “de oprichting, wijziging of uitbreiding van één of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie” (kolom 1) en niet naar de in kolom 2 genoemde gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op ” een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 10 molens of meer”. Nu het niet gaat om een krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wm aangewezen activiteit, is voor de aanhoudingsplicht niet van belang of de drempelwaarde al dan niet wordt overschreden.

Uitspraak

ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, bouwvergunningen windturbines Lelystad, gemeente Lelystad

Annotatie M.A.A. Soppe

1. Deze uitspraak is het gevolg van ingestelde hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 26 januari 2012 (zaaknrs. 11/1289, 11/1291 en 11/1294) inzake een drietal bouwvergunningen die ieder voorzien in de bouw van een windturbine op de zogenoemde Test Site Lelystad.

2. Het toetsingskader in deze zaak wordt gevormd door het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wabo. De bouw van de windturbines was in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan, zodat de bouwvergunningen in beginsel moesten worden verleend. Een aantal appellanten stelt evenwel dat de aanvragen om bouwvergunning hadden moeten worden aangehouden op grond van het voormalige art. 52 lid 1 Woningwet. Die bepaling hield in dat een aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden als voor het oprichten van het desbetreffende bouwwerk ook een Wm-vergunning is vereist en die vergunning nog niet is verleend. Appellanten betogen dat er voor de windturbines een Wm-vergunningplicht bestond vanwege bijlage 1, onderdeel d, bij het in deze casus van toepassing zijnde Barim (zoals dat gold tot de inwerkingtreding van de Wabo). Dit onderdeel bepaalde dat er een Wm-vergunningplicht bestaat voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens art. 7.2 lid 1 Wm, voor zover ter zake van die activiteiten de eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht berust bij (onder meer) de Wm-vergunning (zijnde een besluit waarop afdeling 3.4 Awb en afdeling 13.2 Wm van toepassing zijn).

3. In kolom 1 van categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het in deze casus van toepassing zijnde Besluit milieueffectrapportage 1994 (Besluit m.e.r. 1994) was in kolom 1 als activiteit aangewezen de oprichting van een of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie. Deze ruime omschrijving impliceert in samenhang met voornoemde bijlage 1, onderdeel d, bij het toenmalige Barim enerzijds dat er een Wm-vergunningplicht bestond voor iedere situatie waarin nieuw te bouwen windturbines met elkaar samenhangen en anderzijds dat er nimmer een Wm-vergunningplicht bestond voor solitaire windturbines. In casu was de hamvraag derhalve of de middels de bouwvergunningen vergunde windturbines al dan niet samenhangende installaties zijn. Uitsluitend bij een bevestigend oordeel zouden appellanten het gelijk aan hun zijnde hebben dat de bouwvergunningaanvragen hadden moeten worden aangehouden vanwege de alsdan bestaande Wm-vergunningplicht voor de windturbines. De rechtbank Zwolle-Lelystad had de vraag of er al dan niet sprake is van met elkaar samenhangende installaties verengd tot de vraag of de windturbines al dan niet gezamenlijk één inrichting in de zin van de Wm vormen. De Afdeling gaat daar niet in mee. Nadat zij in navolging van de rechtbank oordeelt dat de windturbines niet als een inrichting in de zin van de Wm hebben te gelden (conform bestendige jurisprudentie is daarbij met name van belang of de turbines al dan niet ieder een separate aansluiting op het elektriciteitsnet hebben en voorts of ze zullen worden geëxploiteerd door verschillende exploitanten),  onderzoekt zij aanvullend of er desalniettemin toch sprake is van met elkaar samenhangende installaties in de zin van het toepasselijke Besluit m.e.r. 1994. Dat de Afdeling het begrip samenhangende installaties ruimer uitlegt dan de rechtbank is conform bijvoorbeeld ABRS 29 februari 2012, nr. 201003801/1/R2 en ABRS 17 maart 2010, nr. 200806507/1/R1. In deze uitspraken concludeert de Afdeling dat de aan de orde zijnde windturbines als samenhangende installaties moeten worden aangemerkt zonder daarbij enige overweging te wijden aan de vraag of die turbines al dan niet één Wm-inrichting zullen gaan vormen.  Toch is er enig begrip op te brengen voor de uitspraak van de rechtbank. Er is namelijk ook een aantal uitspraken van de Afdeling waarin vooral wordt beoordeeld of er tussen windturbines een functionele, technische en organisatorische samenhang bestaat. Deze criteria betreffen de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of er sprake is van één Wm-inrichting. Zie bijvoorbeeld ABRS 11 januari 2012, nr. 201007061/1/R4 en ABRS 11 januari 2012, nr. 201001213/1/R4. Vanwege de niet helemaal eenduidige jurisprudentie, is de rechtszekerheid gediend met het feit dat in de aan de orde zijnde uitspraak expliciet duidelijk is gemaakt dat er ook sprake kan zijn van samenhang tussen windturbines in de zin van het Besluit m.e.r. 1994 als die turbines niet tot één Wm-inrichting behoren.

4. Aangezien er tussen de windturbines afstanden van 600 en 1180 meter zijn gelegen is er naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende ruimtelijke samenhang om ze te kunnen beschouwen als met elkaar samenhangende installaties in de zin van het toepasselijke Besluit m.e.r. 1994. Het is de vraag of de Afdeling in een zaak als de onderhavige anders zou oordelen wanneer het vigerende Besluit m.e.r. aan de orde is. In onderdeel D, onder 22.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt in kolom 1 niet meer gesproken van “met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie”, maar van de oprichting, wijziging of uitbreiding van een “windturbinepark”. Daaronder moet blijkens onderdeel A, onder 1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. worden verstaan een “park bestaande uit ten minste drie windturbines”. Vooropgesteld zij dat niet valt in te zien dat er niet ook sprake kan zijn van een windturbinepark indien de daarop te situeren windturbines niet als één Wm-inrichting hebben te gelden. Maar het begrip “samenhangende installaties” impliceert wellicht meer onderlinge verbondenheid tussen windturbines dan het begrip “windturbinepark”. De aan de orde zijnde windturbines worden gebouwd op de Test Site Lelystad. Dit betreft een full service testlocatie voor windturbines dat geheel in eigendom is bij Wageningen University and Research Centre. De binnen de Test Site Lelystad plaatsvindende projecten worden gecoördineerd door één partij (Ecofys WTTS). De coördinatie omvat een beheerssysteem voor gezondheid, veiligheid en milieu. De Test Site Lelystad kent verder een gemeenschappelijke infrastructuur (toegangswegen en een hogesnelheidglasvezelnetwerk) en daarbinnen kan gebruik worden gemaakt van geaccrediteerde windmetingen. Uit de website van de Test Site blijkt verder dat er 10 vastgelegde posities zijn waarbinnen windturbines kunnen worden opgericht (zie www.ecofys.com/nl/project/test-site-lelystad). Hoewel de Afdeling in de aan de orde zijnde uitspraak expliciet op het karakter van de Test Site Lelystad ingaat, ziet zij daarin geen reden om de turbines aan te merken als samenhangende installaties. Wellicht zou zij onder vigeur van het huidige Besluit m.e.r. tot de conclusie zijn gekomen dat de turbines gezamenlijk behoren tot een windturbinepark. De vraag wanneer die m.e.r.-(beoordelings)plicht had moeten worden geëffectueerd  (er is immers sprake van een bestaand park) laat ik in deze noot verder rusten.

5. De Afdeling acht het terecht dat de bouwplannen niet zijn aangemerkt als een activiteit in de zin van art. 7.2 lid 1 Wm. Van een aanhoudingsplicht voor de drie bouwvergunningaanvragen was dan ook geen sprake. De Afdeling kent in een overweging ten overvloede nadrukkelijk geen betekenis toe aan de vraag of de drempelwaarde in kolom 2 van onderdeel D, onder 22.1, van het Besluit m.e.r. 1994 bij het realiseren van de drie bouwplannen zou worden overschreden. In bijlage 1, onderdeel d, bij het in deze casus van toepassing zijnde Barim (zoals dat gold tot de inwerkingtreding van de Wabo) werd uitsluitend verwezen naar de in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen activiteiten en niet naar de in kolom 2 genoemde gevallen, aldus luidt de redenering van de Afdeling. Zou er sprake zijn geweest van met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van windenergie en daarmee van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D, onder 22.2, van voornoemde bijlage, dan had er een Wm-vergunningplicht bestaan (naar ik aanneem voor iedere windturbine voor zover er geen sprake zou zijn van één inrichting) en hadden de bouwvergunningaanvragen moeten worden aangehouden. Ook als de drempelwaarde (gezamenlijk vermogen van 15 Mw of meer dan wel 10 windturbines of meer) niet zou zijn overschreden. Door bijlage 1, onderdeel d, bij het destijds van toepassing zijnde Barim aldus uit te leggen, is tevens geanticipeerd op de implicaties van het communautaire recht. Zou de uitleg zijn geweest dat er sowieso geen Wm-vergunningplicht zou bestaan als een activiteit onder de drempelwaarde zou blijven, dan zou dat ook betekenen dat het bevoegd gezag zich er in die gevallen niet in het kader van de Wm-vergunningprocedure van zou kunnen vergewissen of er vanwege de factoren als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn niet toch een MER zou moeten worden opgesteld. Het bestaan van een dergelijke vergewisplicht vloeide voort uit het arrest HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08) waarin het Hof duidelijk maakte dat er geen absolute betekenis kan worden toegekend aan de in  kolom 2 van onderdeel D opgenomen drempelwaarden. Overigens moet er volledigheidshalve wel op worden gewezen dat de Afdeling de vergewisplicht onder omstandigheden ook van toepassing acht in het kader van andere besluitvormingsprocedures dan die welke zijn opgenomen in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Zie bijvoorbeeld ABRS 14 november 2012, nr. 201204281/1/A1 en ABRS 6 juni 2012, nr. 201113326/1/A1 (tussenuitspraak)/ABRS 10 oktober 2012, nr. 201113326/1/A1 (einduitspraak), waarin een planologische vrijstelling (ex het oude art. 19 WRO) en een bouwvergunning voor vijf windturbines ter toetsing voorlagen. Beide besluiten werden niet begrepen onder kolom 4 van onderdeel D, onder 22.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar toch oordeelde de Afdeling de besluitvorming onrechtmatig omdat was verzuimd te vergewissen of er een m.e.r. had moeten worden opgesteld (de drempelwaarde was in die casus niet overschreden).

6. Met de inwerkingtreding van de Wabo is er een aantal veranderingen opgetreden ter zake van de m.e.r.-regelgeving. Onder meer is het zojuist besproken systeem waaruit voortvloeide dat voor de desbetreffende activiteiten in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. altijd een Wm-vergunningplicht bestond niet één op één overgenomen. Een aantal categorieën activiteiten als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D (waaronder begrepen windturbineparken) is thans in beginsel van de omgevingsvergunningplicht als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder e Wabo (de oude Wm-vergunning) uitgezonderd. Zie art. 2.1 lid 2 Bor juncto bijlage I, onderdeel B, onder 1 aanhef en sub b Bor. Om de m.e.r.-richtlijn volledig te implementeren binnen het systeem van het Besluit m.e.r. zijn de desbetreffende categorieën D-activiteiten opgenomen in art. 2.2a lid 1 Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit artikel voorziet voor die activiteiten in een zogeheten ‘omgevingsvergunning beperkte milieutoets’ (OBM) c.q. een vergunningplicht ex art. 2.1 lid 1 onder i Wabo. In het kader van die vergunningprocedure, die verloopt via de reguliere voorbereidingsprocedure (zie paragraaf 3.2 Wabo), wordt door het bevoegd gezag aan de hand van de vorenbedoelde bijlage III-factoren uitsluitend beoordeeld of een project-MER moet worden gemaakt. Behoeft geen project-MER te worden gemaakt, dan wordt de OBM verleend. De activiteit wordt alsdan gereguleerd door regels uit het Barim. Als de OBM-procedure uitwijst dat wel een project-MER moet worden gemaakt, dan wordt ingevolge art. 5.13b lid 1 Bor de OBM geweigerd. In dat geval vervalt de aanwijzing als activiteit waarvoor een OBM moet worden aangevraagd. Consequentie daarvan is dat dan alsnog een omgevingsvergunning ex art. 2.1 lid 1 onder e Wabo is vereist in welk kader de m.e.r.-plicht moet worden geëffectueerd.

Voor de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen activiteiten die onder het OBM-stelsel zijn gebracht, is in kolom 4 niet alleen melding gemaakt van de besluiten die tot stand komen via afdeling 3.4 Awb en een of meer artikelen van afdeling 13.2 Wm maar ook van de besluiten waarop titel 4.1 van de Awb van toepassing is. Aangezien de reguliere voorbereidingsprocedure ter zake van de OBM verloopt via deze titel (en de aanvullende bepalingen in paragraaf 3.2 Wabo), is verzekerd dat een besluit betreffende de verlening van de OBM ook onder kolom 4 wordt begrepen.  Van belang is dat Afdeling ook ten aanzien van art. 2.2a lid 1 Bor heeft geoordeeld dat daarin wordt gerefereerd aan de activiteiten in kolom 1 van onderdeel D en dat ook voor wat dat artikellid betreft geen betekenis toekomt aan de drempelwaarden in kolom 2 van onderdeel D. Dat impliceert dat de OBM-procedure ook geldt als de desbetreffende drempelwaarden niet wordt overschreden. Zie ABRS 2 mei 2012, nr. 201011900/1/A4 en dat er voor de desbetreffende activiteiten dus steeds moet worden bezien of een project-m.e.r. moet worden gemaakt. Daarmee is de m.e.r.-richtlijn in zoverre correct geïmplementeerd, althans dat was in ieder geval tot 1 januari 2013 het geval.

7. Op laatstgenoemde datum is (een deel van) het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) in werking getreden (Stb. 2012, 441 en Stb. 2012, 643). Deze wijziging heeft meer categorieën van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder de OBM-procedure gebracht. Tot die nieuwe categorieën behoort onder meer categorie D, onder 14, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze categorie handelt over het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Opmerkelijk is dat in art. 2.2a lid 1 Bor voor deze categorie wordt voorzien in drempels waar beneden in het geheel geen omgevingsvergunningplicht meer geldt. Een activiteit die onder die drempel blijft (bijvoorbeeld een installatie met minder dan 51 mestvarkens), valt automatisch in zijn totaliteit onder de werking van het Barim. Een dergelijke activiteit hoeft dus niet in het milieuspoor te worden beoordeeld op de vraag of er daarvoor vanwege de factoren ex bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn een project-MER moet worden gemaakt. Dit is strijdig met de m.e.r.-richtlijn. De desbetreffende drempels zijn namelijk niet voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt dat er onder die drempels nimmer aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De strijd met de m.e.r.-richtlijn zal er naar verwachting toe leiden dat de bestuursrechter in voorkomende gevallen in bijvoorbeeld een beroepsprocedure tegen een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een installatie voor minder dan 51 mestvarkens, op grond van rechtstreeks toepasbare m.e.r.-richtlijnbepalingen zal toetsen of het bevoegd gezag zich ervan heeft vergewist of er op grond van de factoren van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn een MER had moeten worden gemaakt (vergelijkbaar met de onder punt 5 besproken uitspraken ABRS 14 november 2012, nr. 201204281/1/A1 en ABRS 6 juni 2012, nr. 201113326/1/A1 (tussenuitspraak)/ABRS 10 oktober 2012, nr. 201113326/1/A1 (einduitspraak).


Gerelateerd

Niet elk bedrijventerrein is een industrieterrein in de zin van categorie D 11.3 Besluit mer
Annotatie T. Rötscheid ABRvS 10 maart 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:516
Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie M.A.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2019 – Soortenbescherming (deel 2)
Marieke en Fleur schreven een kroniek over de ontwikkelingen van het natuurbeschermingsrecht inzake soortenbescherming in…
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: sfeerwoningen aangemerkt als gevoelige objecten.
D. Sietses & D.E.C. Garcea schreven een noot bij ABRvS 19 december 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:4180 in…
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Windpark De Drentse Monden en Oostermoer: Ontvankelijkheid, participatie, draagvlak.
D. Sietses & H.D. Tolsma schreven een noot bij ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 in…
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Subsidies voor duurzame initiatieven
Erwin Noordover en Annemarie Drahmann schreven ‘Subsidies voor duurzame initiatieven’, Bb 2018/33.
Alternatieve locaties in een milieueffectrapport
Erwin Noordover schreef een noot onder ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1436, in BR 2018/59 over…
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Windparken en leefomgeving
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven samen “Windparken en leefomgeving: een toelichting op enkele angels uit…
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
Gaan de wieken sneller draaien met de Structuurvisie wind op land?
In Bouwrecht 2013/89 gingen Erwin Noordover en Aaldert ten Veen in op de Rijksstructuurvisie wind…
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9