Amsterdam: +31 20 737 20 66
Almelo: +31 546 89 82 46
Leeuwarden: +31 20 236 10 24

Verzuim expliciet mer-beoordelingsbesluit fataal voor bestemmingsplan

Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, TBR 2019/113

Essentie

Ten onrechte geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan; dit gebrek kan niet worden gepasseerd met art. 6.22 Awb; andere vormen finale geschilbeslechting evenmin mogelijk; vernietiging bestemmingsplan in vereenvoudigde afdoening.

Samenvatting

Het vereiste in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer dat het bevoegd gezag een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt, betekent dat hierover een besluit van het bevoegd gezag is vereist, een mer-beoordelingsbesluit. Blijkens het verweerschrift is in dit geval (ten behoeve van het bestemmingsplan ‘De Nieuwe Wielewaal’ geen mer-beoordelingsbesluit genomen. Ook is niet alsnog een mer-beoordelingsbesluit overgelegd. In het verweerschrift stelt de raad slechts dat met de terinzagelegging van het ontwerpplan en hetgeen is vermeld in paragraaf 4.11 van de toelichting bij het ontwerpplan impliciet is besloten om niet een MER op te stellen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1513, overweging 11.4, kan een vormvrije mer-beoordeling die is opgenomen in de plantoelichting niet worden aangemerkt als een mer-beoordelingsbesluit. Nu een mer-beoordelingsbesluit ontbreekt, moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit mer neergelegde verplichting de daar genoemde artikelen uit de Wet milieubeheer toe te passen.
In de uitspraken van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, overweging 3.5, en 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1513, overweging 11.5, heeft de Afdeling een schending van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer vanwege het ontbreken van een (tijdig genomen) mer-beoordelingsbesluit gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat belanghebbenden daardoor in dat geval niet waren benadeeld. Benadeling van belanghebbenden was toen niet aan de orde, omdat in die zaken in het kader van het mer uitsluitend de beroepsgrond naar voren was gebracht dat een (tijdig genomen) mer-beoordelingsbesluit ontbrak. In die zaken waren geen inhoudelijke beroepsgronden naar voren gebracht tegen de verrichte vormvrije mer-beoordeling. Appellant sub 1 en anderen hebben in dit geval wel inhoudelijke beroepsgronden naar voren gebracht tegen de verrichte vormvrije mer-beoordeling. Zo hebben zij betoogd dat in de vormvrije mer-beoordeling verschillende milieuaspecten aan de hand van de criteria als bedoeld in bijlage III bij de mer-richtlijn ontoereikend zijn beoordeeld met als gevolg dat zij zich niet kunnen verenigen met de conclusie van de raad dat kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige voor het milieu kan hebben. Ter onderbouwing hebben (appellant sub 1) en anderen onder meer verwezen naar wat zij hebben aangevoerd over de aspecten geluid, gevaar en de effecten van het plan op de bestaande cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. Gelet op deze inhoudelijke beroepsgronden is niet aannemelijk dat (appellant sub 1) en anderen door het ontbreken van een mer-beoordelingsbesluit niet zijn benadeeld. De Afdeling ziet daarom in dit geval geen mogelijkheid om het ontbreken van het mer-beoordelingsbesluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De Afdeling ziet evenmin aanleiding om toepassing te geven aan andere vormen van finale geschilbeslechting die in de Awb worden geboden. Hieraan staat reeds in de weg dat naast het ontbreken van het mer-beoordelingsbesluit in dit geval ook op andere wijze geen toereikende integrale beoordeling is gemaakt van de mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu in relatie tot de criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. In paragraaf 4.11 van de plantoelichting is in het kader van de vormvrije mer-beoordeling immers alleen maar gesteld dat uit de beschouwing van de eerder in de plantoelichting genoemde milieuthema’s blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen bijzondere elementen bevat die bovenproportioneel bijdragen aan de aspecten genoemd in bijlage III bij de mer-richtlijn en dat daarom het uitvoeren van een mer-beoordeling niet noodzakelijk is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, overweging 20.4, dient de raad zijn standpunt dat een activiteit die beneden de voor de mer-beoordeling gedefinieerde drempel valt daadwerkelijk geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, deugdelijk te motiveren. Daarbij is een enkele verwijzing naar de verrichte sectorale onderzoeken niet voldoende. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3201, overweging 6.4, waarin is overwogen dat het bevoegd gezag een integrale beoordeling van de mogelijke nadelige milieugevolgen van het project dient te verrichten. Een dergelijke integrale beoordeling is niet aan de orde indien slechts wordt verwezen naar uitgevoerde sectorale onderzoeken naar de mogelijke milieugevolgen, zo heeft de Afdeling overwogen. Bij de integrale beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu dient rekening te worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. In de motivering van het mer-beoordelingsbesluit dient het bevoegd gezag ook te verwijzen naar deze relevante criteria, zo vereist paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer.

Uitspraak

ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, bestemmingsplan “De Nieuwe Wielewaal”, gemeente Rotterdam

Annotatie M.A.A. Soppe

1.         Voor activiteiten die staan vermeld in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer geldt voor de besluiten in kolom 4 een formele mer-beoordelingsplicht indien de drempelwaarde in kolom 2 wordt overschreden. Wordt de drempelwaarde niet overschreden, dan geldt er voor het desbetreffende besluit een vormvrije mer-beoordelingsplicht. Tot voor 7 juli 2017 dekte die term de lading. Voor de vormvrije mer-beoordeling golden geen procedurevoorschriften. De enige eis was dat bij het besluit een verantwoording werd gegeven of er vanwege de relevante criteria in bijlage III bij de mer-richtlijn mogelijk sprake zou kunnen zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen in verband waarmee een formele mer-beoordeling zou moeten worden verricht. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit mer in werking getreden (zie Stb. 2017, 175 en Stb. 2017, 297). Sindsdien geldt ingevolge art. 2 lid 5 sub b Besluit mer dat de procedurebepalingen voor de formele mer-beoordeling van overeenkomstige toepassing zijn voor de vormvrije mer-beoordeling. Het enige procedurele verschil tussen de mer-beoordeling boven en beneden de drempelwaarde, is dat bij een mer-beoordeling voor gevallen beneden de drempelwaarde het bevoegd gezag geen mededeling hoeft te doen van zijn mer-beoordelingsbeslissing. Gezien de formalisering van de procedure, is de term ‘vormvrije mer-beoordeling’ eigenlijk niet meer op zijn plaats. De praktijk blijft zich daar tot nog toe echter van bedienen. Zoals blijkt uit r.o. 5, doet de Afdeling dat ook.

2.         Over de huidige vormvrije mer-beoordeling is al de nodige jurisprudentie verschenen. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat nu bij de wijziging van het Besluit mer niet is voorzien in overgangsrecht, art. 2 lid 5 sub b Besluit mer onmiddellijke werking heeft. Zie ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129, JM 2018/150 (bestemmingsplan ‘Broek Zuid’; gemeente De Fryske Marren). Die uitspraak heeft betrekking op het bestemmingsplan ‘Broek Zuid’ waarin wordt voorzien in een nieuwe woonwijk van 86 woningen. Tussen partijen was niet in geschil dat het plan daarmee een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer omvat. Evenmin was in geschil dat de drempelwaarde in kolom 2 (2.000 woningen) niet wordt overschreden. De Afdeling constateerde dat het bestemmingsplan ‘Broek Zuid’ na 7 juli 2017 was vastgesteld en dat daarvoor een vormvrij mer-beoordeling ‘nieuwe stijl’ had moeten worden verricht. Daaraan kon niet afdoen dat de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan voor 7 juli 2017 heeft plaatsgevonden. Vanwege vorenbedoelde onmiddellijke werking, had het gemeentebestuur van de Fryske Marren voorafgaande aan die terinzagelegging een expliciet mer-beoordelingsbesluit moeten nemen. Doordat niet te doen was gehandeld in strijd met art. 2 lid 5 sub b Besluit mer juncto art. 7.19 leden 1 en 2 Wm. De Afdeling merkte daarbij op dat de opname van een vormvrije mer-beoordeling in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan niet kan worden beschouwd als een mer-beoordelingsbesluit (zie eveneens (r.o. 11.4 van) ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1513 (bestemmingsplan ‘Reconstructie N34 aansluiting Klijndijk’; gemeente Borger-Odoorn).

3.         Het verzuim om tijdig een mer-beoordelingsbesluit te nemen werd de gemeente Fryske Marren niet fataal. Gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan was door de raad alsnog een expliciet mer-beoordelingsbesluit genomen (inhoudende dat geen MER hoefde te worden gemaakt). Omdat er in beroep door de appellant geen inhoudelijke beroepsgrond over de mer-beoordeling en het mer-beoordelingsbesluit naar voren was gebracht, een ander ingesteld beroep was ingetrokken en er daarnaast geen andere beroepen tegen het vastgestelde bestemmingsplan waren ingediend, passeert de Afdeling het verzuim onder toepassing van art. 6:22 Awb. Dit is in lijn met ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100, JM 2018/123 (ontgrondingsvergunning Sellingerbeetse; provincie Groningen). De Afdeling heeft art. 6:22 Awb ook toegepast in situaties waarin voorafgaande aan de besluitvorming weliswaar een vormvrije mer-beoordeling was verricht, maar waarin geen expliciet mer-beoordelingsbesluit was genomen. Zie ABRvS 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1470 (bestemmingsplan ‘Uitvaartfaciliteit Hoendiep’; gemeente Groningen), waarin de mer-beoordeling was opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan. Zie ook ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105, TBR 2019/80 (bestemmingsplan ‘De zeven Dorpelingen’; gemeente Bergen (NH)) en ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1513 (bestemmingsplan ‘Reconstructie N34 aansluiting Klijndijk; gemeente Borger-Odoorn). De Afdeling kent in die uitspraken ook betekenis toe aan het gegeven dat er door appellanten geen inhoudelijke beroepsgronden zijn gericht tegen de in de toelichting van het desbetreffende bestemmingsplan opgenomen mer-beoordeling.

4.         De onderhavige uitspraak ziet op het bestemmingsplan ‘De Nieuwe Wielewaal’. Dat plan voorziet in de herontwikkeling van een woonwijk en maakt ter vervanging van 545 bestaande woningen maximaal 675 nieuwe woningen mogelijk. Daarmee wordt volgens de Afdeling voorzien in een stedelijk ontwikkelingsproject ex onderdeel D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden. De Afdeling constateert dat het bevoegd gezag (ingevolge art. 7.1 lid 4 Wm is dat niet alleen de gemeenteraad, maar ook het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam; zie in dat verband r.o. 12) geen expliciet mer-beoordelingsbesluit heeft genomen. Aldus is gehandeld in strijd met art. 2 lid 5 sub b Besluit mer juncto art. 7.19 leden 1 en 2 Wm. Daarmee slaagt de daarop ziende beroepsgrond. De Afdeling ziet geen ruimte om art. 6:22 Awb toe te passen. Onder verwijzing naar haar (hiervoor aangehaalde) uitspraken van 26 september 2018 en 15 mei 2019, geeft ze aan dat anders dan in die zaken in casu niet gesteld kan worden dat door het ontbreken van het mer-beoordelingsbesluit belanghebbenden niet zijn benadeeld. Daartoe is beslissend dat door appellanten inhoudelijke beroepsgronden naar voren zijn gebracht tegen de impliciete mer-beoordeling die is neergelegd in de toelichting bij het bestemmingsplan. De Afdeling ziet evenmin aanleiding om toepassing te geven aan andere vormen van finale geschilbeslechting die in de Awb worden geboden (zoals het in stand laten van de rechtsgevolgen). In dat kader komt de kwaliteit van de impliciete mer-beoordeling om de hoek kijken. De in de plantoelichting opgenomen informele mer-beoordeling bevat in de kern alleen verwijzingen naar de voor het bestemmingsplan uitgevoerde sectorale onderzoeken. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (zie r.o. 9) oordeelt de Afdeling dat zulks onvoldoende is. De Afdeling herhaalt dat een mer-beoordeling een integrale beoordeling moet bevatten van de mogelijke nadelige milieugevolgen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Ook benadrukt de Afdeling dat in de motivering van het mer-beoordelingsbesluit dient te worden verwezen naar deze relevante criteria. Wat betreft de eis dat er in een mer-beoordeling een integrale beoordeling moet worden gemaakt, kan o.a. gewezen worden op de in dit tijdschrift gepubliceerde uitspraak ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113, JM 2015/23  (bestemmingsplan ‘Rhijnbeek’, gemeente Almelo).

5.         De overwegingen van de Afdeling suggereren dat de Afdeling reeds langer een bestendige koers vaart wat betreft haar toetsing van de mer-beoordelingsregelgeving. Dat is echter niet volledig het geval. Er zijn wel uitspraken waarin de Afdeling het verzuim van een integrale beoordeling niet als een gebrek aanmerkt. Zie bijvoorbeeld Vz. ABRvS 19 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:980 (bestemmingsplan ‘Dwingeloo, partiële herziening brede school’ Westerveld). De voorzieningenrechter van de Afdeling overweegt daarin dat er wellicht sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht, maar dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat in weerwil van de uitkomsten van de onderzoeken naar de verschillende milieuaspecten die zijn neergelegd in de bestemmingsplantoelichting, er desondanks sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Dit voorlopige oordeel is één op één overgenomen in de bodemuitspraak (zie ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2068 (r.o. 4.1)). Zie ook (r.o. 8.3 van) ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3791  (omgevingsvergunning perceel Goese Poort; gemeente Goes). Gezien de door de Afdeling in casu gegeven onderbouwing, lijkt het echter meer dan aannemelijk dat er vanaf nu wel een eenduidige koers wordt gevaren. Wanneer er niet tijdig een mer-beoordelingsbesluit is genomen en er in het geheel geen mer-beoordeling is gemaakt (ook niet in het kader van het verweerschrift), dan ligt een vernietiging van het mer-beoordelingsplichtige besluit in de rede wanneer daartegen een beroepsgrond is gericht. Is er geen dan wel niet tijdig een mer-beoordelingsbesluit genomen en is er wel een mer-beoordeling verricht (bijvoorbeeld in de toelichting van een bestemmingsplan), dan kan het gebrek met een beroep op art. 6:22 Awb worden gepasseerd als er door geen van de appellanten een inhoudelijke grond tegen de mer-beoordeling is gericht (en er ook overigens geen belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld). Is er wel een inhoudelijke beroepsgrond gericht tegen de mer-beoordeling, dan hangt het van de kwaliteit van de beoordeling af of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

6.         Het is opvallend dat de Afdeling geen expliciete overweging wijdt aan de bestuurlijke lus. Omdat de zaak vereenvoudigd wordt afgedaan, ziet de Afdeling in een casus als de onderhavige ten principale kennelijk geen mogelijkheid om de bestuurlijke lus toe te passen. Het zal te maken hebben met het fundamentele karakter van het gebrek (zoals de Afdeling in r.o. 11 overweegt). Enige nadere duiding zou wenselijk zijn geweest. In het verleden achtte de Afdeling het voor de vormvrije mer-beoordeling ‘oude stijl’ (dat wil zeggen onder vigeur van art. 2 lid 5 sub b Besluit mer zoals dat voor 7 juli 2017 gold) namelijk wel degelijk mogelijk om het ontbreken van zo’n (toereikende) beoordeling in het kader van een bestuurlijke lus te repareren. Zie o.a. ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:50, JM 2015/40 (luchthavenbesluit Oostwold; provincie Groningen) en ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156, JM 2015/120 (bestemmingsplan ‘Buitengebied, (locatie)’; gemeente Oldebroek).

7.         Wanneer grieven ten aanzien van mer-(beoordeling) eerst in het stadium van beroep worden aangevoerd, impliceert dat niet dat deze daarom buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. Het is vast jurisprudentie dat er binnen de door de wet en goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel aan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Zie onder meer ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3687 (bestemmingsplan ‘De Slottuin’; gemeente Heemstede) en ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26 (bestemmingsplan ‘Weenapoint’; gemeente Rotterdam). In mijn noot bij laatstgenoemde uitspraak in M en R, heb ik de vraag gesteld of een mer-(beoordelings)grief is te herleiden tot een besluitonderdeel van een bestemmingsplan. In het verlengde daarvan merkte ik op: ‘Wellicht dat de m.e.r.-grief herleid kan worden tot het plandeel waardoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht in het leven wordt geroepen. Het in beroep voor het eerst aanvoeren van de grond dat is verzuimd een m.e.r.(-beoordeling) te verrichten, zou dan alleen mogelijk zijn voorzover het desbetreffende plandeel in de zienswijzenfase is bestreden. In de onderhavige uitspraak gaat de Afdeling niet in op de vraag of de m.e.r.-grief betrekking heeft op een bestemmingsplanonderdeel dat is bestreden in de zienswijzenfase. Daardoor blijft enige onduidelijkheid bestaan over de vraag of een m.e.r.-grief in bestemmingsplanverband überhaupt is te herleiden tot een of meerdere besluitonderdelen. Die vraag is temeer interessant aangezien de Afdeling in onder meer ABRvS 18 juli 2012, nr. 201009631/1/A4, heeft overwogen dat een beroepsgrond over de milieueffectrapportage geen betrekking heeft op een besluitonderdeel van een milieuvergunning. De onderdelenfuik is daarmee voor m.e.r.-grieven niet relevant. Oftewel, in het kader van een omgevingsvergunning met betrekking tot de activiteit oprichten/wijzigen van een inrichting kunnen beroepsgronden over m.e.r. zonder meer voor het eerst in beroep worden aangevoerd’. Uit r.o. 7.2 van de onderhavige uitspraak leid ik af dat de Afdeling de mer-(beoordeling) inderdaad herleidt tot het planonderdeel waardoor de mer-(beoordeling) in het leven wordt geroepen. Omdat de door de desbetreffende appellanten ingebrachte zienswijzen in casu betrekking hadden op de voorziene herontwikkeling van de woonwijk (het mer-beoordelingsplichtige besluitonderdeel), gaat de Afdeling inhoudelijk in op de mer-beoordelingsberoepsgrond ook al was die niet eerder in de zienswijzen naar voren gebracht.


Gerelateerd

Informele mer-beoordeling bestemmingsplan moet zien op gehele woningbouwlocatie
Annotatie MA.A. Soppe ABRvS 20 januari 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:80
Voorschriften OBM moeten te herleiden zijn tot mer-beoordelingsaanmeldnotitie
Annotatie Soppe ABRvS 13 november 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:3820, M en R 2020/18
Ontgrondingsvergunningen omvatten inhoudelijk geen wijziging ten opzichte van de voorheen verleende tijdelijke vergunningen en vallen daarom niet onder de mer-(beoordelings)plicht
Annotatie Soppe ABRvS 21 augstus 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2822, M en R 2020/55
Geen expliciet mer-beoordelingsbesluit voor bestemmingsplan woonwijk
Annotatie ABRvS 9 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106
Bouw 40 woningen met steigerplaatsen voor afmeren van een boot, ziet niet op een jachthaven in de zin van het Besluit mer; art. 8:69a Awb in relatie tot mer-beoordeling en art. 7.2a Wm
Annotatie Soppe ABRvS 8 april 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1010, M en R 2020/62
Doelstelling initiatiefnemer relevant voor niet opnemen alternatief in plan-MER. Toename stikstofdepositie N2000-gebied toereikend passend beoordeeld (systeemanalyse)
Annotatie Soppe ABRvS 11 maart 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:741, M en R 2020/38
Omvang van Europese onderzoeksverplichtingen naar milieueffecten voor het verlengen van de termijn van elektriciteitsproductie door twee Belgische kerncentrales
Erwin Noordover schreef een annotatie bij HvJ EU 29 juli 2019, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie…
Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)
Annotatie Soppe ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6
Concept plan-MER hoeft ingevolge de Wet openbaarheid bestuur niet openbaar te worden gemaakt
Annotatie Soppe ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3299, M en R 2019/27
Staat mer-richtlijn toe dat slechts één van de noodzakelijke besluiten aan mer-plicht wordt verbonden?
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 3 juli 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:2217, M en R 2019/84
Toename endotoxinen leidt tot mer-plicht
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 22 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1632, M en R 2019/81
Voor andere bevredigende oplossing Wnb-ontheffing gebruik maken van milieueffectrapportage en beoordeling bestemmingsplan
Annotatie ABRvS 8 mei 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1491, M en R 2019/78
Wijziging bestaande bebouwing in permanent logiesverblijf voor arbeidsmigranten geen stedelijk ontwikkelingsproject
Annotatie ABRvS 17 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1253, M en R 2019/61
Omgevingsvergunning eerste fase mag niet buiten behandeling worden gelaten vanwege mer-beoordelingsplicht tweede fase
Annotatie Soppe ABRvS 3 april 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:1013, M en R 2019/60
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, M en R 2018/60
Wijziging tracébesluit verplicht niet tot opstellen van nieuw MER
Annotatie Soppe ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, M en R 2019/45
Mer-beoordelingsbeslissing voorafgaand aan terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Annotatie Kevelam en Soppe ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, M en R 2018/129
Toename emissie endotoxinen vanwege pluimveehouderij leidt tot mer-plicht
Annotatie Soppe ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496, M en R 2018/113
Winning delfstoffen onder water geen delfstoffenwinning uit landbodem uit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, M en R 2018/100
Geen kaderstellend mer-plichtigplan ingeval van één-op-één inpassing vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066, M en R 2018/101
Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf
Annotatie Soppe ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58
Inspraak over ontwerpbesluit voldoende vroegtijdige inspraak
Annotatie Kevelam ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, M en R 2018/84
Functiewijziging winkelcentrum geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D-11.2 Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348, TBR 2018/62
Herstructurering N280 Roermond is wijziging autoweg in de zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 24 januari 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:224, M en R 2018/46
Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen
Annotatie Soppe ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 19 juli 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1939, M en R 2017/135
Toepassing kruimelgevallenregeling in relatie tot kolom 1 en kolom 2 uit categorieën Besluit mer
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, TBR 2017/99
Feitelijk bestaande (planologische legale) situatie bepalend voor mer-(beoordelings)plicht bestemmingsplan bij Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, M en R 2017/72
Eenheid Sm3 of Nm3 bij C-17.2 Besluit mer (winning aardolie en aardgas)
Annotatie Soppe Vz. ABRvS 2 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:561, M en R 2017/83
De Wet tarieven: de Commissie m.e.r. uit de markt geprijsd?
Milieu & Recht 2016/19
Omgevingsplan en m.e.r.
In deze bijdrage wordt de werkingssfeer van de voorgestelde m.e.r.-regelgeving ten aanzien van het omgevingsplan besproken. Verder wordt er ingegaan op de reikwijdte van de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor zover die is verbonden aan het omgevingsplan.
Geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten niet genoemd in kolom 4 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3170, M en R 2017/92
Functionele ontgronding is winning oppervlaktedelfstoffen Besluit mer
Annotatie ABRvS 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3152, M en R 2017/13
Betekenis kosten bij bepaling mer-alternatieven
Annotatie Soppe ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2988, M en R 2017/35
Informele mer-beoordeling voldoende bij formele mer-beoordelingsplicht
Annotatie Soppe ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, M en R 2016/149
Planologische vergelijking bij bepalen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944, M en R 2017/18
Betekenis voorzienbaarheidscriterium voor activiteiten in Besluit mer zonder term ‘capaciteit’
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:482, M en R 2016/69
Bepalen en effectueren mer-plicht bij grensoverschrijdende activiteiten
Annotatie Soppe ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, M en R 2016/78
Eventuele toekomstige gaswinning niet betrekken bij mer-beoordeling exploratieboring
ABRvS Kevelam en Soppe 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155, M en R 2016/64
Wijziging geluidvoorschrift kartbaan geen wijziging activiteit categorie D-43 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, M en R 2016/52
Relativiteitsvereiste en beoordeling beroepsgronden milieuaspecten uit mer-beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14
Geen mer-beoordeling als activiteit niet voldoet aan kolom 1-omschrijving Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 19 augstus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631, M en R 2015/143
Recycling is geen verwijdering afvalstoffen uit categorie D-18.1 Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2457, M en R 2015/156
Planologische vergelijking bij bepalen mer-plicht bestemmingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2078, M en R 2015/125
Relativiteitsvereiste in relatie tot plan-mer-regeling en artikel 7.2a Wm
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713, TBR 2015/114
Twee fasen bedrijventerrein één samenhangende activiteit bij toepassing Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, M en R 2015/106
Achterwege laten plan-mer-plicht bestemmingsplan ingeval van vergunning Natuurbeschermingswet 1998 met passende beoordeling
Annotatie Soppe ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1161, M en R 2015/105
Exploratieboringen aardgas en aardolie niet mer-plichtig ingevolge mer-richtlijn
Annotatie Soppe HvJEU 11 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:79, M en R 2015/73
Hoofdlijnen milieubestuursrecht
Hoofdlijnen milieubestuursrecht, 2015, hoofdstuk 9 (Milieueffectrapportage), pag. 187-208
Integrale beoordeling milieugevolgen bij informele mer-beoordeling
Annotatie Nijmeijer en Soppe ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, TBR 2015/113
Verwerking licht asbesthoudend staalschroot in smelten staal valt onder categorie C-21-5 en D-21.5
Annotatie Soppe ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4531, M en R 2015/50
Mer-beoordelingsbesluit inhoudende dat MER moet worden gemaakt bij uitbreiding ontgronding
Annotatie Soppe ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546, M en R 2015/22
Reikwijdte van plan-m.e.r. is beperkt tot m.e.r.-plichtige onderdelen plan; planregels om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 niet toegestaan
Annotatie Kaajan en Soppe ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, M en R 2014/143
Opzet en vormgeving-criterium ingeval van wijziging activiteit Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, M en R 2014/113
Co-vergistingsintallatie is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege categorieën D-18.4, D-21.6 en D-22.1
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79
Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele is geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r
Annotatie Soppe ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:517, M en R 2014/80
Opnemen maximale capaciteit vergassingsinstallatie categorie C-18.4 Belsuit mer in planregels toegestaan
Annotatie Soppe ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46
Activiteit categorie C-18.4 Besluit m.e.r zowel verwijdering als nuttige toepassing afvalstoffen
Annotatie Soppe Rb Noord-Nederland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:149, M en R 2014/45
Communautaire grenzen aan het beperken van de project-m.e.r.-plicht tot het eerste ruimtelijk plan over een gefaseerd te realiseren project (mede bezien in het licht van de Omgevingswet)
P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Toonbeelden, Gedachten over provinciaal omgevingsrecht ter herinnering aan Toon de Gier, Kluwer 2013, p. 159-165
Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning
Annotatie Soppe ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127
Reikwijdte van categorie D.35c van het Besluit mer (conserven)
Annotatie Soppe ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:18, M en R 2013/116
En weer een moderniseringsslag … Of vormt de Omgevingswet dan toch het eindstation voor een eigentijds m.e.r.-systeem? Uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen in de m.e.r.-regelgeving ingevolge de Omgevingswet
TO 2013, nr. 2, p. 55-67
Hoofdlijnen regelgeving inzake milieueffectrapportage
Vastgoedrecht 2013, nr. 1 p. 7-14
Eén stedelijk ontwikkelingsproject in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8002, AB 2013/96
Geen mer-beoordeling voor uitwerkingsplan
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6741, TBR 2013/43
Samenhangende ontgrondingslocatie voor bepaling mer-(beoordelingsplicht)
Annotatie Soppe ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6766, AB 2013/97
Nieuwe en bestaande windturbines windpark in zin van Besluit mer
Annotatie Soppe Rb Haarlem 12 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6096, M en R 2013/42
Geen samenhangende installaties windturbines Lelystad
Annotatie Soppe ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3088, M en R 2013/41
Besluit-MER beperkt tot bestemmingsplan dat deel is van groter plan
Annotatie Soppe ABRvS 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8982, M en R 2013/26
Passende beoordeling en plan-mer voor bestemmingsplan met significante effecten Natura 2000-gebied en plan-mer-gebrek is niet passeerbaar
Annotatie Soppe ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1871, TBR 2012/166
Plan-mer-plicht als bestemmingsplan meer mogelijk maakt van vergunde situatie
Annotatie Soppe ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6920, TBR 2012/129
Bangert en Oosterpolder: lange leve de duidelijkheid
Toets 2008, nr. 5, p. 4-9