ENVIR ADVOCATEN
Keizersgracht 451-1V
1017 DK Amsterdam
T +31 20 737 20 66
F +31 20 796 92 22


Datum: 16-06-2018

Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)

In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/49 over de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming.

1. Inleiding

Dit betreft deel 1 van de jaarlijkse kroniek Natuurbeschermingsrecht. In dit eerste deel staat de soortenbescherming centraal. In deel 2 wordt het onderwerp gebiedsbescherming behandeld. De Wet natuurbescherming (Wnb) is nu bijna 1,5 jaar van kracht en we zien dan ook al de nodige jurisprudentie op grond van de Wnb.
Wij behandelen de ontwikkelingen van het afgelopen jaar voor wat betreft de soortenbescherming in de periode 15 juni 2016 tot en met 16 mei 2017. Kort worden eerst de relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving behandeld, waarna de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en rechtbanken aan de hand van deelonderwerpen wordt besproken.

2. Wet- en regelgeving

In deze kroniekperiode is een wetsvoorstel aangenomen dat wijzigingen in onder meer de Wnb aanbrengt. Het betreft de “Wet van 25 april 2018 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Verzamelwet EZK en LNV 20..)”. Deze wet is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd.2 Onderdeel van deze wetswijziging is het repareren van het in de vorige kroniek gesignaleerde potentiële probleem van de vogelsoorten die zowel in de Verdragen van Bern of Bonn genoemd waren en tevens beschermd waren op grond van de Vogelrichtlijn (Vrl). Probleem was dat deze soorten op grond van de letterlijke tekst van de Wnb onder zowel het beschermingsregime van art. 3.1 e.v. vielen alsmede onder het regime van art. 3.5 e.v. Wnb. De wetgever heeft deze onduidelijkheid nu verholpen. Bepaald is nu dat alle vogels onder het regime van art. 3.1 ev. Wnb vallen of deze nu wel of niet ook beschermd zijn op grond van de Verdragen van Bern en Bonn. In art. 3.5 lid 1 en art. 3.6 lid 1 Wnb wordt daartoe na “het Verdrag van Bonn” ingevoegd: “met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.”
In de vorige kroniek spraken wij de hoop uit dat de bestuursrechter zich over dit probleem zou uitspreken, maar de onderhavige wetswijziging is uiteraard nog prettiger. Ook in art. 3.7 lid 1 en art. 3.9 lid 1 Wnb wordt deze zinsnede toegevoegd. In ditzelfde wetsvoorstel wordt een wijziging in art. 3.10 lid 2 onderdeel a Wnb doorgevoerd. Dit artikellid komt te luiden: “in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.” Ook een aantal kleine andere wijzigingen wordt met dit wetsvoorstel doorgevoerd.
Op 29 september verscheen de Regeling van de Minister van EZ (nr. WJZ/17135357) tot wijziging van de Regeling natuurbescherming in verband met het aanwijzen van enkele methoden voor het vangen en doden van vogels ter gebruik bij de uitvoering van de vrijstelling voor schadegebruik.3 Dit betreft een aanpassing t.o.v. de regeling onder de Flora- en faunawet (Ffw) naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 januari 2012,4 waarin de ABRvS overwoog dat middelen en methoden voor het doden gelet op art. 9 lid 2 Vrl. uitdrukkelijk bij of krachtens de wet aangewezen moeten worden. Het gebruik van lokvogels wordt beschouwd als methode voor het vangen en doden van vogels. Onder de Ffw (meer in het bijzonder het Besluit beheer en schadebestrijding) was dit eveneens toegestaan. In de Regeling natuurbescherming was deze methode echter niet opgenomen. Dat is met deze wijziging hersteld. Daarnaast worden genoemd: vangen of doden met gebruikmaking van een akoestisch middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt en vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer.
Op 18 december 2017 is de “Gedragscode natuurinclusief renoveren – bestemd voor projecten met het NOM-keur” goedgekeurd. Het goedkeuringsbesluit is 5 jaar geldig. Op 2 februari 2018 heeft de Minister van LNV de “Gedragscode tijdelijke natuur” goedgekeurd.
Daarnaast is de Regeling van de Minister van LNV van 22 februari 2018 houdende wijziging van de Regeling natuurbescherming (aanwijzing van door de provincies te bestrijden invasieve uitheemse soorten) verschenen.5
Ten slotte wijzen wij in deze paragraaf op het advies dat op 8 maart 2018 door de Afdeling advisering van de Raad van State is uitgebracht over het voorstel voor de Aanvullingswet natuur. Met het voorstel voor de Aanvullingswet natuur gaan de regels uit de Wet natuurbescherming over in het stelsel van de Omgevingswet. Bij de aanbieding aan de Tweede Kamer zal ook het advies van de Raad van State worden gepubliceerd, samen met de reactie van de regering (het nader rapport). Vooralsnog moeten we op de inhoud hiervan dus nog even wachten.

2.1 Recente ontwikkelingen op het gebied van soortenbescherming

In het hiernavolgende worden recente bestuursrechtelijke uitspraken van de ABRvS en rechtbanken besproken van de periode 15 juni 2016-15 mei 2017 over soortenbescherming. De volgende deelonderwerpen worden behandeld: (2.2) Belanghebbende-begrip; (2.3) Relativiteitsvereiste; (2.4) Beheer en schadebestrijding; (2.5) Ontheffingen; (2.5.2) Soorten; (2.5.3) Mitigerende maatregelen; (2.5.4) Verboden; (2.5.5) Andere bevredigende oplossing; (2.5.6) Gunstige staat van instandhouding van de soort; (2.5.7) Ontheffingsgronden; (2.6) Aanhaken bij de omgevingsvergunning; (2.7) Bestemmingsplan; (2.8) Onderzoek; (2.9) Handhaving; (2.10) Samenloop Ffw en andere wetten; (2.11) Overig.

2.2 Belanghebbende-begrip

In deze kroniekperiode is een heldere uitspraak door de ABRvS6 gedaan over het belanghebbende begrip in het kader van een ontheffing voor beschermde soorten op grond van de Wnb. De ABRvS heeft geoordeeld dat bij de beoordeling of iemand belanghebbende is bij een ontheffing (voor soortenbescherming) bepalend is of de handeling waarvoor toestemming is verleend een ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van betrokkene. Bepalend is of de handeling waarvoor de ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van appellanten. In dit geval is de handeling waarvoor de ontheffing is verleend het doden van vogels en vleermuizen als gevolg van de geprojecteerde windturbines. De ontheffing (verleend op grond van de Ffw) ziet immers niet op de bescherming van gebieden, maar op de bescherming van soorten. Een ontheffing voor soorten heeft dan ook een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling. De ABRvS vaart hiermee een andere lijn dan in een eerdere uitspraak van 19 juni 20137 en gaat niet mee in een op de Wabo-jurisprudentie geïnspireerde wijze van het beoordelen van het belanghebbendebegrip. Voor de vraag of iemand belanghebbende is dient dus te worden getoetst wat de ruimtelijke uitstraling van de handeling is waar de ontheffing voor soorten op ziet. In het onderhavige geval was dat het doden van vogels en vleermuizen door de voorziene windmolens. De aanvaringen met vogels en vleermuizen vinden plaats op minimaal 439 meter van de huizen van appellanten. Dat is te ver meent de ABRvS om van belanghebbenden te kunnen spreken.
In de uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd in het kader van een verleende ontheffing op grond van de Ffw getoetst of een stichting als belanghebbende kon worden aangemerkt. De stichting behartigt naast een algemeen belang ook de collectieve belangen van de bewoners. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de jurisprudentie van de ABRvS8 dat de in art. 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht in de aldus tot stand gebrachte bundeling van belangen. De ABRvS gaat in het hoger beroep hier niet in mee, omdat in een andere uitspraak volgt dat de belangen van deze omwonenden die op een afstand van 500 tot 1640 meter tot de voor hen dichtstbijzijnde voorziene windturbine wonen niet rechtstreeks bij het besluit van 17 maart 2016 zijn betrokken. Niet is gebleken dat de Stichting belangen behartigt van omwonenden die op kortere afstand van de voorziene windturbines wonen. De Stichting brengt niet een bundeling van rechtstreeks bij het besluit van 17 maart 2016 betrokken individuele belangen tot stand, zo meent de ABRvS.
Daarnaast wijzen wij op een derde uitspraak van de ABRvS9 met betrekking tot het belanghebbendebegrip. Aan de orde was een verleende jachtakte op grond van de Ffw. Deze houder van de jachtakte is gerechtigd om op de percelen van appellante te jagen op grond van een jachthuurovereenkomst. Het belang van appellante dat niet op haar percelen wordt gejaagd, is niet rechtstreeks geraakt door het besluit van de korpschef tot het verlenen van de jachtakte. Dat het belang van appellante tegengesteld is aan dat van de jachtaktehouder maakt niet dat appellant als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb moet worden aangemerkt.

2.3 Relativiteitsvereiste

De lijn in de jurisprudentie met betrekking tot soortenbescherming en het belanghebbendebegrip (ABRvS 24 januari 2018) zien we ook terug bij een uitspraak van de ABRvS inzake het relativiteitsvereiste. In deze uitspraak van de ABRvS van 4 april 201810 stond een provinciaal inpassingsplan voor een windpark centraal. Omwonenden deden in deze procedure een beroep op bepalingen uit de Wnb inzake soortenbescherming.11 De percelen van alle appellanten bevonden zich op ruim 400 meter van de dichtstbijzijnde windturbine. De ABRvS overweegt dat hun directe woon- en leefomgeving niet is betrokken bij fatale aanvaringen van vleermuizen en vogels. Daarbij verwijst de ABRvS ook uitdrukkelijk naar eerder genoemde uitspraak van 24 januari 2018. Onder die omstandigheden moet geoordeeld worden dat de bepalingen uit de Wnb inzake soortenbescherming niet strekken tot bescherming van de belagen van appellanten.
In de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 13 april 201812 werd in een procedure over een verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een jeugdsoos een beroep gedaan op het aspect natuur (bescherming van soorten). De rechtbank overweegt dat het relativiteitsvereiste niet aan eiser kan worden tegengeworpen, nu de afstand tussen eisers woning en de locatie waar de gestelde verstoring van beschermde soorten zal plaatsvinden (door kap- en snoeiwerkzaamheden) ongeveer 100 meter bedraagt. Een mogelijke verstoring van deze diersoorten op een afstand van ongeveer 100 meter heeft naar het oordeel van de rechtbank een ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving van eiser. De rechtbank toetst hier aan de locatie van de verstoring, maar niet inzichtelijk is of de rechtbank hier ook al, zoals de ABRvS in bovengenoemde uitspraak, de activiteit van de ontheffing meeneemt in haar oordeel. De Rechtbank Rotterdam kijkt in haar uitspraak van 13 februari 201813 in ieder geval (nog) naar de afstand tussen de woningen en de te bouwen windturbines. Overigens kwam zij in deze toets tot het oordeel dat art. 8:69a Awb in de weg stond aan het beroep op de soortenbeschermingsbepalingen, dus de nieuwe toets had hier niet tot een andere uitkomst geleid.

2.4 Beheer en schadebestrijding

In deze paragraaf behandelen wij een aantal uitspraken met betrekking tot beheer en schadebestrijding.

a) Middelen

De middelendiscussie, oftewel de vraag welke middelen zijn toegestaan voor het doden en vangen van soorten in het kader van beheer en schadebestrijding en jacht gaat onverminderd voort, al lijkt de lijn in de jurisprudentie inmiddels helder te zijn.
In de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 201714 stond nog een ontheffing onder de Ffw centraal. De vraag die voorlag was of een – na beroep alsnog – geweigerde ontheffing voor het vangen van ganzen met vangkooien terecht geweigerd was wegens strijd met de Vrl. Het GS was in hoger beroep gegaan en betoogde dat niet valt in te zien waarom zij geen ontheffing kon verlenen waarbij een afwijking wordt toegestaan van de gebruiksvoorschriften van een bij wet toegestaan middel. De vangkooi was immers aangewezen in art. 5 lid 1 aanhef en onder f Bbsd, waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood. Dit betreft zo, overweegt GS, de zogenaamde “afwijkende bepaling” als bedoeld in art. 9 lid 2 aanhef onder b Vrl. De vangkooi mag weliswaar ingevolge art. 5 lid 3 Bbsd niet worden gebruikt voor vogels, maar daar wijkt GS met het besluit dus van af. De ABRvS oordeelt dat op grond van art. 9 Vrl niet alleen de middelen uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift moeten worden opgenomen, maar dat dat ook geldt voor de afwijkende bepalingen waaruit blijkt voor welke diersoorten mag worden afgeweken van de verbodsbepalingen.15
Onder de Wnb zijn middelen en methoden aangewezen die vallen onder het vangen en bijeendrijven als bedoeld in art. 3.9 lid 2 Bnb in combinatie met alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen. In een procedure tegen een verleende ontheffing voor het vangen en doden van ganzen met gebruikmaking van CO2 bij de Rechtbank Midden-Nederland16 voerden appellanten aan deze bepalingen te ruim zijn en daarom niet voldoen aan het bepaalde in art. 9 lid 2 Vrl. De rechtbank overweegt dat de middelen moeten worden aangemerkt als “middelen en installaties die noodzakelijk zijn om CO2 toe te passen”. De middelen, in dit geval vangkooien, maar ook vlonders, netten, hekken en bootjes, zijn daarmee onderdeel van de onder art. 3.9 lid 2 aanhef en onder a Bnb genoemde methode. Het zijn geen zelfstandige vangmiddelen, zo oordeelt de rechtbank. Het gebruik van CO2 is aangewezen als methode en niet als middel, omdat dit gebruik nadere voorzieningen vergt. Over de inzet van boten merkt de rechtbank op, dat niet is gebleken dat van een zodanige inzet van boten sprake is dat het gebruik daarvan niet als het bijeendrijven van ganzen moet worden aangemerkt, maar als achtervolgen of opjagen van ganzen.

b) Voorwaarden ontheffing beheer en schadebestrijding: Belangrijke schade; geen andere bevredigende oplossing; geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort

De ABRvS herhaalt in haar uitspraken van 11 april 201817 en 22 november 201718 haar standaardoverweging over de uitleg van het begrip “belangrijke schade”. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag herhaalt onder de Wnb diezelfde jurisprudentielijn over de uitleg van het begrip “belangrijke schade” in een uitspraak over de goedkeuring van een faunabeheerplan.19 De voorzieningenrechter van de rechtbank overweegt dat ingevolge vaste rechtspraak van ABRvS20 aan het gestelde vereiste van belangrijke schade is voldaan, “indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade, waarbij het college bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ en bij het bepalen of sprake is van een concrete dreiging daarvan, een zekere beoordelingsruimte toekomt. Niet vereist is dat belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Wel dient een besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, strikt noodzakelijk te zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering te berusten.” Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoeft niet worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen de schade en het afschot, omdat de concrete dreiging van schade voldoende is.
In een viertal uitspraken van de ABRvS21 over verschillende ontheffingen voor het doden en verontrusten van damherten in het kader van beheer en schadebestrijding, overweegt de ABRvS dat er tevens een noodzaak moet zijn voor een dergelijk ontheffing. Het vereiste van een noodzaak tot ontheffingverlening wordt in de tekst van art. 68 lid 1 Ffw niet uitdrukkelijk genoemd, maar ligt daarin wel besloten, zo meent de ABRvS. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat met de verlening van een ontheffing op grond van art. 68 lid 1 Ffw een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van de Ffw dat beschermde diersoorten zoals het damhert moeten worden beschermd en dat daarom strenge eisen aan de verlening van een ontheffing worden gesteld.
In de procedures inzake beheer en schadebestrijding zien we vaak dat wordt aangevoerd dat het causale verband tussen schade en noodzaak voor de ontheffing ontbreekt. Zoals in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 mei 201822 waar een ontheffing was verleend voor het doden van ganzen met behulp van CO2 in de provincie Zuid-Holland onder meer voor de bescherming van het vliegverkeer op de luchthavens Rotterdam The Hague Airport en Schiphol. Appellanten brengen naar voren dat weliswaar wordt gesteld door verweerder dat de gewasschade veroorzaakt door ganzen is toegenomen door toename van de ganzenpopulatie, maar het verband tussen het aantal ganzen en de omvang van de schade is niet aangetoond. Evenmin is aangetoond, zo menen appellanten, dat met het vergassen van ganzen de vliegveiligheid wordt gediend. Ondanks het afschot van de afgelopen jaren, zijn de ganzenpopulaties eerder toegenomen. Het doden van ganzen rond Schiphol blijkt de afgelopen jaren derhalve niet effectief te zijn geweest, laat staan dat een noodzaak is aangetoond, zo betogen appellanten. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt deugdelijk en concludent onderzoek naar de causale relatie tussen de ganzenpopulaties waarop het vernietigde besluit ziet en de gestelde toename van incidenten met het luchtvaartverkeer. Ook ten aanzien van de gestelde causale relatie tussen toenemende populaties standganzen en gewasschade ontbreekt een dergelijk onderzoek. Gelet daarop heeft verweerder de noodzaak van het op grote schaal toepassen van CO2 op de populaties van de grauwe gans, brandgans, Canadese gans en gedomesticeerde grauwe gans in de provincie Zuid-Holland niet aangetoond, zo oordeelt de rechtbank.
Bij een ontheffing (o.a. voor beheer en schadebestrijding), maar ook bij het besluit om goedkeuring van het faunabeheerplan dient te worden beoordeeld of er een andere bevredigende oplossing bestaat. In de reeds genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 21 december 2017, werd door appellanten gesteld dat een zogenaamde agrilaser23 een mogelijke andere bevredigende oplossing was in dezen. Maar verzoeksters hebben aangegeven dat nog niet zeker is dat de inzet van deze zogenaamde Agrilaser een effectieve methode is voor het terugdringen van schade in plaats van verjagend afschot, omdat het onderzoek naar dat apparaat nog niet is afgerond. Nu de Agrilaser nog niet operationeel is, overweegt de voorzieningenrechter dat daarmee niet vaststaat dat sprake is van een andere bevredigende oplossing. Maar in een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 201824 werd geoordeeld dat onvoldoende was aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing was. De ontheffing was verleend voor het doden van vossen binnen een straal van 5 km rondom 17 kippenbedrijven in Flevoland met behulp van geweren en kunstlicht. GS hadden de ontheffing verleend nu zij van oordeel waren dat een deugdelijke afrastering van de kippenbedrijven in combinatie met goed afgesloten nachthokken niet toereikend is om schade door vossen te voorkomen. GS stelt dat afrastering disproportioneel kostbaar is. De rechtbank meent hierover echter onvoldoende informatie te hebben. De rechtbank wil hier naar onze mening overigens wel erg veel (ook bedrijfsgevoelige) informatie van de bedrijven hebben om tot dit oordeel te kunnen komen. Er zijn twee offertes overlegd en een berekening voor het plaatsen van schrikdraad. Maar met deze offertes kan de rechtbank weinig. Zo overweegt de rechtbank:
“Daargelaten het antwoord op de vraag of de offertes van derde-partij representatief zijn voor het realiseren van een afrastering die aan de bedoelde eisen voldoet, kunnen deze offertes naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat afrastering geen bevredigende oplossing is vanwege de kosten daarvan. Uit het enkel overleggen van deze offertes zonder andere bedrijfsgegevens (zoals omzet en winst) van elk (…) kippenbedrijf waar nog geen afdoende afrastering aanwezig is, valt niet af te leiden in hoeverre de kosten voor de (…) bedrijven disproportioneel zijn, zoals verweerder stelt. Daarvoor acht de rechtbank ook van belang hoe de kosten van de afrastering zich verhouden tot de schade die door de vos zouden worden aangericht.”
Een belangrijke toets bij de verlening van de ontheffing voor beheer en schadebestrijding is daarnaast die aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Op grond van art. 1.1, eerste lid, van de Wnb wordt onder de staat van instandhouding van een soort verstaan: “effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn.”
In eerder genoemde uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag25 wordt onder verwijzing naar art. 1.1, eerste lid, van de Wnb beoordeeld of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. De voorzieningenrechter overweegt dat blijkens art. 2 lid 1 van de Habitatrichtlijn met het ‘grondgebied’ het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie wordt bedoeld, i.c. Nederland. “Gelet op deze definitie van de staat van instandhouding, moet naar voorlopig oordeel de landelijke doelstelling voor de populatie smienten in dit kader van belang worden geacht en dient verweerder zich daarvan rekenschap te geven.”
De omvang van de populatie smienten ligt ruim 30% onder de landelijke Natura 2000-doelstelling van 258.000 exemplaren. Met het primaire besluit wordt afschot toegestaan, zodat niet kan worden uitgesloten dat de omvang van de populatie smienten in Nederland negatief wordt beïnvloed. Maar de voorzieningenrechter gaat hier nog een stapje verder. De voorzieningenrechter overweegt dat “niet gebleken is dat verweerder in dit kader met (de voorbereiding van) zijn besluitvorming invulling heeft gegeven aan het provinciegrensoverschrijdende karakter van de Wnb en daartoe bijvoorbeeld overleg heeft gepleegd met andere provinciebesturen, hetgeen noodzakelijk wordt geacht om te kunnen beoordelen of zich door het primaire besluit een verslechtering van de staat van instandhouding van de smient in Nederland zal kunnen voordoen. Het primaire besluit ontbeert naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een deugdelijke motivering en is tevens onzorgvuldig voorbereid.” De voorzieningenrechter is dus van mening dat er provinciegrensoverschijdend overleg gevoerd moet worden. Dat lijkt ons een zware eis.

c) Faunabeheerplan

De Rechtbank Gelderland verklaart zich in haar uitspraak van 15 maart 201826 onbevoegd om kennis te nemen van een besluit tot goedkeuring van een faunabeheerplan (fbp). Indien in een fbp verplichtingen zijn opgenomen, zijn die verplichtingen op grond van art 3.12 lid 1 Wnb bindend. Dat betekent dat, voor zover er verplichtingen zijn opgenomen, de vaststelling van een fbp een publiekrechtelijke rechtshandeling is, dat de faunabeheereenheid in zoverre een bestuursorgaan is en dat het fbp een besluit is. Ook de goedkeuring van het fbp is in zoverre een besluit. In dit fbp is één verplichting opgenomen. Het betreft een registratieverplichting. Deze registratieverplichting dient te worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift zodat op grond van art. 8:3 lid 1 aanhef en onder c Awb geen beroep tegen het besluit tot goedkeuring openstaat. Eisers hebben aangevoerd dat er nog andere verplichting in dit fbp opgenomen hadden moeten worden. De rechtbank overweegt dat in een fbp niet hoeft te worden opgenomen (i) of in concrete situaties sprake is van schade en dat pas van een vrijstelling gebruikt mag worden nadat dit in het fbp is vastgesteld; (ii) ook hoeft niet opgenomen te worden of in concrete situaties de schade waarop een vrijstelling ziet voorkomen en bestreden kan worden.
In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 19 december 201727 wordt vastgesteld dat het bestuur van de Faunabeheereenheid dat het Faunabeheerplan heeft vastgesteld niet voldoet aan de eisen van art. 3.12, tweede lid, van de Wnb.28 In het bestuur van de Faunabeheereenheid zijn namelijk niet ten minste twee maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren. In het bestuur van de Faunabeheereenheid zijn op dit moment uitsluitend jachthouders vertegenwoordigd. De Faunabeheereenheid is doende haar bestuurssamenstelling aan te passen door aan het bestuur in ieder geval één zetel toe te voegen die wordt ingenomen door het samenwerkingsverband van vier agrarische collectieven in Noord-Holland. Deze agrarische collectieven zijn elk voor zich maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, aldus verweerder. Samen met de nu reeds in het bestuur door terreinbeherende organisaties ingevulde zetel, is derhalve voldaan aan de eis uit art. 3.12, tweede lid, van de Wnb gelezen in samenhang met art. 2.2, eerste lid, van de Verordening Faunabeheer Noord-Holland, dat twee maatschappelijke organisaties moeten zijn vertegenwoordigd in het bestuur. De voorzieningenrechter overweegt dat art. 3.12 lid 2 van de Wnb aan deze maatschappelijke organisaties geen andere voorwaarde stelt dan “dat zij het doel behartigen van duurzaam wildbeheer in de regio waar de faunabeheereenheid werkzaam is. Andere voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat zij geen jachthouder mogen zijn, stelt de wet niet. Ook uit de door verzoekster aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wnb (…) valt niet af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is dat deze in het bestuur van een faunabeheereenheid vertegenwoordigde maatschappelijke organisaties niet tevens jachthouder mogen zijn.”

2.5 Ontheffingen verboden soortenbescherming (hoofdstuk 3 Wnb, voorheen 75 Ffw)

De meest bekende en meest gebruikte ontheffing was onder de Ffw de ontheffing op grond van art. 75 Ffw. De ontheffing wordt onder de Wnb verleend op grond van art. 3.18 Wnb. De verboden waarvoor de ontheffing verleend kan worden staan per soortgroep in hoofdstuk 3 Wnb (art. 3.1 e.v. Wnb (vogels), art. 3.5 e.v. Wnb (strikt beschermde soorten/habitatrichtlijnsoorten) en art. 3.10 Wnb (overige soorten)).
Een ontheffing is vereist indien (i) sprake is van een beschermde soort; (ii) de handeling ervoor zorgt dat er een verbodsbepaling uit de Ffw wordt overtreden. En die ontheffing kan verleend worden indien vervolgens wordt voldaan aan de vereisten dat (a) er geen andere bevredigende oplossing is; (b) de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is; en (c) de ontheffing verleend kan worden op grond van een wettelijke ontheffingsgrond. In het hiernavolgende wordt op de jurisprudentie waarin deze verschillende criteria aan de orde zijn nader ingegaan.

2.5.1 Voorschriften

In de vorige kroniek bespraken wij al dat aan een ontheffing voor soorten voorschriften verbonden mogen worden. Maar betekent dit nu dat zonder meer elk voorschrift aan een ontheffing kan worden verbonden? Deze vraag lag voor in de uitspraak van de ABRvS van 16 augustus 2017.29 Vergunninghouder stelde zich op het standpunt dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het betreffende voorschrift waarbij een standstill-voorziening werd voorgeschreven. Vergunninghouder betoogde dat, nu niet ter discussie stond dat er geen gevolgen waren voor de gunstige staat van instandhouding, er ook geen aanvullende maatregelen verlangd kunnen worden. De ABRvS overweegt dat omdat de wetgever niet nader heeft afgebakend in art. 79 Ffw onder welke omstandigheden gebruikgemaakt mag worden van de bevoegdheid tot het opleggen van voorschriften, dit ook mogelijk is indien er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding. Daarbij neemt de ABRvS in haar overweging mee dat art. 75 Ffw een discretionaire bevoegdheid inhoudt. Oftewel, het is niet zo dat als aan de voorwaarden voor ontheffingverlening wordt voldaan de ontheffing ook verleend moet worden. De ABRvS meent vervolgens dat voorschriften kunnen worden gesteld als deze noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in het geding komt, niet betekent (a contrario) dat ze niet kunnen worden gesteld als de gunstige staat van instandhouding niet in geding is. Omdat art. 3.5 Wnb bijna gelijkluidend is aan art. 79 Ffw zal deze uitspraak ook voor de toekomst relevant zijn.
Vooral bij ontheffingen voor soorten bij windparken zien wij de discussie over de toelaatbaarheid van deze voorschriften in de jurisprudentie terug. In de vorige kroniek bespraken wij een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2017. Bij het schrijven van deze kroniek is nu ook de uitspraak in hoger beroep bekend. Het gaat om de uitspraak van de ABRvS van 16 augustus 2017.30 Om even het geheugen op te frissen, wat speelt er in deze procedure. Er is een ontheffing verleend voor o.a. het doden en verwonden van een 12-tal vogelsoorten als gevolg van de bouw en exploitatie van een windpark en aan deze ontheffing is een voorschrift verbonden dat verplicht tot een standstill-voorziening voor de windturbines en een voorschrift dat verplicht tot monitoring. Voor wat betreft de standstill-verplichting overweegt de ABRvS dat in dit geval de voorgeschreven pro-actieve stilstandvoorziening onvoldoende gemotiveerd is, omdat de verwachte 2,6% vermindering in productie niet opweegt tegen de onzekere en in de optiek van de Afdeling bescheiden aantallen vermeden slachtoffers. Na vernietiging is inmiddels een nieuw voorschrift opgesteld, waartegen wederom hoger beroep is ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist.
In de uitspraak van de ABRvS van 11 oktober 201731 staat een ontheffing verleend op grond van 3.1 Wnb voor het opzettelijk doden van bepaalde trekvogels centraal, wederom voor de aanleg van een windpark. Ook in dit geval gaan de aan een ontheffing verbonden voorschriften vanwege te hoge kosten en een onvoldoende accurate onderbouwing van de noodzaak ervan onderuit. De ABRvS overweegt dat er in dit verband onvoldoende gewicht toekomt aan de bij de staatssecretaris bestaande “behoefte aan kennisvergaring met het oog op toekomstig te verlenen ontheffingen”. De enkele verwachting dat het aantal slachtoffers lager zal zijn dan verwacht is onvoldoende voor het verbinden van een monitoringverplichting aan de ontheffing.
Bij de Rechtbank Den Haag32 was aan de orde of er aan een omgevingsvergunning voor het bouwen en oprichten van een bouwmarkt voorschriften verbonden moesten worden om te waarborgen dat er niet in het broedseizoen gewerkt wordt. De rechtbank oordeelt dat er ten onrechte geen voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. De tekst van het bestreden besluit biedt onvoldoende garantie dat er niet gebouwd gaat worden, en ook aan de schriftelijk toezegging van de bouwmarkt dit niet te doen hecht de rechtbank geen waarde. Dat ten slotte ook in de toelichting op het bestemmingsplan staat dat rekening gehouden moet worden met het broedseizoen, maakt dit al helemaal niet anders voor de rechtbank nu de toelichting van het bestemmingsplan immers geen bindende betekenis toekomt. Omdat uit de uitspraak blijkt dat er geen ontheffing op grond van de Wnb is vereist, lijkt het erop dat hier mitigerende maatregelen in het kader van de Wnb in een omgevingsvergunning (zonder dat er een aanhaakverplichting of anderszins een ontheffingsplicht geldt) zullen worden opgenomen. Vraag is of indien die ontheffing niet vereist is er wel plaats is voor dergelijke voorschriften in de omgevingsvergunning. In een procedure bij de Rechtbank Noord-Nederland33 met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen, werd geoordeeld door de voorzieningenrechter dat de voorschriften die aan de Wnb-ontheffing waren verbonden maakten dat de vraag naar het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen primair een kwestie van handhaving betreft. Verschil met voornoemde uitspraak is dat hier dus wel een ontheffing was en daar ook voorschriften aan verbonden waren. De voorzieningenrechter wijst hier terecht op handhaving als mogelijk middel.
In een uitspraak van de ABRvS van 22 februari 201834 over een verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een woongebouw met 22 appartementen, werd door appellanten naar voren gebracht dat niet van rechtmatigheid van een eerder verleende ontheffing op grond van de Wnb mocht worden uitgegaan, omdat de voorschriften die aan de ontheffing waren verbonden niet handhaafbaar zouden zijn. De ABRvS wuift dit niet direct weg, door erop te wijzen dat deze beroepsgrond niet in deze procedure thuishoort, maar stelt dat niet is gebleken dat de voorschriften niet handhaafbaar zijn, omdat de voorschriften duidelijk omschreven zijn in een rapport waarnaar in de voorschriften van de ontheffing zelf wordt verwezen.

2.5.2 Soorten

Zoals wellicht bekend is een aantal soorten onder de Wnb op een andere wijze beschermd dan onder de Ffw het geval was. Een van die soorten betreft de bastaardkikker. In de Ffw was een aantal diersoorten van bescherming uitgezonderd middels een vrijstelling. Een van die soorten is de bastaardkikker. De bastaardkikker is geen beschermde soort als bedoeld in art. 3.5, eerste lid, van de Wnb. Derhalve valt deze soort onder het verbod uit art. 3.10, eerste lid, onder b Wnb, en de ontheffingsbepaling uit art. 3.10, tweede lid, Wnb.35
In deze paragraaf wijzen wij op een strafrechtelijk arrest van het Gerechtshof Amsterdam.36 In dit arrest werd de strafzaak behandeld van een verdachte die Aloë capansis had ingevoerd. Dit zou verboden zijn. Het Hof komt tot de conclusie dat Aloë capansis geen op zichzelf staande plantensoort is en in de praktijk wordt gebruikt ter aanduiding van Aloë vera, hetgeen wel mag worden ingevoerd. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.

2.5.3 Mitigerende maatregelen

Vaste jurisprudentie is dat alleen die maatregelen die daadwerkelijk voorkomen dat een verbodsbepaling wordt overtreden, als mitigerende maatregelen aangemerkt kunnen worden. De ABRvS verwijst in haar uitspraak van 10 januari 201837 naar deze vaste jurisprudentielijn38 waaruit voortvloeit dat bij de beantwoording van de vraag of de in die artikelen opgenomen verboden worden overtreden, slechts maatregelen kunnen worden betrokken die zien op het voorkomen van overtredingen van die verboden. De ABRvS overweegt over het in dit geding aan de orde zijnde dat de verboden zijn vervat in art. 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb, maar ook onder de Wnb geldt deze jurisprudentie nog. In aanmerking genomen wordt door de ABRvS dat de betrokken schermen zullen worden geplaatst voordat de vleermuizen uit hun winterslaap ontwaken, daarom kan naar het oordeel van de ABRvS niet worden gezegd dat de functionaliteit van de vliegroute wordt aangetast.
De beroepsgrond die de effectiviteit van bepaalde mitigerende maatregelen ter discussie stelt, in een andere procedure dan een ontheffingsprocedure voor soorten centraal staat zoals een bestemmingsplanprocedure of een omgevingsvergunningprocedure, dient (uiteraard) wel goed te worden gemotiveerd. De enkele stelling dat maatregelen niet voldoende39 zijn of niet handhaafbaar40 is niet genoeg om dat besluit onderuit te krijgen. In een voorlopige voorzieningprocedure41 tegen een bestemmingsplan stond de effectiviteit van de voorgestelde mitigerende maatregelen ter discussie. Uit onderzoek was gebleken dat er een negatief effect op de voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en een deel van het leefgebied van de huismus zou ontstaan. Door voldoende mitigerende maatregelen te treffen wil men de effecten op de gunstige staat van instandhouding voorkomen (naar onze mening, zou dit al moeten zijn: “voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden”).
Ter zitting is nog aangekondigd dat waar nesten zich bevonden niet eerder gesloopt zal worden dan nadat een ecoloog heeft vastgesteld dat de nesten niet meer in gebruik zijn. Volgens verzoekers is dat onvoldoende om vast te stellen dat de als permanenteverblijfplaatsen te kwalificeren nesten (bedoeld zal zijn: jaarrond beschermde nesten) daadwerkelijk verlaten zijn. Nu onduidelijk is op welk moment moet worden vastgesteld dat de nesten niet meer in gebruik zijn en niet valt uit te sluiten dat het eerstvolgende broedseizoen moet worden afgewacht om zeker te zijn dat de voorgestelde maatregelen effectief zijn, schorst de voorzieningenrechter het plan gedurende de bodemprocedure.

2.5.4 Verboden – doden

In een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 5 maart 201842 werd tegen een omgevingsvergunning voor 4 windturbines aangevoerd dat de omgevingsvergunning vanwege strijd met de Wnb niet uitvoerbaar was. Er was een aparte ontheffing op grond van het bepaalde in art. 3.1 lid 1 Wnb verleend voor verstoring. In deze uitspraak heeft de vergunninghouder naar voren gebracht dat er jaarlijks maar 16 vleermuisslachtoffers verwacht worden en dat daarvoor geen ontheffing van de Wnb is vereist. Dit wordt ook vermeld in de oplegnotitie op de ruimtelijke onderbouwing die deel uitmaakt van het bestreden besluit. Appellanten hebben niet aangegeven dat de weerlegging van de argumenten in deze oplegnotitie onjuist is.
In de uitspraak van de ABRvS van 13 december 201743 waarbij het vaststellingsbesluit voor een bestemmingplan dat een windpark mogelijk maakt centraal stond, wordt in een rapport dat voor deze ontwikkeling is geschreven aangegeven dat in de gebruiksfase op jaarbasis maximaal 50 vogelslachtoffers voor het hele windpark, verdeeld over een groot aantal soorten vallen. Per vogelsoort is de sterfte dermate gering – minder dan een enkel exemplaar per soort – dat volgens het rapport sprake is van incidentele sterfte waarbij de instandhouding van populaties van de betrokken vogelsoorten met zekerheid niet in geding is. In het rapport wordt daarom een ontheffing van de Ffw niet nodig geacht. De raad heeft hieraan toegevoegd dat, zo deze niettemin vereist zijn, deze zonder meer kunnen worden verleend nu op grond van het onderzoek buiten twijfel is dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

2.5.4.1 Verboden – Verstoren

Voor vogels is een verontrusting die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding niet verboden.44 Voor de soorten die vallen onder art. 3.5 Wnb geldt deze uitzondering niet. Maar dat wil niet zeggen dat elke verstoring een overtreding van het verbod van art. 3.5 Wnb oplevert. Dat was onder de Ffw niet anders. De ABRvS zet dit nog eens uiteen in haar uitspraak van 10 januari 2018.45 De ABRvS overweegt onder verwijzing naar een eerdere uitspraak46 dat bij de uitleg van art. 10 Ffw als uitgangspunt geldt dat “niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling”.47 De ABRvS overweegt uitdrukkelijk dat deze jurisprudentielijn ook geldig is op grond van de Wnb.
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel48 overweegt met betrekking tot een festival op het voormalige vliegveld Twente dat de verstoring slechts eenmalig is en hiervan maar in beperkte mate sprake is. Voor vogels wordt overwogen dat de verstoring niet van wezenlijke invloed is. Voor (mogelijk) aanwezige vleermuizen treedt pas een verstoring op bij 80 dB(A), maar het festival- en vuurwerkgeluid is begrensd tot 70 dB(A) zodat voor actief jagende vleermuizen geen verstorend effect optreedt. Voor de passief jagende vleermuizen kan dat wel het geval zijn, maar daarvoor geldt dat de verstoring van het foerageren eerst na zonsondergang aanvangt en duurt tot het einde van het festival om 24:00 uur. Deze eenmalige verstoring van het foerageren voor de duur van 2,45 uur en het vuurwerkgeluid van de duur van 300 seconden wordt niet aangemerkt door de voorzieningenrechter als overtreding van het bepaalde in art. 3.5 Wnb.
Bij een andere tijdelijke omgevingsvergunning voor een festival in Amsterdam werd geoordeeld door de Rechtbank Amsterdam49 dat de Wnb eveneens niet werd overtreden. De rechtbank overweegt dat:“Uit het bestreden besluit blijkt dat het algemeen bestuur in de heroverweging heeft betrokken dat er “in verschillende jaren onderzoek verricht naar de in het (gebied) levende fauna.” (…) “In 2008 is uitgebreid onderzoek gedaan naar alle voorkomende diersoorten. Hieruit is gebleken dat de enige voorkomende (beschermde) diersoorten die mogelijk verstoord worden door het festival de broedvogels zijn. In 2014 en 2015 is het onderzoek daarom specifiek gericht geweest op de broedvogels. Uit deze onderzoeken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er als gevolg van het festival verstoring van broedvogels of een wijziging in de aantallen en soorten broedvogels heeft plaatsgevonden. Ook vogels op nest gingen tijdens het festival door met het voeden van hun jongen. Uit het enkele feit dat de ransuil in eerdere jaren wel in het (…) (gebied) is waargenomen maar nu niet meer, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder verdere onderbouwing van de oorzaak daarvan niet de conclusie worden getrokken dat het festival daar de oorzaak van is (geweest). Het algemeen bestuur heeft zich naar het oordeel van de rechtbank bij de besluitvorming dan ook mogen baseren op de onderzoeken van [naam] en daaruit de conclusie mogen trekken dat het festival niet tot onomkeerbare schade van de natuurwaarden van het (…) gebied leidt.”
Deze laatste opmerking van de rechtbank is opvallend omdat nergens in de Wnb de onomkeerbare schade van natuurwaarden als toetsingskader geldt. Bij festivals en evenementen lijkt de Wnb overigens vaker geen obstakel (meer) te zijn.50

2.5.4.2 Verboden – Nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen

In een tweetal uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland51 (strafrecht) was de vraag aan de orde of er nesten van oeverzwaluwen aanwezig waren op het moment dat een bepaald wegtalud werd afgevlakt. Het OM voerde aan dat de nesten of vaste rust- en verblijfplaatsen niet daadwerkelijk in gebruik hoeven te zijn, maar dat het van belang is dat de nesten voor de oeverzwaluwen beschikbaar blijven gedurende het broedseizoen. De rechtbank overweegt dat de bescherming van nesten zich echter niet uitstrekt tot verlaten nesten. Daarbij neemt zij mee dat een oeverzwaluw geen jaarrond beschermd nest gebruikt. Voor jaarrond beschermde nesten is dit in zoverre niet anders, dat als de vogel het jaarrond beschermde nest daadwerkelijk verlaten heeft, de plaats ook niet meer als nest wordt beschermd. Zoals de ABRvS overwoog in haar uitspraak van 17 oktober 201752 over de huismus, die een jaarrond beschermd nest heeft:“Dit betekent dat de nesten op grond van de Wnb ook buiten het broedseizoen niet zonder meer mogen worden aangetast. Dat is slechts toegestaan als is geconstateerd dat de nesten niet meer in gebruik zijn.”53
De vraag of foerageergebied en vliegroutes beschermd zijn dient te worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes. Dit is vaste jurisprudentie van de ABRvS. De ABRvS herhaalt in haar uitspraak van 10 januari 201854 deze standaardoverweging nog eens: “Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve route teveel energie kost. (…) In deze uitspraak heeft de Afdeling in het kader van de uitleg van artikel 11 van de Ffw tevens geoordeeld dat het aantasten van essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes, die (…) niet samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen, moet worden gezien als beschadiging of vernieling van rust- of verblijfplaatsen indien daardoor de functionaliteit van de rust- of verblijfplaatsen van de betrokken vleermuissoorten wordt aangetast.”
De Afdeling volgt deze interpretatie ten aanzien van de in respectievelijk het tweede lid en het vierde lid van art. 3.5 van de Wnb neergelegde verboden. Ook het wegvallen van een deel van de essentiële vliegroute van een vleermuis, zonder dat de vliegroute in het geheel verloren gaat, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van de ABRvS55 onvoldoende om een ontheffing te vereisen.

2.5.4.3 Verboden – vangen en uitzetten

Met betrekking tot verplaatsingen van dassen en dassenburchten en andere soorten, valt ons op dat er nauwelijks jurisprudentie te vinden is. In de bestemmingsplanuitspraak van de ABRvS van 2 augustus 201756 valt te lezen dat een ontheffing is verleend voor de verplaatsing van een dassenburcht. Deze ontheffing lijkt echter zelf niet aangevochten in een bestuursrechtelijke procedure. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelde op 15 september 201757 wel over een ontheffing voor het afvangen en uitzetten van de rugstreeppad, heikikker en platte schijfhoren in de Bloemerdalerpolder. De voorzieningenrechter acht de ontheffing (ex. art. 3.8 Wnb en 3.34 Wnb) toereikend voor het verrichten van de werkzaamheden.

2.5.5 Andere bevredigende oplossing

Een ontheffing soortenbescherming (maar ook een ontheffing in het kader van beheer en schadebestrijding) kan alleen verleend worden als is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In uitspraken waarin ontheffingen in het kader van beheer en schadebestrijding centraal staan wordt vrijwel altijd betoogd dat er een andere bevredigende oplossing bestaat. In de algemene soorten ontheffingspraktijk zien we dit argument (althans onderbouwd) minder terug.
Zo voerde appellante tegen een verleende ontheffing voor soortenbescherming waarmee een gasleiding van asbestcement kon worden verwijderd aan, dat er ook een andere bevredigende oplossing bestond. Het project kan volgens appellante worden uitgevoerd met technieken waarvoor de bomen niet hoeven te worden gekapt en die de wortels van de bomen niet beschadigen. De bestaande gasleiding van asbestcement hoeft niet te worden verwijderd of kan met een alternatieve techniek worden verwijderd. Appellante wijst erop dat in Breda vergelijkbare projecten zijn uitgevoerd waarbij de bomen konden blijven staan. De ABRvS overweegt dat ervan moet worden uitgegaan “dat verwijdering van de gasleiding van asbestcement, gezien het breukrisico, nodig is in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Het niet verwijderen van deze leiding is derhalve niet een andere bevredigende oplossing.” (…) Ten slotte merkt de ABRvS nog op dat het feit dat in Breda vergelijkbare projecten zijn uitgevoerd hieraan niet afdoet, gelet op de toelichting van de gemeente ter zitting van de voorzieningenrechter dat de ondiepe manier waarop de bomen hier wortelen in de weg staat aan toepassing van de bij andere projecten gebruikte technieken.

2.5.6 Gunstige staat van instandhouding

Ten slotte, nadat is geconstateerd dat er een verbod wordt overtreden, een belang genoemd in de wet aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd en is vastgesteld dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, dient te worden getoetst aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, deze mag immers niet in gevaar komen.
In een uitspraak van de ABRvS van 17 januari 201858 was een watervergunning verleend voor het uitvoeren van handelingen in een waterstaatswerk of beschermingszone op grond van de Keur. Met onder meer deze watervergunning wordt de oprichting van een windpark met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Appellanten voeren aan dat het onderliggende inpassingsplan niet uitvoerbaar is vanwege de Ffw. Een van de beroepsgronden ziet op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Appellant voert aan dat in het flora- en faunaonderzoek ten onrechte wordt aangenomen dat het aantal dode vleermuizen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen per windturbine 0-3 per jaar bedraagt. Uit recente Duitse onderzoeken zou blijken dat dit aantal veel hoger ligt. Indien wordt uitgegaan van het in de Duitse onderzoeken genoemde aantal van ongeveer 10 slachtoffers per windturbine per jaar, dan kan volgens appellant niet langer worden aangenomen dat slechts sprake is van incidentele sterfte van vleermuizen als gevolg van de in het inpassingsplan voorziene windturbines. Op basis van de omvang van de populatie, de gemiddelde dichtheid van de populatie per vierkante kilometer en de jaarlijkse natuurlijke sterfte, is in het flora- en faunaonderzoek geconcludeerd dat de sterfte van de gewone dwergvleermuis als gevolg van het windpark maximaal 0,13% bedraagt van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de ecologisch relevante populatie. Dit is volgens het flora- en faunaonderzoek te beschouwen als een verwaarloosbare bijdrage aan de jaarlijkse natuurlijke sterfte. Appellant heeft tegen die benadering geen concrete bezwaren naar voren gebracht en derhalve niet onderbouwd op welke punten het flora- en faunaonderzoek in zoverre onjuist of onvolledig is.

2.5.7 Ontheffingsgronden

Een ontheffing kan alleen verleend worden indien (i) er geen andere bevredigende oplossing is; (ii) de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar is; en (iii) de ontheffing verleend kan worden op grond van één van de voor de soortgroep in te roepen wettelijke belangen. Zoals wellicht bekend is het aantal wettelijke belangen dat voor een ontheffing voor vogels kan worden ingeroepen het meest beperkt en kan voor de “overige soorten” (art. 3.10 Wnb), niet zijnde de habitatrichtlijnsoorten van art. 3.5 Wnb, een beroep worden gedaan op de meeste wettelijke belangen.
Voor het verlenen van ontheffingen voor vogels en/of vleermuisslachtoffers van windturbines kan een beroep worden gedaan op het wettelijk belang “volksgezondheid en openbare veiligheid”.59 Dit belang kan voor alle soortencategorieën (vogels, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten) worden ingeroepen.
Aan een ontheffing voor het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger (ook een vleermuissoort) ten behoeve van een project waarmee onder meer gasleidingen van asbestcement werden verwijderd vanwege het breukrisico, kon het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid ten grondslag gelegd worden, zo werd geoordeeld.60
In de vorige kroniek wezen wij op een aantal uitspraken van rechtbanken over ontheffing ten behoeve van schadebestrijding waarbij damherten opzettelijk verontrust en gedood mochten worden. Het ingeroepen wettelijk belang betrof hier de verkeersveiligheid. De ABRvS doet nu in een viertal uitspraken van 20 december 201761 uitspraak in de hoger beroepsprocedures. In deze hoger beroepsprocedures wordt niet langer bestreden dat het belang van verkeersveiligheid geschaard kan worden onder het belang van de openbare veiligheid.
In een heel ander soort procedure dan een ontheffing van soorten, te weten een beroep op de nietigverklaring (of intrekking) van een afgegeven EG-certificaat voor orka Morgan, was eveneens het wettelijke belang punt van discussie (zie Rb. Midden-Nederland 26 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1767). Met dit EG-certificaat mocht orka Morgan verhuizen van het Dolfinarium in Harderwijk naar Tenerife. Aan de verlening van dit certificaat is het wettelijk belang “onderzoek en onderwijs” ten grondslag gelegd. Verzoekers hebben gesteld dat van onderzoek en onderwijs geen sprake kan zijn omdat de orka voor commerciële doeleinden wordt gebruikt. Maar het feit dat de orka voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, hoeft niet te betekenen dat er geen onderzoek wordt gedaan en het dier niet wordt gebruikt voor onderwijs, zo oordeelde de ABRvS overigens ook al in 2014.

2.6 Aanhaken bij de omgevingsvergunning

Het blijkt in de praktijk veelal nog onduidelijk wanneer een natuurtoestemming moet aanhaken bij een omgevingsvergunning. Ook blijkt in de praktijk niet altijd duidelijk wat dat “aanhaken” nu precies inhoudt.
De hoofdregel is dat er voor activiteiten, waardoor een overtreding plaatsvindt van de verbodsbepalingen uit de Wnb, een omgevingsvergunning voor het onderdeel natuur nodig is. Het bevoegd gezag hiervoor is het college van burgemeester en wethouders. Echter GS dienen daartoe een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven op grond van art. 6.10a lid 1 en 2 Bor (of uitzondering: art. 6.10a lid 3 Bor). Een handeling of activiteit die op grond van art. 3.1, 3.5 of 3.10 lid 1 Wnb verboden is, dient ingevolge art. 2.2aa aanhef en onder b Bor aangemerkt te worden als een activiteit als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onderdeel i Wabo, tenzij al een Wnb ontheffing is aangevraagd of verleend. Meest zuiver is het wellicht om niet meer van “aanhaken” te spreken nu onder de Wnb en het Bor sprake is van een omgevingsvergunning voor het onderdeel natuur. Samengevat, als de ontheffing op grond van de Wnb eerst (los) wordt aangevraagd, is er geen sprake van aanhaken (of zuiverder een omgevingsvergunning voor natuur).62 De uitgebreide voorbereidingsprocedure is hierop dan van toepassing op grond van art. 3.10 lid 1 onderdeel e Wabo (of art. 5a.1 Bor). Overigens is art. 2.7 lid 1 Wabo niet van toepassing op een Wnb ontheffing, dat was onder de Ffw ook al het geval.
De ABRvS63 verduidelijkt in haar uitspraak van 10 januari 2018 vanaf welk moment gesteld kan worden dat een omgevingsvergunning voor het onderdeel niet nodig is omdat hiervoor al een aanvraag voor ontheffing op grond van de Wnb is ingediend. De ABRvS hecht in de uitspraak niet alleen waarde aan het moment van indiening van de omgevingsvergunning en ontheffing. De ABRvS kijkt ook naar het moment waarop op de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist. Op dat moment (besluit in primo omgevingsvergunning) was geen aanvraag voor een Wnb-ontheffing ingediend. De ABRvS komt tot de conclusie dat er niet tijdig een ontheffingsaanvraag was ingediend en ook geen verklaring van geen bedenkingen is verleend. De omgevingsvergunning wordt daarom vanwege strijd met art. 2.2aa aanhef en onder b Bor en 6.10a lid 1 Bor vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit worden in stand gelaten omdat er inmiddels wel een aanvraag voor ontheffing op grond van de Wnb is ingediend. De vraag is of dit helemaal zuiver is, maar het levert wel een snelle effectieve geschilbeslechting op en daar zijn wij voorstanders van.
In een procedure die voorlag bij de Rechtbank Rotterdam64 is er kennelijk iets vreemds gebeurd. Eisers stellen in beroep tegen de verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van een windpark dat er in strijd is gehandeld met de aanhaakverplichting. De aangevraagde activiteiten hebben immers gevolgen voor beschermde diersoorten. Na het indienen van de aanvraag heeft het college van burgemeester en wethouders vergunninghoudster verzocht de aanhakende aanvraag om ontheffing in te trekken en tegelijkertijd een aparte aanvraag om ontheffing in te dienen bij RVO. Dit heeft vergunninghoudster gedaan. Ten onrechte zo stellen appellanten. En dan komt de overweging van de rechtbank op dit punt die wij maar moeilijk kunnen volgen. De rechtbank overweegt dat zij “eisers niet (kan) volgen in hun betoog dat in dit geval GS eerst een vvgb had moeten afgeven. Van de gestelde strijdigheid met artikel 2.27 van de Wabo is geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de hand van het bij de aanvraag ingediende rapport van Bureau Waardenburg van 11 december 2015 naar de effecten van het project op flora en fauna op voorhand geen aanleiding heeft hoeven zien om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het project. Vergunninghoudster heeft dan ook niet ten onrechte aan de RVO om ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wnb gevraagd. Deze ontheffingen zijn haar overigens bij besluiten van 16 augustus 2017 en 9 oktober 2017 verleend. Het betoog van eisers kan dan ook niet slagen.” Dit lijkt ons een vreemde uitspraak volgend op een vreemd advies van B&W aan aanvraagster.
Met onderzoek kan worden aangetoond of er mogelijk strijd is met de verbodsbepalingen uit de Wnb en derhalve of de activiteiten niet ook aangemerkt moeten worden als activiteiten waarvoor een ontheffing op grond van de Wnb nodig is.65 De Rechtbank Gelderland lijkt in de uitspraak van 27 oktober 201766 overigens wel heel eenvoudig en zonder onderzoek tot de conclusie te komen dat een vvgb hier niet vereist was, wellicht vormen wij ons dit beeld omdat niet alle feiten en omstandigheden uit de uitspraak duidelijk worden. In de uitspraak van de Rechtbank Overijssel67 lijkt geen schriftelijk natuuronderzoeksrapport aanwezig te zijn, maar blijkt uit de stukken wel dat er een inspectie ter plaatse is uitgevoerd, waarna is geoordeeld dat nader ecologisch onderzoek niet nodig is. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar opgemerkt dat er “op internet” informatie is gezocht naar de ransuil en de takkeling. Uit die informatie heeft verweerder geconcludeerd dat deze soorten geen jaarrond beschermde nesten hebben, zodat een vrijstelling of ontheffing niet nodig is.
In een procedure gericht tegen een omgevingsvergunning bouwen of een andere activiteit en aangehaakte omgevingsvergunning voor natuur, is het goed te weten dat de vvgb voor het onderdeel natuur (oftewel de aangehaakte omgevingsvergunning voor natuur) een apart besluitonderdeel betreft. Tegen dit aparte besluitonderdeel dient dus van meet af aan bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsgronden te worden aangevoerd.68
Uit de uitspraak van de ABRvS van 17 januari 201869 volgt dat niet voor elke appellant duidelijk is dat er verschillende soorten vvgb’s kunnen zijn. De vvgb was in dit geval vereist voor de gevraagde activiteiten bouwen en gebruikt in afwijking van het bestemmingsplan. Niet in geschil is dat voor de sloopactiviteiten geen omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan is vereist. Reeds daarom bestaat, anders dan appellanten betogen, tussen de gevraagde activiteiten en de sloopactiviteiten geen onlosmakelijke samenhang als bedoeld in art. 2.7, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de weigering de vvgb te verlenen niet gebaseerd kon zijn op de vaststelling dat de sloopactiviteiten strijd opleveren met de Ffw.

2.7 Bestemmingsplannen en soortenbescherming

De vraag of een ontheffing soortenbescherming op grond van de Wnb moet worden verleend of vereist is, komt bij bestemmingsplanprocedures aan de orde in het kader van de zogenaamde uitvoerbaarheidstoets. De standaardoverweging luidt als volgt: “De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.”70
Indien er een ontheffing soortenbescherming op grond van de Wnb is verleend en onherroepelijk is voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, zal duidelijk zijn dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.71

2.8 Onderzoek

Onderzoeken, of het nu een voortoets, quickscan, nader onderzoek of natuurtoets heet, zijn regelmatig onderwerp van bestemmingsplanprocedures. In bestemmingsplanprocedures in het kader van de uitvoerbaarheidstoets, maar ook in procedures met betrekking tot Ffw-ontheffingen en omgevingsvergunningen met aangehaakte omgevingsvergunning voor het aspect natuur, worden de onderzoeken die aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd nogal eens in twijfel getrokken.
Evenals in de vorige kroniek zullen we een groot aantal uitspraken rubriceren aan de hand van de verschillende gebreken die aan een onderzoek kunnen kleven. Wij behandelen de volgende categorieën:

a) Geen (nader) onderzoek verricht;

In deze kroniekperiode valt ons op dat het aantal uitspraken waarbij ten onrechte geen ander onderzoek is uitgevoerd nadat dit bijvoorbeeld uit de quickscan volgde lijkt te zijn afgenomen.
Onderzoekers lijken overigens ook bewuster om te gaan met de opmerking dat er nog nader onderzoek verricht moet worden. Zo valt op in de uitspraak van de ABRvS van 4 april 201872 dat in de quickscan die aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegd was weliswaar was opgemerkt dat “geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend ecologisch onderzoek te verrichten”, maar dit wordt gevolgd door de opmerking dat – kort gezegd – als uit dat onderzoek blijkt dat er bepaalde soorten aanwezig zijn, hiervoor een ontheffing kan worden aangevraagd (en verkregen) en er voor andere soorten volgens een gedragscode gewerkt kan worden. In de quickscan wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
In de uitspraak van de ABRvS van 28 februari 201873 inzake een bestemmingsplan diende volgens de uitgevoerde quickscan een nacontrole uitgevoerd te worden en voor bepaalde soorten werd nader onderzoek aangeraden. Vervolgens is een zogenaamde “extra controle” uitgevoerd. Omdat de plannen op dat moment nog niet voldoende concreet waren wordt in die “extra controle” overwogen dat, wanneer concreter bekend is wat waar komt, er een plan van aanpak kan worden opgesteld. De niet behandelde conclusies uit de quickscan van 2016 zijn nog vigerend, aldus de extra controle. Uit de quickscan volgt naar het oordeel van de ABRvS niet dat de raad het plan niet had mogen vaststellen.
In de uitspraak van de ABRvS van 19 juni 201774 kunnen wij niet goed volgen waarom de ABRvS het onderzoek hier voldoende acht, terwijl uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er nader onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van vleermuizen en, in het geval er vleermuizen in dat nadere onderzoek worden aangetroffen, er een ontheffing is vereist. Toch mocht de raad voor de vaststelling van het bestemmingsplan ervan uitgaan dat de Wnb (Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De opmerking dat er geen nader onderzoek is verricht kan uiteraard alleen slagen indien uit wel uitgevoerd onderzoek ook blijkt dat nader onderzoek nodig is en dat dit niet is uitgevoerd. De losse opmerking dat er meer of nader onderzoek uitgevoerd had moeten worden slaagt niet.75 Ook als in de plantoelichting wordt opgemerkt dat gronden niet geschikt zijn voor enige vorm van beschermde flora en fauna is een nader (veld)onderzoek niet noodzakelijk als daar verder geen aanleiding voor is in de stukken.76
Steeds schaarser zijn uitspraken waaruit volgt dat in het geheel geen onderzoek is verricht. Maar ze zijn er nog wel. Een voorbeeld betreft de uitspraak van de ABRvS van 28 juni 201777 waarin slechts in de plantoelichting een paragraaf is opgenomen waarin de gevolgen voor de flora en fauna samengevat worden besproken. Er is echter geen onderliggend onderzoeksrapport waaraan de conclusies in die paragraaf getoetst kunnen worden. De aanwezigheid van vleermuizen en klein wild wordt vervolgens alleen in het kader van lichthinder besproken, maar niet in de paragraaf over flora en fauna. Er wordt dan nog snel een rapport hangende de procedure geschreven, echter dat rapport stuurt de raad vervolgens niet naar de ABRvS toe. De ABRvS komt tot de conclusie dat de gevolgen voor de flora en fauna onvoldoende gemotiveerd zijn, waardoor deze aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.

b) Kwaliteit onderzoek/deskundigen;

Het vleermuisprotocol levert altijd veel beroepsgronden op, met name over het niet, niet goed volgen van het protocol. De ABRvS78 overweegt hierover (steeds weer): “Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2081, is het vleermuisprotocol een leidraad bij het onderzoek ten behoeve van een aanvraag om een ontheffing op grond van de Ffw.” Met als conclusie dat deze leidraad dus niet per se gevolgd hoeft te worden.
In een bestemmingsplanprocedure werd door een appellant aangevoerd dat er onvoldoende onderzoek was verricht naar het voorkomen van beschermde soorten in haar tuin. De ABRvS overweegt: “Gezien het feit dat direct langs het deel van haar tuin dat nodig is voor de aanleg van de randweg aan twee zijden een openbare weg loopt en de eventueel te kappen bomen dichtbij de openbare weg staan, ziet de ABRvS geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat de beoordeling of vaste rust- of verblijfplaatsen van diersoorten in die bomen aanwezig zijn mogelijk was vanaf de openbare weg”. De ABRvS maakt duidelijk dat het niet zo is dat zij deze appellant niet gelooft, maar dat appellant niet aannemelijk gemaakt heeft dat de ecologische onderzoeken onjuist zijn wat betreft het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen in haar tuin. De ABRvS brengt dit mooi onder woorden: “De Afdeling twijfelt niet aan de stelling dat meerdere vogelsoorten in de tuin van appellante (…) aangetroffen zijn, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat de genoemde vogelsoorten ook vaste rust- of verblijfplaatsen in haar tuin hebben, waarvoor een ontheffing ingevolge de Wnb is vereist. In het krantenbericht over de waarnemingen door IVN Heeze-Leende wordt daarvan ook geen melding van gemaakt. Appellante (…) heeft ook niet gesteld dat dergelijke rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bomen die zullen worden gekapt.”
Indien het bevoegd gezag ervoor kiest om af te wijken van een ingewonnen (extern) deskundigenadvies, dient zij wel duidelijk te beargumenteren waarom zij dit doet.79
Dat het bevoegd gezag het onderzoek niet zelf heeft uitgevoerd, maar dit de vergunninghouder heeft (laten) doen, maakt niet dat het onderzoek niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mag worden.80

c) Geen of geen goede contra-expertise uitgevoerd;

Nogal eens wordt aangevoerd dat de aan een bestemmingsplan, ontheffing of vergunning ten grondslag gelegde onderzoeken ondeugdelijk zijn. Volgens vaste jurisprudentie dient degene die dit stelt dat ook te onderbouwen en bij voorkeur met een deskundige contra-expertise. Een dergelijke contra-expertise wordt echter veelal niet uitgevoerd. Zie bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 25 augustus 201781 inzake een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een crematorium. Of een bestemmingsplan, uitspraak van de ABRvS van 20 december 2017.82

d) Niet gemotiveerd welk gebrek er kleeft aan het onderzoek;

Het komt nogal eens voor dat wel wordt betwist dat er voldoende goed onderzoek is uitgevoerd, maar dat niet wordt aangevoerd wat er dan (inhoudelijk) onjuist is aan de verrichtte onderzoeken. Een voorbeeld betreft de uitspraak van de ABRvS van 7 maart 201883 (bestemmingsplan) waarbij de quickscan en de daarin neergelegde conclusies niet inhoudelijk waren betwist.84 In een andere bestemmingsplanprocedure85 overwoog de ABRvS dat er geen concrete gegevens naar voren gebracht waren die aanleiding geven om aan de bevindingen in het natuurrapport te twijfelen. Maar ook bij omgevingsvergunningen zien we dit terug.86 Een appellant in een bestemmingsplanprocedure dient “zodanige gebreken in het natuuronderzoek aan te tonen dat hiervan niet kon worden uitgegaan”.87

e) Eigen waarnemingen van diersoorten;

Bekend zijn de omwonenden die in een procedure stellen dat zij beschermde soorten in hun tuin hebben waargenomen. Bestuursrechters hechten aan deze waarnemingen over het algemeen weinig waarde.
Ook als omwonenden bijvoorbeeld foto’s hebben gemaakt van de beschermde soorten wil dat niet zeggen dat daarmee aannemelijk is dat de beschermde diersoorten ook daadwerkelijk binnen het plangebied aanwezig zijn of essentieel foerageergebied verliezen.88 Ook maken zij daarmee niet inzichtelijk dat voor de van toepassing zijnde soorten geen ontheffing verleend kan worden, waardoor de raad niet op voorhand hoefde te zien dat het plan niet uitvoerbaar is.
De enkele aanwezigheid van een das zegt bijvoorbeeld ook niets over de vraag of er mogelijk een functioneel deel van het territorium verloren gaat, noch over de vraag of er een burcht aanwezig is. Daarbij kwam dat in dit geval voldoende onderzoek was uitgevoerd naar de das.89

f) Onderzoek is gedateerd;

Ook deze kroniekperiode zien wij beroepsgronden over de vermeende gedateerdheid van verricht natuuronderzoek onderzoek in de jurisprudentie terug. In art. 3.1.1a Bro staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen gebruik gemaakt wordt van onderzoeken die ouder dan twee jaar zijn. Let wel, dit is geen harde eis waarvan niet mag worden afgeweken zoals blijkt uit de hierna te bespreken jurisprudentie.90
Een natuuronderzoek uit 2014 verricht voor een bestemmingsplan vastgesteld in 2016, is niet gedateerd.91 In een andere procedure was een bestemmingsplan vastgesteld op 28 februari 2017 waaraan een natuuronderzoek van 23 juni 2015 ten grondslag gelegd was. De ABRvS overweegt, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak,92 dat art. 3.1.1a Bro er niet aan in de weg staat “dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd”. Appellanten moeten in die situaties motiveren waarom het onderzoek te gedateerd is. In deze procedure overweegt de ABRvS dat appellant “niet aannemelijk (heeft) gemaakt dat de quickscan zodanig is verouderd, dan wel zich na de totstandkoming van het onderzoeksrapport zodanige ontwikkelingen in het plangebied hebben voorgedaan dat de raad dit onderzoek niet in redelijkheid aan het besluit van 28 februari 2017 ten grondslag heeft mogen leggen”.93 Daarbij neemt de ABRvS in aanmerking dat in de quickscan onderzoek is gedaan naar de ontwikkelingen die het plan, zoals vastgesteld bij besluit van 28 februari 2017, mogelijk maakt.
In de bestemmingsplanprocedure waarover de ABRvS uitspraak deed op 6 december 201794 wordt eveneens aangevoerd dat het verrichte onderzoek gedateerd is. Het verrichtte natuuronderzoek was 5 jaar oud. Het natuuronderzoek had naar het oordeel van appellanten dan ook geactualiseerd moeten worden. De ABRvS ziet in de enkele omstandigheid dat het onderzoek 5 jaar oud was ten tijde van de vaststelling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet mocht vaststellen.
Geconcludeerd kan worden dat het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag wordt gelegd, veelvuldig ter discussie wordt gesteld maar vrijwel nooit met succes. In de onderzoeken die aan de verschillende besluiten ten grondslag gelegd worden zien wij weer minder gebreken.

2.9 Handhaving

Verzoeken om handhaving kunnen in het kader van de Wnb zich op verschillende punten richten. Een verzoek kan zich – grofweg – richten tegen het uitvoeren van activiteiten/verrichten van handelingen zonder vereiste ontheffing, of wegens handelen in strijd met aan de ontheffing verbonden voorschriften. De meeste verzoeken zijn onder te verdelen in de eerste categorie.
Als (een deel van) de werkzaamheden waarop het verzoek om handhaving wegens vermeende overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb (of Ffw) ziet al is uitgevoerd, dan bestaat er geen belang meer bij een beoordeling of ten aanzien van deze werkzaamheden overtreding van de Wnb heeft plaatsgevonden, zo overweegt de Rechtbank Noord-Holland.95
Indien de overtreding echter voortduurt kan er wel degelijk een belang zijn bij een uitspraak, zo volgt uit de reeks uitspraken over “Berend Botje”. Op 23 augustus 201796 deed de ABRvS een nieuwe (handhavings)uitspraak in deze soap rond de groene glazenmaker en het Westerdiepsterdalkanaal. De provincie heeft het Westerdiepsterdalkanaal aangelegd zonder onherroepelijke ontheffing. Het gaat hier niet om een incidentele overtreding, maar om een voortdurende overtreding zolang er niet is gecompenseerd of zolang het plangebied niet in de oude toestand is teruggebracht. Vaststaat dat het hier om een ernstige overtreding gaat. De gunstige staat van instandhouding van de groene glazenwasser is in gevaar. Duidelijk is ook dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015.97 De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is of er een geschikt compensatiegebied is om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding van de groene glazenmaker (althans dat te compenseren) en indien dat niet het geval is, of handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden behoort te worden afgezien. De ABRvS is van oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat handhavend optreden onevenredig is en er om die reden van moet worden afgezien. Dat het project is uitgevoerd voordat de ontheffing in rechte vast stond, komt voor rekening en risico van de provincie. Juist in het voorliggende geval waarin grote investeringen gemoeid zijn met de realisering van het project, had het op de weg van de provincie gelegen om te wachten met de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal totdat de ontheffing onherroepelijk zou zijn geworden. Daar komt bij dat het zeer ongewenst is dat minder snel kan worden opgetreden tegen een overtreding naarmate die grootschaliger is.
Bestuursrechters toetsen bij handhavingsverzoeken over het algemeen of de handeling “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid leidt tot overtreding” van de Wnb (of Ffw).98 Als een verstoring slechts zeer beperkt is en er daarmee geen verbodsbepaling is overtreden kan een verzoek om handhaving ook niet slagen. Zo overwoog de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel dat de Wnb “niet zodanig wordt overtreden dat de vergunningen moeten worden geschorst”. Daarvan is “slechts eenmalig en in beperkte mate sprake van”.99
Er dient overigens voldoende tijd te worden gegund aan het bevoegd gezag om te beslissen op een verzoek om handhaving.100

2.10 Samenloop soortenbescherming Wnb en andere wetten

In een strafrechtelijke procedure werd naar voren gebracht dat art. 9 Ffw niet was overtreden, omdat de vrijstelling van art. 20a van de Regeling beschermde dier- en plantensoorten van toepassing was omdat was voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde. Echter, de Rechtbank Rotterdam101 oordeelt dat hier niet aan voldaan is, zodat het vangverbod van art. 9 Ffw is blijven gelden.

2.11 Overig

In de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 augustus 2017102 wordt een wijziging van de Wnb duidelijk die voor de indiener van het beroep nog niet kenbaar was. Er wordt een jachtakte geweigerd door de korpschef. Tegen deze weigering komt eiser op door administratief beroep in te stellen. Echter, de rechtbank verklaart zich (nu nog) bevoegd. De grondslag voor de weigering uit de Wnb is sinds 1 januari 2017 opgenomen op de negatieve lijst bij de Awb, waardoor voor toekomstige gevallen geen beroep meer kan worden ingesteld tegen een weigering van een jachtakte.

2.12 Afronding

En dan een blik vooruit, wat verwachten wij in de volgende kroniekperiode. Wij verwachten de het aantal uitspraken over voorschriften die aan ontheffingen verbonden worden zal toenemen. Ook verwachten wij dat zo langzaamaan de omgevingsvergunning voor natuur (aanhaken) steeds bekender wordt en daarmee voor meer procedures zal zorgen. In de beheer en schadebestrijdingsjurisprudentie verwachten wij dat de “middelendiscussie” zal opdrogen, maar daarvoor in de plaats de causale relaties tussen schade en noodzaak ontheffing meer op de voorgrond zullen komen. Kortom, de Wnb en soortenbescherming zijn en blijven geen rustig bezit. Wij verwachten volgend jaar dan ook weer voldoende te kunnen bespreken in een nieuwe kroniek.

Voetnoten

 

1. Fleur Onrust en Marieke Kaajan zijn advocaat/partner bij ENVIR Advocaten. De tekst van dit artikel is afgesloten op 1 juni 2018.

 

2. Stb. 2018, 142.

 

3. Stcrt. 2017, 56468.

 

4. ABRvS 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0107.

 

5. Stcrt. 2018, 13687.

 

6. ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168. In beroep bij Rb. Gelderland 7 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4154.

 

7. ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666.

 

8. Verwezen wordt naar: ABRvS 24 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9672.

 

9. ABRvS 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1631.

 

10. ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146.

 

11. Overigens ook inzake gebiedsbescherming. Oordeel inzake art. 8:69a Awb was daar dat gelet op de afstand van 1,2 km tussen de percelen van appellanten en het dichtstbijzijnde N2000 gebied, het relativiteitsvereiste ook aan dit beroep in de weg stond.

 

12. Rb. Overijssel 13 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1213.

 

13. Rb. Rotterdam 13 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1013.

 

14. ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2811.

 

15. Eerder ook al overwogen door de ABRvS in de uitspraak ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.

 

16. Rb. Midden-Nederland 20 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1044.

 

17. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1196.

 

18. ABRvS 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3209 (knobbelzwanen).

 

19. Rb. Den Haag 21 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15097.

 

20. Onder verwijzing naar: ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067.

 

21. ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3509, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3510, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3511, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3512.

 

22. Rb. Den Haag 14 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5671.

 

23. Schijnbaar een laserlamp waarmee vogels verjaagd zouden kunnen worden.

 

24. Rb. Midden-Nederland 8 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1972.

 

25. Rb. Den Haag 21 december 2017 ECLI:NL:RBDHA:2017:15097.

 

26. Rb. Gelderland 15 maart 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1163.

 

27. Rb. Noord-Holland 19 december 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10592.

 

28. Omdat sprake is van een herstelbaar gebrek schorst de voorzieningenrechter overigens niet.

 

29. ABRvS 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2206. Let wel ons kantoor is bij deze uitspraak betrokken. Inmiddels is een herstelbesluit genomen waartegen tevens hoger beroep is ingesteld. De uitspraak in dat hoger beroep is op moment van schrijven van deze kroniek nog niet bekend.

 

30. ABRvS 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2206. Wij achten goed te vermelden dat ons kantoor bij deze uitspraak betrokken is. Inmiddels is een herstelbesluit genomen waartegen tevens hoger beroep is ingesteld. De uitspraak in dat hoger beroep is op moment van schrijven van deze kroniek nog niet bekend.

 

31. ABRvS van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2742. Ook bij deze uitspraak is ons kantoor betrokken geweest.

 

32. Rb. Den Haag 16 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:447.

 

33. Rb. Noord-Nederland 30 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1190.

 

34. ABRvS 22 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:620.

 

35. Uitdrukkelijk aan de orde in: ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:579.

 

36. Gerechtshof Amsterdam 10 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1545.

 

37. ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12.

 

38. ABRvS 15 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5109.

 

39. Zie bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 9 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11517.

 

40. ABRvS 22 februari, ECLI:NL:RVS:2018:620.

 

41. ABRvS 17 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2775.

 

42. Rb. Oost-Brabant 5 maart 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:958.

 

43. ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405.

 

44. Rb. Noord-Holland 27 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1810 en ECLI:NL:RBNHO:2018:1811 (beide strafzaken). Wij wensen er volledigheidshalve op te wijzen dat ons kantoor bij eerstgenoemde uitspraak betrokken is geweest.

 

45. ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12.

 

46. ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2464.

 

47. Zie ook: ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2087.

 

48. Rb. Overijssel 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3089.

 

49. Rb. Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7644.

 

50. Zie ook: Rb. Noord-Holland 13 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3118, m.b.t. een handhavingsverzoek ingediend door de Vogelbescherming inzake het evenement Mud masters.

 

51. Rb. Noord-Holland 27 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1810 en ECLI:NL:RBNHO:2018:1811. Wij wensen er volledigheidshalve op te wijzen dat ons kantoor bij eerstgenoemde uitspraak betrokken is geweest.

 

52. ABRvS (vzr.) 17 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2775.

 

53. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar overweging 7.8 van de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836.

 

54. ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12.

 

55. ABRvS (vzr.) 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1831.

 

56. ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2065.

 

57. Rb. Noord-Holland 15 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7645.

 

58. ABRvS 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141.

 

59. Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405, waarin wordt verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227.

 

60. ABRvS 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:643.

 

61. ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3509, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3510, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3511, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3512 (allemaal nog onder de Ffw gewezen).

 

62. ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504 (onder de Ffw).

 

63. ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12.

 

64. Rb. Rotterdam 13 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1013.

 

65. Rb. Midden-Nederland 2 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:834.

 

66. Rb. Gelderland 27 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5592.

 

67. Rb. Overijssel 13 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1213.

 

68. ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2810.

 

69. ABRvS 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:95.

 

70. Bijvoorbeeld: ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3343.

 

71. Bijvoorbeeld: ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2065, waarbij inmiddels 2 ontheffing is verleend en 1 aangevraagd.

 

72. ABRvS van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1102.

 

73. ABRvS van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:685.

 

74. ABRvS 19 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1953 (bestemmingsplan).

 

75. ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3343.

 

76. ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1817.

 

77. ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1717.

 

78. ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3345.

 

79. Rb. Overijssel 20 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1318.

 

80. Rb. Midden-Nederland 2 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:834 (omgevingsvergunning voor bouwen voor horeca, cultuur en ontspanning).

 

81. Rb. Den Haag 25 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9647

 

82. ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3503.

 

83.ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:783.

 

84. Zie ook: ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:344 (bestemmingsplan) waarin de inhoud van een natuurnotitie niet bestreden was.

 

85. ABRvS 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3573.

 

86. Rb. Midden-Nederland 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4147.

 

87. Bijvoorbeeld: ABRvS 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2455.

 

88. ABRvS 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2365 (bestemmingsplan).

 

89. ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:246 (bestemmingsplan).

 

90. Vooruitlopend op de hierna te noemen uitspraken: Zie ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2087 (tracébesluit).

 

91. ABRvS 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2760.

 

92. ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075.

 

93. Zie ook: ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3001, met verwijzing naar een andere eerdere uitspraak van de ABRvS van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:437.

 

94. ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3345.

 

95. Rb. Noord-Holland 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8726.

 

96. ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2237.

 

97. ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:425. Ook van belang is de tussenuitspraak van de ABRvS van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2231.

 

98. Zie bijvoorbeeld: Rb. Amsterdam 4 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:25 en Rb. Noord-Holland 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8725.

 

99. Zie de eerder uitgebreid in paragraaf 2.5.4.1 van deze kroniek besproken uitspraak van de Rb. Overijssel 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3089 en Rb Overijssel 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3091.

 

100. Rb. Noord-Holland 4 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:84 (waar slechts 10 kantooruren waren gegund om te beslissen en onderzoek te doen naar de vermeende overtreding, waarna een beroep op niet tijdig beslissen werd gedaan).

 

101. Rb. Rotterdam 27 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10297 (straf), inzake het vangen met aalfuiken van palingen en alen.

 

102. Rb. Midden-Nederland 28 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4324.

Gerelateerd

Randvoorwaarden PAS – arrest HvJ
Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (over de Programmatische…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2018/62…
Belanghebbendheid bij een ontheffing voor een windpark
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven een noot onder ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, BR…
Prejudiciële vragen PAS: en nu?
Op 17 mei jl. deed de ABRvS twee (tussen)uitspraken over de Programmatische Aanpak Stikstof. In…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Soortenbescherming (deel 1)
In de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht schreven Fleur Onrust en Marieke Kaajan in BR 2017/53…
Natuurbescherming onder de Omgevingswet: eenvoudig en beter?
In MenR 2017/45 ging Marieke Kaajan in op de consultatieversie van de Aanvullingswet Natuur in…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht – Gebiedsbescherming (deel 2)
Deel 2 van de jaarlijks terugkerende kroniek Natuurbeschermingsrecht, geschreven door Marieke Kaajan en Fleur Onrust,…
Actualiteiten natuurbeschermingsrecht 2017
In MenR 2017/78 werd, naar aanleiding van de Actualiteitendag van de Vereniging van Milieurecht, het…
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen weiden en bemesten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 in MenR 2017/85. 1….
Programmatische Aanpak Stikstof; prejudiciële vragen (algemeen)
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 in MenR 2017/84. 1….
Relatie tussen luchthavenbesluit en Wet natuurbescherming
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:129 in MenR 2017/53. 1….
Overgangsrecht Programmatische Aanpak Stikstof
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327 en 28 december 2016,…
Passende beoordeling en rol van PAS-maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:497 in M en R 2016/68. Noot 1. Hoewel juridisch…
Stikstofbeoordeling bij plannen; mitigerende maatregelen in planvoorschriften verzekeren
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072 in M en R 2016/98. Noot 1. Deze twee met…
Omvang motiveringsplicht bij toename stikstofdepositie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 30-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 in M en R 2016/82. Noot 1. ABRvS 23…
Passende beoordeling bij kleine toename stikstofdepositie; geen cumulatie met nog niet vastgesteld uitwerkingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1612 in M en R 2016/112 Noot 1. Deze uitspraak –…
Gebruikmaken van een eerdere passende beoordeling
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22‑06‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745  in M en R 2016/115. Noot 1. Art. 19j, lid…
Stikstofregeling in bestemmingsplan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 in M en R…
Beperkte beroepsmogelijkheden tegen beheerplan; relatie met bestaand gebruik
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2041 in M en R…
Verschil tussen instandhoudingsmaatregelen, preventieve en compenserende maatregelen
Marieke Kaajan schreef een noot onder HvJ EU 21-07-2016, ECLI:EU:C:2016:583 in M en R 2016/131. Noot 1….
Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen uit de praktijk
Marieke Kaajan schreef in M en R 2016/73 het artikel: Natuurbeschermingsrecht in vogelvlucht; Actualiteiten en vragen…
Meldingsbevestiging PAS is geen besluit
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 02‑11‑2016, ECLI:NL:RVS:2016:2903 in M en R 2017/22. Noot 1. Met deze uitspraak…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2)
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 2) F. Onrust en M.M. Kaajan[1]     Inleiding…
Windturbines en ecologie: soortenbescherming (II)
Erwin Noordover en Neeltje Walgemoed schreven ‘Windturbines en ecologie: soortenbescherming (ii)’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht en Ffw 2016 (deel 1)
Verschenen in: BR 2016/50 Inleiding Een jaar verstreken; tijd dus voor een overzicht van de…
De Wet natuurbescherming: soortenbescherming
In Journaal Flora en fauna verscheen het artikel van Fleur Onrust en Luuk Boerema over…
Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming (I)
Erwin Noordover schreef ‘Windturbines en Ecologie: Gebiedsbescherming’, Nederlands Tijdschrift voor Energierecht, 2016, nr. 1.
Een nieuwe Beleidslijn Tijdelijke Natuur
Op 10 september 2015 is de Beleidslijn Tijdelijke Natuur in de Staatscourant gepubliceerd.[1] De beleidslijn heeft…
Standaard voorschriften Nbw-vergunning vernietigd
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 23-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980. Noot 1. De spoorlijn Budel-Weert levert…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 Soortenbescherming
Fleur Onrust en Marieke Kaajan schreven de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2015 – deel 2 inzake soortenbescherming….
Cumulatie met uitwerkingsplan verplicht?
Marieke Kaajan schreef een noot bij Vz. ABRvS 12-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575. Noot 1. Op grond van art. 19f,…
PAS: vragen uit de praktijk
De inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot vele vragen in de praktijk….
Nieuw leefgebied binnen N2000-gebied = mitigatie
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 14-10-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3194. Noot 1. Met het arrest Briels…
Aanvaardbare wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat significante effecten zijn uitgesloten
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16-09-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891. Noot 1. Al eerder heb ik…
Referentiesituatie bij plannen indien bebouwing teniet is gegaan
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2639. Noot 1. Een van de aspecten…
Toetsing van plannen aan de Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 05-08-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2471. Noot 1. Het is een terugkerend…
Nbw-toestemming zonder ADC-toets; feit of fictie?
Het arrest Briels heeft geleid tot een stroom aan jurisprudentie waarmee het verschil tussen compensatie…
Bevoegd gezag Nbw-vergunning sinds 1 juli 2015
Marieke Kaajan schreef een nooit onder ABRvS 29-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2406. Noot 1. Geeft een verleende Nbw-vergunning onverkort…
Kroniek Nbw en Ffw 2015 (deel 1)
De Nbw is geen rustig bezit. Het afgelopen jaar verscheen er weer veel jurisprudentie en…
Bestemmingsplannen en stikstof
Kunnen bestemmingsplannen profiteren van het programma aanpak stikstof (PAS)? Lees een instructief en praktisch artikel…
Beperkte toepassing art. 19kd Nbw bij plannen
Marieke Kaajan schreef een noot bij ABRvS 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:999 en 1010) over art….
Vergunningplicht beweiden en uitrijden van mest
Een Nbw-vergunning is ook nodig voor het beweiden van koeien en het uitrijden van mest….
Flora en faunawet ontheffing en zelf in de zaak voorzien
In AB 2015/164 verscheen een annotatie van Annemarie Drahmann (Stibbe) en Fleur Onrust (ENVIR Advocaten)…
Mitigatie en compensatie (part 2)
Marieke Kaajan schreef de volgende noot bij ABRvS 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:706, inz. Buitenring Parkstad…
Op feitelijke situatie is Nbw niet van toepassing
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 08-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2155. Noot 1. Deze uitspraak is een…
Criteria voor voorlopige aanwijzing Natura 2000-gebied
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 01-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2041 Noot 1. Het komt al niet…
Vergunningvrij bestaand gebruik Nbw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 Noot 1. Deze uitspraak is een weinig voorkomend…
Van EHS tot NNN en de doorwerking in bestemmingsplannen
Fleur Onrust schreef in het digitale magazine Natuur in de Gemeente een column over de EHS…
Voortoets of passende beoordeling?
Geen passende beoordeling? Dan ook vaak geen plan-merplicht. Toch is een voortoets vaak niet voldoende….
Beperkt beroep beheerplan Nbw
Marieke Kaajan schreef in Milieu en Recht 2015/21 de volgende noot onder ABRvS 24 september…
Foerageergebied buiten Natura 2000-gebied: mititgatie
Een van de eerste zaken na het arrest Briels waaruit blijkt wanneer sprake is van…
Mitigatie en compensatie; toepassing arrest Briels
Het arrest Briels leidt tot veel discussie over het verschil tussen mitigatie en compensatie. Marieke…
ORNIS-criterium ook bij Habitatrichtlijnsoorten
En de ontwikkeling van windturbines betreft een dwingende reden van groot openbaar belang. Zie de…
Elektrovisserij leidt tot overtreding Ffw
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 november 2014, nr. 201404288 inzake de overtreding van…
Jaaroverzicht jurisprudentie flora en faunawet 2014 JFF
In dit jurisprudentie overzicht behandelen Fleur Onrust en A. Drahmann de jurisprudentie Ffw van de…
Andere definitie Nbw-bestaand gebruik bij bestemmingsplan
In deze noot van Marieke Kaajan wordt de definitie van bestaand gebruik in de zin…
Honden aanlijnen en stikstofdepositie; geen mitigatie
Een aanlijn- en opruimplicht bij honden; is dat een mitigerende maatregel? In MenR 2015/6 schreef…
Bestemmingsplan en Flora en faunawet (BR 2014/136)
Fleur Onrust schreef in BR 2014/136. Essentie uitspraak: De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan…
Kwaliteit van de deskundigenrapporten bij ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Bouwrecht over de kwaliteit van deskundigenrapporten die…
Planvoorschriften en Natuurbeschermingswet
Deze annotatie van Marieke Kaajan en Marcel Soppe in MenR 2014/143 gaat in op de mogelijke…
Bestaand gebruik volgt ook uit melding Besluit Melkveehouderij
Uit een melding op grond van het Besluit Melkveehouderij kan ook de omvang van (vergund)…
Belang van de ‘Soortenstandaard’ bij de verlening ontheffing Ffw
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann in Br over de uitspraak van de Rechtbank…
Bescherming van natuur in de Omgevingswet
In het Themanummer Omgevingswet van Milieu en Recht (2014/8) schreef Marieke Kaajan een artikel over de mate…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014”, BR 2014/75. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2014 1.Inleiding Er is weer een…
Project of andere handeling?
Laagvliegen boven en nabij Natura 2000-gebieden, en het landen op onverharde delen van deze gebieden…
Flora en faunawet en dwingende redenen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann het artikel, “Dwingende redenen van groot openbaar belang…
Effectbeoordeling Duitse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 april 2014, ECLI-nr: NL:RVS:2014:1312 inz. De beoordeling van…
Aanleggen nieuw habitattype is compensatie
Marieke Kaajan schreef een noot over de uitleg van het verschil tussen mitigatie en compensatie. In…
Externe saldering en directe samenhang – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1207 inz. Externe saldering en…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:537 inz. Bestaand gebruik Nbw,…
Salderen met bestaande rechten – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:446 inz. Salderen met bestaande rechten die…
Effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden en bestaande rechten
Marieke Kaajan en Erwin Noordover schreven een noot onder ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:285 inz….
Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht
Marieke Kaajan schreeft “Highlights en actualiteiten van het natuurbeschermingsrecht”, Nieuwsbrief StAB 2014/1, p. 7-15. Zie het gehele…
Dwangsom en Flora en faunawet
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, BR 2014/9….
Wijziging Nbw-vergunning na de referentiedatum
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, BR 2014/20. 1. Met deze uitspraak…
Flora en faunawet, tijdelijke verstoring vaste rust- en verblijfplaats
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1925, BR 2014/8….
Salderen van deposities via een depositiebank
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 inz. Salderen van deposities via een depositiebank,…
Passende beoordeling niet verplicht ondanks inhoudelijke ecologische voortoets
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573, MenR 2014/57. (1) Deze uitspraak is,…
Flora en faunawet (Ffw) verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef met A. Drahmann een noot onder de uitspraak Rb Utrecht 6 september 2012,…
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9099 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie Nbw,…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013”, BR 2013/99. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 1.Inleiding Net als in…
Flora en faunawet en verklaring van geen bedenkingen
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:57, inz….
Bestaand gebruik in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:107 inz. Bestaand gebruik zoals gedefinieerd in…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3 inz. De beoordeling van effecten…
Stikstofverordening Noord-Brabant
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3654 inz. de Stikstofverordening Noord-Brabant, MenR…
Stikstofbeleid Provincie Overijssel – Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0687 inz. het “Beleidskader Natura 2000…
Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?
Marieke Kaajan schreef het artikel “Ontwikkelingsruimte met de PAS, of toch niet?”, Agr.r. 2013 (afl. 3),…
Definitie project in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579 over de: Definitie project Nbw, StAB 2013/65….
Flora en faunawet en Vvgb
Fleur Onrust schreef samen met A. Drahmann een noot onder Rb Midden-Nederland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1898, inz….
Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
Fleur Onrust schreef met A.Drahmann een artikel “​Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?”, in BR…
Bestaand gebruik – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3744 inz. Bestaand gebruik…
Effectbeoordeling en saldering – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9705 inz. Effectbeoordeling en saldering…
De beoordeling van effecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Marieke Kaajan schreef samen met A.C. Collignon een noot onder ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 inz….
De (on)mogelijkheid van een koepelvergunning – Natuurbeschermingswet
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4650 inz. De (on)mogelijkheid…
Flora- en faunawet pilot Tijdelijke natuur
Fleur Onrust schreef een noot onder de uitspraak ABRvS 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2544), BR 2012/140. 1. Dit…
Art. 19kd Nbw in combinatie met vergunningplicht art. 19d Nbw
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6948 inz. Art. 19kd…
Saldering op grond van de Nbw door middel van intrekking van een (milieu)vergunning
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0777 inz. Saldering op…
Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!
Marieke Kaajan schreef het artikel “Gebiedsbescherming in het wetsvoorstel natuur: oude wijn in nieuwe zakken?!”, MenR. 2011/181….
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0169 inz. Effectbeoordeling stikstofdepositie, StAB…
Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswet-vergunningen
Lees hier de noot die Marieke Kaajan schreef onder ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 inz. Overdraagbaarheid Natuurbeschermingswetvergunningen, StAB…
Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het uitrijden van mest
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1162 inz. Vergunningplicht Natuurbeschermingswet voor het…
Boom Basics Omgevingsrecht
M.M. Kaajan en F. Onrust schreven samen met V.L. van ’t Lam (red), J.C. van…
De uitleg van artikel 19kd Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef een noot onder ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 inz. De uitleg van art….
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011”, BR 2012/102. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2011 1.Inleiding In de kroniek…
Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010
Marieke Kaajan schreef de “Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010”, BR 2011/67. Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2010 1Inleiding Het natuurbeschermingsrecht in Nederland,…
Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet
Marieke Kaajan schreef het artikel “Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet”, TO 2010/2, p. 31-41….