Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

image_pdf

Datum: 18-07-2018

Waterschap, let op de procedure voor verzoeken om peilwijziging!

Waterschappen moeten waakzaam zijn bij de te volgen procedure voor verzoeken om peilwijziging. Dat blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2410.

Wat was er aan de hand?
Appellant wil het peil van de watergangen op zijn landbouwpercelen verlagen, zodat de percelen bij hevige regenval niet meer onder water komen te staan. Hiervoor vraagt appellant bij het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân een watervergunning aan. Op grond van de Keur Wetterskip Fryslân 2013 is deze handeling watervergunningplichtig.

Het algemeen bestuur van het Wettterskip Fryslân heeft beleid vastgesteld hoe aanvragen voor de wijziging van peilen worden behandeld. In dit beleid wordt onderscheid gemaakt tussen wijzigingen met een kleine impact en andere wijzigingen. Voor wijzigingen met een kleine impact wordt de procedure voor watervergunningverlening gevolgd. Voor andere wijzigingen wordt de procedure van een partiële herziening van het peilbesluit gevolgd.

Juridisch kader
Een van de instrumenten om het peil te reguleren is het peilbesluit. In peilbesluiten stellen  waterschapbesturen waterstanden of bandbreedten vast waarbinnen waterstanden kunnen variëren.  In de bij het peilbesluit aangegeven perioden rust op het waterschapsbestuur de wettelijke plicht uit artikel 5.2 lid 2 Waterwet om deze waterstanden zoveel mogelijk te handhaven. Het beheergebied van  waterschappen is meestal ingedeeld in peilvakken met peilen die aansluiten op de ontwateringseisen vanuit het landgebruik. In de praktijk komt het regelmatig voor dat (veelal) particulieren gebaat zijn bij  een afwijkend peil binnen het peilvak. Het peil wordt dan kunstmatig plaatselijk verlaagd om bepaalde  vormen van grondgebruik te faciliteren. Dit wordt ook wel onderbemaling genoemd. In veel gevallen is voor onderbemaling een watervergunning vereist op grond van de Keur van waterschappen. Om deze onderbemaling te faciliteren kan dus een watervergunning worden verleend of het peilbesluit (partieel) worden herzien.

Rechtsvraag
Volgens het dagelijks bestuur is de impact van de aangevraagde peilafwijking – onder verwijzing naar het beleid – in dit geval te groot om deze met een watervergunning te kunnen toestaan. Om die reden heeft het de aanvraag behandeld als een verzoek tot wijziging van het peilbesluit. Dat verzoek is vervolgens afgewezen, omdat er volgens het dagelijks bestuur geen zwaarwegende redenen zijn om in te stemmen met een partiële herziening van het peilbesluit. Is dit juridisch de juiste weg om op de aanvraag te beslissen?

Oordeel Afdeling bestuursrechtspraak
Appellant meent van niet. Hij stelt dat er ten onrechte geen besluit op de aanvraag is genomen, maar een beslissing over de herziening van het peilbesluit. Daarbij komt dat volgens hem niet het dagelijks bestuur, maar het algemeen bestuur bevoegd is om over de herziening van het peilbesluit te beslissen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt hem hierin. Het dagelijks bestuur heeft niet op de aanvraag beslist, maar door de aanvraag te behandelen als een verzoek om het peilbesluit te wijzigen en dit verzoek af te wijzen betreft dit besluit in zoverre een schriftelijke weigering om op de aanvraag te beslissen. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt vervolgens dat het niet aan het dagelijks bestuur is om zonder toestemming van de aanvrager de aangevangen procedure te wijzigen.

Verder berust de bevoegdheid om peilbesluiten vast te stellen bij het algemeen bestuur. Deze bevoegdheid kan op grond van artikel 83 lid 2 onder f Waterschapswet niet aan het dagelijks bestuur worden overgedragen. Delegatie van deze bevoegdheid is dus niet mogelijk. Het dagelijks bestuur is daarom ook niet bevoegd om te beslissen op verzoeken om vastgestelde peilbesluiten te herzien. Het conform het eerder genoemde beleid afwijzen van dergelijke verzoeken kan volgens de Afdeling niet worden gerekend tot de dagelijkse aangelegenheden waartoe het bevoegd is (zie artikel 84 lid 1 Waterschapswet). De bevoegdheid tot afwijzing is ook niet aan het dagelijks bestuur gemandateerd.

Zowel de schriftelijke weigering om op de aanvraag te beslissen als de weigering om het peilbesluit te herzien kunnen daarom niet in stand blijven. Het dagelijks bestuur dient alsnog op de aanvraag om watervergunning te beslissen.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?
Voor waterschappen is het van belang dat de aanvrager in het kader van het eventuele vooroverleg proactief wordt gewezen op (eventueel) beleid dat wordt gevoerd voor de beoordeling van verzoeken voor peilwijzigingen. Is eenmaal voor een watervergunningprocedure gekozen door de aanvrager terwijl het beleid eigenlijk een peilherziening voorschrijft, dan kan het dagelijks bestuur dit niet onder verwijzing naar dit beleid terugdraaien of ambtshalve de aanvraag aanmerken als een verzoek om het peilbesluit te herzien en hier zelf op beslissen. In dat geval dient er enkel op de ingediende aanvraag om watervergunning beslist te worden. Wel kan de aanvrager uiteraard worden gevraagd om zijn aanvraag in te trekken.

Het is ook om andere redenen zowel voor het waterschap als de burger (veelal agrariër) aan te bevelen om voordat de procedure wordt gekozen na te denken over de juridische consequenties ervan. Het peilbesluit en de watervergunning moeten immers in juridische zin strikt van elkaar worden onderscheiden. Het peilbesluit  is een  besluit van algemene strekking dat wordt vastgesteld door het  algemeen bestuur en zich uitsluitend richt tot het waterschapsbestuur, terwijl de regulering van afwijkingen van de in het peilbesluit vastgelegde waterstand  door  middel  van  een  vergunningplicht  gericht is tot de burger. Dit kan onder meer consequenties hebben voor de handhaving en aansprakelijkheid (zie hierover uitgebreid F.A.G. Groothuijse en J. Kevelam, ‘Peilbeheer op peil. De verhouding tussen het peilbesluit en de watervergunning voor peilafwijkingen’, Milieu & Recht 2016-10 (137), p. 794 t/m 804).


Gerelateerd

Aanleg of wijziging van waterstaatswerken: gedogen versus onteigening
Wanneer mag een waterschap een rechthebbende van onroerende zaken verplichten om de aanleg of wijziging van waterstaatswerken te gedogen? En wanneer moet tot onteigening worden overgegaan? Op deze vraag geeft de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1719 antwoord.
Geen voorwaardelijke verplichting maar borging via watervergunning
Mag je een voorwaardelijke verplichting tot realisatie van een noodzakelijke waterberging in een bestemmingsplan achterwege laten? Die vraag is aan de orde in ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in dit geval van wel nu de realisatie van de waterberging voldoende is gewaarborgd in het publiekrechtelijk spoor, over de boeg van de watervergunning.
Wateroverlastnormering en verplichting tot vaststellen projectplan
De gevolgen van klimaatverandering stellen waterschappen voor interessante uitdagingen voor het te voeren waterbeheer, nu en in de toekomst. De uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:582, is in dit verband interessant. Een appellant betoogt dat het waterschap een waterstaatkundig besluit moet nemen, omdat het waterschap ervoor moet zorgen dat zijn gronden nooit overstromen. In dit blog wordt antwoord gegeven op de vraag of het waterschap daar inderdaad toe gehouden is. Verder bespreek ik in hoeverre in strijd met het bestemmingsplan zou kunnen worden gehandeld als gronden overstromen. Tot slot leent deze uitspraak zich om het juridisch instrumentarium voor (actief) regionaal waterbeheer om wateroverlast te voorkomen, uitgebreider onder de loep te nemen.
Verhouding bestemmingsplan en keur – overlappende regelgeving
De uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:134, is het signaleren waard. Zij gaat onder meer in op de vraag of regels over waterberging in een ruimtelijk plan mogen worden opgenomen, terwijl hierover in de keur van het waterschap ook al een regeling is opgenomen. Deze vraag wordt in dit geval bevestigend beantwoord. In dit blog wordt het vraagstuk van overlappende regelgeving (keur en bestemmingsplan) nader belicht.
Toetsingskader vergunningverlening Waterwet
Wanneer moet een aanvraag om een watervergunning worden geweigerd voor het dempen van een sloot? Moet die geweigerd worden als die sloot feitelijk in gebruik is door grondschippers en rondvaartboten? Heeft de sloot om die reden een vaarwegfunctie? En is het van belang of het bevoegd gezag voor de vergunningverlening vaarwegbeheerder is? Deze vragen staan centraal in de Afdelingsuitspraak van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2999. Het antwoord op de vragen is in lijn met eerdere uitspraken van de Afdeling over het toetsingskader van de Waterwet (hierna: “Wtw”), maar kan in de literatuur wel op kritiek rekenen.
Watervergunning en verenigbaarheid met de doelstellingen van de Waterwet (art. 6.21)
Een watervergunning wordt geweigerd als de verlening van die vergunning niet verenigbaar is met doelstellingen…
Watervergunning geweigerd op grond van de onjuiste Keur
Interessante uitspraak van de Afdeling over de bestuursprocesrechtelijke vraag aan welke regels een besluit getoetst…
Medewerking van derden vereisen kan wel in Watervergunning
De Waterwet verzet zich niet tegen het stellen van voorschriften ter naleving waarvan de medewerking van…
Advies Raad van State wetsvoorstel Windenergie op zee
Op 20 oktober jl. heeft de Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel over…
Watervergunning kan alleen verplichtingen voor vergunninghouder bevatten
Uitspraak (ABRvS) van 8 oktober 2014 waarbij aan een watervergunning in een voorschrift een verplichting…